Schriftlezing: Spreuken 3: 1 – 20

Thema: Wegwijs

Deze preek is gehouden in een doopdienst.

‘Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet … .’ Zo begint Spreuken 3. Mijn lieve zoon, mijn lieve dochter, mijn lieve kind … . Dat klinkt vaderlijk, paternalistisch, bevoogdend. Dat werkt bij een jong kind, het biedt veiligheid en warmte. Maar een tiener zou de neiging hebben hard weg te lopen. Wat eens een warme deken was, is dan een verstikkende deken geworden. Het heeft veel weg van een wanhoopsoffensief: alsjeblieft, luister nog even naar je vader, je moeder, je oude leraar … . Misschien dat de vorm niet helemaal de onze is, de zorg, het gevoel kennen we. We willen onze kinderen, het nageslacht iets meegeven. Sterker nog: we willen dat ze goed terecht komen in het leven, dat ze gelukkig worden. Leidraad is daarbij het geloof, het vertrouwen in God. De Spreukendichter schrijft: ‘Vertrouw op de Heer met heel je hart.’ En: ‘Denk aan Hem bij alles wat je doet.’ Het gaat om de relatie met de levende god, met de God van Abraham en Sara, de God van Isaäc en Rebekka, de God van Jakob met Lea en Rachel, de Vader van onze Heer Jezus Christus. Van Hem mogen wij zeggen: mijn God, mijn Heer. Maar wat breng ik dan over? Hoe breng ik dat dan over? Hoe maak ik ze wegwijs?

Een bekend pedagoog, prof. ter Horst, schetst in een van zijn boeken over geloofsopvoeding en geloofsoverdracht het beeld van het dorpje Olim. Het is een dorpsgemeenschap uit de goede, oude tijd. Alles ging, zoals het altijd gegaan was. En dat was goed. De bakker bakte zijn brood, bezorgde het. Hij wist precies, hoe hij elk van zijn klanten aan moest spreken: de baron anders dan de dominee, en die weer anders dan het hoofd van de school, de dokter, de rijke en de armere boeren, de arbeiders. Ieder kende zijn plaats. De bakker had alles geleerd van zijn vader en die weer van zijn vader. Zijn vrouw verzorgde de kinderen. Ze had er een dagtaak aan, net als haar moeder en haar grootmoeder. Ze gaf haar ervaring door aan haar dochters. In het dorp wist iedereen wat nodig was en hoorde bij een geboorte, bij een huwelijk, bij een overlijden. Elk jaargetijde had zijn eigen taken en gebruiken. In het midden van het dorp stond de kerk. Ook dat was altijd zo geweest, zo leek het. Waarden, normen, regels en gebruiken: alles lag vast, ze werden door iedereen aanvaard. Gesprek, discussie over veranderingen waren niet of nauwelijks nodig. De vraag waarom iets zus of zo ging, zou alleen maar stuiten op onbegrip. Olim is een idylle. Olim bestaat niet meer. We verlangen er mogelijk wel eens naar, naar de stilte en de rust. Maar tegelijk weten we dat dat verlangen maar voor even is. Olim is voorbij. Vroeger bepaalde de kerk het leven, de cultuur. Nu is de kerk een onderdeel van het leven, een onderdeel naast andere, een subcultuur. Wat pregnant gezegd: vroeger bepaalde kerk en kerkgang onze agenda. Nu bepaalt onze agenda kerk en kerkgang.
Hoe nu verder? Ter Horst stelt ons dan de vraag: wat is jouw agenda, wat staat daarin? Op de korte termijn. Op de lange termijn. Wat is van jouw geloofsovertuiging nu jouw toekomstvisioen? Waar moet het heen, met jezelf, met de wereld, met Gods schepping, met je kinderen? We hebben daar in de kerk een mooie term voor: het Koninkrijk Gods. Wat heb jij daarin nu voor ogen? Wat is je ideaal? Probeer dat nu eens heel concreet voor ogen te stellen. De kans is groot, dat we iets voor ogen krijgen, wat lijkt op hetgeen Jezus ons voorhoudt. Gezonde mensen – genezen van blindheid, doofheid, wat voor ziekte dan ook; niemand wordt gemist door de dood; leven in harmonie en vrede – geen rijdende rechter meer nodig voor de kleine geschillen, geen oorlog; het kwade is door het goede overwonnen … . Het kan natuurlijk ook zijn, dat uw ideaal ergens anders ligt, dichter bij de huidige samenleving, dichter bij principes als ‘ieder is verantwoordelijk voor zijn eigen leven’ en ‘het recht van de sterkste’. Wat is uw ideaal? Dat is dus de eerste vraag.
We zouden daar een tweede vraag aan kunnen toevoegen: wie of wat hebben we daarvoor nodig? Eén ding is duidelijk, mensen redden het niet alleen. Zij, wij hebben hulp nodig, God nodig. God: Hij zal ons wakker schudden, de weg wijzen, Zijn weg wijzen, kracht geven. Maar ook: God maakt heel, wat mensen vaak zo argeloos kapot hebben gemaakt, in Jezus Christus heelt, verzoent Hij zonde en schuld. Hij maakt Zélf de begaanbaar, Hij opent deuren die anders gesloten zouden blijven.

Het Spreukenboek schudt ons vanmorgen op twee manieren wakker. Aan de ene kant: vertrouw op God, luister naar Hem, naar Zijn Woord. Zoek Hem, elke dag opnieuw. Aan de andere kant staan er in de Spreuken ook hele praktische raadgevingen. ‘Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft en waartoe je de mogelijkheden hebt om het terug te geven.’ ‘Maak geen ruzie, als iemand je geen kwaad heeft berokkend.’ ‘Wees niet jaloers als iemand geweld durft gebruiken.’ Zo ga je in de richting van dat wat Jezus het Koninkrijk van God heeft genoemd. Twee kanten, twee sporen, een tweesporenbeleid.
Sommigen zullen zeggen: al die praktische raadgevingen, het ligt allemaal vreselijk voor de hand, ik weet het allemaal wel. Mijn vraag zou dan zijn: doe je het ook? En: doe je genoeg? De kern van de wijsheid van het Spreukenboek lijkt me dat je geen genoegen neemt met de bestaande toestand, niet met jezelf, niet met de omstandigheden … . Wijsheid is zoeken naar de oorzaken binnen en buiten jezelf. Wijsheid is zoeken naar wegen om daar verandering in te brengen. Wijsheid is in dat alles God te zoeken.
Anderen zullen kritischer zijn. Een helpende, steunende God. Toch is er zoveel mis in de wereld. Wat moet ik met dat visioen? Het Spreukenboek durft het zo scherp niet te stellen. De Spreuken zijn vol van goed vertrouwen in God. De grote waaromvraag wordt niet gesteld. Die vinden we wel weer in andere wijsheidsliteratuur, in het boek Job bijvoorbeeld. Waarom, waar is God dan? Het doet me denken aan een detective die ik laatst op TV zag. Het ging om een ernstig treinongeluk. Het onderzoek bevredigde niet. De nabestaande ondernamen actie, met name een vrouw die haar dochtertje had verloren. Langzaam wordt duidelijk, wat er nu precies is misgegaan, wie het ongeluk heeft veroorzaakt. Toch is de vrouw teleurgesteld. Feitelijk is alles duidelijk, maar ze blijft over met een grote vraag: waarom? Een man van het onderzoeksteam is begaan met haar lot. Hij zegt zoiets als: ‘Wij kunnen nauwkeurig feiten opsporen, alles benoemen en een plek geven, de situatie reconstrueren. Maar één vraag blijft altijd over, de vraag naar het waarom.’ De waaromvraag: dat is gevaarlijk terrein. Ook in de kerk staan we vaak met lege handen. Maar we durven die vraag in ieder geval te stellen, naar een antwoord te zoeken, hoe moeilijk ook. In de kerk mag het gaan over oorsprong, doel en zin. In de kerk, in het geloof gaat vooral om het cement in het leven, het cement dat de losse stenen bijeen hout, tot één geheel maakt.

Hoe maken wij onze kinderen wegwijs? Wat is nodig voor geloofsoverdracht en geloofsopvoeding? Dat heeft alles te maken met goochem zijn (N.B. goochem is afkomstig van het Hebreeuwse woord voor wijsheid, chokma): inspirerend voorleven, laten zien, hoe God, hoe Zijn woorden het cement zijn van jouw leven. Vertel van het visioen dat je hebt, vertel van de omgang met God en Jezus. Juist in deze tijd lukt dat niet alleen. Zoek daarom bondgenoten, in de Bijbel, in de kerkelijke gemeente om je heen, om samen met God hulp de weg te gaan naar Zijn toekomst.

Alphendebron/050605


http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2005, KWdJ