A

 

IN HET SPOOR VAN DE GEREFORMEERDE TRADITIE

 

 

 


2.         Naar de 'aloude' Liturgie (1817 - 1869)

 

 

"Ná 1817 wordt alles, ook op het terrein van de liturgie, door de ingrijpende bemoeienis van de synode opeens anders", zo stelt A.C. Honders in het artikel "Een Nederlands liturgisch tijdschrift uit het begin van de 19e eeuw".[1] Het jaar 1817 biedt daarom voor een liturgiehistorisch overzicht van de Nederlandse Hervormde Kerk in de vorige eeuw een goed uitgangspunt. De synode vaardigde toen een reeks adviezen en voorschriften uit ter verbetering van de inrichting van de eredienst. Deze zouden met de nodige aanpassingen en aanvullingen de vormge­ving van de Hervormde eredienst vele decennia bepalen. We gaan in dit hoofdstuk na, welke liturgische keuzen de eerste afgescheidenen en hun nazaten maakten in reactie op en in wisselwerking met de liturgische ontwikkelingen in de Hervormde Kerk. Als einde van het te beschrijven tijdvak is gekozen voor het jaar 1869. Met de vereniging in de Christelijke Gereformeerde Kerk werd toen de grootste scheur in de afgescheiden beweging gedicht. In de Hervormde Kerk was men intussen begonnen naast een herziening van de kerkelijke organisatie uit 1816 ook de liturgische verordeningen uit 1817 te wijzigen of zelfs geheel buiten werking te stellen.

 

 

2.1         De besluiten van de algemene synode van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1817

 


De aanleiding voor de synodale bezinning op de inrichting van de eredienst in 1817 is gelegen in een brief van de commissaris-generaal van het regeringsdepartement belast met zaken van de Nederlandsche Hervormde Kerk, O. Repelaer van Driel. Na de invoering van het Algemeen Regle­ment met ingang van 1 april 1816 had de eerste Algemeene Synode in hoog tempo een groot aantal maatregelen genomen om het bestuur van de kerk in goede banen te leiden. Repelaer van Driel uitte in een brief aan de synode, d.d. 26 juli 1816, daarover zijn genoegen: "Belang­rijke onderwer­pen blijven wel is waar overig voor volgende Synodes, maar de grondsla­gen zijn gelegd".[2] Eén onderwerp wilde hij in het bijzonder onder de aandacht van de afgevaardigden brengen: "het ontwerpen van schikkin­gen en veranderingen op de uitoefening van den openbaren Eeredienst en de plegtigheden van den Christelij­ken Godsdienst." Deze maatregelen zouden moeten dienen "ter vermeer­dering van het nut der openbaren Godsdienstoefening en ter bevordering van aandacht en gevoel bij de verhevene plegtighe­den". Repelaer van Driel meende blijkbaar, dat de invloed die van de kerkdiensten op de gelovigen uitging te beperkt was en dat die door een aantal praktische veranderingen zou kunnen worden vergroot. Repelaer van Driel was de enige niet die deze mening was toegedaan. In 1803 verscheen voor het eerst het Magazijn voor den Openbaren Godsdienst en deszelfs onderschei­dene deelen, geredigeerd door H.W.C.A. Visser, dat in volgende jaren onregelma­tig en onder verschillende titels uitkwam.[3] Visser inventariseerde de plaatselijke praktijken, informeerde naar en over het doel van de eredienst in zijn geheel en in zijn onderdelen en deed een aantal concrete suggesties tot verbetering. Hij meende dat zo de aanbidding van God en de zedelijke vervolmaking die volgens hem tot de belangrijkste aspecten van de eredienst behoorden, op hoger peil gebracht konden worden. De gedachte van de zedelijke vervolmaking via de eredienst zou wel eens een belangrijk motief kunnen zijn geweest voor Repelaer van Driel om zijn brief te schrijven. Voor de eredienst was een taak weggelegd in de opbouw van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Toen een synodale commissie zich in 1817 over het liturgisch vraagstuk gebogen had, bracht ook zij in haar rapportage de verbetering van de eredienst in direct verband met de "zedelijke volmaking".[4]

De Hervormde synode gaf op 3 juli 1817 aan de genoemde commissie de opdracht mee "de betamelijkste uitoefening van den openbaren godsdienst in het gemeen, en de meer stichtelijke en plegtige bediening van den H. Doop en het H. Avondmaal in het bijzonder" te onderzoeken en daarover rapport uit te brengen.[5] Binnen een week was het rapport gereed. In grote lijnen werden de voorgestelde maatregelen door de synode overgenomen.[6] Als ingangsdatum bepaalde de synode 1 januari 1818. Ze droeg de secretaris, I.J. Dermout, die ook in de voorbereidende commis­sie zitting had gehad, op in overleg met enkele synodeleden een circulaire op te stellen.[7] Deze was gericht aan "de Leeraars en Opzieners van de Hervormde Gemeenten". Hij geeft globaal aan welke situatie de synode aantrof en biedt een aantal "verordeningen" en "aanwijzingen" om daarin verbetering te brengen.[8] De brief heeft de volgende inhoud.


De synode ziet "de min doelmatige inrigting van de Godsdienstoefening der Protestanten" als een van "de oorzaken van het verval der Godsdienstigheid". De redenen om de eredienst te verontachtzamen zouden moeten worden weggenomen en de deelname eraan zou "door doelmatige inrigtingen en verbeteringen" moeten leiden tot "het groote doel", te weten het bevorderen van de "in- en uitwendigen bloei" van de gemeente. De synode onderscheidt vervolgens overeenkomstig de opdracht die ze aan haar commissie had meegegeven tussen de eredienst "in het gemeen" en de bediening van doop en avondmaal "in het bijzonder". Met betrek­king tot het eerste wijst ze achtereenvolgens op de voorlezing uit de Schrift, het zingen, de gebeden en de preken.

Wat betreft de "voorlezing van Gods H. Woord" stelt de synode, dat dit "zeer gewigtig gedeelte der openbare gemeenschappelijke Godsdienstoefening" slecht uit de verf komt.[9] Dit vereist enige toelichting. Uit een reconstructie van de orde van dienst aan het begin van de vorige eeuw van de hand van A.C. Honders weten we, dat de voorlezing plaats vond voor de binnenkomst van kerkeraad en predikant. Ze kwam in principe in alle diensten voor: in de beide kerkdiensten op zondag - in grote steden waren dat er soms drie - en in de diensten die op doordeweekse dagen gehouden werden. De diensten hadden ongeveer de volgende opbouw:[10]

 

voordienst:           schriftlezing (voorlezer)

             psalmgezang (voorzanger)

             binnenkomst predikant (en kerkeraad)

votum

aanspraak/voorafspraak

gebed

bedezang voor de predikatie (gezang H)

tekst

inzameling

prediking, eventueel onderbroken door tussenzang

gebed

lied (psalm)

zegen

(orgelspel)

 

De synode stelt in de circulaire vast, dat er gemeenten zijn, "waarin beurtelings de schriften des O. en N.T. bij vervolg, en zonder keuze worden voorgelezen, - andere, waar die keuze aan den Voorlezer is overgelaten".[11] Omdat ze er weinig vertrouwen in heeft, dat de aanwezigen op deze wijze goed worden voorbereid op hetgeen verder komen gaat, verordineert ze, "dat van nu voortaan en alomme de Predikanten zelve zullen kiezen en opgeven, wat er zal worden gelezen". Ze adviseert de predikanten daarbij aansluiting te zoeken bij thematiek en doel van de preek. De zinsnede uit de brief, dat "de gereede uitvinding en toepassing van geschikte middelen ter verbetering (...) moeijelijk is", verraadt iets van de discussie die in de synode heeft plaatsgevonden. De commissie had aanvankelijk gewild, dat de predikant zoveel mogelijk ook de Schriftlezing zou doen en had zelfs geopperd deze lezing dan maar na het votum te plaatsen. Dit had de synode echter te ingrij­pend gevonden.[12]


Een ander onderdeel van de eredienst, de afkondigingen, zijn weliswaar niet in het overzicht van Honders opgenomen, maar hebben zeker een plaats gehad. Gesteund door comissaris-generaal Repelaer van Driel verzet de synode zich in haar brief met klem tegen "het aflezen van verkoopingen en verpachtingen door den Leeraar van den Predikstoel, gelijk in sommige gewesten geschiedde".[13] De wereldijke overheid had er geen bezwaar tegen dat dergelijke afkondigingen na de zegen zouden plaatsvinden, maar ook dat keurt de synode af als "onwelgevoeglijk". Als de predikant de afkondigingen na de dienst doet, dan in ieder geval niet op de preekstoel. Het beste is het, dat een koster of voorlezer ze doet.

De kwaliteit van het zingen laat volgens de synode te wensen over. Een belangrijk punt van verbetering is volgens haar, dat "waar orgels zijn, het orgel het gezang steeds vergezelle". Verder zullen de predikanten aan de gemeente duidelijk moeten maken, hoe belangrijk het zingen is.[14] De gemeenten zullen zich verre moeten houden van "alle hard en ongeregeld ge­schreeuw", zich moeten oefenen, zo nu en dan eens een vers staande zingen, beurtzangen invoeren en indien mogelijk op de feestdagen een zangdienst houden. De synode vaardigt in de circulaire geen bepaling uit, wàt er gezongen moest worden. Blijkbaar was naar het oordeel van de synode de zogenaamde staatsberijming van de psalmen uit 1773 vrij algemeen ingeburgerd en hadden maatregelen van verschillende particuliere synoden in het voorgaande decennium om het gebruik van de Evangelische Gezangen te bevorde­ren, voldoende effect gesorteerd.[15] In sommige provincies had men namelijk de predikanten verplicht in elke dienst tenminste één gezangvers op te geven. 

Inzake de gebeden waarschuwt de synode vooral tegen lange gebeden "bij welke de aandacht met moeite gespannen en het hart niet warm blijven kan".[16] Uiteenlopende onderwerpen dienen in de gebeden, die kort en bondig moeten zijn, aan de orde te komen. Door de gebeden moeten in de harten van de gemeenteleden gevoelens gekweekt worden "van ootmoed, dankbaarheid, onderwerping en vertrouwen". Ter "vergrooting van den indruk des gebeds" dient de gemeente bij bijzondere gelegen­heden en bij korte gebeden staande te bidden. Het gebed des Heren dient niet dan met gepaste eerbied gezegd te worden.


Wat betreft het preken beveelt de synode de hier en daar reeds bestaande praktijk van bijbeloefeningen aan: uitleg en toepassing van langere bijbelgedeelten.[17] Dit zou de bijbelkennis onder de gelovigen ten goede komen. Overigens wenst de synode "met nadruk aan te prijzen, om doorgaans kort te prediken". Het gros van de gemeenteleden is immers niet in staat langdurig en ingespannen te luisteren. Op basis van reacties uit Friesland op de synodale rondzendbrief kan worden vastge­steld, dat men bij het kort bidden en preken in de praktijk moet denken aan diensten - van votum tot zegen - van ongeveer anderhalf uur.[18] In tegenstelling tot de adviezen over preek en gebed hebben de direct hierop volgende besluiten van de synode aangaande het kerkelijk jaar een dwingend karakter. De vrijdag voor Pasen, die slechts in enkele streken werd gevierd, zou naar de opvatting van de synode overal moeten worden gehouden. Het is een van de dagen, "die voor den Christen een uitstekend gewigt hebben". Omdat de laatste dag van het jaar "telkens een aanmerkelijk tijdperk van het menschelijke leven besluit, en zulk een besluit bijzonder geschikt is, om ons te stemmen tot ernstig nadenken over onszelve, en over de wegen van God met ons gehouden", zal er op die dag 's avonds een "plegtig dankuur" worden gehouden. Op de eerste dag van het nieuwe jaar, die "den mensch zoo luide roept tot een nieuw leven, en tot ootmoedige aanbeveling van al zijne belangen aan Hem, in wien hij leeft, zich beweegt en bestaat", zal overal 's morgens een dienst worden gehouden. De traditionele middagdienst op die dag, zal indien maar enigszins mogelijk worden afgeschaft, tenzij het een zondag betreft.

Het tweede deel van de synodale circulaire behandelt de sacramentsbediening. De synode stelt vast, dat de bediening van de doop doorgaans weinig indruk maakt en ziet als oorzaak daarvan "de al te menigvuldige herhaling".[19] Er mag daarom niet meer in de doordeweekse diensten worden gedoopt. Op zondag mag het "in alle gemeenten, zoo weinige kerken en beurten daartoe worden afgezonderd, als met derzelver verschillende grootte bestaanbaar is." De synode acht het voor de indruk die de doop op de ouders kan maken ook beter, als zowel de vader als de moeder erbij aanwezig kunnen zijn. Ze oordeelt het juist, dat de moeder "daartoe den tijd van hare herstelling gerustelijk afwachte". De predikanten zouden desgevraagd een dergelijk advies moeten geven. De synode geeft verder nog enkele praktische aanwijzingen om de dienst ordelijk en rustig te laten verlopen. Ze vindt het noodzakelijk, dat het formulier "niet dan met bedaarde ernst" gelezen wordt.

Over de toelating tot het avondmaal spreekt de synodale brief niet. Dat hoefde ook niet, omdat dit recent, in 1816, afdoende in het reglement op het godsdienstig onderwijs geregeld was.[20] Daarin was onderscheid gemaakt tussen afnemen van belijdenis, dat ten overstaan van een predikant en tenminste één ouderling diende te geschieden, en de daaropvolgende bevestiging van lidmaten, die een openbaar karakter had. Voor 1816 was van het tweede doorgaans geen sprake. Het reglement op het godsdienstonderwijs schreef voor de bevestiging een drietal vragen voor. Die waren onder meer geënt op formuleringen voor de toelating tot het avondmaal bij het zogenaamde Kort begrip en op een wijd verbreide bewerking van die vragen van Voetius. Vrijwel ongemerkt verdween met de nieuwe opzet een wezenlijke notie uit de vragen bij het Kort begrip, namelijk dat twijfels over de kerkelijke leer aan de hand van de Schrift dienen te worden weerlegd. Impliciet werd daarmee aangegeven, dat de leer volledig met de Schrift overeen diende te komen.


In het kader van de avondmaalsviering begint de synode eerst aandacht te besteden aan de voorbereiding daarop. Ze heeft een "stichtelijk gebruik" gevonden in Groningen en Friesland, dat ze nu aan alle gemeenten voorschrijft.[21] Op de zondag voor het avondmaal moet de gemeente na de preek en voor het zogenaamde nagebed haar belijdenis met een bevestigend antwoord op een viertal vragen plechtig vernieuwen. Het ja-woord dient vergezeld te gaan met een buiging. De predikant sluit de ceremonie met een zegenwens. De circulaire zwijgt over het feit, dat de synode de vragen een gewijzigde, leerstellig ruimere formulering heeft gegeven.[22] De uniciteit van de Schrift als Gods Woord kwam in de nieuwe redactie van de eerste vraag niet meer tot uiting. Het mensbeeld in de herziene tweede vraag was optimistischer, omdat het "tot alle goed onbekwaam zijnde" verdwenen was.[23] De vragen ademden door de aangebrachte wijzigingen de sfeer van de Verlichting.[24] Opmerkelijk is het "voorschrift" ze in de aangegeven bewoordingen te lezen. Elders in de brief accepteert de synode de praktijk het niet zo letterlijk te nemen met de liturgische formulieren.[25] 

De synode verplicht de gemeenten in het vervolg vier maal per jaar het avondmaal te vieren. Ter synode had de voorbereidende commissie daarbij aangetekend: "In sommige gemeenten wordt het Avondmaal slechts twee of driemalen in het jaar bediend, terwijl dit in andere wel zesmaal geschiedt. - In verre de meesten gebeurt het viermalen. - Voor deze ongelijkheid weten wij geene reden, en de viering van zulk een gewigtige en eerwaardige plegtigheid moet noch te zeldzaam noch te menigvuldig wezen."[26] Dit overwegende had de synode voor de meest verbreide praktijk gekozen. Voor de inrichting van de dienst zelf doet de synode enkele suggesties: naast lezingen uit de bijbel kunnen ook passende psalmen en gezangen gezongen worden; communiceren aan tafel heeft de voorkeur; aan de goed zicht­baar geplaatste tafel moeten zoveel mogelijk communicanten tegelijk kunnen aanzitten; rang en stand mogen bij het innemen van de plaatsen geen rol spelen; bij de communie dient het even stil te zijn om ieder "aan zijne eigene bepeinzingen over te laten".


Wat betreft de liturgische formulieren in het algemeen legt de synode zich neer bij de bestaande toestand, waarin sommige "in onbruik zijn geraakt en in andere onderscheidene bekortingen, bijvoegselen en veranderingen" zijn aangebracht, zij het "behoudens derzelver geest". De oude formulieren waren volgens de synode indertijd opgesteld voor predikanten, "welke nog niet behoorlijk geoefend waren". De situatie is echter aanzienlijk verbeterd. Nieuwe formulieren zouden alleen maar belemmerend werken en "den geest aan nieuwe banden leggen." Hiermee werd indirect een praktijk gesanctioneerd, die reeds in het 17e eeuwse piëtisme opgeld deed en door rationalistische stromingen in de 18e eeuw was overgenomen.[27] De synode eindigt haar rondzendbrief met de wens dat de inhoud met liefde ontvangen zal worden, "met wijsheid ten uitvoer gebragt, en dienstbaar bevonden worden, aan de stichting der kerk". De laatste uitdrukking wijst erop, dat de stichting van de gemeente ondergeschikt is gemaakt aan die van de kerk in haar geheel. Een belangrijk deel van de stichting is blijkbaar gelegen in de versterking van het eenheidsgevoel in de pas gevormde Nederlandse Hervormde Kerk.

Los van de liturgische maatregelen die in de circulaire werden opgenomen, sprak de synode in 1817 ook nog over het ambtsgewaad. Dit was voorheen vooral een zaak van traditie geweest. Predikanten pasten zich aan aan hetgeen in hogere standen gebruikelijk was, zij het dat zij daarin doorgaans enkele modes achterlie­pen. Ook in dit geval was het commissaris-generaal Repelaer van Driel die de synode verzocht zich over het onderwerp uit te spreken. Hij wenste een passend gewaad voor de voorganger.[28] Hij wees op de situatie in de zuidelijke provincies, vermoe­delijk doe­lend op de indruk die de roomse ambtskleding maakte op protestan­ten.[29] Daarnaast is het waar­schijn­lijk, dat de eenheid in de Hervorm­de (ambts)kleding ver te zoeken was.[30] Met het verbod van de Repu­bliek op het in het openbaar dragen van het kerkelijk kostuum liet menig predikant het gebruik van deze kleding eveneens in de ere­dienst na, ook toen de Republiek had plaats gemaakt voor het Konink­rijk. De synode stelde zich in dit vraagstuk terughoudend op en liet de keuze van toga, klassiek ­ge­waad (zwarte mantel, kuitbroek, bef, driekanten steek) of andere zwarte kleding geheel aan de predikanten over "ten einde elk in deze handele, zoo als bij hem, of met onderling genoegen der Mede-Leera­ren, bevonden zal worden te behoo­ren."[31] De bestaande verscheidenheid in ambtskleding bleef daarmee be­staan.

 


Naast de openbare eredienst, waarvan in de synodale circulaire sprake is, verzamel­den gelovigen zich afhankelijk van plaats en streek ook in gezelschappen en oefeningen.[32]  Aangezien ze soms de basis vormden voor het in of na 1834 ontstaan van een afgescheiden gemeente, verdienen ze enige aandacht. In de gezelschappen of conventikels was vooral persoonlijke onderlinge bemoediging en vermaning het doel. In principe konden alle deelnemers aan het woord komen. Daarnaast beston­den de bijeenkomsten uit (psalm)ge­zang, gebed en bijbellezing. De oefeningen waren belijnder van opzet. Een preek of andere vorm van Schriftuitleg nam er de centrale plaats in. Ze waren een sobere kopie van de openbare erediensten:

 

aanspraak/voorafspraak

gebed

Schriftlezing

verklaring en toepassing

dankgebed

 

afgewisseld met psalmen of (bepaalde) gezangen.[33] Bij de gezangen kan zowel voor gezelschappen als oefeningen gedacht worden aan de Evangelische Gezangen en een bundel als Lofzangen Israels van Groenewegen.[34] De synode had in 1816 in het reglement op het godsdienstig onderwijs een poging gedaan vat te krijgen op de "oefeningen", waarbij ook gedacht zal zijn aan de conventikels.[35] Slechts bepaalde personen en dan alleen nog met instemming van de predikant(en) ter plaatse mochten erin voorgaan.

 


De verandering en vernieuwing die de Hervormde synode van 1817 in de eredienst teweeg wilde brengen, kan als volgt worden gekarakte­riseerd. De meeste maatrege­len zijn niet oor­spronke­lijk en gaan terug op bestaande situa­ties of re­cente wensen en initia­tieven in het land.[36] Het feit, dat de synodale commissie binnen enkele dagen een uitgebreid en gedetailleerd rapport uit kon brengen, wijst daar al op. De synode ontkende het in de circulaire ook niet, zoals we bij onder meer de viering van de Goede Vrijdag en de voorbereidingsvragen op het avondmaal zagen. Maar er vallen meer voorbeelden te geven. In Friesland was het bijvoorbeeld niet ongewoon, dat de predikant de keuze van de Schriftlezing in de voordienst bepaal­de.[37] Plaatselijk was het ook elders in den lande al gebruik de moeder bij de doop aanwezig te laten zijn. Uit doopboeken wordt duidelijk, dat in de tweede helft van de 18e eeuw de doop van kinderen steeds meer werd uitgesteld. Berichten aan het einde van die eeuw tonen aan, dat men al veel eerder op het idee gekomen was afzonderlijke doopdiensten te houden en deze diensten een plechtiger karakter te geven.[38] De voorbereidende synodale commissie kan bij dit alles hebben terugge­grepen op de reeds aangehaalde verzamelingen van Visser. Enkele besluiten houden verband met recente politieke gebeurtenissen. Zo zal het wegvallen van rang en stand bij de avondmaalstafel ingegeven zijn door het ideaal van gelijkheid en broederschap uit de Franse revolutie­­­­.[39] In de derde plaats valt het overwe­gend formele, zelfs als rationeel-zakelijk te typeren karak­ter van de voor­stellen en besluiten uit 1817 op. De argumenta­tie achter de voor­stel­len is vooral praktisch van aard. Het criterium voor de beoor­de­ling van wat betamelijk, stichtelijk en plechtig is, ligt in het religieu­ze gevoel. Als er al inhou­delijk iets wordt vast­gesteld, dan worden de gren­zen ruimer getrokken dan in de gereformeerde tra­di­tie. Toch hadden ook de formeel getinte besluiten een aantal in­houde­lijke consequen­ties. In dat ver­band kan als vierde karakteristiek genoemd worden, dat ze de ontwikkeling waarin de persoonlijkheid van de predikant de sfeer van de eredienst bepaalt, bevestigen en zelfs bevorde­ren. De aanbe­ve­lin­gen op het punt van de frequen­tie van doop en avondmaal waren even­min waardevrij. Eventuele 'vroegdoop' werd zo goed als onmoge­lijk en de bepaling van een kwartaalsgewijze avond­maals­viering werd niet getoetst aan de Schrift.

In 1819 stelde de synode een onderzoek in naar de mate, waarin haar bepalingen en verordeningen waren opgevolgd. Zij droeg de pro­vin­ciale kerkbesturen op dit onderzoek uit te voeren.[40] In het alge­meen waren de resultaten positief.[41] Maar met name in Zuid-Hol­land en Zee­land was er volgens de Handelin­gen ook sprake van verzet. Nader onderzoek heeft laten zien, dat een zekere nuance­ring van de door de provincies gerappor­teer­de positieve resul­taten op zijn plaats is.[42] Op langere termijn zouden de meeste regels dan ook niet onweersproken blijven. Toch ging er van de circulaire van de synode, net als van de Dordtse besluiten op liturgische gebied twee eeuwen eerder, de gewenste landelijk-uniformerende werking uit.

 

Theologische bezinning


De synode gaf in haar besluiten nauwelijks blijk van enige systema­tische en theologische bezin­ning op de eredienst. Dat kon ook niet van haar verwacht wor­den. Aan de theologische faculteiten was van een derge­lijke bezinning evenmin spra­ke. Dat hoeft op zijn beurt ook geen verbazing te wekken. De door de Dordtse synode van 1618-19 gesanctioneerde Liturgie ­had aan waarde ingeboet en kon niet meer als aankno­pingspunt die­nen. In het ver­lengde daar­van bleef alleen de bestaan­de praktijk over als voorwerp van theolo­gi­sche reflectie. Maar daartoe had men nog nauwe­lijks geschikt in­stru­menta­rium in handen. Dat gold ook voor het werk van de reeds genoemde Visser, die in feite niet veel verder kwam dan het doen van een aantal suggesties voor praktische verbeteringen.

Aan de theologische faculteiten was het onderwijs in de praktisch-theologische vakken erop gericht de studen­ten op te leiden tot bekwame predikanten. C. Sepp prijst in zijn theologisch over­zicht van deze perio­de in het bijzonder de Ut­rechtse hoogleraar J. Heringa Ezn., die er zijns inziens in slaagde van zijn stu­denten "vrome, regt nuttige dienaren des Evangelies te ma­ken".[43] Uit Herin­ga's Ker­kelijke raad­vrager en raadgever blijkt, dat deze gefascineerd was door de confrontatie tussen nieuwe inzich­ten die in kerk en theologie baan braken en de plaatselijke gemeen­ten die vaak aan oude gewoonten en gebruiken gehecht waren. Op li­turgisch gebied reikte hij zijn studenten vragen aan om de invoe­ring van de synodale maatregelen uit 1817 en het plaatselijk verzet dat daar soms mee gepaard ging, te analy­seren en de situatie waar moge­lijk te verbete­ren: "Wat is er (...) reeds gedaan, of behoort er nog gedaan te worden?"[44] De synodale besluiten waren in dit alles uit­gangs­punt en norm. Van kritisch bevragen of doorlichten was geen sprake. Heringa onderscheidde zich in zijn benadering niet wezenlijk van collega's, die in hun hand­boeken voor het pre­dikant­sambt ook op het ter­rein van de eredienst volston­den met een verzameling prakti­sche adviezen.[45] Uitgaan­de van de plaat­se­lijke omstandig­heden en de eigen mogelijk­heden, diende de predi­kant met en binnen de gestelde regels vooral zelf zijn weg te vinden.[46]

 

 

2.2         De keuze van de afgescheidenen voor de 'aloude' Liturgie (1834 - 1839)

 


Zij die in 1834 zich te Ulrum afscheidden, verklaarden onder meer, dat zij wensten de "openbare Godsdienstoefeningen te rigten naar de aloude kerkelijke Liturgie, en (...) de kerkenordening, opgesteld door de (...) Dordrechtsche Sijnode".[47] Zij gaven hiermee richting aan de wijze waarop zij hun liturgische samenkomsten vorm wilden geven. De eerste afgescheidene synode te Amsterdam werkte deze intentie nader uit in een "Adres ingediend aan Zijne Majesteit den Koning".[48] Zij wilde de kerk inrichten op basis van de drie Formulieren van Enigheid. Ze was ervan overtuigd, dat deze in alles overeenkwamen met de Schrift en noemde in dat verband als in één adem "de Liturgie der Gereformeerde Kerk", de bundel liturgi­sche formulieren.[49] De afgescheidenen verleenden daarmee anders dan de Hervorm­de synode in 1817 had gedaan een bijzonder hoog, welhaast onaantastbaar gezag aan de klassiek-gereformeerde Liturgie. De inrichting van de eredienst zagen zij niet gewaarborgd door een reeks van ordemaatregelen als in 1817, maar door het onverkort handhaven van de gereformeerde leer.

Verschillende factoren belemmeren een eenduidige beschrijving van de eredienst van de afgescheidene gemeenten in de eerste jaren van hun bestaan. Hun eredienst is evenals hun geschiedenis sterk door plaatselijke en incidentele factoren bepaald. Soms hebben de vervolgingen beperkingen opgelegd met betrekking tot plaats (boomgaard, weiland, huiskamer, schuur) en tijd ('s nachts, meermalen achter elkaar met een kleine groep) van de dienst. Een keerpunt vormt het jaar 1839, waarin de afgescheide­ne gemeente van Utrecht als eerste vroeg om door de koning als zodanig te worden erkend. Een extra complicatie bij het schetsen van de eredienst in deze jaren vormen de onderlinge conflicten die al spoedig uitbraken en ook tot uiting kwamen in de inrichting van de dienst. Ze draaiden in wezen om de vraag, wat meerder gezag had, de Schrift of de tradi­tie, "Gods Woord en de daarop gegronde Formulieren en eenigheid", of "vroegere gebruiken en gewoonten".[50] Degenen die het sterkst hechtten aan de traditie gingen al spoedig als kruisge­zinden een eigen weg. Het verzet tegen vroegere ge­brui­ken en gewoonten, ook met betrekking tot de eredienst, werd aanvank­elijk omgezet in wijzigingen in de Dordtse Kerkorde (DKO). Maar deze zijn slechts op beperkte schaal doorgevoerd en werden in 1840 voor de meeste afge­scheidenen weer ongedaan gemaakt. Ze zijn vooral kenmerkend voor de richting van H.P. Scholte c.s. en in min­dere mate ook voor die van A. Brummel­kamp c.s.[51]

 


Hieronder volgen twee orden van dienst, die bij de afgescheidenen in gebruik zijn geweest. In beide gevallen gaat het om grote lijnen, waarbinnen de nodige variaties hebben bestaan. De eerste kolom is gebaseerd op verschil­lende processen-verbaal uit de eerste jaren van vervolgIng, die een vrij nauwkeurig verloop van een dienst geven waarin een afgescheiden predikant voorging.[52] De tweede kolom gaat terug op de randvoorwaar­den die de eerste afge­scheidene synode op­stelde voor samen­komsten, waarin geen dienaar des Woords voorgaat.[53] Daarin werd zeer uitdrukke­lijk het uitspre­ken van de zegen, het bedienen van de sacramenten en het gebruik maken van de sleutelen (de verkondiging van het evangelie en de christelijke ban) verboden aan niet geordende voorgangers.

 

10 geboden ('s morgens op zondag)

votum

psalm                                                                       psalm

voorafspraak

gebed                                                                       gebed

psalm

tekst                                                                         lezing van Gods Woord

preek                                                                        onderzoeken van Gods Woord

gebed                                                                       gebed

psalm                                                                       psalm

zegen

inzameling (of tijdens de dienst)

 

De eerste orde vertoont sterke gelijkenis met de Hervormde openbare eredienst, terwijl de tweede doet denken aan de gang van zaken in de oefeningen. In de eerste kolom vallen ten opzichte van de Hervormde praktijk enkele verschuivingen op. De zogenaamde voordienst is vervallen. Dit kan een gevolg zijn van de overtuiging dat voor de Schriftlezing eerst gebeden dient te worden, zoals in de tweede orde tot uiting komt.[54] Maar het kan ook voortko­men uit de bijzondere omstandighe­den in deze periode. Het wegvallen van de voordienst had in ieder geval tot gevolg, dat de lezing van de preektekst zich makkelijk kon gaan uitbreiden tot Schriftle­zing.


Op het eerste gezicht doen de voorlezing van de deca­loog aan het begin van de morgen­dienst en het collecteren aan het eind van de dienst denken aan gebruiken uit de periode van de Refor­matie in de Nederlanden. Toch is er waarschijnlijk geen sprake van een direct verband. Aanvankelijk kregen de tien geboden een plaats in de mid­dagdienst. Pas later in de Reforma­tie - het precieze moment is moei­lijk te traceren - kwamen ze in de morgen­dienst terecht om daar vervolgens in veel gevallen uit te verdwijnen. De afge­scheidenen hebben deze gewoonte (weer) ingevoerd. De reden om aan het eind van de dienst bij het weggaan te collecte­ren moet bij de afgescheidenen vooral ge­zocht worden in het feit, dat zodoende juri­disch gezien niemand persoon­lijk op de inza­meling kon worden aange­spro­ken en ver­volgd.[55]

De lengte van de diensten kon variëren van twee tot vier uur.[56] Het aantal diensten per zondag was twee of drie. In grotere plaatsen waren dit er in de Hervormde Kerk ook vaak drie, maar onder de afgescheidenen be­stond dit ver­schijnsel eveneens in kleinere steden en op het platte­land. Mogelijk kwam de derde dienst bij hen voort uit de gezelschap­pen, voorzover deze gewoon waren op zondag samen te komen, ná de gewone morgen- en middag­dienst.

 


Onder de afgescheiden predikanten bestond nauwelijks enig verzet van betekenis tegen de psalmberijming van 1773. Wel hadden Scholte en S. van Velzen aanmer­kin­gen op haar bijbels gehalte.[57] Scholte wees bij­voorbeeld op de psal­men 1, 19 en 119 (: 3). Alleen H.J. Budding trok consequen­ties uit zijn twijfels over deze berij­ming en gaf de voor­keur aan die van Da­theen. Hij kwam door deze en andere afwijkende opvattingen al spoe­dig buiten de kring van de Christelijk Afge­schei­de­nen te staan.[58] De synode van Amsterdam 1836 stelde vast, dat de gemeente in haar bijeen­komsten zal "gebruik blijven maken van de gewone berijming der 150 Psalmen Davids (= die van 1773, KWdJ) en der liederen, die men in den Bijbel vindt".[59] Strikt genomen betekende dit, dat enkele in 1773 toegevoegde liede­ren, zoals de geloofsbelijde­nis, de bedezang voor de predika­tie, morgen- en avond­zang, niet meer gezongen mochten worden. Maar tevens vertolkte de synode het gevoelen van Scholte en Van Velzen in de uitspraak, dat "Leeraars, Kerkeraden en ledema­ten der ge­meente ... intusschen vermaand worden, om de onge­lijkvor­migheden of tegenstrij­digheden der tegenwoordige Psalmberij­ming met het Woord Gods, aan den algemeenen Correspondent in te zenden, en zoo mogelijk de veran­deringen en verbeterin­gen der fouten naar Gods Woord, opdat op eene volgende Kerkvergade­ring zoo mogelijk daarover gehandeld kunne worden."[60] Bij de herziening van de DKO bood de synode van Utrecht 1837 iets meer ruimte inzake het zingen van psalmen uit verschillende berij­mingen ("zal alleen gebruikt worden het boek der psalmen, ... ") en enkele gezangen.[61]


We wijden slechts een enkel woord aan het verzet onder de eerste afgescheiden predikanten tegen de gezangen, aangezien er al het nodige over is gepubliceerd.[62] Het meest principieel en fel in zijn afwijzing van de gezangen was Hendr. de Cock.[63] Dit komt in het bijzonder tot uiting in zijn voor­woord op het in 1834 gepubliceerde geschrift De Evangeli­sche Gezan­gen getoetst en gewogen en te ligt gevonden van Jac. Klok.[64] De Cock stelt, dat de DKO het gebruik van de gezangen op een enkele uitzon­dering na ver­biedt en dat de invoe­ring van gezangen een teken is van geestelijk verval.[65] Ze mogen daarom niet worden ge­­bruikt. Velen die De Cock na stonden, hebben diens ondersteuning van Kloks geschrift vroeger of later be­treurd.[66] Scholte nam in grote lijnen dezelfde standpunten in als De Cock, maar hanteerde minder felle bewoordingen. Tegen sommige gezan­gen had hij grote inhoudelijke bezwaren, maar dit verhinderde hem aanvanke­lijk niet van tijd tot tijd een gezang op te geven. Zijn biograaf L. Oostendorp heeft erop gewezen, dat de gezangen voor Scholte per­soonlijk geen centraal thema waren.[67] Het verzet van Brum­mel­kamp was eveneens zowel formeel als inhou­de­lijk van aard. De gezangen­bundel zelf en de invoering ervan waren in strijd met de Gereformeerde leer. In later jaren relativeer­de hij zijn stand­punt in zoverre, dat zijn bezwaar zich vooral richtte op de dwang gezangen te zingen.[68] De predikanten G.F. Gezelle Meerburg en Van Velzen werden vooral beïnvloed door de houding van hun gemeenten om geen gezangen te zingen.[69] Dit bracht een bezinningsproces op gang, dat leidde tot het besluit ze niet meer op te geven. Hun bezwaar had vooral betrek­king op de verplichting in iedere dienst een gezang te laten zingen. Hoewel van Joh. van Rhee op dit punt minder bekend is, lijkt ook zijn moeite met de gezangen zich hierop te concentre­ren.[70]

 

In de aanleiding tot de schorsing van De Cock als predikant speelden inhoudelijke bezwaren van ouders tegen het beantwoorden van de twee­de doopvraag - naar het belijden van de christelijke leer 'in de chris­telijke kerk alhier geleerd' - een rol.[71] De door de Hervormde synode in 1817 gesan­ctioneerde vrijheid in het gebruik van het formulier kan het gevoel hebben versterkt, dat het in de tweede doopvraag zou gaan om de leer van de predikant die de doop bedient en niet om de leer in het formulier vervat.[72] In De Cock vonden ouders een predikant met wiens leer zij van harte konden instemmen. De afgescheidenen eisten van hun voorgangers trouw aan de gereformeerde confessie, zodat over hun leer geen misverstand kon bestaan. Bovendien plaatsten zij tegenover de Hervormde vrijheid inzake het gebruik van de klassiek-gereformeerde liturgische formulieren de gebondenheid hieraan, althans in principe. Het is niet duidelijk, hoever de ge­bondenheid ging: of zij alleen het leerstellig gedeelte en de vragen betrof, of bijvoorbeeld ook de gebeden. Er zijn geen aanwij­zingen, dat men in afgescheiden kringen voor een bepaalde redactie van de formulieren koos. Er werd gebruik gemaakt van de in omloop zijnde uitgaven.

De bepaling uit 1817, dat de doop niet al te frequent en zeker niet in de weekbeur­ten bediend mocht worden, had nagenoeg geen invloed op de praktijk van de afgescheidenen. Het tekort aan predikanten beperkte het aantal doopdiensten als vanzelf, maakte doopbe­die­ning op ande­re dagen dan de zondag soms noodzakelijk en bevorderde het verschijnsel dat er soms een behoorlijke tijdsspanne verliep tussen de geboorte en de doop van een kind. De al voor 1817 bestaande gewoonte, dat beide ouders hun kind ten doop houden bevestigde de afgescheidene synode in 1837 in een wijzi­ging van art. 57 van de DKO.[73] Hoewel de overgrote meerderheid van de afgescheidenen korte tijd later afstand nam van dit soort veranderingen, was de praktijk wel dienovereenkomstig.


Met name in het Zuiden van het land (Zeeland, het rivierengebied) riepen de verplichte vragen ter voorbereiding op het avondmaal weerstand op.[74] Van Rhee liet ze als Her­vormd predikant mogelijk zelfs al in een van zijn eerste ge­meenten, Zandvoort, weg, in ieder geval in Biggekerke en Veen.[75] Scholte liet het stellen ervan mede als gevolg van de wei­gerachtige houding van zijn gemeenten eveneens achterwe­ge, terwijl Gezelle Meerburg dit aanvan­kelijk ook deed, maar ze later op aanwij­zing van het classi­caal bestuur toch weer gebruikte.[76] In het Noorden speelden de avondmaalsvragen in de Afscheiding echter nauwe­lijks een rol van betekenis, mogelijk omdat men er daar min of meer bekend mee was. In Friesland waren er bij de invoering in 1818 overigens wel problemen gerezen, die het gevolg waren van onbekend­heid van sommige gemeenten met de vragen.[77] Evenmin als in het Zuiden zijn er directe aanwijzin­gen, dat het verzet terug­ging op de in 1817 aangebrachte inhoudelijke wijzigin­gen.[78]

Kort na de afscheiding in Ulrum wendde De Cock zich na­mens zijn kerkeraad tot de koning met een verzoek om bescherming tegen de vervol­ging van staatswege. Hij presenteer­de daarbij de DKO en maakte daar­bij enkele kanttekeningen, onder meer over art. 63, handelen­de over de tijd van de avondmaalsbediening: "Nu vooreerst, naardat de gele­genheid der tij­den zulks medebrengt, daar het in alle afge­schei­den gemeenten niet geregeld kan gehouden worden."[79] Door het predi­kan­tentekort en de moeilijke omstan­dig­heden was de frequen­tie in de eerste jaren meestal laag en onregelmatig. De synode van Utrecht in 1837 liet de frequentie over aan de kerke­raden, "welke tevens vermaand zullen worden, hetzelve niet te ver­ontachtzamen."[80] Deze aansporing wijst erop, dat het verlangen om het dit sacrament te bedienen onder de eerste afgescheidenen niet groot was.


Brummelkamp, Gezelle Meerburg, A.C. van Raalte en Scholte kwamen na hun vertrek uit de Hervormde Kerk al spoedig persoonlijk tot de conclusie, dat de Schrift het gebruikelijke ge­waad - zwarte mantel, kuit­broek, bef en driekanten steek - niet voorschrijft en zij het daarom dienden af te leggen.[81] De Cock en Van Velzen daarentegen hielden vast aan de tra­ditie. Het kerkelijk jaar heeft onder de afge­scheidenen weinig waardering gevonden.[82] In 1836 konden zij zich in de synode dan ook vinden op het standpunt, dat men zich zou wachten "de menschen te verpligten tot het vieren van zoogenaamde Feestdagen"[83]. Alleen de zondag, de dag des Heren, diende door de gemeente te worden gehei­ligd. Een jaar later werd de DKO in deze zin gewijzigd. De synode voegde er een kleine praktische aanwij­zing aan toe: "Daar echter, waar men op die dagen niet werkt zal men dezelve zoo veel mogelijk stichte­lijk zoe­ken door te brengen."[84] Op basis van deze aanvulling uit 1837 kan worden vermoed, dat van het begin af aan de meeste afge­scheiden gemeenten zich in de praktijk gewoon hielden aan de tradi­tionele, in de DKO vastgelegde feestdagen.

 

De theologische bezinning van H.P. Scholte


In de roerige eerste jaren na de Afscheiding ontbrak het de weini­ge predikanten aan de rust om te komen tot een theologische bezinning op de gedane keuzen. Waar dit wel gebeurde, concentreer­den zij zich vooral op dogmatische vraag­stukken, in het bijzonder op de locus over de kerk. De afschei­ding van de Nederlandse Hervormde Kerk en de interne ver­deeld­heid maakten dit het meest urgent. De enige die zich theologisch op de godsdienstoefening bezon is Scholte. Hij publiceerde een reeks artikelen onder de titel "Godsdienstoefening" in De Reformatie.[85] Dit blad was door de synode van Amsterdam 1836 bedoeld geweest als officieel orgaan van de afgescheidene beweging. Maar Scholte had als redacteur het tijdschrift naar zich toe getrokken.[86] Door zijn stijl van optreden, door zijn theologische inzichten en door de wijze waarop hij zijn mening naar voren bracht, kwam hij en daarmee ook De Reformatie al spoedig in de periferie van de Af­scheiding terecht. De hoofdstroom van de afgescheidenen nam steeds meer afstand van hem. Toch bleef zijn invloed vooral in het westelijk rivierengebied van Noord-Brabant en van daaruit soms ook elders nog lang nawerken.[87] Het belang van Schol­tes stellingname is gele­gen in het feit, dat een zo uitge­breide inhoude­lijke bezin­ning op de ere­dienst in het Neder­lands protestan­tisme van de 19e eeuw nog niet eerder had plaatsgevonden.

Het is niet duidelijk, wie Scholte op het punt van de eredienst heeft beïnvloed. Zijn Leidse leermeesters zijn het zeker niet ge­weest.[88] Scholtes verhandelingen vertonen een duidelij­ke verwant­schap met het de denkbeelden van het Reveil, waarmee hij in Amster­dam en Leiden kennis had gemaakt. Maar ook andere invloeden zijn aanwijsbaar. Zijn afwijzende houding ten opzichte van de litur­gi­sche formu­lieren en in het bijzonder van de formulier­gebeden ver­bin­den Scholte met J. Koelman en andere vertegenwoordi­gers van de Nade­re Reforma­tie.[89] Tezamen met zijn matige waarde­ring van de be­lijde­nis­ge­schrif­­ten en zijn klemtoon op de Schrift als enige norm voor ge­loof en kerk wijst Scholtes houding verder op inspiratie vanuit congrega­tiona­listi­sche krin­gen. Er bestaat een duide­lijke ver­want­schap met het gedachten­goed van J.N. Darby: een scherpe schei­ding tussen kerk en wereld, verzet tegen hiërar­chische structu­ren in de gemeente en een sterk pleidooi voor een frequente avond­maalsvie­ring.[90] Hoewel naar men aanneemt direct con­tact tussen Scholte en Darby eerst in 1838 tot stand kwam en Darby's idealen in belangrijke mate overeenko­men met die van het Europees Reveil, moet Scholte daarvóór al een zekere kennis hebben gehad van diens gedach­tengoed.[91] Het grootste deel van de artikelen­reeks over de gods­dienstoefening was namelijk voor die tijd al verschenen.


Scholte zet in zijn reeks in bij het individu: "De verplig­ting om God te dienen rust op een' iegelijk' mensch".[92] Hij ziet in de wereld twee mogelijkheden, die van geloof en ongeloof, die om God al dan niet te dienen. Vanuit deze persoonlijke verant­woordelijk­heid bouwt hij verder naar de dienst van het huisgezin: "Wij vermanen u ten ernstigste, om met uw huis aan te vangen met opregte reforma­tie".[93] Scholte borduurt hier voort op een reeds bestaande traditie in de gezelschap­pen en in de kringen van het Reveil.[94] Van de huis­dienst komt hij vervolgens op de dienst van de gemeente.[95] In de ge­meen­te­lijke bijeenkomsten onderscheidt hij particuliere en algeme­ne. Alleen gemeentele­den kunnen daadwerkelijk deelnemen aan de alge­mene gods­dienstoefeningen. Voor anderen zijn zij openbaar, maar alleen om toe te horen en toe te zien.[96]

Scholte wijst er met nadruk op, dat de dienst aan God uit meer be­staat dan van buiten geleerde woorden en handelingen, meer is dan de kerk­gang alleen.[97] Het gaat om een levend geloof, getoetst aan de Schrift. Parallel hieraan is de gods­dienstoefening voor hem meer dan de door een predikant uitgesproken preek.[98] Ook een ouderling, dia­ken of ander lidmaat dat daartoe een gave ontvangen heeft, kan in een samenkomst van de gemeente de Schrift uitleggen en toepassen. Er kan een preek gelezen worden, maar ook kunnen de aanwezige gelovigen onderling van gedachten wisselen over een tekstgedeelte.[99] Uit­gangs­punt vormen voor Scholte de zes kenmer­ken die in Handelingen 2 aan de eerste gemeente worden toegeschreven: volharding in de leer der apostelen, de onderlinge gemeenschap, de breking van het brood, de gebeden, het delen van het bezit met de behoeftigen en het prij­zen van God.[100]

Scholte is zich bewust van het controversiële in zijn benadering en aanpak, maar vindt de tegenstand onterecht. "Eene (...) aanleiding tot belemmering der gemeen­schap is eene onbe­hoorlijke gehechtheid aan gewoonten en gebruiken, aan dingen, die de Heere niet vordert, en waaraan menschen het wezen van het geestelijk leven of de gemeen­schap met God hechten: dit wordt ons in het Woord aangewezen, en wel met krachtige afkeuring".[101] De Schrift bepaalt voor hem de orde. In de bespreking van het tweede kenmerk van de eerste gemeente, het breken van het brood, bekritiseert hij vanuit de Schrift en de vroeg-christelijke traditie (!) de gewoonte om slechts enkele malen per jaar avondmaal te vieren.[102] Maar hij heeft er ook bezwaar te­gen, als de waarde en betekenis van het avondmaal ver boven de ande­re elementen van de godsdienst­oefening worden uitge­tild.[103] Een le­vend geloof heeft volgens Scholte een voortdurend vurig verlangen naar gemeen­schap met de Heer tot gevolg. Verzuim van het avondmaal, terughoudend­heid in de deelname duidt op een zwak geloofs- en ge­meentele­ven.[104]


Ook de andere begrippen uit en elementen van de godsdienstoefening worden sterk vanuit de inhoud beoordeeld. Formuliergebeden worden afgewezen.[105] "De Heere vraagt toch niet naar een mooi gebed, maar naar een opregt gebed."[106] Aan de Schriftlezing dient een gebed voor­af te gaan om de "verlichting, onderwijzing en besturing des Hei­ligen Geestes".[107] De behande­ling van de gemeenschap der goederen is het laatste deel van Scholtes reeks.[108] Een vervolg werd beloofd, maar is nooit gepu­bli­ceerd.

 

Samenvattend kan het volgende worden vastgesteld. In principe namen de afge­scheidenen liturgisch hun uitgangspunt in de Liturgie en de Dordtse Kerkorde. In de praktijk blijkt echter het religieuze ge­voel, evenals bij de Hervormde synode in 1817, een belangrijke rol te spelen. Maar er is een duidelijk verschil in het subject van dat gevoel. In de maatregelen van 1817 was de bepaling van wat stichte­lijk is voor­namelijk aan de predikant opgedragen. Onder de afge­scheidenen ver­schoof dit in de richting van de gemeente. Het religieuze gevoel in de afgescheidene gemeen­ten verzette zich tegen de liturgische verande­ringen die - grofweg - in het begin van de 19e eeuw waren doorgevoerd. Wat daarvoor al be­stond of in gang was gezet, heeft in veel mindere mate kritiek opgeroepen. De psalmbe­rijming van 1773, hoewel bekritiseerd, werd behoudens een enkele uitzonde­ring aanvaard. De gezangen van 1805 wees men daaren­tegen af. De al wijd verbreide gewoonte van de aanwezigheid van de moeder bij de doop riep bij de afgescheidenen geen enkel verzet op. Maar de voor en in 1817 slechts regionaal en incidenteel gehouden Goede Vrijdag kon hun goedkeuring niet wegdragen. De avondmaalsvra­gen lijken voor­al daar weerstand op te roepen, waar ze voorheen geheel en al onbe­kend waren. De Utrechtse hoogleraar Heringa wees al ver voor de Afscheiding op "de gehechtheid aan oude, en de afkeerigheid van nieuwe inrigtingen en leerwijzen" in veel Hervormde gemeen­ten.[109] Dit roept de vraag op, in hoeverre het verzet van de afgescheide­nen op liturgisch gebied inhoudelijk bepaald was en uit meer bestond dan uit verzet tegen nieuwe ontwikkelingen. Nader, in het bijzonder plaatselijk onderzoek is voor het beant­woor­den van deze vraag nood­zakelijk.

Dat inhoudelijke bezwaren slechts in beperkte mate gewicht in de schaal hebben gelegd, blijkt uit het verzet van Scholte tegen de tendens onder de afgescheidenen om terug te kerken naar 'vroegere gebruiken en gewoonten'. Hij vond daarmee nauwelijks gehoor. Terug­blikkend stelde hij in 1847 vast, dat de meeste afgeschei­denen stil wilden blijven staan bij de besluiten van 1618-19.[110] In feite betekende dit echter, dat de afgeschei­denen in liturgisch opzicht voor­al terug wilden naar de praktijk van rond 1800.

 

 

2.3         Toenemende vrijheid in de Nederlandse Hervormde Kerk

 


Na 1817 is aan de Hervormde synode lange tijd geen samenhangend voor­stel met maatrege­len op het gebied van de liturgie meer ge­daan. Besluiten op litur­gisch terrein stonden doorgaans wel in een breder kader - bij­voor­beeld bij de herziening van de reglementen op de kerkeraden en het godsdien­stig onderwijs - maar hadden liturgisch gezien steeds een inciden­teel karakter. De meeste synodale maatregelen uit latere jaren vloeiden voort uit de besluiten uit de jaren 1816 - 1818. Zo kostte het bijvoorbeeld nog heel wat moeite om de ingesleten ge­woon­te in de noordelijke provin­cies om de predi­kanten niet-kerke­lijke afkondigingen te laten doen uit te bannen.[111] Van grote veranderingen in de uitgezette liturgische koers was echter gedurende enkele decennia geen sprake. Wel valt er kort na de Afscheiding een subtiele verschuiving waar te nemen in de bepaling over het gebruik van de liturgische formulieren. In 1836 beklaagde de predikant J. van Schaick uit Bruchem - gelegen in het rivierengebied, waar Gezelle Meerburg en Scholte zich afgeschei­den hadden - zich over nalatigheid in het gebruik van de formulieren. De Hervorm­de synode bevestigde daarop de eerder gegeven vrijheid in het gebruik. Maar terwijl de vroegere aanvaarding van het vrije gebruik van de formulieren uitging van de predikanten en hun vaardigheden en alle nadruk legde op hun keuze, voegde de synode daar nu de uitdrukkelijke voorwaarde aan toe, dat "zij zich daarvan op geene andere wijze bedienen zullen, dan welke strekken kan ter bevordering van de ware stichting der gemeenten."[112] In 1817 was niet zo expliciet aangegeven, dat de situatie van de plaatselijke gemeente in de overwegingen betrokken moest worden.


Eerst in 1853 en 1854 nam de synode besluiten die direct gevolgen hadden voor de inrichting van de eredienst.[113] Ze betoonde zich nu een voorstander van de bedie­ning van het avondmaal op Goede Vrijdag om de viering van die dag plechtiger te doen zijn. Verder sprak ze zich uit voor het gebruik van toga, bef en barret door de predikanten in de eredienst. De betekenis van het avond­maal was met name onder liberaal ingestelde theologen en gemeenten aan het ver­schuiven van sacra­ment naar een herden­kingsmaal­tijd. Dat deed het verlangen groeien de maaltijd juist op de dag van de gedachtenis van Jezus' lijden en sterven te vieren. De ­aanleiding om over het ambtsgewaad een beslissing te nemen vloeide voort uit een wette­lijk verbod in 1853 op het dragen van een ambts­gewaad ­buiten het kerkge­bouw, al was het de vraag of de Hervormde Kerk wel een officieel ambtsgewaad kende. Genoemd verbod zou wille­keur in de kleding van de predikanten tot gevolg kunnen hebben. Niet alleen inhoudelijk bevatten de synodale besluiten nieuwe elementen. Ook de wijze van invoeren was anders. Het besluit over de avondmaals­viering legde de synode niet meer op, maar beval ze aan. Dat over het ambtsge­waad werd niet zoals voorheen alleen bij predikanten neergelegd, maar ook bij de kerkeraden.


In deze en volgende jaren kwam de liturgische vrijheid steeds conse­quenter in de besluitvor­ming tot uiting. Maar tegelijk was er nog een andere beweging gaande. De plaatselij­ke gemeente kreeg in het herziene Algemeen Regle­ment van 1852 meer invloed, hoewel de concrete­ uitwerking nog lang op zich liet wachten, bij het verkiezen van kerkeraden en het beroepen van predikanten bijvoor­beeld tot 1867. De orthodoxen begonnen zich plaatse­lijk te organiseren, zoals bleek uit de bezwa­ren tegen de leer van de predikanten L.S.P. Meyboom en J.C. Zaalberg bij hun komst in 1854 naar respectievelijk Amsterdam en 's-Gravenhage. Ook in andere plaatsen en op regionaal en landelijk niveau vonden orthodoxe groepen elkaar. Beide ontwikkelingen, de toenemende in­vloed van de plaatselijke gemeente en de groei van orthodoxe groe­pen, zijn te trace­ren in het synoda­le besluit uit 1863 om zowel de ver­plichting geregeld de Catechismus te behan­de­len als het voor­schrift tenminste één ge­zang­vers per dienst te laten zingen op te heffen.[114] Over­heersend in dit dubbelbesluit is het vrijheids­aspect, dat voor­al voor Gronin­gers en modernen belangrijk was. Dat blijkt ook uit het gelijktijdig buiten werking stellen van de indirecte aan­wijzing uit 1817 dat de liturgische ge­schrif­ten gebruikt en "behou­dens der­zelver geest" gelezen dienden te worden.[115] Maar tevens proeft men de con­cessie in de richting van ortho­doxe groepen. Predikanten zagen hun liturgische vrijheid namelijk tegelijk ingeperkt. Zij moesten volgens het in 1863 op dit punt bijgestelde reglement op de kerke­raden in een aantal liturgische zaken "naar eigen oor­deel te rade [gaan] met de gods­dienstige behoeften hunner gemeenten."[116] Deze tendens was enkele jaren eerder al zicht­baar ge­worden in de bepa­ling, dat predikan­ten wat be­treft aantal, tijd en plaats van de kerkdienst geen veran­de­ringen (meer) mochten aanbrengen zonder toestem­ming van de kerke­raad.[117] Een ne­ven­effect van deze bepaling was wel, dat ze het afschaffen van de tweede dienst in principe mogelijk maakte.[118] De liberaal getinte en pragmatische lijn uit het begin van de jaren zestig zette door. De vervolgbundel op de Evan­geli­sche Gezangen uit 1866 werd gedo­mineerd door gezangen, die bij de tijd werden ge­acht, maar tevens had men er in een aanhangsel een klei­ne verzame­ling ­liederen uit de reformatorische traditie in onder ge­bracht, die om hun historische waarde waren opgenomen.­[119]

De geschetste ontwikkelingen sluiten nauw aan bij het standpunt, dat de Groninger hoogleraar W. Muurling inneemt in zijn Practische God­ge­leerd­heid, in afleveringen verschenen in de jaren vijftig en opnieuw gepubliceerd in 1860, maar toen in één band.[120] Muurling stelt, dat het wezen van de ere­dienst hierin ligt, dat zij het gods­dienstig gevoel en leven van de gemeen­te open­baart.[121] Het doel van de dienst is "naauwere vereeni­ging der Ge­meen­te, in geest en leven, met den Vader en met zijnen Zoon".[122] De predikant­ dient er zorg voor te dragen, dat met inacht­neming van zijn wezen de eredienst aan dit doel beant­woordt.[123] Hij zal derhalve met eerbied en ernst optre­den, bedacht op het deftige en plechtsta­ti­ge.[124] De vorm dient hij hierop af te stemmen.[125] Het is nodig, dat de voorgan­ger hiertoe de vrij­heid ont­vangt.[126] Van hem mag verwacht wor­den, dat hij er "een wijs en ver­standig gebruik" van maakt, "naar de behoefte en vatbaar­heid der Gemeen­te."[127] Voor Muur­ling is de be­staande vrijheid "zoo groot, als zij kan gewenscht worden."[128] Maar dit weerhield hem er niet van in 1862 tegen­over de synode te pleiten voor uitbrei­ding van het bereik van dit "onvervreemdbaar eigen­dom" van de Hervormde Kerk.[129] Op dat moment zou zijn openlijke overgang tot de modernen dan ook niet lang neer op zich laten wachten.

 


In de synodale circulaire uit 1817 waren zowel het ideaal van de vrijheid voor de predikant als het oogmerk van het stichtelijk verloop als criteria voor de vormge­ving van de eredienst opgenomen. Door de Afscheiding was al duidelijk geworden, dat landelijk uitgevaardigde maatregelen beslist geen garantie gaven voor de stichting van de gemeente. In de volgende decennia ontdeed de Hervormde synode zich van de meeste regels, vooral met het oogmerk de liturgische vrijheid van de predikant te vergroten. Die moest in het gebruik daarvan dan wel bedacht zijn op het gevoelen van de gemeente. Voor orthodoxe predikanten betekende dit, dat zij de vrijheid kregen zich aan bepaalde tradities te houden.

 

 

2.4         Nadere bepaling van normen voor de inrichting van de eredienst onder de Christelijk(e) Afgescheidenen (1839 - 1869)

 

Met de eerste vraag om erkenning door de overheid in 1839 door de Utrechtse gemeente werd voor de afgescheidenen de basis gelegd voor een periode van consolidatie en groei. De synode van 1840 probeerde met de terugkeer naar de ongewijzigde DKO de rust te herstellen. Zij wilde hiermee uitdrukken zich "ten naauwste te vereenigen met de regering, tucht en dienst" die de vaderen hadden voorgestaan.[130] Zij hoopte, dat dit dienen zou "tot stichting van de Gemeente des Hee­ren".[131] De synode gaf aan dit streven tevens uitvoe­ring door een uitgave te doen verzor­gen van het zogenaamde Kerke­lyk Handboek­je.[132] De opzet van dit hand­boek­je dateert uit het begin van de 17e eeuw en is met een ver­schil­lende inhoud regelmatig her­drukt. Het bevat een verzameling van de besluiten van de belang­rijk­ste kerke­lijke verga­deringen in de Nederlanden vanaf de Reformatie tot en met de synode van Dor­drecht 1618-19, ook met betrekking tot de orde en de inhoud van de ere­dienst. Met alle maatregelen wist de synode de verdeeldheid niet echt op te lossen, te meer daar ze zich genoodzaakt zag om Scholte te schorsen. Anderen, zoals Brummelkamp, hielden zich in volgende jaren uit eigen beweging afzijdig van hetgeen op landelijke synoden geschiedde.

Na verloop van tijd vonden de verschillende afgescheidenen groepen elkaar weer. Een belangrijke mijlpaal in en stimulans voor deze ontwikke­ling was de oprichting van een gezamenlijke Theologi­sche School in 1854 te Kampen. Zelfs de scheu­ring met de kruisgezin­den van 1837 wist men in 1869 grotendeels ongedaan te maken. Andermaal blijkt dan, dat men aansluiting zocht bij de Dordtse traditie, in Formulie­ren van Enigheid, Liturgie en Kerkorde, wat de kerkorde betreft "zoveel de omstan­digheden dit niet verhinderen."[133] Het accent ligt in deze paragraaf op hen die zich verbonden weten met de Christelijk(e) Afgeschei­de­ne Gereformeerde Kerk. Bij de benaming afgescheidenen moet vooral aan hen worden gedacht.

 

De synode


De gegevens over de inrichting van de eredienst in deze periode zijn schaars. Tot aan de stichting van de Theologische School in Kampen vormen de synodale Handelingen de enige bron. Daarin valt vanaf de synode van Amsterdam 1840 slechts één liturgische thema op, namelijk dat van het gewaad van predikanten.[134] Hierover was niets vastgelegd, terwijl het lokaal niet op te lossen viel, omdat predikanten ook buiten hun eigen gemeente optraden en voorgin­gen. De wijze waarop zij zich kleedden lag gevoelig, omdat juist de zich steeds sterker isolerende Scholte als eerste het traditionele predikantsgewaad had afgelegd. Anderen die dezelfde beslissing genomen hadden - Brummelkamp, Van Raalte en Gezelle Meerburg - stonden eveneens onder verdenking van nieuwlichterij. Pleidooien van deze tegenstanders van het ambtsgewaad weerhielden de synode er dan ook niet van, voor de ambtskle­ding eveneens de traditie als norm te hanteren en de aanbeve­ling te doen, "dat de Leeraars die kleeding dragen, welke door de gewoonte het bepaalde gewaad der Leeraars geworden is".[135] Met deze argumenta­tie wist ze echter de tegenstanders niet te overtui­gen.[136] Die verzetten zich juist tegen gewoon­ten die niet met aan Schrift, belijdenis of kerkorde ontleende argumenten konden worden verdedigd. Later kwamen de synoden hen in zoverre tegemoet, dat het dragen van het ambtsgewaad afhankelijk werd gesteld van de gewoonte in classis of provincie en de eventuele ergernis die het afleggen ervan zou geven.[137] Blijkbaar gingen traditioneel bepaalde gevoelens en opvattingen in dit opzicht voor histori­sche, of bijbels-principiële noties.

 

De synode van Zwolle 1854 biedt nader inzicht in de benaderingswijze van liturgi­sche zaken. Zolang de gereformeerde leer en traditie niet in het geding waren, volgde de synode de hiervoor geschetste pragmatische lijn, zij het dat niet het gevoelen van de streek, classis of provincie de door­slag moest geven, maar dat van de ge­meen­te. In het stellen van voorbe­rei­dings­vragen bij het avond­maal zoals ze in gebruik in Groningen en Friesland tot 1817 in gebruik waren geweest, liet de syno­de van Zwolle 1854 "elke gemeente (...) vrij, en oordeelt dat de Leeraar zich hierin behoort te schik­ken naar de meeste stichting der gemeente."[138] Eenzelfde antwoord als in Zwolle volgde, toen in 1866 afgevaardigden uit Noord-Holland aan de synode van Amster­dam 1866 vroe­gen, "dat des Zondags in alle Gemeenten de heilige Wet en de twaalf Artikelen des Geloofs moeten worden gelezen, opdat er gelijkheid kome". Het werd aan de kerkera­den overgelaten, "wat het meest tot stichting der Gemeente kan dienen."[139]


Bij het houden van de Goede Vrijdag kwam de gereformeerde traditie (DKO) wel in het geding. Toen de Her­vormde synode in het najaar van 1853 besloot om de gemeen­ten aan te sporen de Goede Vrijdag waardig te vieren en zo mogelijk op die dag het avondmaal te bedienen, rea­geer­de de afgescheidene synode in 1854 ondubbelzinnig.[140] Zij was van mening, "dat die dag vol­strekt niet feestelijk gevierd worde; zij maakt geene bepaling omtrent het houden van dagen, die niet in de Kerkeörde van Dord­recht 1618 en 1619 vermeld wor­den".[141] Dit bleef bij herhaling haar standpunt.[142] Bij een deel van de afge­schei­denen ging het verzet tegen de feestda­gen verder. Bijvoor­beeld in Noord-Brabant waarborgde onder invloed van (Scholte en) Gezel­le Meerburg een eigen kerkorde van 1843 de vrijheid van de plaatse­lijke ge­meente inzake het al dan niet houden van de feest­dagen.[143] Verder hield Brummelkamp niet op onder verwij­zing naar de terughoudende opstel­ling van synodale vergaderingen in de 16e en 17e eeuw te plei­ten voor afschaffing van alle feestda­gen.[144]

Principiëler en wellicht daarom behoedzamer ging de synode om met de vraag naar de wettigheid en daarmee naar het wezen van de doopbedie­ning. Tegen de achter­grond van het ontkennen van "de voornaamste grond­waarheden" door sommige Hervormde predikan­ten werd op de synode van Zwolle 1854 de doop in de Hervormde Kerk kritisch bekeken, maar nog geen besluit genomen.[145] De afge­scheidenen hadden al eerder bezwaar geuit tegen de wijze waarop sommige kruisge­zinde voorgangers predikant waren geworden en trokken daarmee ook de door hen bediende doop in twijfel. Ze werden met dit probleem gecon­fronteerd door het grensverkeer dat er tussen kruisgezinde en afgescheidene gemeenten bestond. De synode had daarop geoordeeld, dat de wettige verkiezing en ordening van een predikant noodzakelijk was om de door hem bediende doop als geldig te kunnen beschou­wen.[146] In later jaren neigde de synode ertoe toegeeflijker te worden in de richting van de kruisgezin­den en werd de bediening in de Hervormde Kerk proble­matischer.[147] Deze toenadering tot de kruis­ge­zin­den zou uiteindelijk haar eindpunt vinden in een vereniging. Anders lag het met de Her­vormden. De sterke groei van de Christe­lijk Afgescheidene ge­meen­ten in deze jaren was voor een belangrijk deel te danken aan de over­komst van Hervormden. Maar lang niet al­tijd was duidelijk, of zij als gedoopt konden worden beschouwd. De geruchten en berichten over het niet gebruiken van de klassieke doopformule in de Hervormde Kerk, waarop in het volgende hoofdstuk nog nader zal worden ingegaan, kwa­men ook de afge­scheide­nen ter ore.[148] De afge­scheidene synode stelde daarom in 1866 de doop in de naam van de drieënige God tot voorwaarde en norm voor een geldige doopbedie­­ning.[149]  


De Theologische School te Kampen

1854 was niet alleen het jaar van diverse besluiten op liturgisch vlak, maar ook dat van de oprichting van een gezamenlijke Theologi­sche School te Kampen. Op de series lectionum stond het vak "Formu­lieren, Liturgie en Kerkorde" vermeld.[150] Tezamen vormden deze drie elementen het historisch erfgoed waarop de afgeschei­denen van het begin af aan hun bestaan baseerden. Later bleef op de series alleen "Formu­lieren" over.[151] Deze belijdenisgeschriften hadden dan ook de voornaamste pijler gevormd van de drie die de afgescheidenen als hun kerkelijke basis be­schouwden. Liturgie en Kerkorde waren ernaast geplaatst als praktische uitwerking. Brummelkamp en Hel. de Cock wisselden elkaar in het geven van deze colleges elk cursusjaar af.[152] Gegevens over de inhoud van de colleges ontbreken, maar een indruk van het on­der­wijs en de benade­rings­wijze van de Liturgie in Kampen biedt de heruitga­ve uit 1857 van Joh. Ens' Kort historisch be­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­rigt, dat voor het eerst in 1733 ver­schenen was.[153] Ens beschri­jft vanuit een historische en dog­mati­sche invals­hoek, inhoud en bedoeling van de Formu­lieren van Enigheid en de Liturgie. Deze uitgave, die in 1861 nog een tweede druk met een aanbevelend woord van Van Velzen beleefde, paste in een reeks van uitga­ven uit de sfeer van de Nadere Reforma­tie, die door de Christelijk Afge­scheidenen in de eerste decennia van hun bestaan verzorgd wer­den. Ens is van opvatting, dat de liturgische formulieren in gewijzig­de vorm gelezen mogen worden, zolang er geen leerstukken in het geding zijn. Het onverkort gebruik van de formulieren was zeker onder de latere afge­scheidenen evenmin een sjibbolet van rechtzinnig­heid. Terwijl in de eerste plaatse­lijke reglementen het lezen van de for­mulieren nog nadrukke­lijk werd opgenomen, was dit in de latere niet meer het geval.[154]


In het verlengde van Hel. de Cocks leeropdracht lag de publicatie in 1868 van Gerefor­meerde Kerkregeering, of Handboek voor Leeraars en Kerke­raads­leden. Deze uitgave geeft op enkele punten een indruk van de liturgische praktijk. De Cock constateert onder meer, dat "op vele plaatsen" de Schrift wordt gelezen bij het binnenkomen van de kerk­gangers. Dat doet vermoeden, dat de voordienst niet zo rigoureus is afgeschaft als in de eerste jaren na de Afscheiding lijkt.[155] De Cock gaat uit van het principe, dat de bevestiging van leden der gemeente in het open­baar dient plaats te vinden. Hij acht de vragen achter het Kort Begrip ongeschikt en raadt impliciet de belijdenisvragen van Voetius aan. Daarin wordt van de kandida­ten de erkenning gevraagd van "de leer onzer kerk" als "de ware en zaligmakende (...), overeenkomende met de H. Schrift".[156] De Cock sig­na­leert, dat de voorberei­dingsvragen op het Avondmaal nog in "sommi­ge gemeen­ten" worden gebruikt, maar hij vindt ze niet noodzake­lijk.[157] Hij geeft ze in de Fries-Groningse formule­ring van vóór 1817. De adviezen van De Cock over zowel de belijdenis- als de avondmaalsvragen laten zien, hoe belangrijk het dogmatisch correcte in de eredienst was en hoezeer de vorm daaraan ondergeschikt werd gemaakt.

 

In de periode tussen 1839 en 1869 wisten de afgescheidenen hun kerkelijk leven geleidelijk te stabiliseren. Ze verenigden en richtten zich op de Dordtse traditie, vooral in dogmatisch-inhoudelijk opzicht. De synode kon bij deze vooronderstelde consensus kerkeraden en predikanten doorgaans adviseren die liturgische vorm te kiezen, die het meest tot stichting van de gemeente diende. De discussie over een geldige doopbediening is een goed voorbeeld van deze benadering. De enige voorwaarde en norm voor een wettig bediende doop is het verrichten van de handeling in de naam van de drieënige God.[158]

 

 

2.5         Conclusies

 


De voormannen van de Afscheiding hebben zich met hun gemeenten praktisch en principieel verzet tegen de wijze waarop bepaalde onderdelen van de Hervormde eredienst vormgegeven moesten worden. Dit verzet werd ingegeven door verschil­lende, elkaar deels overlappende factoren. De eerste factor: vrij algemeen was onder de afgescheidenen de afkeer van vernieuwingen in de liturgische vorm, die zich sinds het begin van de 19e eeuw hadden voorgedaan. De tweede factor: deze afkeer werd deels ondersteund door inhoudelijke bezwaren tegen de doorgevoerde veranderingen die op gespannen voet stonden met de gereformeerde traditie, zoals die was vastgelegd in DKO, Formulieren van Enigheid en Liturgie. De handhaving van de gereformeerde leer had voor de afgescheidenen prioriteit, niet het door de Hervormde synode in 1817 beoogde ethisch-opvoedkundige doel. De derde factor: voorgangers als Gezelle Meerburg, Van Rhee, Scholte en Van Velzen werden door hun gemeenten tot bezinning gebracht, omdat zij binnen het kader van de vastge­stelde regels niet tot stichting van hun gemeenten in de eredienst konden voorgaan. Daarbij moet gedacht worden aan het ritueel ter voorbereiding op het avondmaal - in het geval van de eerste drie - en het doen zingen van tenminste één gezangvers - in het bijzonder bij de eerste en de laatste. Door het ingaan tegen een aantal provinciaal en landelijk genomen maatregelen kon een confrontatie met het Hervormde kerkelijk gezag niet uitblijven. Afscheiding was het gevolg.

Al spoedig bleek het verzet in de Afscheiding te bestaan uit een drietal stromingen met een verschillende visie op de gereformeerde traditie. Aan de ene kant opteer­den Brummelkamp en Scholte, elk met zijn eigen groep, voor een kritische omgang met de traditie, in het bijzonder met de regels uit de DKO, zoals die voor de feestdagen. Scholte ging hierin het verst. Hij aanvaardde alleen het gezag van de bijbel voor de inrichting van de eredienst en wees elke normerende werking van de traditie af. Hij kwam dan ook al spoedig aan de rand van de beweging der afge­scheidenen te staan. Aan de andere kant stond de groep die onverkort wilde vasthouden aan de in de loop der tijden gegroeide gewoonten en de DKO op geen enkel punt wenste te wijzigen. Deze ging onder de naam van kruisgezinden al spoedig een eigen weg. De kerngroep van de afgescheidenen deed weliswaar de Aanvankelijk aangebrachte wijzigingen in de DKO teniet, maar hanteerde de daarin vervatte bepalingen met de nodige souplesse. Dat is ook het beeld dat zich na verloop van tijd voordoet in de omgang met de eredienst in zijn geheel. Predikanten die bijvoorbeeld bezwaren hadden tegen het traditionele ambtsgewaad kregen gaandeweg meer ruimte om in een ander gepast kostuum voor te gaan. Achtereen­volgende synoden lieten zaken als het lezen van de tien geboden over aan de prudentie van de kerkeraden. In de praktijk verbreidde zich de opvatting, dat de formulieren selectief gebruikt konden worden, mits tenminste de gereformeerde leer niet werd aangetast. Het is overigens onduidelijk, wie bepaalde in welke mate de formulieren werden gevolgd: kerkeraden of predikanten.


De afgescheidenen lijken in het vrije gebruik van de formulieren beïnvloed te zijn door de situatie in de Hervormde Kerk, waaruit zij voortkwamen. Een ander punt van overeenkomst is de hoge waardering van het religieuze gevoel, zij het dat onder de afgescheidenen niet het gevoelen van de predikanten, maar dat van de gemeente van doorslaggevende betekenis was. Eerst op termijn, en wellicht mede ten gevolge van de Afscheiding, won die gedachte langzamerhand ook in de Hervormde Kerk veld. Ze leidde aanvankelijk tot het opstellen van adviezen in plaats van regels en later zelfs tot het afschaffen van bestaande verordeningen. Dit maakte het voor predikanten (en in zekere zin ook hun gemeenten) mogelijk de gereformeerde leer en traditie ten volle te honoreren in hun eredienst. Dit was echter geenszins verplicht, hetgeen een nieuwe reactie op de liturgische situatie in de Hervormde Kerk zou oproepen.



     [1]          A.C. Honders, "Een Nederlands liturgisch tijdschrift uit het begin van de 19e eeuw", in: Kerk en Theologie (= KT) 23 (1972), 162 - 175, 164 (citaat).

     [2]          O. Repelaer van Driel aan de Algemeene Christelijke Synode, d.d. 26 juli 1816 (citaat, evenals citaten in de twee volgende regels) - Algemeen Rijksarchief ('s-Gravenhage), Tweede Afdeling (= ARA II) Archief NHK, Algemeene Synode, nr. 428. Vgl. Hand. Syn. Herv. Kerk 1816, 83v. O. Repelaer van Driel (1759 - 1832), jurist, werd door Willem I naar voren gehaald om leiding te geven aan het beheer van waterstaat, onderwijs en protestantse eredienst (Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (= NNBW) III, 1071v).

     [3]          Zie: Honders, "Een Nederlands liturgisch tijd­schrift". H.W.C.A. Visser (1773 - 1826) stud. theol. Fra­ne­ker 1789, ge­ref. pred. Warns 1795, IJsbrechtum 1809. Naast zijn ij­veren voor verbete­ring van de ere­dienst, maakte hij zich ver­dienste­lijk voor het onder­wijs en de bestudering van de Friese ge­schiede­nis (NNBW IV, 1390).

     [4]         Hand. Syn. Herv. Kerk 1817, 65 (citaat).

     [5]         Ibidem 1817, 12v (citaat). Vgl. de toegevoegde op­dracht in ibidem, 58. In de commissie hadden zitting de hoog­leraren J. Heringa Ezn. (Utrecht) en H. Muntinghe (Gronin­gen), de pre­di­kanten W. Broes (Amsterdam), N. Lobry (Leeuwar­den) en I.J. Dermout (secretaris synode).

     [6]         Ibidem, 64 - 85.

     [7]       I.J. Dermout (1777 - 1867) stud. theol. Amsterdam 1791, Utrecht 1797, geref. pred. Zeist 1798, Amersfoort 1800, Zutphen 1803, Den Haag 1805 - 1848 (emer.), tevens hofpred. 1822. Dermout was de eerste secretaris van de algemene synode en bleef dat tot 1845 (Biografisch Woordenboek van Protestantsche Godgeleerden in Nederland (= BWPGN) II, 445 - 449).

     [8]          C. Hooijer (red.), Kerkelijke wetten voor de Hervormden in het Koningkrijk der Nederlan­den, Zaltbommel 1846, 360 - 368 (citaten in deze en vorige zin: 360). Volgende alinea: ibidem, 361 (citaten).

     [9]       Ibidem, 361 (citaat).

     [10] Honders, "Een Nederlands liturgisch tijdschrift", 173.

     [11] In deze alinea: Hooijer, Kerkelijke wetten, 361v (citaten).

     [12] Vgl. Hand. Syn. Herv. Kerk 1817, 67 (commissievoorstel), 78v (be­sproken en ingetrokken), 81 (herzien commissievoorstel), 83 (aangenomen, met uitzondering van de verplichting de voorle­zing na het votum te doen plaatsvinden). Vgl. ibidem 1818, 15 (geen wijziging in besluit 1817).

     [13] In deze alinea: Hooijer, Kerkelijke wetten, 363 (citaten). Vgl. H.J. Prakke, Kerkgang om nieuws (de kerkespraak). Praejournalische nieuwsvoorziening ten plattelande, Assen 1955, met name 52 - 61.

     [14] In deze alinea: Hooijer, Kerkelijke wetten, 362 (citaten).

     [15] J.R. Luth, "Daer wert om 't seerste uytgekreten ..." Bijdra­gen tot een geschiede­nis van de gemeentezang in het Ne­derland­se Gerefor­meerde protestantisme, 2e dr. Kampen 1986, resp. 245 (de psalmen van Datheen zijn nog populair in Zeeland) en 258vv (het verzet tegen de gezangen in met name de provincies Groningen, Friesland, Utrecht, Zuid-Holland en Zeeland). Vgl. verder: R.A. Bosch, En nooit meer oude Psalmen zingen. Zingend geloven in een nieuwe tijd 1760 - 1810, Zoetermeer 1996.

     [16] In deze alinea: Hooijer, Kerkelijke wetten, 362v (citaten).

     [17] In deze alinea: ibidem, 363vv (citaten).

     [18] De Jong, "De openbare eredienst in Friesland rond 1820", in: Jaarboek voor liturgie-onderzoek (= JLO) 6 (1990), 1 - 24, met name 10.

     [19] In deze alinea: Hooijer, Kerkelijke wetten, 365v (citaten).

     [20] Ibidem, 105vv (art. 42 en 43). Vgl. bijlage E.

     [21] In de alinea, tenzij anders aangegeven: ibidem, 366v (citaten).

     [22] Zie voor de tekst van de vragen: ibidem, 366v. Zie voor hun achtergrond: A.C. Honders, "Voorbe­rei­ding van het avondmaal", in: Mededelingen van het In­stituut voor Liturgie­wetenschap Groningen 6 (1971), 1 - 10. Algemeen is het gebruik in Friesland in ieder geval niet geweest (De Jong, "De openbare eredienst", 11).

     [23] Hand. Syn. Herv. Kerk 1817, 73 (citaat).

     [24] Vgl. A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw, 3e dr. Kampen 1986 (= Rasker, Ned. Herv. Kerk), 40v. De indruk bestaat, dat Dermout verantwoordelijk is voor de nieuwe redactie van de vragen (BWPGN II, 446).

     [25] De synodale commissie voor de eredienst was zich van deze inconsistentie bewust geweest (Hand. Sy­n. Herv. Kerk 1817, 81v), maar had de synode daar niet van kunnen overtuigen (ibidem, 83).

     [26] Ibidem, 74 (citaat). Citaten in het vervolg van deze en in de volgende alinea: Hooijer, Kerkelijke wetten, 367v.

     [27] Vgl. voor de opvatting van Voetius: J.H. Gunning J.Hzn., Onze Eeredienst. Opmerkingen over het liturgische element in den gereformeerden cultus, Groningen 1890, 24 - noot 2. Vgl. verder ibidem, 24 - 29; E.F. Kruijf, Liturgiek. Ten dienste van dienaren der Nederlandsche Hervormde Kerk, Groningen 1901, 38vv; J.N. Bakhuizen van den Brink, "Het gezag van het doopsfor­mulier voor synode en staten van Utrecht 1723 - 1734", in: Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis (= NedAK) 35 (1946-47), 15 - 50.

     [28] Hand. Syn. Herv. Kerk 1817, 56 en 100 - 102.

     [29] Zie ook: M.J. Aalders, "De Hervormde discussie over de toga 1850 - 1854", in: JLO 8 (1992), 205 - 234, 208v. Vgl. verder ook: G.D.J. Schotel, Bijdrage tot de geschiedenis der kerkelijke en wereldlijke kleding, 2 dln., 's-Gravenhage 1854 - 1856.

     [30] Vgl. Kruijf, Liturgiek, 254.

     [31] Hand. Syn. Herv. Kerk 1817, 102 (citaat).

     [32] Zie bijvoorbeeld: P.L. Schram, "Conventikels", in: J.M. Vlijm (red.), Buitenspo­rig geloven. Studies over 'rand­kerke­lijkheid', Kampen 1983, 50 - 69.

     [33] Zie onder meer: C. van Rijswijk, De poorten Sions be­mind boven alle woningen Jacobs. Iets over het wel en wee van het gere­formeerde conventikel en zijn verhouding tot de kerk, Zwijndrecht 1983, 124 - 142.

     [34] Resp.: Schram, "Conventikels", 55, 57v, 63v; en: A. Ypma, "Het gods­dienstig lied en de Afschei­ding", in: Het lied en de kerk. Hymnolo­gische opstellen, Groningen 1977, 209 - 248, 214v.

     [35] Vgl. Hooijer, Kerkelijke wetten, 100 (art. 14 en 15).

     [36] Hand. Syn. Herv. Kerk 1817, 72 (vgl. ibidem, 82); Honders, "Een Neder­lands liturgisch tijd­schrift", 164; De Jong, "Openbare ere­dienst", 10v. Vgl. ook Honders, "Liturgie tussen verval en vernieuwing. Enkele stemmen uit de tijd rond 1800", in: Mededelingen van het Instituut voor Liturgiewe­tenschap 10 (1976), 16 - 28.

     [37] De Jong, "De openbare eredienst", 5v en 10.

     [38] Vgl. Honders, "Liturgie", 19v.

     [39] Prakke wijst er op, dat achter de eerste klachten over de afkondigingen een verlangen schuil ging de kerk weer een meer centrale plaats te geven in het jonge Koninkrijk der Nederlanden (Prakke, Kerkgang, bijvoorbeeld 54 en 61v). In het overzicht is vanwege de aangenomen beperkingen in het onderzoek de aanbeveling van de kerkelijke huwe­lijksbevestiging niet opgeno­men (vgl. Hand. Syn. Herv. Kerk 1816, 30 - 32; Hooijer, Kerkelijke wetten, 369v). De synode constateerde, dat door de invoering van het burgerlijk huwelijk de belangstelling voor het kerkelijk huwelijk afgenomen was. In een circulaire aan de gemeenten onderstreepte ze de waarde van de huwelijksinzegening en riep ze de predikanten op haar zoveel mogelijk te bevorderen.

     [40] Hand. Syn. Herv. Kerk 1819, 117.

     [41] Ibidem 1820, 33, 100 - 102; ibidem 1821, 98 - 102.

     [42] De Jong, "De openbare eredienst", 10v.

     [43] C. Sepp, Proeve eener pragmatische geschiedenis der theolo­gie in Nederland van 1787 - 1858, 3e dr. Leiden 1869, 217 (citaat). Vgl. ibi­dem, 507v. J. Heringa Ezn. (1765 - 1840), stud. theol. Gro­nin­gen 1780, geref. pred. Nijkerk 1786, Vlissingen 1791 - 1794, hoogl. Utrecht 1794 - 1835 (emer.). Zijn hart lag bij de pas­torale theolo­gie. Enerzijds ging de Auf­klärungs­geest die Jezus als leraar en mensenvriend typeer­de niet aan hem voorbij, an­der­zijds zocht hij aansluiting bij het piëtisme en kwam hij zeker op oudere leeftijd sterk op voor het confessionele karakter van de NHK (Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme (= BLGNP) III, 181 - 185).  

     [44] J. Heringa Ezn., Kerkelijke raadvrager en raad­gever I,1 - IV,2, Utrecht 1819 - 1843: I,1, 24 (citaat). Vgl. ibidem, 23 - 43.

     [45] Vgl. G. Benthem Reddingius, Mijne gedachten over het leeraars-ambt, Amsterdam 1809, 100 - 116; C. Boers, Handboek voor jonge predikanten, 2e dr. Leiden 1820, 46 - 69.

     [46] Heringa presenteerde in een volgende aflevering van de Kerke­lijke raadvrager negen oorzaken van de gehechtheid aan het oude, negen redenen ("middelen") waardoor ­die opvattingen versterkt werden en achttien adviezen om hiermee om te gaan (Heringa, ­Kerkelijke raadvrager I,2, 225 - 390). 

     [47] "Acte van Afscheiding of Wederkeering", in: H. de Cock, Verzamelde Geschriften, 2 dln., Houten 1984 - 1986: I, 589 - 623, 608 (citaat).

     [48] Dit adres is opgenomen in: Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 1075 - 1106.

     [49] Ibidem, 1086 (citaat). Vgl. ibidem, 1101.

     [50] Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 152 (Utrecht 1837, art. 138) (citaat). Voor verwijzin­gen naar de afgescheidene synoden in de periode 1836 - 1869 is gebruik gemaakt van de bundel: Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk. Daarachter is steeds vermeld om welke synode en welk artikel het gaat, zodat ook de originele uitgaven erop nageslagen kunnen worden.

     [51] H.P. Scholte (1805 - 1868) stud. theol. Amsterdam 1827, Leiden 1829, Herv. pred. Doeveren en Genderen 1833, af­gesch. predikant Betuwe, Z.- en N.-Holland en Utrecht 1834, Gorin­chem, Utrecht 1836, pred. Chr. Kerk Pella Iowa (U.S.A.) 1847. In toene­mende mate ging Scholte theo­logisch een eigen weg, los van de ge­reformeerde tradi­tie, maar zonder de kern­punten van de gere­formeerde belijdenis los te laten (BLGNP II, 390 - 393).

A. Brummelkamp (1811 - 1888) stud. theol. Amsterdam 1828, Leiden 1830, Herv. pred. Hattem 1834, afgesch. pred. Hattem 1834, Schiedam 1839, Arnhem en Velp 1842, docent Kam­pen 1854 - 1888 (emer.). Brummelkamp vertegenwoor­digde binnen de Afscheiding een richting die zich ruim opstel­de naar niet-af­gescheidenen, in de predi­king ruim was in het aanbod der gena­de en kritisch stond te­genover het gezag van de meerdere ver­gaderingen. Na al eerder predikanten te hebben opgeleid stichtte hij in 1844 te Arnhem een theolo­gische school. In Kampen doceerde hij uiteenlopende vakken, onder meer Oude en Nieuwe Testament, kerkrecht, symboliek en liturgiek (M. te Vel­de, Antho­ny Brummel­kamp (1811 - 1888), Barne­veld 1988).

     [52] Archiefstukken betreffende de af­schei­ding, bewerkt door F.L. Bos, 4 dln., Kampen 1939-46: I, 315, 317;  II, 373v; III, 323 (vgl. 412), 438 (vgl. IV, 123, 125). Vgl. ook De Reformatie (= RefT) 1 (1837­), 113.

     [53] Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 24 - 27 (Am­sterdam 1836, art. 56).

     [54] Vgl. RefT 1 (1837), 416v. Gelet op het standpunt dat Schol­te hier inneemt, zal deze orde vooral door hem zijn beïnvloed. Het staat in het kader van een reeks van artikelen die Scholte schreef over de godsdienstoefening (zie verder hieronder blz. 27 - 30).  

     [55] Zie bijvoorbeeld: C. Smits, De Afscheiding van 1834 1: Gorinchem en 'Beneden-Gelderland', Oudkarspel 1971, 94 - 96.

     [56] Bijvoorbeeld: Bos, Archiefstukken I, 315vv; ibidem II, 87, 411vv; ibidem III, 323 en 438.

     [57] Ibidem II, 89, resp. ibidem III, 84. S. van Velzen (1809 - 1896) stud. theol. Leiden 1829, Herv. pred. Drogeham 1834, afgesch. pred. Friesland 1836, Wanswerd 1838, N.-Holland en een deel van Utrecht (Amsterdam) 1839, docent Kampen 1854 - 1890 (emer.). Al in zijn Leidse periode ontmoet­te Van Velzen Brummelkamp, Gezelle Meerburg en Scholte. Net als zij zou hij behoren tot de leidende figuren van de Af­schei­ding. In Kampen doceerde hij on­der meer kerkgeschie­denis, ho­miletiek en ethiek. Van Velzen had een bijzonder oog voor de kerkelij­ke orde en kende aan de kerke­lijke vergaderingen groot gezag toe (BLGNP II, 431 - 433).

     [58] Ypma, "Het godsdienstig lied", 219. H.J. Budding(h) (1810 - 1870) stud. theol. Utrecht 1828, Herv. pred. Biggekerke 1834, afgesch. pred. Middelburg 1836 (mede voor Zeeland 1837), rondreizend pred. 1839, Chr. Afgesch. pred. Groningen 1844, reizend pred. New York (U.S.A.) 1848 - 1850, Chr. Afgesch. pred. Gorinchem juni-okt. 1851, pred. Goes 1852. Budding had een grillig karakter en nam in de loop der tijd verschillende standpunten in. Tij­dens zijn pre­di­kant­schap in Goes werden mede onder invloed van de Plymouth Brethren zijn opvat­tingen rui­mer. Dat kwam tot uiting in zijn predi­king, het ge­bruik van opwekkings­liederen en een frequen­te­re avondmaals­vie­ring (BLGNP II, 109 - 111; C. Dekker, Gere­formeerd en evangelisch. Ontstaan en geschiedenis van de Bud­dinggemeente te Goes en haar plaats in het Nederlands protes­tantisme in de periode 1839 - 1881, Kampen 1992).

     [59] Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 54 (Amsterdam 1836, art. 67) (citaat).

     [60] Ibidem, 54v (Amsterdam 1836, art. 67) (citaat). Gelet op de na­druk op de bijbelse basis van de besluitvor­ming zal deze in hoge mate door H.P. Scholte beïnvloed zijn.

     [61] Ibidem, 137 (Utrecht 1837, art. 111) (citaat).

     [62] Kunst, Kerkzang, 73 - 79. Zie ook: H. van Veen, "De Afschei­ding en de gezangenstrijd", in: D. Deddens en J. Kamphuis, Afscheiding - Wederkeer. Opstellen over de Afscheiding van 1834, Haarlem 1984, 117 - 149.

     [63] Hendr. de Cock (1801 - 1842) stud. theol. Groningen 1819, Herv. pred. Eppenhui­zen 1824, Noordlaren 1827, Ulrum 1829, afgesch. pred. Ulrum 1834, Drenthe en Groningen 1835. Eerst in Ulrum kwam De Cock in aanraking met het calvi­nis­tisch piëtisme en gaf hij zich daaraan gewon­nen. Hij wilde strak aan de gere­for­meerde traditie vasthouden, onder meer aan de onver­anderde DKO (BLGNP II, 129 - 132).

     [64] In: De Cock, Verzamelde Geschriften I, 183 - 220.

     [65] Ibidem, 185v.

     [66] Zie de inleiding van H. van Veen in: ibidem, 179v.

     [67] L. Oostendorp, H.P. Scholte. Leader of the Secessi­on of 1834, Franeker 1964, 51v - noot 8.

     [68] Kompleete uitgave van de officëele stukken betref­fende den Uitgang uit het Nederl. Herv. Kerkgenoot­schap van de Leer­aren H.P. Scholte, A. Brummelkamp, S. van Velzen, G.F. Ge­zelle Meerburg, Dr. A.C. van Raalte, 2 dln., Kampen 1863: II, 82v.

     [69] Met betrekking tot Van Velzen: ibidem I, 194. Vgl. ibidem, 192, 200v, 207vv. Gezelle Meerburg: ibidem II, 266v. Vgl. ibidem, 273v. G.F. Gezelle Meerburg (1806 - 1855) stud. theol. Lei­den 1826, Herv. pred. Almkerk en Emmikhoven 1833, afgesch. pred. Almkerk 1835. Gezelle Meerburg hield zich afzijdig van de con­flicten on­der de afgescheidenen, nam ten opzichte van de DKO en andere conflictstof een gematigd standpunt in (BLGNP II, 219v).

     [70] Vgl. J. van Gelderen, "'Een schat in aarden vaten'. Het leven van Johannes van Rhee (1789 - 1851)", in: JGGK 2 (1988), 13 - 30, met name 27 - 36 (passim). Joh. van Rhee (1789 - 1851) stud. theol. Leiden 1808, Groningen 1813, geref. pred. Eenum 1814, Zandvoort 1818, Ben­ning­broek 1823, Cad­zand 1828, Biggeker­ke 1832, Veen 1834. Af­gesch. pred. Veen 1835. Nadat Van Rhee tegelijk met Gezelle Meerburg eind 1835 was afgezet, viel hem eenzelfde lot ten deel bij de afgescheidenen vanwege vermeende homosexuele praktijken (ibidem).

     [71] Bos, Archiefstukken III, 12 - noot 5. Zie voor de formulering van de vragen: bijlage D.

     [72] Vgl. J. Vree, "Het Berigt van J. Heringa Ezn. en diens nederlaag in de Hervormde synode van 1835", in: NedAK 72 (1992), 166 - 194, met name 169.

     [73] Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 135 (Utrecht 1837, art. 109).

     [74] Hand. Syn. Herv. Kerk 1821, 99, wijst in het bijzonder op de provincie Zeeland.

     [75] Van Gelderen, "'Een schat'", resp. 23, 27 en 33.

     [76] Wat betreft Gezelle Meerburg: Kompleete uitgave II, 265v (vgl. ibidem, 279). Wat betreft Scholte: bijvoorbeeld Bos, Archief­stukken I, 300, 303v.

     [77] De Jong, "De openbare eredienst", 9.

     [78] Hel. de Cock stelt dat "ook tegen den inhoud der vragen bij velen bezwaren ontston­den", maar levert hiervoor geen be­wijs (Hendrik de Cock, Eerste Afgescheiden Pre­dikant in Ne­der­land. Beschouwd in leven en werkzaamheid. Eene bijdrage tot Recht verstand van de Kerkelijke Afscheiding, 2e dr. Delfzijl 1886, 439v - noot 1).

     [79] Hendr. de Cock aan de Koning [Willem I], d.d. 2 janu­ari 1835, in: Bos, Archief­stukken II, 219 (citaat).

     [80] Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 136 (Utrecht 1837, art. 109) (citaat).

     [81] Zie bijvoorbeeld: G.F. Gezelle Meerburg, "Nog iets over het ambts­gewaad der predikanten", in RefT 2 (1837), 264 - 278 en H.P. Scholte, "Iets over het zoogenaamde ambts­ge­waad der predikan­ten", in: RefT 1 (1837), 191 - 202. C. van Raalte (1811 - 1876) stud. theol. Leiden 1832, Chr. Afgesch. pre­dikant te Mas­tenbroek en Genemui­den 1836, Ommen 1840, docent theol. school Arnhem 1844, pred. Ge­ref. Kerk U.S.A. Michigan 1846 - 1867 (bed. neergel.). Van Raal­te was een van dege­nen, die be­zwaar had tegen het handha­ven van de ongewij­zigde DKO en het zonder meer vasthouden aan be­staande gebruiken en gewoonten (BLGNP I, 270 - 272).

     [82] Over Van Rhee ging bijvoorbeeld het gerucht, dat hij in Biggekerke o.a. op Oudejaars­avond en Goede Vrijdag geen dienst heeft gedaan (Van Gelderen, "'Een schat'", 27). Ge­zelle Meerburg liet op Kerst 1835 de dienstbode de ramen was­sen om te laten zien, dat ook de grote feesten voor hem mense­lijke, in het bijzonder Roomse, instel­lingen waren (Bos, Archiefstuk­ken III, 21v).

     [83] Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 53 (Amsterdam 1836, art. 63) (citaat).

     [84] Ibidem, 136v (Utrecht 1837, art. 110; citaat).

     [85] C. Smits is van mening, dat de artikelen "Godsdienstoefening" in RefT 1 en 2 (1837) van de hand zijn van J.A. Wormser (C. Smits, De Afschei­ding van 1834 5: Documenten uit het archief ds. H.P. Scholte, bewaard te Pella, Iowa, U.S.A., Dordrecht 1982, 327) en die in RefT 3 (1838) en vol­gende van Scholte (ibidem, 434). Vgl. echter ook de in het boek van Smits weergegeven briefwis­seling tussen Scholte en A.M.C. van Hall (ibidem, 354 en 366) die op het au­teurschap van Scholte wijst voor tenminste het eerste artikel in RefT 1. De opzet en in­houd van de artikelen is bovendien zo consis­tent, dat bij­dra­gen van verschillende auteurs zeer onwaar­schijnlijk geacht moeten worden. De verwijzing naar een artikel onder de titel "Godsdienstoefening" of een deel daarvan is in het vervolg beperkt tot vermelding van het betrokken deel en jaartal (uit de 1e serie) van RefT en de desbetreffende pagina('s).

     [86] Vgl. voor de lotgevallen van het tijdschrift: Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 55 (Amsterdam 1836, art. 68), 122 (Utrecht 1837, art. 81) en 248vv (Amsterdam 1840, XV - art. 19).

     [87] Zie bijvoorbeeld: De Dordrechtsche Kerk-ordening, van het jaar 1619, zoo als dezelve met de noodzakelijkste ver­anderingen tot eene algemeene kerke-ordening is aangenomen door de Christelijke Afgescheiden Gemeente in de provincie Noord-Braband, Delft 1843, opgeno­men in: Hand. syn. Chr. Af­gesch. Geref. Kerk, 1167 - 1197. De invloed van Scholte en zijn geestverwanten reikte onder meer door familiebanden beduidend verder dan deze provincie. Zo vierde men in het Overijsselse Hellendoorn-Nijverdal in 1842 maandelijks het avondmaal (J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Overijssel: 1834-'69 II, Barneveld z.j. [1986], 23). Vele decennia later legde men in het concept-reglement uit 1864 van de Chr. Afgescheiden gemeente van Haarlemmermeer-Oostzij - gesticht door emigranten uit het rivierengebied - in art. 52 de wens neer, dat het avondmaal zo dikwijls mogelijk gevierd zou worden. Verder ligt in dit reglement een opvallend sterk accent op de Schrift en bestaat voor de belijdenisge­schriften beduidend minder aandacht (Gemeentearchief (= GA) Haarlemmermeer (Hoofddorp), Archief Gere­formeerde Kerk Haarlemmer­meer-Oostzij, nr. 21). Een en ander is eveneens typerend voor Scholtes gedachtengoed.

     [88] Vgl. bijvoorbeeld enkele geschriften van twee van zijn leermees­ters: J. Clarisse, Encyclopae­diae Theologicae Epitome, Leiden 1832, 563 - 573; W.A. van Hengel, Korte schets der Aca­demi­sche lessen over de Evangeliebediening in de Neder­landsche Hervormde Kerk, Leiden 1840, met name 5.

     [89] Vgl. Oostendorp, H.P. Scholte, 84vv.

     [90] J.N. Darby (1800 - 1882) stud. jur. Dublin 1815, stud. theol., anglic. pred. Calary 1826 - 1828 (bed. neer­gel.). Eerst na het neerleggen van zijn ambt werkte Darby zijn ge­dach­ten over het wezen van de kerk uit. Cen­traal staat daarin het priester­schap aller gelovigen (Theologische Realenzyklopädie 8, 357v).

     [91] Oostendorp, H.P. Scholte, 101. Wel lijkt in meer­dere opzichten de invloed van Darby op Scholte juist in 1838 toe te nemen (ibidem, 30 - noot 26; ibidem, 32, 115vv).

     [92] RefT 1 (1837), 203 (citaat).

     [93] Ibidem, 214 (citaat).

     [94] Vgl. Christelijke Encyclopedie 3, 532 (s.v. huisgods­dienst­oefe­ning).

     [95] RefT 1 (1837), met name 271.

     [96] Ibidem, 274 - 280.

     [97] Ibidem, resp. 206 en 209v.

     [98] Ibidem, 413 en 416.

     [99] Ibidem, 416v.

     [100]   Ibidem, 411.

     [101]   RefT 2 (1837), 31 (citaat), vgl. ibidem, 32. Zie ook: RefT 3 (1838), 162.

     [102]   RefT 3 (1838), 157vv.

     [103]   Ibidem, 160v. Vgl. RefT 2 (1837), 28vv, voor wat betreft de doop.

     [104]   RefT 3 (1838), 164v.

     [105]   RefT 4 (1838), 360v.

     [106]   Ibidem, 371 (citaat).

     [107]   Ibidem, 369 (citaat).

     [108]   RefT 5 (1839), 326 - 338.

     [109]   Heringa, Kerkelijke raadvrager I,2, 225 (citaat). Zie hierboven ook blz. 20. Vgl. verder: Heringa, ibidem III,2, 165 - 273 (colle­ges uit de jaren 1826, 1830 en 1833 onder de titel "Bedenkin­gen over de geaardheid der Nederlandsche Hervormde Gemeenten, vooral ten onzen tijde").

     [110]   H.P. Scholte, Nieuwejaarsgeschenk aan Nederland. Een ernstig Woord aan Vorst en Volk, Amsterdam 1847, 43v.

     [111]    Hand. Syn. Herv. Kerk 1835, 58; ibidem 1837 20, 121 - 123; ibidem 1841, 90v; ibidem 1842, 159, 168 - 172; ibidem 1845, 85; ibidem 1846, 161; ibidem 1849, 512. Prakke gaat uitgebreid in op de "campagne" tegen de afkondigingen die in 1841 in gang werd gezet (Kerkgang, 63 - 112). Het langzaam verdwijnen van dit verschijnsel, dat veelal als plaatselijke nieuwsvoorziening fungeerde, plaatst hij in het kader van de opkomst van de krant (ibidem, 113 - 119).

     [112]    Hand. Syn. Herv. Kerk 1836, 88 (citaat; curs. KWdJ).

     [113]    Avondmaal op Goede Vrijdag: deze ontwikkeling staat in het kader van een toenemen­de waardering voor de Goede Vrij­dag: ibidem 1837, 21, 108; ibidem 1838, 39 - 41, 59 (met de suggestie de viering van het avond­maal op de Goede Vrijdag te ver­plichten); ibidem 1845, 82; ibidem 1847, 163, 214v (nadrukkelijke in­stemming van de synode met eventuele uitbrei­ding van het aantal diensten op Goede Vrijdag); ibidem 1848, 162vv; ibidem 1849, 119, 448; ibidem 1851, 220; ibidem 1852, 67 - 71. Uiteindelijk besluit in 1853: ibidem 1853, 49 - 52, 133v, 243 (vgl. ook ibidem 1854, B 61vv).

Ambtsgewaad: eerste voorstellen: ibidem 1851, 162 (vgl. ibidem, 167). Besluit in 1854: ibidem 1854, 13, 33, 202, 208, 240 - 242, 258. Zie over deze ontwik­keling verder: Aal­ders, "De hervormde dis­cussie", 205 - 234.

     [114]    Hand. Syn. Herv. Kerk 1863, 269v (vgl. ibidem, 272v). In de oor­spronkelijke versie van het nieuwe reglement op de ker­kera­den uit 1857 was het preken uit de Catechismus in het ge­heel niet opge­no­men, later werd het onder art. 22 als een moge­lijkheid ver­meld. Vgl. ibidem­ 1859, 124v, 135, 143; ibidem­ 1861, 9v, 189vv; ibidem 1862, 140, 304 - 309, 402v; ibidem­ 1863, 10v, 224 - 244, 253vv.

     [115]    Ibidem 1863, 270 (citaat).

     [116]    Ibidem, 241 (citaat uit het voorstel). Vgl. ibidem, 270 (besluit); ibidem 1864, bijlage B, 37v. De ingangsdatum werd bepaald op 1 april 1864. Vgl. verder: Douwes en Feith. Kerkelijk wet­boek. De reglementen en veror­deningen der Ne­derlandsche Her­vormde Kerk, met aantee­keningen, 6e dr. door J. Knottenbelt, Gronin­gen 1909, 108 (art. 22; vgl. ibidem, 109, art. 23).

     [117]    Zo art. 22 van het reglement voor de kerkeraden, dat inging op 20 mei 1857 (­­Douwes, 108). Vgl. art. 14, lid 1 (ibi­dem, 95).

     [118]    Sinds het Algemeen Reglement van 1816 berustte de tweede dienst in feite op een onge­schre­ven regel. In 1853 had de synode de tweede dienst nog aanbevo­len (ibi­dem 1853, 186). In de kerkvisita­tie­rapporten werd vanaf deze tijd met enige regelmaat melding gemaakt van het slechte kerk­bezoek in de tweede dienst, met name bij pre­dikan­ten van moderne sig­natuur. Op sommige plaat­sen ging men tot afschaffing over (bij­voor­beeld ibidem 1872, 75), soms onder druk van een nieu­we predikant. Aan het eind van de eeuw werden in een minder­heid van de gemeenten nog twee of meer diensten gehouden (ibi­dem 1900, 225).

     [119]   Zie daartoe in een uitgave van de Evangelische Gezangen van 1866 of later het voorwoord op de vervolgbundel, d.d. 19 juli 1866, namens de synode ondertekend door R.J. Koning (president) en S.F. van Hasselt (secretaris).

     [120]    W. Muurling (1805 - 1882) stud. theol. Utrecht 1823, Herv. pred. Stiens 1832, hoogl. Franeker 1837, Groningen 1840 - 1872. In 1864 brak Muurling open­lijk met de opvattingen van de Gronin­ger richting en koos hij voor de Mo­dernen (NNBW II, 891; J. Vree, De Groninger godgeleerden. De oor­spron­gen en de eerste periode van hun optreden (1820 - 1843), Kam­pen 1984, 292v).

     [121]    W. Muurling, Practische Godgeleerdheid, of beschouwing van de evangeliebediening voornamelijk in de Nederlandsche Hervormde Kerk. Een handboek bij de academische lessen, 2e dr. Groningen 1860, 325.

     [122]    Ibidem, 326 (citaat).

     [123]    Ibidem, 345.

     [124]    Ibidem, 346.

     [125]    Ibidem, 348.

     [126]    Ibidem, 351.

     [127]    Ibidem, 354 (citaat).

     [128]    Ibidem, 351 (citaat).

     [129]    Hand. Syn. Herv. Kerk 1862, 307 (citaat).

     [130]   Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 209 (Amsterdam 1840. art. I) (citaat).

     [131]   Ibidem, 208 (Amsterdam 1840, art. I) (citaat). Vgl. ibidem, 222 (Amster­dam 1840, art. I).

     [132]   Ibidem, 206 (Amsterdam 1840, art. I). Vgl. ibidem, 1164 (titel­blad van de uitgave Amsterdam 1841; heruitgave: Kampen 1861 en 1873).

     [133]   Ibidem, 996 (Middelburg 1869, art. 28) (citaat).

     [134]   Vgl. hierboven blz. 17, 26v, 32.

     [135]   Ibidem, 240 (Amsterdam, art. X) (citaat; curs. KWdJ).

     [136]    Ibidem, 304 en 327v.

     [137]   Ibidem, 400 - 402, 410 - 412 (Gronin­gen 1846, resp. art. 53, 59, 62, 63 en 91); ibidem, 467 - 470 (Amsterdam 1849, art. XV). Na deze synode van Amsterdam wijzigde het standpunt niet wezenlijk meer (vgl. ibidem, 716 (Leiden 1857, art. 148), 932 (Amsterdam 1866, art. 80), 1021 (Middelburg 1869, art. 81)).

     [138]   Ibidem, 624 (Zwolle 1854, 22e sessie, art. 4) (citaat). Vgl. ibidem, 718v (Leiden 1857, art. 157).

     [139]   Ibidem, 924v (Amster­dam 1866, art. 59) (citaat). In 1899 meldt H.H. Kuy­per, dat in meerdere van oorsprong afgeschei­den kerken in het Noor­den de wetslezing is afgeschaft (De Heraut nr. 1092 (27 november 1899)­­. Maar is het wel ooit gebruik geweest?

     [140]   Vgl. diverse artikelen in De Bazuin 2 (1854), nrs. 36 en 43.

     [141]   Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 627 (Zwolle 1854, 23e sessie, art. 6) (citaat).

     [142]   Ibidem, 863 (Franeker 1863, art. 109), 923 (Amster­dam 1866, art. 54 en 57).

     [143]   Ibidem, 1190v.

     [144]   Zie bijvoorbeeld De Bazuin 2 (1854), nr. 43; De Ba­zuin 14 (1866), nr. 24, De Bazuin 20 (1872), nr. 34. Voor de feestda­gen pleitte F.A. Kok, die vaststelt: "omtrent het hou­den van ge­noemde feestdagen (Kerst, besnijdenis des Heren, Pasen, He­mel­vaart, Pinksteren - KWdJ), zal het een gehoor­zaam inwoner van Nederland zijn, welke de feestdagen viert, want de burger­lijke wet gebiedt het; het zal een goed Gere­formeerde belijder zijn, welke de feestdagen houdt, want onze kerkorde schrijft ze voor (De Bazuin 2 (1855), nr. 26).

     [145]   Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 586 (Zwolle 1854, 7e sessie, art. 6) (citaat).

     [146]   Ibidem, 459v (Amsterdam 1849, VII).

     [147]   Ibidem, 776 (Hoogeveen 1860, art. 105).

     [148]   Zie hieronder blz. 44.

     [149]   Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 910v (Amsterdam 1866, art. 20). Vgl. ibidem, 1005 (Mid­delburg 1869, art. 50).

     [150]   De series 1855-56 bevindt zich zonder pagina-aanduiding in: Hande­lingen van de vergaderin­gen van de cura­toren der Theologische School (...) 1855 (vgl. Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 538v (Amsterdam 1851, IV) (citaat). Vgl. ook bijlage A1.

     [151]   Handelingen van (...) curatoren 1858-1861, series 1858-59, 1859-60, 1861-62 (citaat).

     [152]   Het testimonium betreffende het bijwonen van de col­leges 'Formulieren' door G.W.K. Hugenholtz d.d. 14 juni 1859 is ondertekend door Brummelkamp, terwijl volgens de series lectionum Hel. de Cock de colleges in dat jaar gaf (Bijlagen tot de handelingen der curato­ren - GA Kampen, Archief Theologische Hoge­school Kampen, nr. I-9). Of beiden gaven tegelijk aan verschillende groepen studenten colleges, of Brummelkamp had De Cock vervangen. Hel. de Cock (1824 - 1894) stud. theol. bij zijn vader H. de Cock en T.F. de Haan (Groningen), Chr. Afgesch. pred. Oude en Nieuwe Pekela 1844, Appingedam 1845, 's-Herto­genbosch 1847, Kampen 1852, docent Kampen (met name dogmatiek) 1854 (Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, 5 dln. Haarlem 1984 - 1989 (= De Haas, Voorgangers): I, 80 - 83).

     [153]   Joh. Ens, Kort historisch berigt van de Publieke Schriften rakende de leer en dienst der Nederduit­sche Kerken van de Vereenigde Nederlanden, zijnde de Formulieren van Een­heid en de Liturgie. Doorgaans gevoegd achter de psalmboeken, die in deze Kerken gebruikt worden, 1e dr. Kampen 1857; voorzien van een aanbevelend woord door S. van Velzen, 2e dr. Kampen 1861.

     [154]   Te denken valt aan de in druk verschenen huishoude­lijke reglementen van Amsterdam (1837), Leeuwarden (z.j. [1837]), Utrecht (december 1838; later in gebruik te Am­ster­dam, Groningen en Alblasser­dam), 's-Gra­venhage (juni 1853, afkom­stig uit Rijns­burg, later ook ingevoerd te Kampen) en Sluis (maart 1862, later ook overgenomen door Dinteloord en Vlissin­gen, beide gemeenten van kruisgezinde oorsprong). Vgl. hetgeen gezegd wordt over het gebruik van de formulieren in het Reglement dat in 1854 aan de koning wordt gezonden (Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 598 (Zwolle 1854, 13e sessie, art. 3)). 

     [155]   Vgl. Hel. de Cock, Gere­for­meer­de Kerkre­geering, of Hand­boek voor Leeraars en Kerke­raads­le­den, benevens de synodale beslui­ten der Chr. Afg. Ge­ref. Kerk, die thans nog van kracht zijn, Kampen 1868, 23 (citaat). Het is niet duide­lijk, of hij ook de NHK in zijn beschou­wing betrekt. Vgl. de situatie in Bodegra­ven (De Bazuin 17 (1869), nr. 31). De vraag, hoe wijd verbreid "het voorbeeld der broeders van 1834" (Kuyper, Onze Eere­dienst, 264) in het afschaffen van de voor­dienst is geweest, is in ieder geval op zijn plaats.

     [156]   De Cock, Gereformeerde Kerkregeering, 49 (citaat). Vgl. bijlage E.

     [157]   Ibidem, 50 (citaat). Vgl. ibidem, 50v. De Cock biedt de vragen aan in de versie van: A. Ype­ij en I.J. Der­mout, Ge­schie­denis der Ne­der­land­sche Her­vormde Kerk I, Breda 1819, 235v (aanteke­ningen).

     [158]    Over het ten doop houden van kinderen, wier ouders geen belijdenis van hun geloof hadden gelegd wilde de synode zich niet uitspreken (Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 913 (Amsterdam 1866, art. 27)). Zelfs over het beantwoorden van de doopvragen door een ouder, die geen lid was van de gemeente, meende ze dat elke kerkeraad hierin zo moest handelen "als het meest tot stichting der Gemeente kan dienen." (ibidem, 938v (Amsterdam, art. 101))