3.             Volgens de 'kerkelijke' Liturgie (1869 - 1892)

 

 

In de loop van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw verschoven de fronten in de Hervormde Kerk. De tweedeling in orthodoxen en modernen werd een driedeling, waarbij de gereformeerden onder leiding van A. Kuyper hun positie markeerden ten opzichte van de beide andere groeperingen. In dit hoofdstuk zullen we aan de hand van Kuypers ontwikkelingsgang ontdekken, hoe deze opstelling ook in het denken over de eredienst tot uiting kwam. In het verlengde daarvan zal getoond worden, hoe de dolerenden Kuypers liturgische principes in de praktijk uitwerkten. Daarnaast zullen we nagaan op welke wijze men in de Christelijke Gereformeerde Kerk de eredienst wenste in te richten, deels voortgaand op de reeds ingeslagen weg, deels in reactie op hetgeen er in de Hervormde Kerk gebeurde.

 

 

3.1          Oorsprong en ontwikkeling van het gedachtengoed van Abraham Kuyper (tot 1886)

 


Om Kuypers theologisch-liturgische ontwikkelingsgang in zijn geheel in het vizier te krijgen, moeten we eerst een stapje terugdoen in de tijd. In de periode dat de Hervormde synode nieuwe liturgische besluiten niet langer aan de gemeenten oplegde, maar als aan­bevelingen presenteerde, en een begin maakte de be­staan­de re­gels te versoepelen of buiten werking te stellen, was Abraham Kuyper zijn studie aan de Leidse universiteit begonnen.[1] Met een enkele on­derbreking zou hij er van 1855 tot 1863 verblijven. In brieven aan zijn verloof­de, Jo Schaay, blijkt Kuyper in zijn bele­ving van de ere­dienst en wat daarmee samenhangt dicht te staan bij de modernen, die weinig waarde hechtten aan vaste religieuze vormen, waaronder in het bijzonder de sacra­menten. Hij schreef: "ter kerke gaan, avond­maal vieren, doop, belij­denis en wat je meer wilt zijn vormen en daarom op zich­zelven geen Gods­dienst. Leef je steeds zoo, als je geweten je dat voor­schrijft, dan dien je God, al nam je ook nooit aan een van die plegtighe­den deel."[2] Kuyper meende, dat de vorm een hulpmiddel kon zijn om aan God te denken. Maar: "Zij die zulk een vorm zouden kunnen missen mogen er voor zich geen waarde aan hechten, mogen er voor zich geen gods­dienst (...) in zien."[3] Deze waardering van de religi­euze vormen uitte zich ook in Kuypers leef­wij­ze. Hij kwam niet iedere zondag in de kerk en meed als het enigs­zins kon het avond­maal.[4] De hoogle­raar J.J. Prins verzorgde in deze jaren naast het onderwijs in het Nieuwe Testament dat in de vakken der praktische theologie.[5] Wat de li­tur­gie(k) betreft verwijst Kuyper nergens naar hem. Op langere ter­mijn is zijn invloed op Kuyper op dit gebied daarom vermoedelijk gering, zo niet nihil geweest.

In 1859 en 1860 nam Kuyper in het kader van zijn studie naar het kerkbegrip bij Calvijn en A Lasco kennis van de liturgische ge­schriften van beide reformatoren.[6] Uit de geciteerde brieven aan zijn verloofde blijkt, dat deze kennis op dat moment niet leidde tot een andere houding ten opzichte van de eredienst. Dat gebeurde eerst in februari 1863 na de lezing van The Heir of Redclyffe van miss Ch.M. Yonge. Door haar kwam Kuyper bijzonder onder de indruk van de liturgie van de Engelse staatskerk. Hij nam van haar, zoals J. Stel­ling­werff in een artikel over diens bekering opmerkt, het "gevoel voor liturgie" over.[7] De toon van Kuyper was kort na deze verande­ring een andere, als het ging om de kerkdienst. Hij vertrouwde zijn verloofde toe: "Nooit sla ik meer over om ter kerk te gaan."[8] Te­rug­kij­kend op deze periode in zijn leven drukte Kuyper zich tien jaar later over de liturgie nog steeds in gevoels­matige termen uit: "die voor­liefde voor den vasten vorm", "die hooge prijsstel­ling op het Sacra­ment" en "die waardering der Litur­gie".[9]

 


Als predikant sloot Kuyper zich naar eigen zeggen aanvankelijk aan bij de gewoon­te het doopformulier met de nodige vrijheid te hante­ren.[10] Hernieuwde studie van A Lasco en vooral van de lotgevallen van de Lon­den­se vluchtelingengemeente voor zijn in 1869 gepubliceer­de artikel De Eeredienst der Hervormde Kerk en de zamenstelling van haar Kerk­boek deed hem nog in Beesd besluiten in het vervolg het doopformu­lier onverkort te lezen.[11] Met een zekere bewonde­ring en gevoel voor romantiek be­schreef Kuyper de liturgische situatie van de Hollandse gemeente te Londen in de tweede helft van de 16e eeuw. Daar was in de rangschik­king van de elementen, het gebruik van vervolgteksten in de predi­king en van formuliergebeden nog sprake van "eene eigenlijke litur­gie."[12] 

Op 10 november 1867 deed Kuyper intrede in Utrecht met een preek onder de titel De menschwording Gods het levensbeginsel der kerk.[13] Kuyper markeert hierin zijn positie in de richtingenstrijd die in de voorafgaande jaren ontbrand was. Hij verzet zich tegen de docetische houding, die de kerke­lijke organisatie en het kerke­lijk leven doortrokken had. De kerk, haar kerkor­de, haar belijdenis en liturgie lijden aan een gebrek aan vaste vorm, aan een objectief moment.[14] Kuyper verstaat onder vastheid van vorm het recht van de gemeente "om zich uit te spreken en met scherp-afgeron­de trekken te vertoonen", dit laatste door hem nadrukkelijk on­der­scheiden van onveran­der­lijk­heid.[15]


Kuyper was niet de eerste, die wees op de gebrekkige liturgie van zijn dagen. Anderen voor hem deden dat eveneens en hadden al individuele pogingen onderno­men om de tekst van de liturgische geschriften naar vorm en inhoud te verbete­ren.[16] Kuyper onderscheidde zich van hen hierin, dat zijns inziens predikanten zich in de praktijk te houden hadden aan de letter van de kerkelijk vastgestelde Liturgie, ook als deze naar hun persoon­lijke mening gewijzigd zou dienen te worden. Kritiek op deze radicale stel­lingname kwam van J.J. van Toorenenber­gen, die op 29 april 1868 voor de predi­kantenvereni­ging refe­reerde over het gebruik van de symbolische geschriften.[17] Hij meende, dat deze, evenals de litur­gische geschrif­ten, naar hun oor­sprong alleen in geest en wezen gehandhaafd dienen te worden en dat uit­sluitend het Evangelie uit zou kunnen maken, wat daartoe be­hoorde.[18] Kuyper bleef bij zijn standpunt, dat aan de letter van de belij­denis vastgehouden dient te worden en dat de synode haar steeds moet toetsen aan de Schrift. In het ver­lengde daarvan heeft de kerk "altijd getoond een liturgische vast­heid te verlan­gen."[19] Ruim tien jaar later zou dit verschil in opvatting naar aan­leiding van de oprichting van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gere­formeerden Grondslag tot een scherpe confron­tatie en defini­tieve verwijde­ring tussen Kuyper en Van Toorenenbergen leiden.[20]

 

Onderwijl kwam in de Hervormde Kerk naast de leerstellige uiteenzetting in het formulier ook het gebruik van de klassie­ke doopformule ter dis­cus­sie te staan. In 1870 besloot de synode uiteinde­lijk haar niet verplichtend voor te schrijven, omdat ze van mening was, dat deze vrij algemeen aanvaard was en gebruikt werd.[21] Er leek zich naar aanleiding van dit besluit een breed front van verzet te vormen, waaraan ook Kuyper deelnam. Maar voor men gezamenlijk tot actie kon overgaan, viel deze "aaneengeslo­ten phalanx tegenover het veldwin­nend Modernisme" al weer uiteen.[22] Wel publiceerde Kuyper op persoonlijke titel in De Heraut twee series van drie artikelen over het synodale besluit aangaande de doopformule en de consequen­ties die daaruit getrokken moesten worden.[23] Kuyper meende dat een kerkeraad het recht had alleen de met de juiste doopformule bediende doop voor zijn gemeente geldig te verklaren en riep kerkeraden op van dat recht gebruik te maken. Kuypers actie had nauwelijks resultaat. In volgende jaren zette de hiervoor al gesignaleerde liberalisering van de liturgische voor­schriften door. Zowel aan moderne als aan ortho­doxe zijde voelde men de verplichte voorbereidingsvragen op het avondmaal als een bezwaar. De synode nam daarop in 1872 het besluit ze te plaatsen in het kader van de liturgische vrijheid, die aan de predi­kanten gegeven was in het reglement op de kerkera­den uit 1857.[24] Eveneens in 1872 werd de verplichting het avondmaal drie­maan­de­lijks te houden omgezet in een bepaling, dat het 'geregeld' gevierd zou worden. Bezwaren, dat het in een aantal plaatsen dan nauwe­lijks of niet meer zou worden gevierd, ontvingen in de synode onvol­doende steun.[25]

 



Een volgend moment in Kuypers liturgische ontwikkelingsgang is vast­gelegd in de uit 1873 daterende Confidentie. Kuyper was toen al weer ruim tweeën­eenhalf jaar predikant in Amsterdam. Hij had een behoor­lijke groep gelijkge­zinde kerkeraadsle­den om zich heen, maar deze had onvoldoende omvang om besluiten in de op zich orthodoxe kerke­raad te kunnen afdwin­gen. Met instemming zou Kuyper de gedachte begroeten om de gemeen­ten waar nodig en mogelijk op te splitsen naar de onderscheidene rich­tingen. Samen met enkele collega's gaf hij daartoe in december 1873 een aanzet voor de Amsterdamse situatie. Het is in het kader van deze ontwikke­ling van ruim een half jaar later niet verwonderlijk, dat Kuyper zich in de Confiden­tie in feite richt tot de gemeente en haar subject maakt van de uitwerking van zijn litur­gisch ideaal.[26] In de praktijk kan zij nu ook subject zijn, omdat vrij­wel iedere liturgi­sche verplichting van synodewege verdwenen is. Maar hoe anders is volgens Kuyper de feitelijke situa­tie: "Zelfs bij den Doop en bij het Heilige Avond­maal is het de indvidua­liteit van de predi­ker, niet de gemeente van Christus, die in het gesproken woord haar karakter legt."[27] Hij stelt daar tegenover: "Er moet zijn goedge­orden­de Leer­­­­dienst, Eere­dienst en Liefdedienst."[28] De eredienst, gehouden "ter aanbidding", dient naast het Woord ook "telkens en gedu­rig" plaats te bieden aan het sacrament.[29] Sterker nog. Rond het sacrament "als van den Heer gegeven middenpunt"[30] zal de ere­dienst zich ver­der dienen te ontwikkelen. Kuyper pleit daarom voor "inkrim­ping van het preêken­houden en betere ontwikkeling van den Eere­dienst" (dat zijn: "Sacra­ment, Ge­bed, Kerk­gezang en verdere Litur­gie").[31] Wat het sacra­ment betreft is uit andere bron bekend, dat Kuyper in deze periode van zijn leven opteerde voor een wekelijkse avondmaalsvie­ring.[32] In de Confidentie pleit hij voor alternatieven naast de lange leerdiensten: "Laat er ook korte, een­voudi­ge, litur­gi­sche dien­sten zijn, waar elk lid der Ge­meente deel aan kan nemen, zelfs het kind der zondags­school."[33] Met de traditionele kerkdienst leek Kuyper persoonlijk weinig (meer) op te hebben. Nadat hij in 1874 ten gevolge van zijn verkiezing in de Tweede Kamer als predikant geëmeriteerd werd, ging hij lange tijd nog wel met enige regelmaat voor, maar werd hij verder niet vaak in de kerk gezien.[34] Zelf gaf hij lichamelijke klachten op als reden voor dit verzuim, maar gezien de vele activiteiten die hij op tal van fronten ontplooide zullen deze excuses niet al te serieus genomen moeten worden. Naar de werkelijke redenen van zijn thuisblijven kan alleen maar geraden worden. Zeker is wel, dat Kuyper in de gangbare vormen van (Hervormde) eredienst weinig van zijn ideaal zal hebben teruggevonden.

In het verlengde van Kuypers opwekking van de gemeente in de Confidentie lagen zijn ervaringen met en waardering voor de Brightonbeweging, die in 1875 hun hoogtepunt zouden vinden. Dit zou tevens het einde van de ontwik­ke­ling betekenen, waarin Kuyper de verantwoordelijkheid voor de eredienst vrijwel zonder enig voorbehoud bij de gemeente zelf neerlegde. Begin 1876 trok Kuyper zich overspan­nen terug uit het open­ba­re le­ven. Hij kwam in de hierop volgende periode van rust en be­zin­ning teleurge­steld tot de erkenning "in zijn opvatting van de Brigh­tonbe­weging te hebben misgetast."[35]

Op verschillende punten deelde Kuyper zijn in de Confidentie neergelegde bevindin-gen met tijdgeno­ten. Met betrekking tot de binding aan de klassiek-gereformeerde Liturgie profileerde hij zich daarin dan ook wat minder scherp dan voorheen. Net als hij waren L.J. van Rhijn en J.J. van Oosterzee onder de indruk van de liturgie in de Kerk van Engeland, hoewel dat in Van Oosterzees liturgiek nauwelijks doorwerkte.[36] Van Rhijn volgde in zijn pleidooi voor meer ere­dienst en een grotere plaats voor het sacrament dezelfde lijn als Kuyper.[37] G.H. Lamers verzette zich tegen de onge­breidelde vrijheid die predikan­ten zich konden veroor­loven.[38] De door Kuypers collega's voor­gestane veran­deringen kwamen in de prak­tijk meestal neer op kleine aanpassingen van de bestaande litur­gische vormen.[39] Tevens waren er predikanten die meer verwachtten van verbete­ring in het preken of in de geloofshou­ding van de gemeen­te.[40]

 


Na een jarenlange discussie verruimde de Hervormde synode met ingang van 1880 de bevesti­gingsvra­gen voor aanstaande lidmaten. Ze hoefden niet meer letterlijk, maar alleen "wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijde­nis, verkla­ring en belof­te" aan de catechisanten ter beantwoording worden voorge­legd.[41] Hier­mee was de laatste explicie­te, inhoudelijke liturgische ver­plich­ting verdwenen. De overgebleven regels waren in hun ruime for­mule­rin­gen een beschrij­ving geworden van een zeer gevarieerde prak­tijk. Een normerende werking hadden ze nauwelijks meer. Enkele jaren later, in de zomer van 1882, rekte de Hervormde synode de propo­nentsbelofte op soortgelijke wijze op als de belijde­nisvragen. Deze beide besluiten vormden de aanleiding voor een reeks van gebeur­tenissen, die uiteindelijk zouden leiden tot de Doleantie.

In de loop van 1882 startten tevens de bijeenkomsten van Amsterdamse kerke­raadsle­den op de grondslag van de drie Formulieren in de zoge­naamde Broe­derkring, op 11 april 1883 gevolgd door de lande­lijke conferen­tie van gecom­mitteerde kerkeraadsleden. Kuyper had in de Amster­damse kerkeraad onder predikanten en ouderlingen een groot aantal mede­standers gekregen. Tegen de achtergrond van genoemde vergaderin­gen verscheen in oktober 1883 van Kuypers hand Tractaat van de Reforma­tie der Kerken, aan de zonen der Refor­matie hier te lande op Lu­ther's vierde eeuw­feest aangeboden.[42] Na de schets van een gede­for­meerde kerk zet Kuyper in het Tractaat syste­ma­tisch zijn gedach­ten uiteen over de basis, opbouw en inrich­ting van een gere­formeerde kerk. In enkele paragra­fen besteedt hij aan­dacht aan de eredienst en de bediening van de sacra­menten.


Uit de opzet en de bedoeling van het Tractaat vloeit voort, dat Kuyper nadrukkelijk de verant­woordelijkheden van de verschillende ambten en organen in de kerk omschrijft, ook wat de eredienst in het algemeen en de sacramentsbediening in het bijzonder betreft. In de Confiden­tie, geschreven vanuit de invalshoek en mogelijk­heden van de gehele gemeente, waren dit soort aspecten nauwelijks uitgewerkt. De kerkeraad is volgens Kuyper in principe verantwoordelijk voor de inrichting van de dienst, ook als hierover door een classis of syno­de besluiten zijn geno­men.[43] De leiding van de dienst is opge­dra­gen aan de predi­kant, evenals de bediening van de sacramenten. Hij treedt "in den Naam des Heeren" op om de gemeente "haar zonde en Gods oneindige barmhartigheden" aan te zeggen en "in de naam der verga­derde gemeen­te" nadert hij tot God in gebed, lofzegging en dank.[44] In het ideaal van de Confi­den­tie speelde de predikant in tegenstelling tot de feitelijke situatie van die dagen in de eredienst nauwelijks een rol van betekenis. Dat lijkt Kuyper hier te compenseren door het predi­kantsambt een eigen inhoud te geven, die meer omvat dan het leiden van de dienst alleen.[45] Hier legt hij de basis voor zijn schets van de liturgi­sche plaats en functie van het (predi­kants)ambt in latere geschriften als de Encyclopaedie en Onze Eere­dienst. 

De in de Confidentie uitgezette lijnen keren in het Tractaat terug, zij het met enkele verschillen in accent.[46] Zo perkt de systemati­sche opzet van het Tractaat de ruimte voor Kuypers persoon­lijke voorkeu­ren in. In het verlengde van zijn pleidooi voor meer 'litur­gie', voor andere aspecten in de eredienst dan de preek, plaatst hij nu waar­schu­win­gen tegen "vorm­dienst", tegen een te sterke binding aan vastgestelde vormen.[47] Het spreken over het sacra­ment is inge­hou­dener van toon, hoewel Woord en sacrament beide genademidde­len mogen heten.[48] Verder zijn de eenheid van belijde­nis en de eenheid van liturgie in het Tractaat veel sterker aan elkaar gekoppeld dan voorheen.[49] Kuyper heeft in zijn Tractaat aan de vooravond van de Doleantie duidelijk gemaakt, dat de vormgeving van de eredienst een principieel kerkelijke aangelegenheid is en dat dit consequenties heeft voor de kerkelijke organisatie en de daarbij behorende regelgeving.

 

 

3.2         De doorwerking van Kuypers ideaal in de Nederduitsche Gereformeer­de Kerken (1886 - 1892)

 

De dolerende Kerken zouden in 1886 en volgende jaren handelen vol­gens de aanwijzin­gen, die Kuyper in het Tractaat had neergelegd.[50] Zij verenigden zich op de drie Formulieren, de klassiek-gereformeerde Liturgie en de Dordtse Kerkorde en gaven in 1888 hun kerkverband de naam Nederduitsche Gereformeerde Kerken. De keuze van de dolerenden voor een bepaalde gebondenheid van de predikant in de eredienst werd al voor de Dolean­tie in praktijk gebracht. Zo besloot de kerkeraad van Hervormd Rotterdam-Charlois nog voor de Doleantie (ter plaatse in 1887), dat bij doop en avond­maal de daartoe vastgestelde formulieren gelezen moesten worden.[51] Niet lang daarna scherpte de kerkeraad dit besluit aan door persoonlijke toespraken van de predikant bij de sacramentsbe­diening te verbieden.[52]

 


Zowel de situatie in de achtergelaten Hervormde Kerk als de confronta­tie tus­sen DKO en plaatselijke liturgische praktijk riep onder de dole­renden vragen op over de interpretatie van de DKO. De voorlopige synode van 1887 be­vestigde de bepa­ling in de DKO, dat in de middag- of avond­dienst de Heidel­bergse Catechismus behandeld dient te worden.[53] In de Hervormde Kerk was de vanzelfsprekend­heid van de tweede dienst evenals deze verplichting verdwenen. Bij de doopbediening wilden de dole­renden in 1888 geen nader be­sluit nemen over de plaats van de moe­der.[54] In de Hervormde Kerk was zij in lijn met synodale aanbeve­lin­gen door­gaans aanwe­zig. Maar in de DKO werd in art. 57 alleen de vader ge­noemd. De Hervorm­de synode had geweigerd zich over de doop­formule uit te spre­ken. De Nederduit­sche Gereformeerde synode kwam daarente­gen wel tot een uitspraak: "Tot het Sacrament des heiligen Doops behoort ook het gebruik van de instel­lingswoorden (Matth. 28: 19)."[55] Over de fre­quentie van de viering van het avond­maal lieten de dolerenden in 1887 in tegenstelling tot de Hervormden even­min onzekerheid bestaan: "Inge­volge de Kerkenorde zal in iedere Kerk minstens zes­maal in het jaar, en niet op den Goeden Vrijdag, het Heilig Avond­maal bediend worden. Of de gemeente op dien dag zal saamkomen, worde aan de pru­dentie van de kerkeraden overge­la­ten."[56] Enkele jaren later uitte men zich op het laatste punt ex­pli­cieter: "het verdient dan ook zeker geene aanbeveling, eene vie­ring van die dag in te voeren".[57] Maar als de Goede Vrijdag wel gevierd wordt, dan is afschaffen niet strikt noodza­kelijk "mits altijd ge­zorgd worde, dat de Gemeente niet meene, dat de herdenking van Christus' sterven tot dien dag bepaald is, of alleen op dien dag behoort te geschie­den."[58]

Toch wenste men niet op alle punten voorschriften te formuleren. Men weigerde onder verwijzing naar art. 61 en 62 van de DKO in 1888 de toela­ting tot het avondmaal te uniformeren.[59] In het 61e artikel was de toe­la­ting confessio­neel gefundeerd, namelijk in de gerefor­meerde belij­de­nis. Dat diende voldoende te zijn. Ook inzake de kerk­zang stelde de voorlopige synode zich terughou­dend op. Een verzoek om "overeenkomstig het beginsel in Art. 69 D.K. neergelegd" perico­pen uit het Nieuwe Testament te gaan berijmen werd om niet nader genoemde redenen, afgewe­zen.[60] Orde op liturgische zaken stellen betekende voor de dolerenden te­ruggaan op de DKO en de klassiek-gerefor­meerde Liturgie, tenzij praktijken van jongere datum als de viering van de Goede Vrijdag zo sterk waren dat ze een nieuwe uit­spraak beslist noodzakelijk maakten.

 


Aan de Vrije Universiteit stond het vak liturgiek aanvankelijk niet op de series lectionum. Kuyper had er in zijn encyclopedisch ontwerp van fe­bruari 1880 ook niet expliciet in voorzien.[61] Zijn aan­van­ke­lijke medestander Ph.J. Hoedemaker nam er in zijn rede bij de over­dracht van het rectoraat in 1883 wel enkele woorden over op en plaatste de liturgiek in een historisch kader, maar besteedde er in de praktijk geen aandacht aan.[62] Eerst en alleen in 1888-89 ver­zorg­de W. van den Bergh colle­ges over de "be­gin­selen der Practi­sche of Litur­gische Vakken", maar vanwege zijn ziekte werden deze voor­tijdig afgebroken.[63] Van den Berghs archief in het gemeen­tearchief te Barneveld verraadt niets over de inhoud van deze colleges. Wel is uit de ge­meenten waar hij predikant was, Schaars­bergen en Voorthui­zen, be­kend, dat hij de voorschriften van de DKO zoveel als mogelijk wilde opvol­gen.[64] Daar­om mag vermoed worden, dat hij zich ook in het ge­bruik van de Litur­gie stipt wilde houden aan de overgele­verde tek­sten.

 

In de besprekingen ter voorbereiding op de vereniging van Christelijk Gerefor­meerden en Nederduitsche Gereformeerden kwam men al spoedig tot de erkenning van het "één zijn in Belijdenis, Litur­gie, Kerkenordening en taal".[65] Toch beston­den er in de benade­ring van belijdenis, Liturgie en kerkorde, en in de liturgische praktijk een aantal verschil­len, die na de Vereniging van 1892 aanleiding zouden geven tot onderlinge strijd. Om deze verschil­len op waarde te kunnen schatten moeten we nu eerst aandacht besteden aan de liturgische ontwikke­lingen in de Christelijke Gereformeerde Kerk.

 

 

3.3          Mislukte pogingen tot litur­gische ver­nieu­wing in de Christelijke Gerefor­meer­de Kerk (1869 - 1892)

 


De vereniging van Christelijke Afgescheidenen en kruisgezinden in 1869 onder de naam Christe­lijke Gereformeerde Kerk markeert het begin van een nieuw tijdvak. De Christelij­ke Gerefor­meer­de gemeenten groeiden in hoog tempo. De zich steeds verbeterende positie van de voormalig afgescheidenen in de samenleving weerspie­gelde zich in het kerkge­bouw. Dat ontwikkelde zich in de eerste jaren na de Afschei­ding tot de Vereniging met de Nederduitsche Gereformeerden "van schuil­kerk tot com­plete volwassen­heid".[66] De in­vloed van het gere­formeerde volksdeel in zijn geheel groeide door de orthodoxe krach­tenbunde­ling in de Hervormde Kerk en de activi­teiten van onder meer Kuyper op politiek en maatschappe­lijk ter­rein. Onder de Christelijke Gere­formeerden deed een nieuwe generatie pre­dikanten haar intrede, die geen eigen herinneringen had aan de Af­scheiding en de gevolgen daar­van. Deze predikanten waren gevormd aan de Theologische School in Kam­pen en doorgaans beter opgeleid dan hun voorgangers. Sommigen van hen waren ervan overtuigd, dat vasthouden aan het aloude niet voldoende was en dat de kerk zich rekenschap moest geven van de eisen des tijds, ook in haar eredienst.[67]

 

De synode

De Christelijke Gereformeerde synoden zetten de discussies van hun voorgangsters over een wettige doopbediening voort. De synode zag zich hier in eerste instantie (Groningen 1872) toe gedwon­gen door de reeds beschreven besluiten van de Hervormde synode over het gebruik van de doopformule.[68] Daarna keerde het punt geregeld op de agenda terug, omdat men van tijd tot tijd werd geconfronteerd met mensen die gedoopt waren door min of meer vrije voorgangers met een twijfelacht­ige leer of ordi­natie.[69] De voorwaarden voor een wettige doop werden nader gespecificeerd.­­ Als gedoopt konden diege­nen worden be­­schouwd, die in een vergadering van chris­tenen met water ­in de naam van de drieënig God waren gedoopt door een wettig geroepen en geordi­neerd predikant.[70]


Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw begon er onder enkele vooraan­staande predikanten een geest van vernieuwing en verandering te waaien, maar zij slaagden er niet in anderen warm te krijgen voor hun ideeën. De eerste kwestie die werd aangepakt is die van de gezangen. W.H. Gispen, begonnen als predikant in een kruisge­meen­te, is onder de afge­scheidenen en hun nazaten een van de eersten geweest die in 1875 openlijk en uitgebreid vroeg om een herbezin­ning op dit punt.[71] De kerkeraad van Tiel had op de synode van Am­ster­dam 1866 al eens een schuch­tere poging onderno­men, maar die was zonder resultaat gebleven.[72] Gispen stelde het gezangenvraagstuk aan de orde in De Ba­zuin, het officiële orgaan van de Theologische School in Kampen, dat in de Christelijke Gereformeerde Kerk veel gezag had en waaraan hij als medewerker verbonden was. Gispen constateert, dat er onder de eerste afge­schei­dene predi­kanten eigenlijk alleen bij De Cock een principi­eel verzet tegen de gezan­gen bestaan had.[73] Bijbels en kerkorde­lijk ziet hij ­geen bezwa­ren, terwijl het gemis aan pas­sende liederen bij sommige gele­genhe­den groot is.[74] Hij pleit er daarom voor, dat de plaatse­lijke gemeenten zouden kunnen besluiten tot het invoeren van een door de synode goedgekeurde bundel met geestelijke liederen. Sommige lezers be­tuig­den adhesie, maar de redactie van De Bazuin ontving eveneens vele brieven met bezwaren.[75] Tegen­standers brachten nauwe­lijks prin­cipië­­le argumenten naar voren, maar wezen vooral op de verdeeld­heid die een gezang­bundel veroorzaken zou. Enkele jaren later denkt Gispen in een brief aan een fictieve vriend met gemengde ge­voe­lens aan deze en ande­re reacties op zijn ideeën terug.[76] Uit deze brief blijkt ver­der, dat Gispen - net als Hervorm­de tijdge­noten - kennis had van en belang­stelling voor andere liturgische ver­nieu­win­gen. Enkele jaren later kwamen de afgevaardigden uit Frie­sland op de synode van Utrecht 1877 met het voorstel om een bundel met liede­ren samen te stellen voor jonge­lingsverenigingen, zondags­cholen, enz. De synode verzocht daarop de Vereeniging van Gerefor­meerd Schoolonder­wijs om een "bundel liederen van ontwij­felbaar gehalte en met een goede melodie" samen te stellen.[77] In 1882 ver­scheen Stem en sna­ren, waarbij naast de genoemde vereniging tevens de Gerefor­meerde Zondags­school­vereeni­ging 'Ja­chin' en het Gereformeerd Tractaatge­nootschap 'Filip­pus' be­trokken waren.[78] Favoriet zijn J.J.L. ten Kate en Is. Da Costa, van wie het werk meer dan de helft van de bundel vult (resp. 21 en 14 van de 70 liederen). Ter vergelijking: Ten Kate was met 14 van de 82 gezangen ook favoriet in de Hervormde  Vervolgbundel, maar Da Costa was daar met geen enkel nummer vertegenwoordigd.[79]


De synode van Utrecht 1877 hield zich ook nog met enkele andere liturgische zaken bezig. Teke­nend voor het verande­rend kli­maat in deze jaren en daarom ondanks de aangenomen beperkingen in het onderzoek ver­mel­denswaard is een verzoek uit de provincie Groningen om een "inze­geningsformu­lier" voor het kerkelijk huwelijk. Als argu­ment hiervoor voerde de particu­liere synode aan, dat de staat sinds het begin van de eeuw voor de huwelijkssluiting zorg draagt en het klas­sie­ke huwelijksfor­mulier met deze omstandig­heid in het geheel geen reke­ning houdt.[80] Het kerkelijk huwelijk draagt ten opzichte daar­van een eigen karakter. De Kamper docent Hel. de Cock zou volgens eigen zeggen samen met zijn collega en schoonzoon M. Noordtzij tegelijk met dit verzoek zelf al een gereviseerd formulier hebben ingediend.[81] Maar de synode wenste vast te houden aan het oude formulier om zo de godde­lijke instelling van het huwe­lijk te benadrukken.[82] Op soort­gelijke vragen in later jaren werd onder verwijzing naar dit besluit uit 1877 eveneens afwijzend be­schikt.[83]

Terwijl in de Hervormde Kerk een hevige strijd woedde over het gebruik en het belijdend gehalte van de vragen bij de openbare geloofsbelijdenis, werd op de synode van Utrecht 1877 de vraag gesteld, of hier­voor geen vaste vragen zouden moeten worden opgesteld. In de Christelijke Gereformeerde gemeenten waren tot dan toe de vragen van Voetius, Koelman, of die uit het formu­lier voor de volwas­senen­doop in gebruik. De synode oordeelde echter, dat vaste vragen niet nodig zijn, omdat "er in onze kerk (...) geen verschil bestaat omtrent haar belijdenis."[84]

 

De Theologische School te Kampen


Terwijl pogingen tot vernieuwing en verandering in de liturgische praktijk bij de synode steeds strandden, slaagden ze in het theolo­gisch onderwijs in Kampen tot op zekere hoogte wel. De voorberei­din­gen op de nieuwe wet op het hoger onder­wijs, die gevol­gen zou hebben voor de opleiding van Hervormde predi­kanten en de slechte studieresultaten aan de eigen instelling deden de Kamper curatoren in 1875 besluiten tot een verregaande­ onderwijsvernieu­wing.[85] De synode keurde de voorstellen van het curato­ri­um goed, maar ze wilde niet instemmen met het ingrijpende voorstel van de twee Hollandse provincies om de school naar Leiden te verplaatsen.[86] Het vak liturgiek werd nu officieel ingevoerd, al was het eerder incidenteel ook wel gegeven.[87] Met deze verande­ringen in het onderwijs werd het onder­deel Formulieren losgemaakt uit het drietal vakken, dat steeds direct met elkaar verbonden was geweest en als exclusief bij elkaar horend was behandeld: Formu­lieren, Litur­gie en Kerkor­de. In de prak­tijk werden de lessen in zowel de Formulie­ren als de Li­turgie en de Kerkorde nog wel door dezelfde docent, De Cock, ver­zorgd.

We kunnen kennis nemen van De Cocks opzet van de liturgiek, omdat diens dictaat ter zake uit 1877 bewaard is gebleven.[88] De Cock geeft daarin weliswaar een inleiding in de liturgiek, maar de klassiek-gereformeerde Liturgie blijft een hoofdrol spelen. Enig speurwerk laat zien, dat De Cock in zijn college­stof ­Grundlinien der Litur­gik und Homiletik (1863) van K.R. Hagen­bach, hoogleraar te Basel, bewerkt en parafraseert. In een groot aantal gevallen is er zelfs sprake van een letter­lijke verta­ling.[89] De Cocks keuze voor Hagenbach laat zich verklaren uit het feit, dat in 1877 in het Neder­landse taalgebied geen geschikte liturgiek be­stond. Muurlings Practische Godgeleerdheid was te modern van inslag om voor De Cock bruik­baar te zijn. Het tweede deel van Van Ooster­zees Practische Theologie, met een litur­giek, verscheen eerst in de loop van 1878. Bekend is, dat Brum­melkamp voor andere praktisch-theologische vakken gebruik maakte van laatstgenoemde stan­daard­­­­werk.[90] De Cock had dat voor de liturgiek ook best kunnen doen, hoewel Van Oosterzee minder nadruk legde op en ook minder waarde hechtte aan de binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften. Buiten Nederland is er in deze jaren over de liturgiek van calvinistische zijde weinig gepu­bliceerd. De Cock zal zich bij Hagenbach vooral door de eenvoud van de Zwitserse praktijk aangesproken hebben gevoeld.


Een vergelijking van Hagenbachs handboek met het dictaat van De Cock laat zien, welke opvattingen de laatste voor zijn rekening neemt. De opzet van Hagenbach neemt hij vrijwel geheel over. Na een aantal inleidende opmerkingen over de liturgie, haar wezen en historisch karakter, de wisselwerking tussen voorganger en gemeente en het kerkelijk jaar belandt De Cock bij de elementen van een gewone dienst. Hierop volgen net als bij Hagenbach excursen over de hymnologie en de euchetiek (leer van het gebed). De homiletiek, die Hagenbach met de liturgiek integreert en ook in zijn boek een ruime plaats toebedeelt, blijft bij De Cock op principiële gronden beperkt tot enkele opmerkingen over de plaats en het gewicht van de preek in de eredienst.[91] De homiletiek is voor hem een vak apart. Bij de behandeling van de sacramenten laat De Cock net als Hagenbach het avondmaal voorop gaan. Het avondmaal is "een integreerend deel (...) van den eeredienst".[92] Eerst daarna komt de doop aan de beurt, omdat bediening daarvan een incidenteel karakter heeft. Maar terwijl bij Hagenbach daarop de al even incidentele confirma­tie volgt, deelt De Cock de openbare geloofsbelijdenis in bij de voorbereiding op het avondmaal. Dit toont enerzijds aan, hoe weinig hij innerlijk over­tuigd is van Hagenbachs aan­pak. An­derzijds wordt duidelijk, hoe belangrijk dit be­wuste toe­gang vragen tot het avondmaal voor De Cock is. Vreemd is in dit verband, dat De Cock in navolging van Hagenbach de formulieren voor de uitoefening van de kerkelijke tucht buiten beschouwing laat.

Inhoudelijk gaat De Cock in een aantal gevallen duidelijk een eigen weg. In navolging van Hagenbach wil hij met betrekking van het ker­kelijk jaar nog wel vaststellen: "Het meer bepaalde karakter van de cultus wordt bepaald door het zoogenaamde kerkelijk jaar."[93] Maar in zijn betoog relativeert De Cock de waarde van het kerkelijk jaar sterk. Er bestaat geen schriftuurlijke grond voor. Vanwege de eigen verantwoordelijkheid van de predikant voor de keuze van de preektekst kan de invloed van het kerkelijk jaar slechts beperkt zijn, al kan men er op de feestda­gen en de voorbereiding daarop niet goed omheen: "In 't algemeen is eene zekere stemming dan niet te ontken­nen."[94] Het is daarom geboden noch verboden om zich enigermate naar het kerkelijk jaar te richten, maar de Goede Vrijdag dient in geen geval gehouden te wor­den.[95]

Het verloop van de dienst dat Hagenbach schetst, lijkt qua structuur sterk op de eenvoud die de christelijke gereformeerden praktizeerden: zang, gebed, preek, gebed, zang, zegen.[96] De Cock gaat hierin met Hagenbach mee en voegt eraan toe, dat er weinig ter rechtvaardiging te zeggen is voor extra onderdelen, zoals een aparte lezing van een Schriftgedeelte (vooraf), in het bijzonder van de tien gebo­den, of het Apostolicum. Een 'amen' van de gemeente op sommige momenten is mogelijk, maar volgens De Cock weinig zin­vol.[97]


In een uitgebreide inlas besteedt De Cock aandacht aan de gezangen­kwestie.[98] Hij neemt afstand van het ook voor de afgescheidenen extreme standpunt van zijn vader, die de gezangen radicaal afgewezen had. Met een keur van argu­menten probeert de zoon zijn stu­denten te over­tuigen van de principiële mogelijkheid van het zingen van gezan­gen. De Schrift staat het toe, de psalmen van 1773 zijn ook berijmde psalmen, poëzie is een gave van God, buiten de kerkdiensten worden wel veelvuldig gezangen ge­zongen en juist op de feestda­gen worden passende gezangen in de kerk ontbeerd. Wel waarschuwt hij ervoor een gezangbundel aan de gemeen­ten op te leggen. De vraag naar een bundel zal uit de gemeen­te(n) zelf moeten opkomen. Bij de keuze om een- of meerstemmig te zingen dient de kwaliteit van de zang voorop te staan. Ritmisch zingen moet volgens De Cock, ver­wijzend naar Budding, mogelijk zijn, maar een zangkoor zal dan wel hulp moeten bieden. Orgelbege­leiding zal voor de meeste gemeen­ten het verkies­lijkst zijn, maar het gebruik van andere instrumenten is niet bij voorbaat uitgeslo­ten.[99]

In de inleiding op het kerkelijk gebed gaat De Cock ten opzichte van Hagenbach een eigen weg.[100] Hij wijst erop, dat de formuliergebe­den in de praktijk hoogstzel­den gebruikt worden en vindt dat geen bezwaar. Hij haalt onder andere het (oude) argument aan, dat ze ontwor­pen zijn voor onkundige geestelijken. Verder hebben volgens hem de hang naar eenheid en overeenstemming, de liturgische boeken bij joden en heidenen, en het verlangen de leer te bewaren een rol gespeeld. Slechts een enkele gemeente is op het gebruik van een formuliergebed gesteld en dan nog blijft het beperkt tot het eerste gebed uit het doopformu­lier. Het tweede hoort men liever niet. De Cock gaat niet in op de reden voor deze afwijzing. Die berustte op een welbewuste keuze. De afgescheidenen hadden namelijk bezwaren tegen de in dit gebed verwoorde gedachte, dat de doop een tegenwoordige en reële genade verzegelt en bekrachtigt en niet alleen een mogelijke toekomstige.[101] 


De Kamper docent buigt in zijn dictaat Hagenbachs opmerkingen over groet, zegen en afkondigin­gen in de Duits-Zwitserse situatie toe naar de praktijk van zijn eigen kerk.[102] De afkondi­gin­gen met een wereldlijk karakter, die blijkbaar nog steeds bestonden, kunnen het best door de voorlezer worden gedaan. De Cock deelt Hagenbachs voorkeur om het avondmaal te houden op de feestda­gen niet.[103] De praktijk onder de afgescheidenen is (ondanks de bepaling in de DKO; KWdJ) een ande­re. Zij geven de voorkeur aan andere (zon)dagen. Viering van het avond­maal op Goede Vrijdag acht hij in elk geval afkeurenswaardig. Het is volgens De Cock een teken van ver­vlakking en uitholling van het sacrament. De inhoud van het avond­maal versmalt dan gemakkelijk tot de viering ervan op die ene dag. Bij het afleggen van openbare geloofsbelijdenis raadt De Cock andermaal het gebruik van de vragen van Voetius aan.[104] Hij spreekt er de voor­keur voor uit, dat deze plechtigheid plaatsvindt in het midden van de gemeente. Blijkbaar waren er nog steeds gemeenten die zich beperkten tot een ondervraging door de kerkeraad, zoals dat tot en met 1816 het geval was geweest. ­Ook in het dictaat gaat De Cock kort in op de voorbereidingsvragen voor het avondmaal. "In onze kerk is dit gebruik tot slechts enkele plaatsen be­perkt."[105] Hij pleit noch voor algemene invoering noch voor afschaf­fing. "Eenvor­migh[eid] is noch noodig noch gewenscht." Waar Hagenbach bij de avondmaals­viering nadrukkelijk de tafel of het altaar aanwijst als plaats om het formulier te lezen, kiest De Cock voor de kan­sel.[106] De aanwij­zing in de DKO het formulier bij de tafel te lezen is "algemeen vergeten" en nu "zelfs ongepast". Eerst na het avondmaalsgebed uit het formulier dale de voorganger van de kansel af naar de tafel. Wat de vorm en het verde­re verloop van de viering betreft wordt de beschrijving van de ver­schillende mogelijkheden zoals die bij Hagenbach voorkomt, over­genomen. De Cock voegt een paragraaf­je toe over de dankzeggingsdienst, die hij zinvol, maar onder verwijzing naar de synode van Middelburg 1581 niet strikt noodzake­lijk acht.[107]

Twee jaar later, in 1879, liet De Cock zijn Historisch overzicht van de Formulieren van Eenheid en de Liturgische Geschriften verschij­nen. Dit overzicht bevat in de eerste plaats een samenvat­ting van het materiaal van Ens. Uit de titel blijkt, dat in onderscheid tot de behandeling van Ens, Formulieren en Liturgie voor De Cock aparte zaken zijn, hoewel ze nog tezamen worden behandeld. Aan de histo­rische data van Ens voegt hij een aantal recentere gegevens toe. Vooral de besluiten van de synode van 1877 met betrekking tot de openbare geloofsbelijdenis en de huwelijksinzegening geven daar­toe aanleiding.[108] Deze synode geeft hem mede reden nader in te gaan op het verplichte gebruik van formulieren en gebeden uit de Litur­gie: "In onzen tijd is de algemeene geestesstroming juist niet gun­stig te noemen voor vastgestelde ritueele handelingen en is in 't algemeen het beginsel van vrijheid ook voor den liturg praedomine­rend. Dit geldt althans voor onze kerk".[109] Vanuit de traditie is de verplichting om de formulieren letter­lijk te reciteren er niet, mits men geen wijzigingen aanbrengt vanwege bezwaren tegen de leer die er in is ver­woord.[110] Daarom ook weegt en beoordeelt De Cock de inhoud van de onder­schei­dene formu­lieren en gaat hij veel uitvoeri­ger dan zijn voorbeeld Ens na of die in overeen­stemming zijn met de belijde­nisge­schriften.[111] De Cock onderstreept de vrijheid van de voorgan­ger nog eens als hij sprekend over het "ver­plichtend gebruik" van de gebeden veel uitgebreider dan Ens in diens Kort historisch berigt ingaat op het standpunt van Koelman in de­zen.[112] Formeel is de inrichting van het onderwijs in Kampen in 1875 vernieuwd en heeft de behandeling van de liturgische formulieren plaats moeten maken voor een bespreking van de eredienst in zijn geheel, maar in feite heeft De Cock in zijn bespreking van de eredienst in het alge­meen en van de formulieren in het bijzonder op een enkele uitzondering na de bestaande situatie onder­bouwd en bevestigd. Vermoed mag worden, dat dit zijn uitwerking op de aanstaande predikanten niet gemist heeft. Het vak liturgiek mocht dan zijn ingevoerd, er verander­de liturgisch weinig of niets in de Christelijke Gerefor­meerde Kerk.

 


Als we de gegevens uit deze paragraaf op een rijtje zetten dan valt ten opzichte van de voorafgaande periode op, dat het toen gere­geld gebruikte synodale advies in liturgische zaken om vooral te handelen 'tot stichting van de gemeente' niet meer wordt gebruikt. Blijkbaar was dit vanzelfsprekend geworden. Het was door de rust die was ontstaan na de vereniging met de kruisgezinden in 1869 ook niet meer nodig. Ten opzichte van de Hervormde Kerk was het niet meer interessant. Daar waren predikanten nu enerzijds gehouden in liturgische zaken overleg te plegen met hun kerkeraad en hadden ze anderzijds in keuze van psalmen of gezangen, formu­lieren en dergelijke de vrijheid gekregen de eredienst tot stichting van de gemeente in te richten. Met het teruglopen van het woordelijke gebruik van de klassieke liturgische formulieren in eigen kring profileerden de afgescheidenen zich ten op­zichte van de Hervormde Kerk op het punt van de belijdenis. Significant is het al eerder weergegeven antwoord op het verzoek om vaste vragen bij de openbare geloofsbe­lijdenis. Die achtte de synode in 1877 niet nodig, omdat "er in onze kerk (...) geen verschil bestaat omtrent hare belijde­nis." De Nederduitsche Gereformeer­den zouden ruim tien jaar later een vrijwel identiek standpunt innemen.[113] Nog eens tien jaar later, in 1896 onderschreven de Gereformeerde Kerken dat nog steeds.

Zowel in de praktijk als aanvankelijk in het theologisch onderwijs waren de liturgische geschrif­ten direct verbonden met de Formulieren van Enigheid (en de DKO). Dit heeft een sterk historische en dogma­tische benadering tot gevolg gehad, die als benadering van de eredienst en de klassiek-gereformeerde Liturgie lange tijd heeft doorgewerkt in de Kamper opleiding. Op de heruitgaven van Ens' Kort historisch berigt volgde De Cocks Histo­risch overzicht in 1879. Maar deze oriëntat­ie op de klas­sieke Litur­gie heeft nooit geleid tot een fundamentele herbezin­ning op de ere­dienst in zijn geheel, zoals dat wel het geval is geweest bij Kuy­pers stu­die voor het artikel "De Eeredienst der Hervormde Kerk" uit 1869.


Een en ander neemt niet weg, dat in Christelijke Gereformeerde kring bij enkelen het besef heeft bestaan, dat er wezenlijk iets veranderen moest. In januari 1883 liet H. Bavinck een kritisch geluid horen in een bijdrage aan De Vrije Kerk, geti­teld "De Predikdienst".[114] Hij was in de voorafgaande zomer benoemd tot hoogle­raar in Kampen en had kort daarna afscheid genomen van zijn eerste en enige gemeente Franeker. Bavinck constateert, dat het er in eigen kring slecht voorstaat met de eredienst. Hij maant ener­zijds voorgangers zorgvul­dig en schriftuur­lijk te preken. Ander­zijds wijst hij kerk­gangers erop, dat de kerk­dienst meer is dan het be­luisteren van een predikant. Dat zij zijn geroepen om "samen als priesters werkzaam te wezen en Gode te offe­ren lof en aanbidding, liefde en gave", dat zij in de dienst iets hebben te doén. "Als dat meer ver­staan wordt, zal het kerkgaan in eere komen en 't jeugdig geslacht niet van de kerk wor­den ver­vreemd."[115] Bavinck onderkent, dat er in de houding ten opzichte van de ere­dienst fundamen­teel iets moet verande­ren en legt daarbij de verantwoordelijkheid bij de gemeente. Bavincks stellingname sluit nauw aan bij hetgeen A. Kuyper in zijn Confiden­tie betoogd had. Het onder­scheid ligt hierin, dat Kuyper sterker de nadruk legde op de uiterlijke vorm, terwijl Bavinck inzet bij de innerlijke gesteldheid en de daaruit voortvloei­ende houding van de kerkgangers. De term aanbidding doet boven­dien aan J.H. Gunning denken, een van de ethischen, met wie Bavinck korte tijd later een polemiek aangaan zou. Voor Gunning was de aanbid­ding door de gemeente het grondbegrip van de ere­dienst.[116] In het vervolg zal duidelijk worden, hoe en in hoeverre de kerken na de Vereniging van 1892 zich zouden herkennen in de benadering van respectievelijk Bavinck en Kuyper.

 

 

3.4               Conclusies

 

A. Kuyper ontwikkelde zijn liturgische principes in de loop van de jaren zestig van de vorige eeuw tegen de achtergrond van een gestaag groeiende vrijheid in denken en doen in de Nederlandse Hervormde Kerk. Zolang een predikant de situatie in zijn gemeente in het oog hield, had hij volgens de synodaal vastgestelde regels in de eredienst bijna vrij spel. Kuyper verzette zich hier krachtig tegen en poneerde dat de gemeente de gang van de eredienst bepaalt. De persoonlijkheid van de predikant dient terug te treden. Dat compenseerde Kuyper, zeker in latere geschrif­ten, door de formele, ambtelijke positie van de predikant te versterken. Diens taak bestaat niet uitsluitend in het leiden van de gemeente in de aanbidding, maar ook in het toespreken van de gemeente in Gods naam. Praktisch koos Kuyper zijn uitgangspunt in de Liturgie van Dordrecht 1618-19. Dat was de laatste verzameling liturgische formulieren die impliciet met instemming van de plaatselijke kerken was vastgesteld. De voorganger diende deze formulieren bij de desbetreffende gelegen­heden woordelijk te volgen. Kuyper onderscheidde zich in zijn opstelling niet alleen van de orthodoxe collega's van zijn tijd, maar ook van de Christelijke Gerefor­meerden, die zich verzetten tegen een al te stringente binding aan de liturgische formulieren.


In de loop der jaren vertoont Kuypers standpunt over de eredienst verschillende accenten die steeds afhankelijk blijken te zijn van het front, waar hij streed. Hij was zich als geen ander bewust van de "eenzijdigheid, waar kracht in lag".[117] In de tweede helft van de jaren zestig, toen vrijwel elke liturgische regel dreigde te verdwijnen, legde hij alle accent op de kerkelijk geregelde, vaste vorm. Enkele jaren later leek alle hoop om dat binnen afzienbare tijd te kunnen verwezenlijken te zijn vervlogen. In de Confidentie was het de plaatselijke gemeente zelf die verant­woordelijkheid gegeven werd voor vernieuwing van de eredienst. Het ideaal van de vaste vorm schoof daarmee naar de achtergrond. Bij de uitgave van het Tractaat had de gereformeerde groep binnen de orthodoxen zich duidelijk geprofileerd, groeide haar invloed en werd precies aangegeven hoe een gereformeerde kerkeraad in de organisatie van de eredienst te handelen had. Toen eenmaal de plaatselijke kerken in het kerkverband van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken in voorlo­pige synoden bijeenkwamen, begon het zwaartepunt zich volgens de in het Tractaat uitgestippelde lijnen naar deze meerdere vergadering te verleggen. De achtereenvol­gende synoden bevestigden de reeds bestaande bepalingen van de DKO, hoewel om pastorale redenen op enkele punten aan de plaatselijke kerken enige ruimte werd gegund. In principe hadden in lijn met Kuypers opvattingen wijzigingen in de DKO kunnen worden aangebracht. Dringend was dit niet en de agenda's van de synodale vergaderingen waren overvol. Ook maakten de spoedig op gang gekomen bespre­kingen met de Christelijke Gereformeerde Kerk een herziening die de bestaande, moeilijk te overbruggen tegenstellingen zou vergroten, ongewenst. Over de Liturgie werd in het geheel niet gesproken. De kerken hadden blijkbaar genoeg aan de bestaande bundel, die naar Kuypers opvatting met recht een 'kerkelijke' Liturgie, dat wil zeggen kerkelijk vastgesteld mocht heten.  

In de Christelijke Gereformeerde Kerk heeft in de periode 1869 - 1892 slechts incidenteel bezinning plaats gevonden op de liturgische vormgeving. Voor een fundamentele reflectie bestond ook nauwelijks enige noodzaak. De meeste aandacht ging uit naar de inhoud van de eredienst en die was historisch en dogmatisch afgebakend. Dit ging samen met een hoge waardering van het persoonlijk element in de eredienst, waarvoor een grote mate van vrijheid vereist was. Voor de opleiding van predikanten kon derhalve worden volstaan met een aantal praktische raadgevingen voor de vormgeving. Het enigszins willekeurig gebruik van een bestaand boek voor de colleges liturgiek door Hel. de Cock hoeft daarom niet te bevreemden. De geschetste Christelijke Gereformeerde benadering van de eredienst ging gepaard met een zekere gehechtheid aan de 'aloude' Liturgie en de in de DKO vastgestelde liturgische regels, die echter nooit leidde tot een strikte handhaving ervan. Deze gehechtheid aan het oude fnuikte echter vrijwel elke poging tot liturgische vernieuwing op synodaal niveau.



     [1]           A. Kuyper (1837 - 1920) stud. theol. Leiden 1855, dr. theol. 1862, Herv. pred. Beesd 1863, Utrecht 1867, Amster­dam 1870, lid Tweede Kamer (met onderbrekingen) 1874 - 1912, hoog­l. Vrije Universiteit te Amsterdam (= VU) 1880, min.-pres. 1901 - 1905, lid Eerste Kamer 1913 - 1920. Verder was Kuyper vanaf 1871 hoofdre­dacteur van De Heraut en vanaf 1872 van De Standaard (Biografisch Woordenboek van Nederland (= BWN) II, 328 - 333).

     [2]           A. Kuyper aan J. Schaay d.d. 30 maart 1859, geci­teerd in: G. Puchinger, Abraham Kuyper I: De jonge Kuyper (1837 - 1867), Frane­ker 1987, 77v. Vgl. met name voor de eer­ste re­gel uit dit citaat: A. Kuyper, E Voto Dordraceno. Toe­lichting op den Hei­delbergschen Catechismus, 4 dln. Amsterdam 1892-1895: III, 566: "Hiermee is dus niet alleen uitgemaakt, dat zekere uitwen­dige vormen zonder religie van het hart, waardeloos zijn, maar veel meer nog, dat in die vormen nooit Godsveree­ring liggen kan."

     [3]           A. Kuyper aan J. Schaay, z.d. (maar kort na 16 maart 1860), geciteerd in: Puchin­ger, Abraham Kuyper, 113 (citaat).

     [4]           A. Kuyper aan J. Schaay d.d. 24 januari 1861, geci­teerd in: ibidem, 132. Vgl. A. Kuyper aan J. Schaay d.d. 27 oktober 1861, in: ibidem, 149, waar blijkt, dat Kuyper het avondmaal wel graag ziet.

     [5]           J.J. Prins (1814 - 1898) stud. theol. Leiden, dr. theol. 1838, Herv. pred. Eem­nes-Binnen, Alkmaar, Rotterdam, hoogl. Leiden 1856 - 1885 (emer.). Hij doceerde er Nieuwe Testa­ment en tot 1878 ook praktische vakken (NNBW II, 1132). Toen Kuyper in 1881 een stevige aanvaring kreeg met deze mo­derne theo­loog, wees hij op de "eerbied" en "dank" die hij zijn vroegere leer­meesters ver­schuldigd was, hoe ver hij in­houde­lijk ook van hen verwijderd was (J.C. Rullmann, Kuyper-Bi­blio­grap­hie, 3 dln., Kampen 1923, 's-Gravenhage 1929-1940: II, 60; vgl. ibidem, 59 - 61).

     [6]           Zie met name: A. Kuyper, Disquisitio historico-theo­lo­gica, exhibens Johannis Calvini et Joannis à Lasco de Eccle­sia Sententia­rum inter se compositionem, ­­Hagae Comitum-Amstelodami 1862, 36 - 56, 128 - 147 en 180 - 182.

     [7]           J. Stellingwerff, "De bekering van Kuyper volgens zijn 'Confidentie'", in: JGGK 3 (1987), 44 - 64, 61 (citaat).

     [8]           A. Kuyper aan J. Schaay d.d. 22 maart 1863, geci­teerd in: Puchinger, Abraham Kuyper, 191.

     [9]           A. Kuyper, Confidentie. Schrijven aan den Weled. Heer J.H. van der Linden, Amsterdam 1873, 42v (citaten).

     [10]   Kuyper, Onze Eeredienst, 9. Kuyper gebruikt het voor­beeld van het doopfor­mulier, omdat in de verminking daar­van zijns inziens het gebrek aan liturgisch besef zich "het sterkst" voelen doet (ibidem, 7). Dit doet vermoeden, dat ook Kuyper aanvankelijk naar eigen goeddunken met de andere formu­lieren is omgegaan.

     [11]   A. Kuyper, "De Eeredienst der Hervormde Kerk en de za­men­stelling van haar Kerkboek", in: B. ter Haar en W. Moll (red.), Geschiedenis der Christelijke Kerk in Nederland in tafereelen II, Amsterdam 1869, 87 - 113. Kuyper rondde in december 1865 de uitgave van de Opera van A Lasco af. Naar eigen zeggen (Kuyper-Gedenkboek 1907 (...), 's-Gravenhage 1908, 312) was hij al in Beesd, dus voor de afscheidszon­dag 3 novem­ber 1867, klaar met het manuscript van "De Eeredienst". Als Kuyper al bij de uitgave van de Opera tot een andere mening was gekomen, dan had hij dit vermoedelijk gemeld. De veranderde houding van Kuyper in het lezen van het doopformulier moet dus ergens tussen decem­ber 1865 en november 1867 worden gesitueerd.

     [12]   Kuyper, "De Eeredienst", 89 (citaat).

     [13]   A. Kuyper, De menschwording Gods het levensbeginsel der kerk. Intreere­de uitgesproken in de Domkerk te Utrecht den 10en november 1867, Utrecht 1867.

     [14]   Kuyper, De menschwording, 13v. Vgl. Kuyper, "De Ee­re­dienst", 89, 91; Confi­dentie, 54vv, 58, 62.

     [15]   Kuyper, De menschwording, 14 (citaat). Vgl. Kuyper, Confiden­tie, 99: "De vorm, dien men daartoe (tot ontwikkeling van de ere­dienst, KWdJ) kiezen wil, is mij onverschillig." Met andere woorden: àls er maar een bewuste keuze wordt gemaakt.

     [16]   Ik noem hier: [P. Hofstede de Groot,] Proeve eener her­zie­ning der meest gebruike­lijke formulieren der Nederlandsche Hervormde Kerk, Groningen 1850; J.A.M. Mensinga, Verhande­lingen over de litur­gische geschrif­ten der Ned. Herv. Kerk, 's-Gravenhage 1851; L.J. van Rhijn, "Gedach­ten over liturgie in het algemeen en den aanhef van ons doopformu­lier-gebed in het bijzonder", in: Ernst en Vrede 4 (1856), 175 - 189.

     [17]   J.J. van Toorenenbergen (1822 - 1903) stud. theol. U­trecht 1839, dr. theol. h.c. 1878, Herv. pred. Elspeet 1844, Vlissingen 1848, dir. en secr. Utrechtse Zen­dingsvereniging 1863, Herv. pred. Rotterdam 1869, hoogl. kerkgeschiedenis Amsterdam 1880 - 1892 (emer.). Hij noemde zich­zelf bij voorkeur evangelisch-confessio­neel (BLGNP II, 421 - 424; A.W. Meeder, Johan Justus van Toorenen­bergen, meer dan een athleet van historiën, Kampen 1988). Van Toorenenbergen publiceerde zijn referaat zonder de uitval naar Kuyper in: J.J. van Toorenen­ber­gen, De symboli­sche schriften der Nederlandsche Hervormde Kerk in zuiveren, kritisch bewerkten tekst haar aangeboden tot wettig gebruik, Utrecht 1869, XI - XL. Voor een beknopte beschrijving van de confrontatie tussen Kuyper en Van Toor­enenbergen, zie verder: Meeder, Johan Justus, 92vv.

     [18]   Vgl. het verslag van A.W. Bronsveld in: Stemmen voor Waarheid en Vrede (= SWV) 5 (1868), 586vv.

     [19]   A. Kuyper in de weergave van A.W. Bronsveld: ibidem, 588 (citaat). Vgl. op dit punt ook Kuypers uitgebrei­de repliek voor een volgende predikantenver­gade­ring: A. Kuy­per, Revisie der Revisie-le­gende, Am­sterdam 1879, 44 - 68, 60.

     [20]   Zie hiervoor verder: Rullmann, Kuyper-Bibliografie II, 1 - 15.

     [21]   Hand. Syn. Herv. Kerk 1870, 196v. Vgl. ibidem 1868, 110 - 123, 138v; ibidem 1869, 9, 182 - 192, 207 - 212; ibidem 1870, 5v, 10 - 13, 27, 111 - 136, 160 - 168, 195 - 203.

     [22]  Rullmann, Kuyper-Bibliografie I, 103 (citaat). Vgl. ibidem, 103 - 106.

     [23]   Beide reeksen artikelen kregen de titel "De Doopskwestie" mee (De Heraut 21 (1870), nr. 40, 41 en 42 (resp. 7, 14 en 21 oktober) en nr. 44, 45 en 46 (resp. 4, 11 en 18 november)).

     [24]   Hand. Syn. Herv. Kerk 1871, 115 - 117, 158v; ibidem 1872, 208 - 210, 230v. De maatregel werd ingevoerd per 1 fe­bruari 1873.

     [25]   Ibidem 1871, 112 - 115, 147 - 149, 156 - 158; ibidem 1872, 205 - 208, 229v.

     [26]   Kuyper, Confidentie, 99v: "Regeling hiervan (name­lijk van voorstellen tot verbetering van de eredienst; KWdJ) zij echter aan elke gemeente naar ei­gen gelieven verbleven. Slechts om het beginsel is het mij te doen."

     [27]   Kuyper, Confidentie, 59 (citaat). Vgl. A. Kuyper, Kerkvisita­tie te Utrecht in 1868 met het oog op den kritieken toestand onzer Kerk historisch toegelicht, Utrecht 1868, 6 - 10; Onze Eere­dienst, 9.

     [28]   Kuyper, Confidentie, 95 (citaat).

     [29]   Eerste citaat: Ibidem, 100 (vgl. ibidem, 98). Tweede citaat: ibidem, 98.

     [30]   Ibidem, 98 (citaat).

     [31]   Ibidem, 99 (citaten).

     [32]   A. Kuyper aan J.H. Gunning d.d. 13 januari 1873 (ge­ci­teerd bij: M.G.L. den Boer, "Gunning over de liturgie (II)", in: In de Waagschaal nieuwe jaargang 19 (1990-91), 25 - 32, 25).

     [33]   Kuyper, Confidentie, 100 (citaat).

     [34]  C.H.W. van den Berg, "Kuyper en de kerk", in: C. Augustijn, J.H. Prins en H.E.S. Woldring, Abraham Kuyper. Zijn volksdeel, zijn invloed, Delft z.j., 146 - 178, 173. Vgl. ook ibidem, 171 en 176v: na de Doleantie preekte Kuyper nog maar een enkele keer.

     [35]   Rullmann, Kuyper-Bibliografie I, 191 (citaat). Vgl. H. Krabbendam, "Zielenverbrijzelaars en zondelozen. Reacties in de nederlandse pers op Moody, Sankey en Pearsall Smith, 1874-1878", in: Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis van de 19e eeuw 34 (1994), 39 - 55.

     [36]   L.J. van Rhijn (1812 - 1887) stud. theol. Leiden 1828, Herv. prop. 1837, Rem. pred. Frederik­stad aan de Eider 1838, inspecteur Ned. Zendelinggenootschap 1845, Herv. pred. Chaam 1849, Nieuw Loosdrecht 1852, Wassenaar 1856 - 1878 (e­mer.), werkzaam aan opleidingsinrichtin­gen Doetinchem 1878 - 1886. Zijn theologi­se­ren is gety­peerd met: "Evange­lisch en irenisch (...), empi­risch en e­thisch" (BLGNP III, 304vv). Ver­wijzin­gen naar de Engelse situatie in: Van Rhijn, "Ge­dach­ten over litur­gie", 177vv; L.J. van Rhijn, "Gedachten over moge­lij­ke verbete­ring onzer openbare Godsver­eering", in: SWV 10 (1873), 983 - 996, 989 en 994v. In ibidem ook verwijzingen naar de situ­atie in andere landen en kerken (on­der meer naar E. Ber­sier in Pa­rijs).

J.J. van Oosterzee (1817 - 1882) stud. theol. Ut­recht 1834, dr. theol. 1840, Herv. ­predi­kant Eemnes-Binnendijks 1841, Alkmaar 1843, Rotterdam 1844, hoogl. theol. Utrecht 1863. In de theologi­sche strijd van het midden van de vorige eeuw stond hij aan ortho­doxe zij­de (BLGNP II, 351 - 356). Ver­wijzin­gen naar de si­tuatie in de Kerk van Enge­land en in Pa­rijs (Ber­sier) in: J.J. van Ooster­zee, "Her­vorming van Eer­dienst", in: Voor Kerk en Theolo­gie II, Ut­recht 1875, 376 - 385, 376 en 385.

     [37]   Van Rhijn, "Gedachten over mogelijke verbeteringen", 993v.

     [38]   G.H. Lamers, "Aphorismen uit het gebied der Liturgiek", in: J. Cramer en G.H. Lamers, Nieuwe bijdragen op het gebied van godgeleerdheid en wijsbegeerte I, Amsterdam 1877, 156 - 245, met name 166, 171 - 174, 177, 215vv, 223v, 233v en 239vv. G.H. Lamers (1834 - 1903) stud. theol. Utrecht 1853, Herv. pred. Engwierum 1858, Scherpenzeel (Gld.) 1861, 's-Gra­venhage 1866, hoogl. Groningen 1874, Utrecht 1883. Hij liet zich indelen bij de e­thi­schen (BWPGN V, 493 - 501).

     [39]            Bijvoorbeeld: J.J. van Oosterzee, Practische theologie. Een handboek voor jeugdige godgeleerden II, Utrecht 1878; SWV 7 (1870), 764 - 771; SWV 10 (1873), 1112 - 1120.

     [40]   SWV 11 (1874), 109 - 114 (vgl. ibidem, 582 - 584); resp. ibidem, 829 - 841.

     [41]   Douwes, 134 (citaat). Zie verder Hand. Syn. Herv. Kerk 1872-1881, onder de trefwoorden "godsdienstonderwijs - art. 38, 39", "lidmaten" en "belijdenisvra­gen".

     [42]   Rullmann, Kuyper-Bibliographie II, 93. Zie verder: A. Kuy­per, Tractaat van de Reformatie der kerken, aan de zonen der Refor­matie hier te lande op Luther's vierde eeuwfeest aan­geboden, Amster­dam 1883.

     [43]   Kuyper, Tractaat, 75.

     [44]   Ibidem, 76 (citaten). Vgl. ibidem, 73, 104v, 109.

     [45]   Vgl. voor het leiden van de eredienst: Muurling, Practische godgeleerdheid, 318, 320, 323, enzovoort. De tweeledige functie die Kuyper in de eredienst aan het ambt toekent is in de Nederlanden beslist niet nieuw: vgl. Van Oosterzee, Practische theologie II, 3.

     [46]   Vgl. bijvoorbeeld Kuypers opmerkingen over het sa­cra­ment. Dat krijgt ten opzichte van het Woord nog steeds een bijzondere, eigen plaats toebedacht (Kuyper, Tractaat, 72).

     [47]   Ibidem, 76 (citaat). Vgl. ibidem, 108v.

     [48]   Ibidem, 72. Vgl. ibidem, 104.

     [49]   Ibidem, 76.

     [50]   D. Nauta in: Acta Nederd. Geref. Kerken, 14.

     [51]   J. van Gelderen, 'De weg ligt vooruit'. De Gerefor­meerde Kerk van Rotter­dam-Charlois (1887 - 1987), Kampen 1987, 31.

     [52]   Ibidem, 55.

     [53]   Acta Nederd. Geref. Kerken, 85 (Rotterdam 1887, art. 51).

     [54]   Ibidem, 166 (Utrecht 1888-89, art. 101).

     [55]   Ibidem, 163 (Utrecht 1888-89, art. 95) (citaat).

     [56]   Ibidem, 85 (Rotterdam 1887, art. 51) (citaat).

     [57]   Ibidem, 301 (Leeuwarden 1890, art. 65) (citaat).

     [58]   Ibidem, 301 (Leeuwarden 1890, art. 65) (citaat).

     [59]   Ibidem, 159 (Utrecht 1888-89, art. 87). Vgl. hieronder blz. 53, 58 en 65.

     [60]   Ibidem, 307v (Leeuwarden 1890, art. 67) (citaat).

     [61]   "Vrije Academie. Indeeling der vakken volgens voor­loo­pig voorstel van dr. A. Kuijper" - Archief VU, nr. 729 (1880, 4). Vgl. verder ook bijlage A2.

     [62]   Vgl. Ph.J. Hoedemaker, De herleving der Gereformeerde be­ginselen in hare beteekenis voor de Kerk, de Prediking, de Katecheze, het Diakonaat en de Zending, Amster­dam 1883, 11 en 25vv.

     [63]   W. van den Bergh (1850 - 1890) stud. Leiden jur. 1868, theol. en jur. 1869, dr. jur. 1878, dr. theol. 1879, Herv. pred. Schaarsbergen 1879, Voorthuizen 1884, Geref. pred. Voorthuizen 1886. Als een van de eer­sten in het land ging hij daar in 1886 mee met de Dolean­tie. Als pre­di­kant ijverde hij vanuit een doorleefde vroomheid voor het herstel van het gere­for­meerd karakter van de gemeente (BLGNP II, 60 - 62).

     [64]   Zie bijvoorbeeld voor zijn omgang met het kerkelijk jaar: P.L. Schram, Willem van den Bergh 1850 - 1890, Amsterdam 1990, 83 (Schaarsbergen) en 112v (Voorthuizen).

     [65]   Acta Nederd. Geref. Kerken, 113 (Utrecht 1888-89, art. 26) (citaat).

     [66]  C.A. van Swigchem, "De kerkgebouwen van de christe­lijke gerefor­meerden tot 1892", in:  Steen­sma en Van Swig­chem, Honderdvijf­tig jaar, Kampen 1986, 26 - 43, 28 (citaat). Vgl. ibidem, 28 - 32. Vgl. ook: J. Vree, "Van separatisme naar integratie: De afgescheidenen en hun kerk in de Nederlandse samenleving (1834 - 1892)", in: R. Kranenborg en W. Stoker (red.), Religies en (on)gelijk­heid in een plurale samenleving, Leuven-Apeldoorn 1995, 161 - 176, met name 170vv.

     [67]  Vgl. het college­dic­taat liturgiek van Hel. de Cock: "Het is (...) de roeping van de liturg. met gebruikmaking van de door de historie gege­vene (...) stoffen en met vasten blik op het daarin gewordene en gevestigde, dat wat onze tijd vereischt en aan zijne behoef­ten beantwoordt in 't licht te stellen." En: "In veel gevallen is het niet gemakkelijk met juistheid te bepalen wat geacht wor­den moet overeen­komstig de eischen des tijds te zijn." (GA Kampen, Archief De Cock, nr. 74 (in het vervolg af te kor­ten met: Dic­taat De Cock), par. 4 (katern 1)). De Cock heeft dit over­geno­men uit K.R. Hagenbach, Grundlinien der Li­turgik und Homi­le­tik, Leip­zig 1863, resp. 23 en 25.

     [68]  Hand. syn. Chr. Geref. Kerk Groningen 1872, 12 - 14 (art. 17). Vgl. hierboven blz. 44. Vgl. voor eerdere standpunten van de afgescheidene synoden ook blz. 36.

     [69]  Ibidem 's-Hertogenbosch 1875, 10v (art. 18); ibi­dem Utrecht 1877, 10v (art. 17 en 18); ibidem Dordrecht 1879, 21 - 25 (art. 21 - 27) 57 (art. 78), CII - CXII (bij­la­ge VII); ibi­dem Zwolle 1882, 26 - 31 (art. 26 - 35); ibi­dem Rotterdam 1885, 135 (art. 234).

     [70]  Ibidem Zwolle 1882, 30v (art.35).

     [71]  W.H. Gispen (1833 - 1909) kruisgez. pred. (art. 8 DKO) De Lier 1856, Vlissingen 1859, Chr. Afgesch. pred. 1860, Giessendam 1862, Kampen 1864, Zwolle 1873, Amsterdam 1881 (BWPGN III, 259 - 261).

     [72]  Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 924 (Amsterdam 1866, art. 58).

     [73]  De Bazuin 23 (1875), nr. 5.

     [74]  Ibidem, nrs. 7 en 8.

     [75]  Ibidem, nrs. 9, 10, 11 en 13. Vgl. voor de commotie die Gis­pens voorstel opriep ook Hand. syn. Chr. Geref. Kerk 's-Hertogenbosch 1875, 58 (art. 133).  

     [76]  De Bazuin 26 (1878), nr. 12.

     [77]  Hand. syn. Chr. Geref. Kerk Utrecht 1877, 63 (art. 149) (citaat).

     [78]  Stem en snaren. Verzameling van Christelijke Liede­ren, Breukelen 1882.

     [79]  Vgl. Kunst, Kerkzang, 97vv.

     [80]  Hand. syn. Chr. Geref. Kerk Utrecht 1877, 52 (art. 132) (citaat in voorafgaande regel). Het is opmerke­lijk, dat juist in Gronin­gen sinds 1858 een huwelijksformulier circuleerde van de hand van Muurling (Ver­slag van de zesentwintigste vergadering der Predikanten-Vereeniging in de provincie Gronin­gen, gehouden te Groningen den 28 september 1858, Leens 1859, 15 - 22. Vgl. Verslag van de drieënder­tigste vergadering der Predikanten-Vereeniging in de provincie Groningen, gehouden te Groningen den 17 septem­ber 1861, Groningen 1861, punt IX). Een direct verband tussen het Chr. Geref. verzoek uit Groningen en dit formulier is niet aantoon­baar.

     [81]  Beschrijving van de gang van zaken ter synode met de tekst van het herziene formulier in: Hel. De Cock, Historisch overzicht van de Formulie­ren van Eenheid en de Liturgische Schriften van de Christelij­ke Gere­formeerde Kerk in Nederland, Groningen 1879, 84 - 89. Het con­cept van De Cock en Noordtzij hand­haaft in grote lijnen het oude formulier. De gedachte dat het huwelijk in de kerk bevesti­gd zou worden, hebben zij er uit verwijderd. De afkondi­ging vooraf met de oproep eventuele bezwaren in te dienen is ver­vallen - geen liturgische handeling volgens De Cock (Dictaat De Cock, par. 36 (katern 8)). De twee (drie) vragen aan het slot worden in elkaar geschoven tot één. De constatering, dat er 'geen wettige verhinde­ring tegen dit huwelijk' bestaat, ver­valt.

     [82]  Hand. syn. Chr. Geref. Kerk Utrecht 1877, 52v (art. 132).

     [83]  Ibidem Zwolle 1882, 126 (art. 239). Het verzoek kwam dit keer uit Friesland. In­stem­ming werd be­tuigd vanuit Bunschoten.

     [84]  Ibidem Utrecht 1877, 53 (art. 133) (citaat). Vgl. Hand. syn. Chr. Afgesch. Geref. Kerk, 1022 (Middel­burg 1869, art. 84). Vgl. hierboven blz. 49, hieronder blz. 58 en 65.

     [85]  Handelingen van (...) curatoren 1875, 14 maart, art. 22. Onder de Praktische Theologie vallen: 1. Formulieren van een­heid, 2. Homile­tiek, 3. Catechetiek, 4. Litur­giek, 5. Kerkre­gering, 6. Pasto­raal. In de vierjarige opleiding wordt de li­turgiek gegeven in het tweede jaar, mogelijk ook in het derde (ibidem, 16 juli, art. 25). In 1883-84 blijken het alleen derde-jaars colleges te zijn (ibidem 1883, 19 augustus, art. 46).

     [86]  Hand. syn. Chr. Geref. Kerk 's-Hertogenbosch 1875, 29v en 34vv (resp. art. 58 en 79). Vgl. voor de verplaatsing van de Kamper school naar Leiden: Vree, "Van separatie", 172v.

     [87]  Hel. de Cock verklaart d.d. 11 juli 1864, dat D.K. Wie­lenga in het voorafgaande jaar de "col­legies in de litur­giek" in vol­doende mate gevolgd heeft (Bij­lagen tot de hande­lingen der curatoren, 18e vergadering - GA Kampen, Archief Theologische Hogeschool Kampen, nr. I-9). Zie verder bijlage A1.

     [88]  Het dictaat valt te dateren door een opmer­king in par. 35 (katern 7): "Wijselijk heeft dan ook, zoo ik meen, de syno­de te U. dit jaar gehouden dat het doopen in den naam in onze kerk verplich­tend is." (vgl. Hand. syn. Chr. Geref. Kerk Utrecht 1877, 10v (art. 18))

     [89]  Vgl. bijvoorbeeld Hagenbach, Grundlinien, 1 en Dic­taat De Cock, par. 1. Maar ook Hagenbach, Grundlinien, 23 en Dic­taat De Cock, par. 4; Hagenbach, Grundli­nien, 27 en Dictaat De Cock, par. 5; Hagenbach, Grundlinien, 35 en Dictaat De Cock, par. 8; enzo­voort.

     [90]  Vgl. Te Velde, Anthony Brummelkamp, 252.

     [91]  Dictaat De Cock, par. 8 (katern 2). Vgl. Hagenbach, Grundlinien, 82 - 146.

     [92]  Dictaat De Cock, par. 34 (katern 7) (citaat). Vgl. Hagenbach, Grund­li­nien, 157: "Die Taufhand­lung bildet, nicht wie das hei­lige Abend­mahl, einen inte­grirenden Theil des Cultus, sondern sie wird mit demselben in Ver­bindung gebracht, so oft das Be­dürfnis es erfor­dert."

     [93]  Dictaat De Cock, par. 7 (katern 2) (citaat). Vgl. Hagenbach, Grundli­nien, 30: "Der jedesma­lige specielle Charakter des Cul­tus wird be­dingt durch das Kirchenjahr".

     [94]   Dictaat De Cock, par. 7 (katern 2) (citaat).

     [95]  Voor zijn gehoor maakt De Cock nog een uit­stapje naar de diensten die men op marktdagen placht te houden en naar de bid- en dankdiensten (ibidem, par. 7 (ka­tern 2)).

     [96]  Hagenbach, Grundlinien, 37. In ibidem, 40 wat verder uitge­werkt met een schuldbelij­denis aan het begin van de dienst.

     [97]  Dictaat De Cock, par. 9 (katern 3).

     [98]  Ibidem, par. 12 (katern 3).

     [99]  Ibidem, par. 14 (katern 3/4).

     [100] Hagenbach, Grundlinien, 61v. Dictaat De Cock, par. 15 (ka­tern 4/5).

     [101] Vgl. B. Wielenga, Ons Doopsformulier, Kampen 1906, 350 - 355. Vgl. ook diens beschrij­ving van de hiermee samenhangende problematiek in de eerste doopvraag: ibidem, 265 - 297.

     [102] Hagenbach, Grundlinien, 79 - 82. Vgl. Dictaat De Cock, par. 22 en 23 (katern 6).

     [103] Hagenbach, Grundlinien, 146. Vgl. Dictaat De Cock, par. 25 (katern 6).

     [104] Dictaat De Cock, par. 26 (katern 6). Vgl. De Cock, Gerefor­meerde kerkregee­ring, 49. Vgl. hierboven blz. 38 (De Cock in 1868), 53 (de synode in 1877).

     [105] Dictaat De Cock, par. 27 (katern 6) (citaat in deze en volgende regel).

     [106] Ibidem, par. 29 (katern 6) (citaat in volgende regel). Vgl. Hagenbach, Grund­linien, 152.

     [107] Dictaat De Cock, par. 33 (katern 7).

     [108] De Cock, Historisch overzicht, resp. 33v en 84 - 89.

     [109] Ibidem, 33 (citaat).

     [110] Ibidem, 32, scherpt Ens' woorden (Kort histo­risch berigt, 123v) over de inhoudelijke overeen­stemming tus­sen For­mulieren van Enigheid en de Liturgie aan. Ens' relati­ve­ring van de waarde van de Liturgie ten op­zichte van de For­mulieren valt weg.

     [111] De Cock, Historisch overzicht, 66 - 80 (doop), 81 - 83 (avondmaal), 84 - 89 (huwelijk), 93 (bevestiging ambtsdra­gers).

     [112] Ibidem, 52 (citaat). Vgl. ibidem, 52vv).

     [113] Vgl. hierboven blz. 49. Vgl. ook hierboven blz. 53 en hieronder blz. 65.

     [114] H. Bavinck (1854 - 1921) stud. theol. Kampen 1873, Leiden 1874, dr. theol. 1880, Chr. Geref. pred. Frane­ker 1880, hoogl. Kampen 1883, VU 1902 (BLGNP I, 42 - 45).

     [115] H. Bavinck, "De Predikdienst", in: H. Bavinck, Ken­nis en leven. Opstellen en artikelen uit vroegere jaren, Kam­pen 1922, 78 - 85, 81 (citaat in deze en vorige regel) (artikel oorspronke­lijk gepubli­ceerd in De Vrije Kerk (= VK) 9 (1883)). Vgl. J. Breukelaar, "De waardeering van den open­baren Gods­dienst", in: VK 15 (1889), 329 - 348.

     [116] M.G.L. den Boer, "Gunning over de liturgie (I)", in: In de Waagschaal nieuwe jaargang 18 (1989-90), 659 - 663. Vgl. Den Boer, "Gunning (II)". Vgl. tevens M.G.L. den Boer, "Gunning de liturg", in: In de Waagschaal nieuwe jaargang 8 (1979-80), 149 - 152.

     [117] Kuyper, "De Eeredienst", 90 (citaat). Zo beoordeelt Kuyper, die zelf gevoelig was voor de liturgische vorm, de verwaarlozing ervan in en na de Reformatie.