1.         Inleiding

 

 

In 1892 ontstonden de Gereformeerde Kerken in Nederland. Enkele jaren daarna ver­scheen een kerkboek dat alles bevatte wat voor de inhoud en vormgeving van de Gerefor­meerde eredienst nodig was: psalmen, gezangen, belijdenisgeschriften en liturgi­sche formulieren. Ter ondersteuning van deze uitgave begon Abraham Kuyper, wiens naam en optreden ook in dit opzicht nauw met de Gereformeerde Kerken verbonden is, in 1897 met een artikelenreeks in zijn lijfblad De Heraut. De artikelen werden in 1911 gebundeld, aangevuld en uitgegeven onder de titel Onze Eeredienst. Kuyper hoopte met de artikelen binnen afzienba­re tijd velen van zijn ideeën te overtuigen en in zijn kerken iets als een liturgische beweging op gang te brengen, hetgeen tot zijn teleurstelling niet gebeurde. Toch kan hem, zeker in het licht van latere ontwikkelingen, een realistische kijk niet worden ontzegd. In een artikel, dat in eerste instantie in 1898 verscheen, schreef hij: "Men hebbe geduld. Niet alles gaat opeens. Niet hoever we in tien, maar hoever we in honderd jaar kwamen is de vraag die over ons beginsel beslist."[1]

Over niet al te lange tijd zal de door Kuyper genoemde eeuw voorbij zijn. Dat moment zou wel eens kunnen samenvallen met het gereedkomen van de eerste lezing van een nieuw dienstboek voor de drie kerken die thans 'Samen op Weg' zijn: de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, de Gerefor­meerde Kerken in Nederland en de Nederlandse Hervormde Kerk. Met de realise­ring van dit dienstboek behoort een periode van gescheiden optrekken tot het verleden. Daarmee dient de vraag van deze studie zich aan. Wat hebben de Gereformeerde Kerken in het achterliggende tijdvak met betrekking tot de eredienst geleerd? Wat kan van daaruit hun specifieke bijdrage aan deze samenwerking zijn? Om op deze vragen een gefundeerd antwoord te kunnen geven, kan ik niet volstaan met het bestuderen van de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken. Voor een goed begrip van de ontwikkelingen die in deze kerken op liturgisch gebied plaats­vonden, is het nodig ook haar voorgangsters tot voorwerp van studie te maken: de kerken van Afscheiding en Doleantie. Om het geheel niet te zeer te laten uitlopen, heb ik in het onderzoek een drietal aandachtspunten gehanteerd: Wie bepaalden de inrichting van de Gereformeerde eredienst? Welke criteria gebruikten zij daarbij? Onder welke omstandigheden kwamen zij daartoe?


Bij de vraag naar hetgeen de Gereformeerde Kerken op liturgisch gebied hebben geleerd, zal in de eerste plaats bekeken worden, wie de inrichting van de Gerefor­meerde eredienst bepaalde: gemeente, predikant, kerkeraad of synode? Eerst nadat de vraag naar de verantwoordelijkheid voor de inrichting van de eredienst beant­woord is, kan onderzocht worden, of, en vervolgens in hoeverre en op welke wijze die verantwoordelijkheid gestalte gekregen heeft. De vraag naar de verantwoorde­lijkheid raakt ook de kwestie van het ambt: het drievoudig ambt, in het bijzonder dat van predikant, alsmede het ambt van de gemeente, het priesterschap aller gelovigen. Daarom zal dit waar nodig ook aan de orde komen. Van een uitvoerige behandeling van de ambtsproblematiek echter kan vanwege haar zeer uiteenlopende - ook vaak niet-liturgische - aspecten, in deze studie geen sprake zijn. Bovendien zal blijken, dat de ambtskwestie in de uiteindelijke vormgeving van de eredienst doorgaans een ondergeschikte rol heeft gespeeld. Een nadeel van de inzet bij de verantwoordelijkheid voor de eredienst is, dat hij in eerste instantie een formeel karakter draagt. Zou niet eerst moeten worden gedefinieerd, wat liturgie eigenlijk is en vervolgens bekeken moeten worden, wie aan de ontwikkeling daarvan een bijdrage heeft geleverd? Daar staat in de gekozen werkwijze als belangrijk voordeel tegenover, dat de manieren waarop men de eredienst gestalte wilde geven, steeds in hun eigen historische context beschreven en gewaardeerd kunnen worden. Aange­zien het onderzoek door zijn aard een sterk geschiedkundige inslag heeft, heeft dit laatste de doorslag gegeven.

Bij het tweede aandachtspunt - de criteria - stellen we de vraag: op welke wijze hebben Gereformeerden hun inrichting van de eredienst verantwoord? Ontleenden zij hun argumenten aan de Schrift? Of lieten zij zich meer gelegen liggen aan een bepaalde gestalte van de  gereformeerde traditie? En welke gestalte was dat dan? In hoeverre betoonde men zich gevoelig voor gebeurtenissen en discussies die zich buiten de grenzen van het eigen kerkgenootschap afspeelden? Opnieuw komt de gemeente in zicht. Welke rol speelde haar beleving van de eredienst in de vormge­ving daarvan? Aan de hand van vragen als deze kan inzichtelijk worden gemaakt, waaraan de bovengenoemde personen en instanties hun rechten ontleenden, welk liturgisch ideaal ze erop nahielden, welke motieven daarbij van belang waren en hoe zwaar deze wogen.

Bij dit alles moet als derde aandachtspunt in het oog gehouden worden, onder welke omstandigheden de criteria gekozen zijn. De keuze voor een bepaalde gestalte van eredienst moet steeds gezien worden in het bredere kader van de situatie waarin de Gereformeerde Kerken en hun voorgangsters zich bevonden. Naar welk tijdvak we ook kijken, het Gereformeerde kerkelijk leven droeg steeds de sporen van de heersende geestesgesteldheid. In de periode van Afscheiding en Doleantie bijvoorbeeld zette men zich af tegen de Hervormde Kerk. In het interbel­lum overheerste het isolement, terwijl in de naoorlogse jaren de openheid snel toenam. Nagegaan wordt, in hoeverre een en ander ook invloed gehad heeft op de inrichting van de eredienst en op de wijze waarop die tot stand kwam. In dit verband zal tevens rekening gehouden moeten worden met de liturgische ontwikke­lingen die zich in binnen- en buitenland hebben voorgedaan, en de manier waarop de Gereformeerde Kerken die op een eigen wijze hebben verwerkt. Alleen als dit alles wordt meegewogen kan worden vastgesteld, welke eigen bijdrage de Gerefor­meerde Kerken aan de genoemde ontwikkelingen gegeven hebben en nog steeds zouden kunnen geven.


Gezien de vraagstelling is het niet nodig alle aspecten van de Gereformeerde eredienst in het onderzoek te betrekken. Om de belangrijkste veranderingen en verschuivingen - knooppunten - op het spoor te komen, kan ik me beperken tot de meest voorkomende en daarmee gezichtsbepalende aspecten van de (zondagse) eredienst: de orde van dienst, zowel in haar geheel als in haar onderdelen, alsmede de liturgie voor doop en avondmaal.[2] Ook daarbinnen kunnen soms beperkingen worden aangebracht, zeker als over bepaalde zaken reeds is gepubliceerd. Om een scherp beeld van de ontwikkelingen te krijgen, heb ik in enkele gevallen ook elementen bestudeerd die met de genoemde aspecten verwant zijn. De openbare geloofsbelijdenis is daarvan een goed voorbeeld.

In het te onderzoeken gebied van de Gereformeerde Kerken onderscheid ik drie op elkaar betrokken en elkaar deels overlappende kringen: de praktijk van de plaatse­lijke kerken, de (theologische) bezinning en de synodale besluitvorming. Het zwaartepunt van het onderzoek ligt in de twee laatste kringen, in het bijzonder in hun onderlinge verhouding. Van een systematisch historisch onderzoek naar de plaatselijke praktijk is afgezien. Daarvoor zouden in de eerste plaats praktische argumenten kunnen worden aangevoerd. Het aantal kerken is groot en hun archie­ven zijn veelal omvangrijk. De vaak spaarzame relevante gegevens zijn derhalve slechts met grote moeite op te sporen. Maar de belangrijkste overweging om de plaatselijke praktijk buiten beschouwing te laten, is wel het sterke vermoeden dat onderzoek daarnaar voor deze studie weinig zal opleveren. Tot voor niet al te lange tijd bestond er in de Gereformeerde Kerken een hoge mate van consensus over de vormgeving van de eredienst, waarbij de plaatselijke kerken de door de synode vastgestelde regels meestal in acht namen.[3] Wel zal ik wijzen naar gebeurtenissen op plaatselijk vlak, als die aanzetten vormden voor ontwikkelingen op landelijk niveau.

 

De hier onderzochte periode strekt zich uit van 1817 tot ongeveer 1978. De ontwikkeling van de Afscheiding van 1834 en die van de Doleantie van 1886 kan namelijk ook voor wat betreft de inrichting van de eredienst pas goed begrepen worden tegen de achtergrond van de situatie binnen de Hervormde Kerk vanaf 1817. Ook de latere liturgische ontwikkelingen in de Hervormde Kerk zullen in het oog gehouden worden. Na de tweede wereldoorlog komen naast de Hervormde Kerk tevens de Evangelisch-Lutherse Kerk en de Rooms-Katholieke Kerk in zicht. Dat brengt ons tenslotte bij het einde van het tijdvak, het jaar 1978. Door toene­mende samenwerking met anderen, zowel met de Hervormden als in breder oecumenisch verband, was er voor een eigen, exclusief Gereformeerde, benadering van de eredienst geen plaats meer. In de aangegeven periode valt omstreeks het jaar 1956 een omslag in het Gereformeerde denken over de liturgie waar te nemen. Daarvóór oriënteerde men zich vooral op de gereformeerde traditie. Daarna groeide het besef van een breed oecumenisch perspectief, waarbij de grenzen van de Reformatie overschreden werden. Van deze omslag heb ik me bij de indeling van de stof rekenschap gegeven. Deel A beslaat de periode 1817 - 1956, deel B de jaren 1956 - 1978. Beide delen kunnen grotendeels onafhankelijk van elkaar gelezen worden.


Deel A is onderverdeeld in vijf hoofdstukken met de volgende inhoud. Begonnen wordt met een beschrijving van de liturgische keuzen van de afgescheidenen tegen de achtergrond van de situatie in de Hervormde Kerk. Daarbij zullen ook de interne verschillen van opvatting onder de afgescheidenen naar voren worden gebracht (hoofdstuk 2). Vervolgens gaan we na, hoe A. Kuyper in de Hervormde Kerk een eigen visie ontwikkelde op de eredienst en in hoeverre die door de dolerenden in de praktijk werd geconcretiseerd. Daarnaast volgen we het spoor van de in de Christelijke Gereformeerde Kerk verenigde afgescheidenen en wordt duidelijk, hoe zij er liturgisch voorstonden aan de vooravond van de Vereniging van 1892 (hoofdstuk 3). We zullen daarna ontdekken, in hoeverre Afscheiding en Doleantie, die elk op hun eigen wijze op de liturgische situatie in de Hervormde Kerk reageer­den, hun benadering van het verschijnsel eredienst na de Vereniging in de Gerefor­meerde Kerken in Nederland verwezenlijkt zagen. Verschillende gebeurtenissen in 1911, onder meer de reeds aangehaalde verschijning van Kuypers Onze Eeredienst, gaven in protestants Nederland aanleiding tot een opleving van de liturgische belangstelling, ook in de Gereformeerde Kerken. Maar vernieuwingen lieten lang op zich wachten en de resultaten waren relatief gering (hoofdstuk 4). De Kring van Belangstellenden in de Verrijking van Ons Kerkgezang zag zijn ijveren voor de uitbreiding van de zogenaamde Eenige Gezangen door de synode van Middelburg 1933 bekroond met een bundel met 29 gezangen. Dezelfde synode stelde de eerste orden van dienst vast (hoofdstuk 5). Nadien werd de belangstelling voor een nieuwe psalmberijming manifest door het optreden van de Stichting tot Verbetering van het Psalmgezang in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dit tijdperk loopt ten einde in 1956. De synode van Leeuwarden 1955-56 verlegde de koers, plaatste de stichting op een zijspoor, maar bood met haar besluit tot een interkerkelijk te ontwikkelen berijming perspectief voor een nieuwe psalmbundel (hoofdstuk 6).


De inzichten van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie nemen een belangrij­ke plaats in in de zes hoofdstukken van deel B. Deze werkgroep heeft een centrale rol gespeeld in de liturgische herori­ëntatie die in 1956 in de Gereformeerde Kerken op gang begon te komen. Eerst wordt geschetst, in welke omstandigheden en hoe de werkgroep in 1956 werd opgericht, welke voorbereidingen daaraan voorafgingen en welke aanpak de werkgroep voorstond (hoofdstuk 7). Vervolgens wordt duidelijk gemaakt langs welke wegen en op welke terreinen de ideeën van de werkgroep een breder draagvlak kregen. Mede ten gevolge hiervan zag de synode zich in 1962 genoopt tot een fundamentele herbezinning op de belangrijkste aspecten van de eredienst (hoofdstuk 8). Daarom verlegt de aandacht zich in de volgende periode naar de synodale deputaatschappen voor de eredienst. De besluiten van de synode van Middelburg 1965-66 zagen er zo uit, als de werkgroep bij haar oprichting voor ogen had gestaan (hoofdstuk 9). De in die tijd opkomende onzekerheid in de Gereformeerde Kerken had ook haar weerslag op de reflectie op de eredienst. Aarzelend zocht de werkgroep naar nieuwe wegen, maar ze moest uiteindelijk haar leidende rol in liturgicis uit handen geven aan een van haar leden, G.N. Lammens (hoofdstuk 10). De spanningen liepen in het begin van de jaren zeventig in de Gereformeerde Kerken zo op, dat het proces van liturgievernieuwing stil dreigde te komen liggen. Nieuwe voorstellen werden op de synode vooral op hun confessione­le gehalte getoetst en door sommigen te licht bevonden. De rol van de werkgroep raakte zo goed als uitgespeeld (hoofdstuk 11). Het steeds sterker wordend oecume­nisch karakter van de Gereformeerde eredienst ging gepaard met het intensiveren van de samenwerking met andere kerkgenootschappen, met name met de Hervorm­de Kerk. ­­­Voor een eigen, Gereformeerde benadering was steeds minder plaats. In 1977 hief de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie zich op. De Gereformeerde inbreng in diverse liturgische samenwerkingsverbanden werd bovendien ernstig verzwakt door de zware ziekte die Lammens in 1978 trof. In een naschrift bij dit hoofdstuk worden enkele lijnen doorgetrokken naar de jaren die buiten het bestek van het onderzoek vallen (hoofdstuk 12).

In het laatste hoofdstuk (13) vat ik de onderzoeksresultaten samen en trek ik op basis daarvan enkele conclusies.

Een aantal gegevens die niet direct in het onderzoeksverslag verwerkt konden worden, maar voor een goed begrip van het gestelde verhelderend kunnen werken, zijn in bijlagen opgenomen. Het betreft onder meer het onderwijs in de liturgiek aan de Gereformeerde predikantsopleidingen, de synodale deputaatschappen met een liturgische opdracht en liturgische teksten voor de bediening van de doop, het afleggen van openbare geloofsbelijdenis en de viering van het avondmaal.

 


Voor mij hebben ook anderen zich met de geschiedenis van de Gereformeerde liturgie beziggehouden. Om te beginnen kan dan nog eens Kuypers Onze Eeredienst genoemd worden, dat niet alleen een liturgisch program, maar tevens een indruk geeft van de wijze waarop de liturgie in de jonge Gereformeerde Kerken functio­neerde. P. Biesterveld, die in menig opzicht leerling van Kuyper wilde zijn, liet met Ons kerkboek in 1903 een populaire uitgave van Kuypers artikelenreeks Onze Eeredienst het daglicht zien.[4] Het was zijn bedoeling de gewone kerkganger bekend te maken met de inhoud van het kerkboek en zijn geschiedenis. Net als Kuyper verschaft hij een tijdsbeeld. Het artikel "Liturgische vragen in de 'Gereformeerde Kerken'" uit 1956 van K. Dijk markeert de overgang naar een nieuwe periode.[5] Deze persoonlijke impressie van ruim 50 jaar pogingen tot liturgievernieuwing in de Gereformeerde Kerken is weliswaar beperkt van opzet en omvang, maar biedt inzicht in de wijze waarop Dijk als hoofdrolspeler in met name de laatste decennia een en ander beleefd heeft. Een tien jaar later gepubliceerd artikel van G.N. Lammens, "Liturgische ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland", informeerde over de aanstaande rapportage van het deputaatschap eredienst aan de synode van Middelburg 1965-66 en is daardoor achteraf een tijdsdocument.[6] In 1983 verscheen een beknopt historisch overzicht van de hand van J.H. van der Laan: "De zondagmorgendienst van de Gereformeerde Kerken in Neder­land. Vijftig jaar orden van dienst".[7] Net als Dijk bouwde Van der Laan een evaluatief moment in en plaatste hij enkele kritische kanttekeningen bij de toenmali­ge jongste ontwikke­lingen in de Gereformeerde Kerken. Naarmate het Samen op Weg-proces vorderde, veranderde de vraagstel­ling. De auteurs van de twee volgende artikelen vroegen zich bij het voortschrijden van de Hervormd-Gerefor­meerde samenwerking in de liturgie af, wat de eigen inbreng van de Gereformeerde Kerken was. Het eerste artikel, "Een eigen bedding", verscheen in 1989 en is afkomstig van K. Bisschop, die vele jaren bij de Gereformeerde liturgische vernieuwing­ betrokken is geweest.[8] Het tweede, "Liturgi­sche bewustwording in de gereformeer­de kerken" van G.C. van de Kamp uit 1992, is veel uitvoeriger en heeft een sterk theologisch-dogmatische inslag.[9] Verder zouden hier nog studies over bepaalde onderwerpen genoemd kunnen worden­­, zoals Kerkzang in de Nederlan­den van P.G. Kunst, "De gemeente­zang in de Gereformeerde Kerken in Nederland van 1834 tot heden" van B. Smilde, de niet-gepubli­ceerde doctoraal­scriptie "De Gereformeer­den en het Liedboek" van P.H. Steenhuis en Honderdvijf­tig jaar gerefor­meerde kerkbouw onder redactie van R. Steensma en C.A. van Swigchem.[10] Bij deze laatste publikatie moet echter worden opgemerkt, dat ze voor een belangrijk deel buiten het afgebakende onderzoeksgebied valt.

De nu volgende studie onderscheidt zich van haar voorgangsters door een breder bronnen­onderzoek. Gebruikt zijn in de eerste plaats de gedrukte verslagen, de Acta en Handelingen van de generale synoden van de Gerefor­meerde Kerken en hun voorgangsters, alsmede die van de algemene en generale synode van de Hervormde Kerk.[11] Dit materiaal is voorzover nodig en beschikbaar, aangevuld met archivalia van de synoden zelf en van de door haar benoemde deputaatschappen, respectieve­lijk raden, en voorzover nodig van plaatselijke kerken en classes. Voor het onderzoek zijn bovendien van bijzondere waarde geweest de archieven van de Kring van Belangstellenden, van de Stichting tot Verbetering van ons Psalmgezang en van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Ook heb ik uit de nalatenschap van mijn vader, Fr. de Jong, enkele interessante stukken kunnen opdiepen. Deze collecties leveren samen een grote schat aan tot op heden onbekende gegevens. Daarnaast heb ik de belangrijkste relevante geschriften van de hoofdrolspelers in de ontwikkeling van de Gereformeerde liturgie nagegaan.


Hoewel de plaatselijke praktijk in het onderzoek geen prioriteit heeft, is er, zoals aangegeven, toch naar gestreefd dit aspect in het oog te houden. Daartoe zijn tijdschriften als De Heraut, De Reformatie, het Ouderlingen­blad, het Gereformeerd Weekblad, het Centraal Weekblad en De Strijdende Kerk geraadpleegd. Ze geven een indruk, hoe de synodale besluitvorming en de theologische bezinning zich verhielden tot hetgeen in de kerken gebeurde.

 

Enkele geregeld terugkerende begrippen behoeven enige toelichting. Met 'gerefor­meerd' - met een kleine letter - is de brede gereformeerde traditie aangeduid, met name zoals ze in de Nederlanden tot ontwikkeling gekomen is, terwijl 'Gerefor­meerd' - met een hoofdletter - alleen betrekking heeft op de Gereformeerde Kerken in Nederland. Als in haar geval of in dat van haar voorgangsters over 'de synode' zonder meer gesproken wordt, dan is daarmee de generale, landelijke synode bedoeld. In het enkele geval dat een particuliere, ofwel provinciale synode ter sprake komt, is dat duidelijk aangegeven. In de Hervormde Kerk gaat het bij 'de synode', al dan niet voorzien van een nadere aanduiding, altijd om het landelijke orgaan.

De termen 'liturgie' en 'eredienst' worden door elkaar gebruikt. Daarvan duidelijk te onderscheiden is de aanduiding 'Liturgie' - met een kapitaal. Hiermee wordt in de gereformeer­de traditie doorgaans de kerkelijk gesanctioneerde verzameling liturgische formulieren en gebeden bedoeld die sinds de tijd van de Reformatie in de kerkboeken is opgenomen. In het bijzonder wordt daarmee aangeduid de verzameling formulieren en gebeden, zoals die in de synode van Dordrecht 1618-19 behandeld is. We zullen nog zien, dat over de status van deze behandeling verschil­lend is geoordeeld.[12] Voor de tekstredactie heeft dit echter slechts op een aantal ondergeschikte punten gevolgen. Om misverstanden met het woord liturgie zonder kapitaal te voorkomen heb ik aan de bundel meestal het predikaat klassiek-gerefor­meerd toegevoegd. Dat is echter niet altijd mogelijk. De Gereformeerde Kerken hebben het begrip Liturgie lange tijd gehandhaafd, ook toen er in de loop van deze eeuw de nodige wijzigingen in waren aangebracht, en er strikt genomen geen sprake meer was van een klassiek-gereformeerde editie.[13]


 



     [1]          De Heraut nr. 1071 (3 juli 1898) (citaat). Vgl. A. Kuyper, Onze Eeredienst, Kampen 1911, 173; vgl. verder bijvoorbeeld ibidem, 7 - 20 (voor het beginsel), 174, 276, 278, 513v en 556v (voor de tijd die nodig zal zijn om de eredienst volgens dit beginsel te vernieuwen).

     [2]        Vgl. ook het beknopt zakenregister. De aspecten die systematisch voorwerp van onderzoek  zijn geweest, zijn in het register gemerkt met een *.

     [3]        Vgl. K.W. de Jong, "Het naarstiglijk komen tot de gemeente Gods. De rol van de eredienst in de beschrijving van de lokale kerkgeschiedenis, in het bijzonder in die van de Gereformeerde Kerken", in: Kerktijd 3 (1991), nummer 2, 18 - 25.               

     [4]           P. Biesterveld, Het Gereformeerde Kerkboek, 1e dr. z.p. 1903 (herzien door Tj. Hoekstra: 2e dr. Zutphen 1931).

     [5]           K. Dijk, "Liturgische vragen in de 'Gereformeerde Kerken'", in: Kerk en Eredienst (= KE) 11 (1956), 204 - 218.

     [6]           G.N. Lammens, "Liturgische ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland", in: Jaarboek voor de Eredienst van de Nederlandse Hervormde Kerk (= Jaarb. Eredienst) 1965-66, 43 - 62.

     [7]           J.H. van der Laan, "De zondagmorgendienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Vijftig jaar orden van dienst", in: Gereformeerd Theologisch Tijdschrift (= GTT) 83 (1983), 217 - 238.

     [8]           K. Bisschop, "Een eigen bedding", in: A.C. den Besten e.a. (red.), Het nodige overbodige. Opgedragen aan W.G. Overbosch ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag, Kampen 1989, 77 - 82.

     [9]           G.C. van de Kamp, "Liturgische bewustwording in de gereformeerde kerken", in: M.E. Brinkman (red.), 100 jaar theologie. Aspecten van een eeuw theolo­gie in de Gerefor­meerde Kerken in Neder­land (1892-1992), Kampen 1992, 161 - 210.

     [10]   Respectievelijk: P.G. Kunst, Kerkzang in de Nederlanden, Kampen 1981; B. Smilde, "De gemeentezang in de Gereformeerde Kerken in Nederland van 1834 tot heden", in: Jaarboek voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland (= JGGK) 4 (1990), 120 - 149; P.H. Steenhuis, "De Gereformeerden en het Liedboek" (niet uitgegeven scriptie Rijksuniversiteit Groningen, afd. Godgeleerdheid, 1983); R. Steensma en C.A. van Swigchem, Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw, Kampen 1986.

     [11]  Wat betreft de Gereformeerde Kerken in Nederland (= GKN) en haar voorgangsters zijn hiervoor achtereenvolgens benut: Handelingen en Verslagen van de Algemene Synoden van de Christelijk Afgescheide­ne Gereformeerde Kerk (1836 - 1869) met stukken betreffende de synode van 1843, bijlagen en registers, Houten-Utrecht 1984 (afgekort: Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk); Handelingen van de Synoden der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland 1872 - 1892, 2 dln., Kampen z.j. [1988] (afgekort als: Hand. syn. Chr. Geref. Kerk); Acta van het Synodaal Convent (1887) en de voorlopige synoden van de Nederduit­sche Gereformeerde Kerken (1888 - 1892), Kampen-Leusden z.j. [1985] (afgekort als: Acta Nederd. Geref. Kerken); Acta van de Generale Synoden der Gereformeerde Kerken in Nederland, 1892-... (afgekort als: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken).

Wat betreft de Nederlandse Hervormde Kerk (= NHK) is hiervoor gebruikt: Handelingen van de Algemeene (Christelijke) Synode der (Ned.) Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, 1816-1945; Handelingen van de vergaderingen van de Generale Synode der Ned. Hervormde Kerk, 1945/1946-... (afgekort als: Hand. Syn. Herv. Kerk).

     [12]  Zie hieronder blz. 67 - 70.

     [13]  De hiervoor genoemde formulieren mogen overigens niet verward worden met de belijdenisge­schriften, de zogenaamde Formulieren van Enigheid: de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels.