4.         De 'aloude' of de 'kerkelijke' Liturgie? (1892 - 1911)

 

 

Na een moeizame periode van onderhandelen tussen de Christe­lijke Gereformeer­den en de Nederduitsche Gereformeerden kwam het in 1892 tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Niet alle spanningspunten waren weggenomen. Enkele gemeenten bleven buiten het nieuwe kerkver­band en handhaafden het 'Christelijke Gere­formeerde' in hun naam. Over de predikants­opleidin­gen in Amsterdam en Kampen was het laatste woord nog niet gesproken. Op diverse onderde­len van het belijden, onder meer met betrek­king tot de doop, bestond verschil van mening. Plaatselijk moest men zich soms nog veel inspanning getroosten voor daadwerke­lijk van vereni­ging sprake kon zijn. Tot het moment van ineensmelting kreeg meestal de gemeente met een Chris­telijke Gerefor­meerde achtergrond als oudste het predikaat A, die van Nederduitsche Gere­formeerde origine de aanduiding B.

Voor de inrichting van de eredienst verenigden de kerken uit de Afscheiding en de Doleantie zich in 1892 op basis van de Liturgie en de Dordtse Kerkor­de. Ten opzichte van de Nederlandse Hervormde Kerk betekende dit een duide­lijke keuze. Toch was binnen de pas gevormde Gereformeerde Kerken de eenheid op dit punt relatief. Onder de afgescheidenen was in de loop van bijna zestig jaar een eigen traditie ontstaan in de interpretatie en in het gebruik van kerkorde en liturgische formulieren. Al eerder werd duidelijk, dat bijvoor­beeld de viering van de Goede Vrijdag steeds streng werd afgewezen, maar de aanwezigheid van de moeder bij de doop nooit voorwerp van discussie was geweest. De afgescheidenen hingen niet zozeer aan de letter van Liturgie en DKO, maar hanteer­den haar met een zekere ruimte voor jongere tradities, mits de gren­zen van Schrift en belij­denis niet werden overschreden. De doleren­den hadden de neiging om in het spoor van Kuyper de Liturgie - althans de formu­lieren - en de liturgische voorschriften uit de DKO zonder voorbe­houd te volgen. In een enkel geval bleek de praktijk sterker te zijn dan het princi­pe, bijvoorbeeld bij de dienst op Goede Vrijdag. Deze lijn van letterlijke interpretatie en gebruik vroeg om een nadere formele en inhoudelijke bepaling van de Liturgie en een zekere aanpassing van de DKO. Daartoe werden in de Gereformeerde Kerken in de eerste decen­nia dan ook de nodige pogingen ondernomen. De liturgische ontwikke­lingen in de Hervormde Kerk raakten daarbij vrijwel geheel uit het gezichtsveld.

 

 

4.1         Spanningen tussen het aloude en kerkelijk karakter van de Liturgie

 

A. Kuyper


In de bezinning op methode en inhoud van de Gereformeerde theologie nam Kuyper met zijn Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid (1894) het voortouw. In het derde deel zette Kuyper uiteen welke plaats de liturgiek dient te krijgen in de theologie en welke taak zij zich te stellen heeft. Kuyper deelt de liturgiek in bij de didascalische vakken, die op hun beurt weer een plaats krijgen binnen de diaconio­logische groep. Hij verzet zich daarbij tegen de gedachte, dat de cultus of vie­ring het uitgangspunt is voor de didascali­sche vakken. Dat is de inzet van de Rooms-Katholieke theologie. De viering is "de uiting van een ge­moedstrilling" die in zichzelf geen waarde heeft.[1] Zij kan uitslui­tend "de natuurlijke vrucht" zijn "van de opgeheven stemming, waarin de gemeente door het Woord gebracht wordt." Kuy­per trekt deze lijn encyclopedisch door en plaatst de homiletiek tezamen met de cateche­tiek voorop. Pas daarna volgt de liturgiek. Hij stelt, dat "de Homilia in de samen­komst het eigen­lijke hoofddoel is, waarom zich het Liturgisch kader rangschikt."[2] Vanuit Kuypers opvatting van het Griekse didas­calia begren­zen leer en onderwijs de liturgie. Dit alles klinkt heel anders dan in de Confidentie, waar Kuyper terugdringen van het preken bepleitte en meer ruimte vroeg voor andere liturgische ele­menten.


In het Tractaat wees Kuyper al op de dubbele rol van de ambtelijke voorganger in de eredienst.[3] De voorganger spreekt namens God tot de gemeente en namens de gemeente tot God. In de Encyclopaedie trekt Kuyper deze lijn systematisch door en onderscheidt een actus a parte Dei (het brengen van het Woord, het bedienen van het sacrament en het geven van de Zegen) en een actus a parte populi (belijdenis, lof, dank en gebed).[4] Net als in zijn intrede­preek in Utrecht, De mensch­wording Gods, waarin zich al de contouren van zijn ambtsopvatting aftekenden, benadrukt hij, dat het litur­gisch vooral van belang is, dat de actus a parte Dei op juiste en passende wijze plaats­vindt.[5] Sprak Kuyper in het Tractaat al terughoudender over het sacrament dan in eerdere publikaties, in de systema­tiek van de Encyclopaedie heeft het alle zelfstandigheid verloren en is het zonder meer een "zegel op het Woord" geworden.[6] Deze keuze zal mede zijn ingegeven door de kerkelijke praktijk, waarin het sacrament als zodanig functioneerde. Verder kunnen ontwikke­lingen in de Engelssprekende wereld en in Nederland hem van standpunt hebben doen veranderen. Een rede over het daar al enkele decennia snel "veldwinnende ritualisme", The Antithesis between Symbolism and Revelation, die Kuyper enkele jaren later, in december 1898 in Noord-Amerika uitsprak, wijst daarop.[7] Kuyper meent, dat het ritualisme ook in Nederland "hare eerste wankele schreden" heeft gezet en haar invloed doet gelden. Hij voert krachtig oppositie tegen deze beweging die zijns inziens het gehele leven onder Roomse heerschappij wil brengen en die oprukt op tal van terreinen die hem na aan het hart liggen. Als eerste noemt hij de politiek. Van nabij nam Kuyper namelijk als lid van de Tweede Kamer - waarvan hij sinds 1894 weer deel uitmaakte - waar hoe door de verruiming van het kiesrecht de invloed van de Rooms-Katholieken toenam. Maar het is niet alleen de politiek, waar dit verschijnsel zich volgens Kuyper voordoet. Hij releveert ook de sociaal-economische situatie, de kerk en de wijze waarop zij bestuurd wordt en in dat verband ook de liturgie. "Zoo staan dan Openbaring en Symbolisme krachtens hun beginsel tegen elkander over."[8] Dit betekent nog niet, dat aandacht voor vorm en schoonheid uit den boze is. In Princeton had Kuyper kort tevoren in een van de zogenaamde Stone-lezingen betoogd, dat de kunst in het calvinisme een onderge­schikt, dienend karakter heeft en met haar creaties moet verwijzen naar de Schepper.[9] Nu werkt hij dat uit naar de eredienst en stelt: "Onze besliste oppositie tegen het Symbolis­me mag daarom nooit het zwijgen opleggen aan de eischen der liturgie." Kuyper neemt daarom een tussenpositie in en illustreert dat met het zijns inziens prachtig uitgewerkte liturgisch erfgoed van A Lasco dat het midden houdt tussen ongebreidelde vrijheid en absolute gebondenheid voor de voorganger.[10] Voor een zelfstandige positie van het sacrament, naast het Woord, is in deze laat negentiende-eeuwse verhoudingen bij Kuyper geen plaats meer. Met de indeling van de liturgiek bij de didascalische vakken legt Kuyper een belangrijk accent op de positie van de dienaar des Woords in de eredienst. Dat sloot direct aan bij de praktijk, die hij in de Gereformeerde Kerken aantrof.

 

De theologische opleidingen

Kuypers prioriteitsstelling in de Encyclopaedie bevestigde wat be­treft de liturgiek de situatie aan de Vrije Universi­teit na de dood van Van den Bergh. Tot aan de eeuwwisseling verzorg­de Kuyper naast enkele colle­ges in andere vakken enige praktische oefeningen in het preken. Litur­giek werd niet gedoceerd. Toen zijn zoon H.H. Kuyper in januari 1900 hoogle­raar werd, kreeg hij onder meer het onderwijs in de ambte­lijke vakken toebe­deeld.[11] Nog hetzelfde najaar startte hij met de behande­ling van de liturgiek. Zijn inzet bij de geschie­denis van de liturgie verraadt zijn liefde voor de kerkgeschiedenis. In 1901-02 keerde het vak echter niet op de series terug.[12]


In Kampen lag dit iets anders. In 1894 volgde P. Biesterveld de overleden Hel. de Cock op.[13] Tot zijn leeropdracht behoorden de ambte­lijke vakken, met de nadruk op de homile­tiek. In de keuze voor het predikaat "ambtelijke" bekende Biesterveld in zijn inaugurele Het hooge belang der ambtelijke vakken uit 1894 zich als een leer­ling van Kuy­per.[14] Van De Cocks takenpakket nam Biesterveld ook het onder­wijs in de liturgiek over. Uit dat pakket stamde eveneens de hem opgedra­gen symbo­liek. De kerkrege­ring, die in Kampen toen nog tot de prak­tische vakken werd gerekend, kwam in handen van de kerk­histori­cus D.K. Wielenga. De summiere verslagen van de colleges in de studentenalma­nakken laten zien, dat Biesterveld in de opzet van de liturgiek niet direct aan­sluiting zocht bij Kuypers Encyclo­paedie.[15] Hij doceerde aanvan­ke­lijk op zichzelf staande onderwer­pen: geschiede­nis van de litur­gie, beginse­len van de liturgie, leer van het gebed, bediening van de doop, enzo­voort. In de keuze van de thema's stond hij dicht bij zijn voorgan­ger De Cock. In later jaren stelde hij de geschiede­nis en de inhoud van het kerkboek aan de orde, waar De Cock zich even­eens in had verdiept. Tot een volledig doordachte, systema­tische behande­ling van de liturgiek kwam het tijdens Biestervelds hoogle­raarschap in Kampen nog niet.

 

Naar de synode van Arnhem 1902


De achtereenvolgende Gereformeerde synoden hebben zich in deze periode nooit expliciet uitgesproken over de liturgische verschillen van de beide tradities die in het nieuwe kerkverband waren samengebracht. Een zekere terughoudendheid en voorzichtigheid tekent hun houding. Een mededeling dat enkele kerken in Zuid-Holland het hielden op de psalmberijming van Datheen werd voor kennisgeving aangenomen.[16] Over een revisie van de berijming sprak de synode in het geheel niet, al was dat door bijvoorbeeld Kuyper wel degelijk voor mogelijk gehouden en door hem zelfs wenselijk gevonden.[17] De kerkelijke situatie gaf ook geen aanleiding tot een dergelijke gedachtenwisseling. Nieuwe onenigheid in toch al gespannen verhoudingen zou er het gevolg van kunnen zijn geweest. Op een ander punt echter bestond er een zekere onduidelijkheid, die tot onenigheid zou kunnen leiden en daarom verhelderd moest worden. In sommige uitgaven van het kerkboek ontbraken bepaalde formulieren en de redactie van de formulieren was in de diverse uitgaven allerminst eensluidend. De aanzet tot een synodale uitspraak over omvang en inhoud van de Liturgie werd gegeven door de Kerk van Capelle a/d IJssel. Onder leiding van zijn predikant M. van den Boom besloot de kerkeraad op oudejaarsdag 1895 een poging te doen om op dit punt duide­lijkheid te verkrij­gen.[18] Op de ach­tergrond kan hebben meegespeeld, dat de ker­ke­raad zich wilde profi­leren ten opzichte van bevindelijke groe­pen, die zich op de grens van en buiten deze nog jonge gemeente bevonden. Zij wilden van enig kerkverband en de daarmee samenhangen­de ver­plichtingen niets weten.[19] De kerkeraadsnotulen geven over de reden van het verzoek geen uitsluitsel en vermelden slechts, dat besloten werd aan de classis het verzoek te doen het komen tot "eene officieele uitgave (...) van de formulieren van Eenig­heid en van de Liturgische geschrif­ten" op de agenda van de andere meerdere vergaderingen - particuliere en generale synode - te plaatsen.[20] Uit de notu­len van de classis Rotterdam blijkt, dat "officieele uitgave" hier geïnter­preteerd moet worden als "de meest nauwkeurige text".[21] Op de generale synode van Middel­burg in de zomer van 1896 was dit geëvolu­eerd tot een verzoek om "een authentieken tekst".[22] In de wetenschap, dat aan een dergelijke uitgave werd gewerkt, besloot de vergadering dit verzoek aan te houden tot de volgende synode. Een ander besluit wijst erop, dat de synode weinig prioriteit gaf aan liturgische zaken. Een verzoek om belijdenisvragen op te stellen met de bedoeling de "eenstemmigheid" in de kerken te bevorderen, werd namelijk afgewezen, omdat de synode niet overtuigd was van de noodzaak daarvan.[23] De­ zeggenschap over de liturgie op de zendingsvelden gaf ze uit handen. De synode volgde in dit opzicht Kuypers opvatting, dat elk land, elk klimaat en elke nationaliteit eigen eisen stelt aan de inrichting van de eredienst.[24] 


In september 1897 verscheen de verwachte uitgave van Formulieren en Liturgie. Al in de titel kwam haar pretentie naar voren. De Gereformeerde Kerken waren historisch te identifice­ren met de kerken die in 1619 de tekst ervan hadden vastgesteld: De berijmde Psalmen, met eenige Gezangen, in gebruik bij de Gereformeerde Kerken in Neder­land; alsmede hare Formulieren van Eenigheid, met de drie oude Geloofs­be­lijdenissen, en hare Liturgie, met het Kort Begrip en den Zie­ken­troost. Naar den door die Kerken vastgestelde tekst.[25] Samen met H.H. Kuyper had F.L. Rutgers, kerkhistoricus aan de VU, de werkzaamhe­den voor deze uitgave verricht.[26] Om de publikatie gezag te verlenen in de kerken onderte­ken­de in juli 1897 niet alleen A. Kuyper het voorwoord mede, maar ook H. Bavinck, toen nog hoogleraar in Kampen. Uit een brief van Rutgers aan Kuyper blijkt, dat de laatste al geruime tijd op de hoogte was van de aanstaande uitgave en de rol die hij daarin moest vervullen, dit in tegenstelling tot Bavinck.[27]

Met behulp van de verschillende aanwijzingen die in deze uitgave van de klassiek-gereformeerde Liturgie zijn opgenomen, in het bijzonder de opschriften boven de gebeden, valt een sobere orde voor de zondagmorgendienst te reconstrueren. Helaas kan niet worden vastgesteld wanneer gezongen zou moeten worden. Het gebed met de belijdenis van zonden wekt de indruk, dat er een lezing van de wet aan vooraf is gegaan. In de tijd dat de Liturgie werd vastgesteld kan de wetslezing samen met de Schriftlezing, waarvan eveneens elk spoor ontbreekt, vóór het votum zijn gedaan, of als zelfstandig element erna. Maar de Schrift kan ook vlak voor de preek gelezen zijn. Slechts op een enkel punt hebben de uitgevers de officiële tekst van de Liturgie gecorrigeerd. Het avondmaalsformulier was oorspronkelijke het eerste, direct volgend op de spaarzame aanwijzingen voor de orde van dienst en de gebeden. Het kreeg nu een plaats na het doopformulier, "meer in overeenstemming met den aard der onderscheidene Formulieren". Het "Zijt gedachtig der armen" na de zegen hebben ze laten vervallen en in een noot opgenomen, omdat aan het einde van 19e eeuw niet meer bij de deuren van het kerkgebouw werd gecollecteerd.[28] Voor het overige laten ze zich over de praktische bruikbaarheid van de aangeboden teksten niet uit. Op basis van het voorgaande kan het volgende summiere overzicht worden samengesteld.

 

votum

belijdenis van zonden en gebed voor de preek, eindigend met

  Onze Vader

preek

gebed voor alle nood der christenheid, eindigend met

        Onze Vader, en

        apostolische geloofsbelijdenis

zegen

[collecte (voor de armen)]

 


Intussen was Kuyper op 6 juni 1897 in De Heraut begonnen met een serie artikelen onder de titel "Eeredienst", tijdelijk ook "Onze Eere­dienst".[29] Het zouden er, tot en met september 1902, uiteinde­lijk 87 worden. In 1911 werden ze gebundeld, licht bewerkt en met 43 artike­len aangevuld uitgegeven als Onze Eeredienst.[30] In de eerste tien artikelen legt Kuyper grote nadruk op de noodzaak van een kerkelijk vastgestelde Liturgie en op het daadwerkelijk gebruik van de daarin opgenomen formulie­ren en gebeden. In de bij­drage van 31 oktober 1897, de eerste na de verschijning van Rutgers' uitgave, beschrijft hij indirect welk doel zij dient. "Wie onze kerken ook uitwendig weer op wil bouwen, beginne met weer te gebrui­ken wat we hebben; die sluite zich aan het verleden; poge langs dien natuurlijken weg de Gemeente weer een oog voor waardiger vormen te doen krijgen". En hij concludeert: "Reeds zijn we een goed eind weegs weer op het rechte spoor gekomen."[31] Met zijn artikelen, in het bijzonder met deze woorden, onderstreepte Kuyper andermaal de waarde van Rutgers' werk en maakte hij tevens de weg vrij voor verdere kerkelijke ontwikkeling van formulieren en gebeden.

De volgende generale synode, die van Groningen 1899, besloot een commissie te benoemen die moest nagaan, of Rutgers' uitgave van de authentieke tekst overeenkomt met "de officieele editie, door de Synode van Dordt in 1618/19 uitgegeven", in het bijzonder wat be­treft de aangebrachte veranderingen ten gevolge van het veranderde taal- en spraakgebruik.[32] De synode benoemde hiervoor Biester­veld, A.G. Honig en C. van Proosdij.[33] Hoewel Biesterveld en Van Proosdij afkomstig waren uit Christelijke Gere­formeerde kring, stond dit deputaatschap inhoude­lijk sterk onder invloed van A. Kuyper. Bies­ter­veld had hem encyclo­pe­disch gevolgd in zijn inauguratie. Honig was een toegewijd leer­ling van hem aan de VU. Van Proosdij stond misschien nog wel het verst van hem af, maar was beslist geen opposant. Enkele jaren tevoren had hij naar aanleiding van zijn publikatie over de verhouding tussen Calvijn en Theod. Beza enkele vriendelijk getoonzette brieven met Kuyper gewisseld. Ook van de andere twee deputaten mocht kennis van zaken worden verwacht. Honig was op een (dogmen)historisch onderwerp gepromo­veerd, terwijl Biester­veld in Kampen liturgiek doceerde en al begonnen was met colleges over de inhoud van het kerkboek.


Om het vervolg goed te kunnen plaatsen is het nodig even een stapje terug te doen in de tijd. In de Hervormde Kerk was men voorzichtig begonnen de in gebruik zijnde historische geschrif­ten opnieuw te ijken. De organist J.G. Bastiaans had voor de Vervolgbun­del op de Evangelische Gezangen van 1866 de psalmmelodieën die voor bepaalde gezangen waren ge­bruikt op de klassieke wijze geno­teerd: ritmisch en zonder de latere verho­gingen. Dezelfde melodieën boven de psalmen waren toen onver­beterd gebleven. De zangwijze van de psalmen was dientengevolge nog steeds traag, iso-ritmisch en met niet-oorspronkelijke, later ingeslopen verhogingen. Dit leidde op termijn tot vragen aan de Her­vormde synode om de melodieën van de gehele psalmbundel te herzien. Na diens advies daartoe te hebben ingewon­nen, droeg de synode in 1892 deze taak op aan J.G.R. Acquoy, hoogle­raar kerkgeschie­de­nis te Leiden.[34] Enkele jaren later verscheen van zijn hand Het Boek der Psalmen naar de berijming van 1773, met de zangwijzen, volgens de eischen der Neder­landsche versmaat ingericht. Acquoy noteert de melodieën in tweekwartsmaat en veran­derde daarbij de waarde van de noten. De latere verhogingen plaatst hij bij wijze van overgangsmaatregel tussen haakjes. Aan de berijming zelf verandert hij niets.


Maar het bleef niet bij de psalmen. In de zomer van 1896 stelde A.W. Bronsveld aan de Hervormde synode voor "toezicht over de uitga­ven van Bijbels en Liturgi­sche geschrif­ten" te hou­den.[35] De agenda voor de Gerefor­meerde synode van Middelburg met onder meer het voorstel tot een officiële uitgave van de Liturgie was op dat moment al bekend en zal van invloed zijn geweest op Bronsvelds verzoek. Zijn ver­zoek werd in zover­re door de Hervormde synode gehonoreerd, dat overleg werd gevoerd met een van de belang­rijkste uitgevers, de Nederland­sche Bijbel Compag­nie.[36] In 1899 ver­scheen een uitgave van de Li­tur­gie in opdracht van de Com­pagnie naar de aanwijzin­gen van de Her­vormde synode, verzorgd door M.A. Gooszen, kerkelijk hoogle­raar te Leiden.[37] Gooszen ontken­de aan­vanke­lijk, dat er ooit sprake was ge­weest van een offi­cieel vastge­stelde Litur­gie. Twee jaar later stelde L.A. van Lange­raad mede namens Gooszen tegen­over H.H. Kuyper, dat er welis­waar een authentieke tekst van de Liturgie bestond, maar dat die in 1586 was vastgesteld en niet in 1619.[38] Kuyper werkte daarop in het voorjaar van 1902 zijn stand­punt nog­maals uit in een brochure, geti­teld Is de authen­tieke tekst der Liturgie in 1586 of in 1619 vastge­steld?. J.N. Bakhuizen van den Brink concludeert in een analyse van dit conflict, dat het woord authentiek zowel officieel vastgesteld als oorspron­kelijk kan betekenen en in die beide betekenissen door elkaar werd gehanteerd.[39] Hoewel hij geregeld het spraakge­bruik van zijn tegenstander overnam, had Kuyper vooral de eerste betekenis op het oog. We zagen reeds, dat het de kerk van Capelle a/d IJssel ten diepste daar ook om begonnen was.

Deze ontwikkelingen stelden de in 1899 benoemde Gereformeerde depu­taten voor twee prealabele vragen. Is er wel ooit een officiële tekst vastgesteld? En zo ja, wanneer dan wel?[40] Hoewel deputaten het standpunt van H.H. Kuyper deelden, waren zij van mening, dat een uit­spraak van de synode over dit geschilpunt niet noodzakelijk was. Het was voldoende, als de synode uit zou spreken "dat ook haars inziens de uitgave van 1611 met de correcties van Hommius 't best ten grond­slag kon gelegd voor eene nieuwe editie en dat dus hierom de uitgave van Dr F.L. Rutgers c.s. hare sympathie heeft."[41] Hier­uit wordt duide­lijk, dat deputaten het uitgangspunt van Rutgers relati­veerden (niet als enige, maar "'t best") en er volgens hen dus geen sprake kon zijn van een her­uitgave van de officiële editie uit 1619 zonder meer (zij spraken van een "nieuwe editie").


De reactie van de synode van Arnhem zou nog terughoudender zijn. Zij maakte op 10 augustus 1902 een begin met de behandeling van het deputatenrapport.[42] De synode-commis­sie die het had voorbesproken, adviseerde de synode met het rapport in te stemmen. Op één punt maakte zij een voorbehoud. Ze ontraadde de synode om de van wijzi­gingen voorziene uitgave van Rutgers c.s. "voortaan als de officieele te beschouwen", maar stelde wel voor deze "aan de Kerken aan te bevelen en den wensch uit te spreken, dat zij allerwege moge worden gebruikt."[43] Toen de synode de volgende dag de bespre­king zou voortzetten, greep de praeses van de vergadering, de predikant H. Hoekstra, in.[44] Hij achtte het niet wenselijk, dat een synode beslis­singen zou nemen over "allerlei taalkundige en historische quaes­ties".[45] Hij ging nog verder in het voorstel, dat de synode tot het hare zou maken. Hij deed de synode uitspreken, "dat het niet op haar weg ligt, in hare vergaderingen in bijzonderheden te beoordelen en uit te spreken, wat de juiste tekst van de Formulieren van Eenigheid en de Liturgie moet geacht worden te zijn". Analoog aan het advies van de synodale commis­sie sprak zij vervolgens "den wensch uit, dat de editie, door Dr F.L. Rutgers (...) bezorgd, algemeen in onze Kerken in gebruik moge genomen worden" en dat bij een volgende uitgave goed gebruik gemaakt zou worden van het door deputaten verrichte werk. De sterkere uit­drukking 'aanbevelen' uit het advies over de intro­ductie van de editie is weggevallen. Eerst vanaf de jaren twintig zou deze term in de liturgische be­sluitvor­ming een belangrijke rol gaan spelen.[46]

Uit de ontwikkelingen die aan dit besluit voorafgingen, blijkt dat men zich vastpinde op de eens vastgestelde Liturgie, niet op de kerkelijk vast te stellen Liturgie. H. Bavinck heeft het dreigende gevaar onderkend en Rutgers' uitgave op waarde geschat, toen hij begin 1902 in De Bazuin nuchter con­cludeerde, "dat de tekst der Liturgie, door Prof. Rutgers uitgege­ven, dus inderdaad 'kerke­lijk vastgesteld' mag heeten, maar natuur­lijk als zoodanig, zonder meer, geen anderen tekst vertegenwoordigt, dan die vanwege de Dord­sche Synode ter wille van een practisch doel, n.l. tot het verkrij­gen van eenparigheid, is vastgesteld."[47]

Na het besluit van de synode van Arnhem deed A. Kuyper - al ruim een jaar minister-president en geen predikant meer - in De Heraut nog één keer een artikel verschijnen in de reeks over de eredienst, waarmee hij in 1897 een begin had gemaakt. Het verscheen op 14 september 1902 en handelde over de plaats van de doop in de dienst, voor of na de preek. Kuyper pleitte voor het laatste. Als dit tot gevolg zou hebben, dat sommige gemeenteleden de dienst voortijdig verlaten, dan dienden zij in dit soort geschilpunten met de nodige omzichtig­heid en tact benaderd te worden. "Met strafheid en hardheid vordert men meestal niets. Nog zoovelen in de Gemeente zijn geeste­lijk kranken, wier krankheid een gevolg is van een gebrekkig verle­den in de kerken. En wie nu aanstonds tegen het noodzakelijk gevolg van dezen gebrekkigen toestand toornend optreedt, wint niet, maar stoot af."[48] Verzoenende woorden. De spanningen in de kerken waren be­hoorlijk opge­lopen. Zo waren na tien jaar gezamen­lijk optrekken de geschilpunten in leer en praktijk van de doop niet weggeno­men. En de Arnhemse synode had inzake de theolo­gische oplei­dingen de eenheid maar net kunnen bewaren. Een benoeming van Bavinck en Biesterveld aan de Vrije Universiteit hing na het mislukken van de ineensmelting van de beide opleidingen in de lucht. Ze zou enkele weken later inderdaad afkomen en de beide Kamper docenten zouden samen de overstap naar Amsterdam maken. Maar het lijkt ook, of Kuyper met de kennis van het Arnhem­se besluit over de Litur­gie zichzelf toesprak.

 

Nieuwe ontwikkelingen aan de theologische opleidingen


Kort hierna, rond de jaarwisseling van 1902 en 1903, verscheen van Biestervelds hand Het Gereformeerde Kerkboek. Nu was in 1900 onder de titel Ons Kerkboek een vergelijkbare studie verschenen van de hand van de Hervormde predikant H.H. Barger.[49] In de inleiding verdedigt Biesterveld de publikatie van zijn boek en wijst erop, dat Barger anders dan hij wel de gezan­gen tot de wettige inhoud van het kerkboek rekende, maar de Dordtse Leerregels een plaats ontzei. Verder wil Biesterveld meer aandacht schenken aan de inhoud van de Formulieren en de Liturgie dan Barger gedaan had.[50] Biestervelds publikatie lijkt in opzet sterk op het Historisch Overzicht van zijn voorganger De Cock. Wel voegt hij een uiteenzet­ting over de bijbelvertaling en de psalmberijming toe en is hij royaler in het verstrekken van met name historische gegevens. Voor de behande­ling van het kerkboek neemt hij zijn uitgangspunt in de uitgave van Rutgers c.s. uit 1897. De waarde van deze editie werd hierdoor nog eens onderstreept. Inhoudelijk staat Biesterveld dich­ter bij Kuyper dan bij De Cock, als hij stelt, dat predikanten verplicht zijn de formulieren onverkort en ongewijzigd te lezen en eventuele afwijkingen aan de kerkelijke vergaderingen dienen voor te leg­gen.[51] Maar hij staat weer volop in zijn eigen traditie, als hij de norm voor de inrich­ting van de eredienst niet alleen legt bij de "eisch der liturgische beginselen", maar evenzeer bij hetgeen tot stichting van de gemeente dient.[52]


In zijn inauguratie Het Object der Ambtelijke Vakken liet Biesterveld andermaal merken een volgeling van A. Kuyper te willen zijn. Het ambt is het object van de praktische theologie, of beter: van de ambtelijke vakken. Hij gaat echter verder dan toen hij in Kampen begon: vanuit de Schrift dient het wezen van het ambt te worden bepaald en de functie van de ambten te worden omschreven. Net als Kuyper deelt Biesterveld de liturgiek in bij de didascalische vak­ken. Maar waar het vooropgaan van de didascalische vakken ten op­zichte van de laïcale bij Kuyper op pragmati­sche gronden plaats­vindt - de laatste zijn "bijna geheel verwaarloosd" - is dit bij Biester­veld principieel geworden.[53] In zijn colleges liturgiek, nu in op­zet sterk bepaald door Kuypers encyclopedisch program, stelde Bies­ter­veld volgens de aantekenin­gen van een student enkele jaren later, dat het onder­wijs in de ene en rechtvaardige God in de ere­dienst "'t groote doel is".[54] Het accent kwam hiermee in versterkte mate te liggen op de dienaar des Woords en zijn onderwij­zende functie. De handelingen van de voorganger a parte populi en de vergade­ring der gelovigen als het constituerende element van elke eredienst raakten meer en meer op de achtergrond.

Het liturgisch onderwijs in Kampen vertoonde een soortgelijke ten­dens. H. Bouwman nam dit met ingang van februari 1903 van Biester­veld over.[55] De korte beschrijvingen van zijn colle­ges in de stu­den­ten­almanakken geven de indruk, dat Bouwman zich in de opzet en struc­tuur liet leiden door de Liturgiek van de Hervormde kerkelijk hoogleraar E.F. Kruijf.[56] De ortho­doxe Kruijf had voor dit stan­daardwerk een grote verschei­den­heid aan bronnen verza­meld en bestu­deerd.[57] De onderti­tel Ten dienste van diena­ren der Nederland­sche Hervormde Kerk geeft aan, dat hij voor de weergave van dit materiaal zijn uit­gangs­punt had genomen in de taak en rol van de predi­kant. Hoe ver Bouw­mans afhan­ke­lijk­heid van Kruijf ging, wordt niet duide­lijk. Bouwman zal op onder­scheide­ne punten een eigen invulling hebben gegeven aan de aangedra­gen the­ma's. In de leerop­dracht van Bouwman keert tot 1913 de oude combina­tie van liturgiek en kerkrecht terug. De beide delen van zijn in respectie­velijk 1928 en 1934 uitgegeven Gere­for­meerd Kerkrecht getuigen van een meer dan gemid­delde belang­stelling voor de inrich­ting van de ere­dienst.

 

De liturgische praktijk

Hoe verhield de synodale terughoudendheid in liturgische vraagstuk­ken zich nu tot de praktijk? Een eerste aanwijzing biedt de synode van Utrecht 1905. Met deze synode werd een periode van consolida­tie van de Gereformeerde Kerken afgesloten.[58] De wijzigingen die deze synode aan­bracht in de DKO geven enig in­zicht in de praktijk van de ere­dienst.[59] De intentie van de wijzi­gings­voor­stellen was namelijk "weg te laten, of daaraan toe te voegen, of daarin te wijzigen, al wat feitelijk reeds sedert lang algemeen vervallen of bijgevoegd of gewijzigd is".[60] Met andere woorden: de plaatselijke praktijk gaf de grenzen aan voor de syno­daal vast te stellen orde.


De bepaling over de catechismusprediking in de namiddagdienst werd enigszins verruimd. Daarover diende in plaats van elk jaar in zijn geheel nu "zooveel mogelijk" in dat tijdsbestek te worden gepreekt (art. 68). De aanwijzing, dat bij de viering van het avond­maal het formulier en het daarin opgenomen gebed bij de tafel gele­zen wordt, verdween (art. 62). De frequentie van de viering zal niet meer "alle twee maanden eens", maar "alle twee of drie maanden" zijn. De aanbeveling om, waar stichtelijk, op Kerst, Pasen en Pink­steren het avondmaal te vieren, werd geschrapt (art. 63). Het arti­kel over de avondgebeden is in de herziene kerkorde niet meer opge­nomen (art. 64). In de voorgeschre­ven feestdagen komt de Besnijdenis des Heren (1 januari) niet meer voor. De zogenaamde tweede feestda­gen werden ontdaan van hun verplichte karakter. De viering van de Goede Vrijdag was blijkbaar nog niet algemeen genoeg om te worden opgenomen (vgl. art. 67). In het artikel over de psalmen en gezangen voegde de synode de morgen- en avond-zang als nieuwe elementen toe, maar bleven de doorgaans in de kerkboeken opgenomen bedezang voor en dankzang na het eten ongenoemd (art. 69).

Een tweede aanwijzing voor de plaatselijke praktijk geven enkele publikaties over met name de doopbediening. Op dit punt bleven na 1892 verschillen tussen van oorsprong afgescheiden en dolerende gemeenteleden en gemeenten lange tijd doorwerken. B. Wielenga geeft tegen de achtergrond van de leerstellige discussies over de veron­derstelde wedergeboorte op de synode van Utrecht 1905 in kort daarop verschenen Ons Doop­sformulier een enigszins gechargeerd voor­beeld.[61] "De lee­raar die een 'toespraak' houdt bij den doop is een zuivere A. Wie het formulier genoeg acht is een echte B. Het 'amen' bij de doops­formule is het A. waarteken. Het 'amen'looze doopen is het B. cachet. De vader, die met 't kind alléén verschijnt, met 't pasgebo­ren 'wurm', is een Roomsche B. De vader, die de blijde moeder mee­neemt, is een oppervlakkig A."[62] Dat bijvoorbeeld dit laatste punt scherp lag, blijkt wel uit Ouders of getuigen uit 1901 van H. Ba­vinck en de reacties die dit geschrift opriep. Bavinck vroeg onder meer ruimte voor de afgeschei­den praktijk om ook de moeder mede het kind ten doop te laten houden. Volgens de Acta zag de synode van Arnhem 1902 overigens geen reden om de moeder in voorkomende geval­len bij de doopvragen niét te noemen.[63] Maar bij de herziening van de DKO in 1905 bleef het artikel over de doop (art. 57) ongewijzigd. Het is de vader, die in eerste instantie om de doop van zijn kind moet verzoe­ken en de doopvragen dient te beantwoor­den.


De opvattingen van de B-richting begonnen het ook onder de predikan­ten met een A-achtergrond te winnen. Biesterveld had zich heel anders dan zijn voorganger De Cock in het hiervoor al aangehaalde Het Gereformeerde Kerkboek sterk gemaakt voor "het verplichtend gebruik der formulieren".[64] De zojuist aangehaalde, in Kampen door Biesterveld opgeleide Wielenga maakte vergelijkbare keuzen. Hij was er van overtuigd, dat men - net als in het formulier - het 'amen' na de doopformule maar beter kon weglaten en pleitte er voorzichtig voor om kinderen kort na de geboorte te dopen en niet al te zeer vast te houden aan de gewoonte te wachten tot de moeder ook verschijnen kan.[65] Zijn col­le­ga A.H. Van Minnen, eveneens van Christelij­ke Gerefor­meerde afkomst, verzet­te zich in 1908 in De Gereformeer­de Eeredienst uit­drukkelijk tegen het gebruik niet alleen het formulier te lezen, maar daarnaast de doopouders ook nog persoonlijk toe te spreken.[66]

 

 

4.2         Kuypers laatste inzet voor een kerkelijk vastgestelde Liturgie

 


Het jaar 1911 was een knooppunt in de liturgische ontwikkelin­gen van protestants Neder­land.[67] Met Onze Eeredienst publi­ceer­de A. Kuyper zijn laatste en tevens grootste bijdrage op het ge­bied van de liturgie. M. van Woensel Kooy en J.H. Gerretsen luidden met respec­tievelijk Oude en Nieuwe Zangen en Liturgie bij de Hervormden een pe­riode van experimenteren in. Gerret­sens Liturgie is een grondige bewerking van een drietal arti­kelen, die geschreven werden als voorberei­ding en toe­lich­ting op een zogenaamde liturgisc­he dienst op 12 november 1911 in de Klooster­kerk te 's-Gravenhage.[68] De plannen voor de bun­del Oude en Nieuwe Zangen hebben hem mede aangezet een litur­gi­sche dienst voor te bereiden.[69] Het is niet onwaarschijnlijk, dat Gerretsen zelf zijn stadsgenoot Kuyper heeft inge­licht over hetgeen te gebeuren stond. Zijn orde gaat terug op de liturgische voorstellen die Kuyper in De Heraut had gedaan en door onder meer de weergave van Kruijf in diens Litur­giek bredere bekend­heid hadden verkre­gen.[70] Kuypers voorstellen droegen nog altijd de sporen van de orde van A Lasco.[71] Dat zal Gerretsen als kenner van A Lasco's Londense medewerker Maarten Micron hebben aangespro­ken. Gerretsens orde beperkt zich met name tot het eerste deel van de dienst: (voorzang), votum, ze­genbede, lofzang, schuldbelijdenis, absolutie en geloofsbe­lijde­nis. Nieuw ten opzichte van Kuypers ontwerp is de lofzang, vermoede­lijk een gevolg van Gerretsens bij­zondere aandacht voor aanbidding en lofprij­zing in de eredienst. Verder paste Gerretsen het uit Frank­rijk afkomstige idee van 'chant spontané' toe, een bepaald gezang of onderdeel daarvan dat op een vaste plaats in de dienst zonder nadere aankondiging als ware het spontaan door de gemeente kon worden aangeheven. Ook als Gerretsen geen contact heeft gezocht met Kuyper is het goed mogelijk, dat Kuyper op de hoogte is geweest van de plannen van zijn Hervormde stadgenoot en mede met het oog daarop zijn artikelenreeks Onze Eeredienst heeft afgemaakt en gebun­deld. Zeker in mei 1911 had Gerretsens plan al concrete vormen aangenomen.[72] Kuyper sloot eerst op 26 juni van dat jaar een contract met uitgever Kok te Kampen over de uitgave van Onze Eeredienst.[73]

 

De publikatie van 'Onze Eeredienst'

Toen Kuyper van 1897 tot 1902 zijn artikelen in De Heraut publi­ceer­de was hij nog vol optimisme over de mogelijkheden van de kerke­lijke vergaderingen om liturgisch het voortouw te nemen. Al zou er heel wat moeten gebeuren.[74] Bij het voltooien van de bundel Onze Eere­dienst in 1911 was hij daar­over aanzienlijk pessimistischer gestemd.[75] Zijn positie in het kerkelijk leven had zich gewijzigd. Hij was na 1896 niet meer op de synode aanwezig geweest en al tien jaar geen predikant meer. Hij hoopte nu dat gewone gemeente­leden zich voor litur­gische vraagstuk­ken zouden gaan interesseren en de kerkelijke verga­deringen daarmee zouden confron­teren. 

De opzet van Onze Eeredienst draagt de sporen van het programma dat Kuyper in zijn Encyclo­paedie had neergelegd.[76] Na een algemene in­lei­ding behandelt hij aspecten van de euchetiek, psalmodiek en ar­chi­tecto­niek. Het hart van de bundel wordt gevormd door een be­spre­king van de onderdelen van een gewone eredienst, gevolgd door een studie van de zogenaamde kerkelijke plechtigheden - bediening van de sacramenten, bevestiging in het ambt en inzegening van een huwelijk - in het bij­zonder van de daarbij behorende formulie­ren. De historische data uit de liturgie­geschiedenis worden in de loop der artikelen meegenomen en niet, zoals in de Encyclopae­die voorgesteld, apart aan de lezers gepresen­teerd.


Zeker de artikelen uit de eerste reeks (1897 - 1902) doen in kracht en frisheid sterk denken aan Kuypers vroegere geschriften. Net als in de Confi­dentie speelt de plaatselijke gemeente een centrale rol. Zij bezit "het recht en de bevoegdheid" bezit om de gang van de eredienst te bepalen.[77] Net als toen vermeldt hij, dat zij ook beslissen kan de voorganger geheel vrij te laten. Kuyper fundeert dit in Onze Eeredienst in het uitgangspunt dat de eredienst als een vergadering beschouwd moet worden, als een onderlinge bijeenkomst. Vanuit dit beginsel stelt hij drie randvoor­waarden op voor het bestaan en het functioneren van alle litur­gie.[78] De gemeente moet vergaderd, samen­geroepen zijn (1). Er dient een ontmoeting plaats te vinden tussen deze vergaderde gemeente en haar God (2). Het onderlinge samenkomen en de ontmoeting met God dienen onder het voorteken van het vol­brachte werk van Christus te staan (3). In eerdere geschriften had Kuyper al meermalen gepleit voor de vaste vorm. Ook de standpunten over de verhouding tussen vorm en inhoud, die hij in het najaar van 1898 in Noord-Amerika had uitgedragen, zijn in Onze Eeredienst terug te vinden.[79] "Wie vraagt naar het schoone, zonder vooraf naar het ware en het goede te hebben gevraagd, en alzoo het ware en goede aan het schoone opoffert, slaat een doolweg in en loopt zijn doel voorbij."[80] Als eenmaal de vraag naar de inhoud is gesteld, dan mag die naar de vorm volgen en eist (!) de inhoud een passende, schone vorm.

Een van de belangrijkste trefwoorden in Onze Eeredienst is het begrip orde, zij het doorgaans niet direct gebruikt, maar omschreven. Het beheerst de bespreking van de indeling van het kerkgebouw, de gang van zaken bij de bediening van het avondmaal en de keuze van de stof voor de prediking. Een tweede kenmerk is het evenwicht, dat Kuyper steeds weer zoekt in de standpunten. Hij gaat in de bepaling van de reikwijdte van het begrip orde een weg die tussen vrijheid en gebondenheid door loopt, erkent bijvoor­beeld de bezwaren die tegen gezangen in te brengen zijn, maar weet die aan de hand van de principes achter de berijming van de psalmen ook weer te relativeren. Kuypers persoonlijke voorkeuren geven in dergelijke afwegingen nogal eens de doorslag. Orde en een zekere evenwichtigheid treft Kuyper ook aan in A Lasco's uitgave van de Liturgie. In de vertaling van zijn eerder aangehaalde rede The Antithesis between Symbolism and Revelation verklaarde hij in december 1898 in diens publikatie "pre­cies het model gereed te vinden dat wij noodig heb­ben".[81] Maar in Onze Eeredienst ziet Kuypers orde er qua structuur toch wezenlijk anders uit. Hoewel Kuyper zelf geen schematisch overzicht geeft, kan op basis van Onze Eeredienst de volgende orde worden gereconstru­eerd.[82]


I     Voorwerpelijk deel

Votum

Benedictie

Schuldbelijdenis

Absolutie (met retentie)

Geloofsbelijdenis

Voorlezing van de Heilige Schrift

Gemeentezang

II    Onderwerpelijk deel

Gebed

Preek

III Dienst der gebeden

Gebed voor alle nood der christenheid

Nazang

Wet

Zegen

 


Naast A Lasco liet Kuyper zich vooral inspireren door Calvijn en de Neder­landse Liturgie. Kuyper gebruikt deze voorbeelden in Onze Eere­dienst vooral om aan te tonen, dat een vaste orde van dienst met een aantal formu­lierge­beden vanuit de Gerefor­meerde traditie alles­zins verant­woord is.[83] De liturgische situatie in andere kerken en ande­re landen blijft niet onopgemerkt, maar dient vooral ter illustratie van hoe het kan of juist niet moet. In de structuur heeft Kuyper zich veel gelegen laten liggen aan de Nederlandse Liturgie.[84] Votum, schuldbelijdenis en gebed bij de opening van het Woord, gebed voor alle nood der christen­heid en zegen vond hij er in de daar gesuggereerde volgorde terug. Vrijwel alle artikelen over deze onderwerpen schreef Kuyper in de periode dat Rutgers' uitgave van de Liturgie ver­scheen en kerkelijk geijkt moest worden. Aan deze onder­delen voegde hij vanuit de kerkelijke praktijk de benedictie toe. Met een beroep op A Lasco (en Calvijn) pleit Kuyper voor ontkoppe­ling van de in de Liturgie gebruikelijke combinatie van schuldbelijdenis en gebed bij de opening van de Schrift.[85] Ook voor het vervolg, na de schuldbelijdenis, bij absolutie (en reten­tie) en geloofsbelijdenis neemt hij A Lasco als voorbeeld.[86] Uit de kerke­lijke traditie drong de vraag naar het lezen van de wet zich op. In tegen­stelling tot Calvijn wil Kuyper deze lezen in het kader van de dankbaarheid, als leefre­gel, na de preek.[87] Hij sloeg in 1901 - net minister-presi­dent gewor­den - het slot van de dienst en de collecten (artikelen LXXX en LXXXI in Onze Eeredienst) over en ging direct verder met de kerkelijke plechtigheden.[88] Bij de uitwer­king van de artikelen over deze onderwerpen, die in 1911 uit zijn pen vloeiden, heeft hij blijkbaar niet meer gedacht aan eerdere opmer­kin­gen over de plaats van de wet. Ze moet aan de gelovigen worden voorgehouden "als ze het kerkgebouw verlaten", dat wil zeggen "vóór de zegenspreuk".[89] In Kuypers orde krijgt het vierde deel, de bediening van de sacra­menten een facultatieve plaats. Een groot deel, de artikelen XC tot en met CXXX, is geschreven in de lente en de zomer van 1911. Wat de formulieren betreft liet Kuyper zich leiden door de klassiek-gereformeerde Litur­gie, zij het niet kri­tiek­loos. Bij de inleiding op het doopfor­mulier noemt hij nog één keer het voorbeeld van A Lasco, dat hij graag zou volgen.[90]

Op verschillende punten heeft Kuyper zich nu ten opzichte van de serie arti­kelen in De Heraut een andere mening gevormd. Voor de avond­maals­dienst ontwerpt hij geïnspireerd door de praktijk van de Engelse kerk een geheel eigen orde.[91] In afwijking van de eerder door hem geconstrueerde orde van dienst krijgt de wet daar­in een plaats om het schuldbesef van de gemeente op te wekken. In de eerste reeks artikelen had hij een dergelijk functioneren van de wet nog apert afgewezen. Het sacrament krijgt een belang­rijker plaats dan men op grond van de Encyclopae­die zou vermoeden. Toch legt Kuyper, ooit­ voorstander van een wekelijkse viering, zich uitein­delijk neer bij een twee- of driemaandelijkse avond­maalsbe­die­ning.[92] Het lijkt hem moeite te heb­ben gekost tot dit standpunt te komen, maar alleen bij een dergelij­ke frequen­tie acht hij een optima­le deelname vanuit de gemeente gewaar­borgd. En dat is voor Kuyper doorslagge­vend.


Onze Eeredienst kent meer van dit soort tegenstrijdigheden, waarin Kuyper over een onderwerp op verschillende plaatsen verschillende posities inneemt. J.F. Lescrauwaet gaf in zijn studie over de liturgische beweging al enkele voorbeel­den:[93] ener­zijds de preek als centraal element van de gewone dienst, anderzijds relative­ring daarvan, gepaard met veel waardering voor het sacra­ment.[94] Enerzijds een pleidooi voor een kerkgebouw met ruimte voor de sacramentsbediening, anderzijds verdedi­ging van volgepakte zaal­kerk­jes. Enerzijds een principiële afwijzing van buitenlandse litur­gieën in de Nederlandse situatie, anderzijds voorstellen om elemen­ten uit de Anglicaanse traditie over te nemen. Aan deze voorbeelden van Lescrauwaet zou bijvoor­beeld kunnen worden toegevoegd enerzijds een goed woord voor de voor­lezer-ouderling, anderzijds terughou­dend­heid daarover.[95] Een deel van deze ver­schillen laat zich verklaren door tijd­­gebrek ten gevolge van de vele andere activiteiten die Kuyper ont­wikkelde en door de tijdsspanne tussen sommige artikelen. Er zit onge­veer 14 jaar tussen het eerste en het laatste. De artikelen uit de eerste vijf jaar heeft Kuyper in 1911 nauwe­lijks bewerkt. Moge­lijk heeft hij zich niet volledig rekenschap willen geven van een eerdere stel­ling­name, bijvoorbeeld aangaande het gebruik van buiten­lands materi­aal. Maar het is ook denkbaar, zoals bij het artikel over de voorlezer, dat hij zijn mening heeft bijge­steld. Overigens is deze tweeslach­tigheid bij Kuyper niet onbekend. In het artikel uit 1869 over "De Eeredienst der Hervormde Kerk" sprak hij zijn grote waardering uit voor A Lasco's liturgie, maar toonde hij tevens veel begrip voor de latere, litur­gisch defor­merende ontwikkelingen op het continent.[96]

Kuyper heeft met de liturgische ordening in Onze Eeredienst een oorspronkelijk stuk werk geleverd, waarin hij bijzondere aan­dacht heeft geschonken aan de betekenis, plaats en onderlinge samen­hang van de verschil­lende onderdelen: een "liturgisch geheel", een rege­ling van "de volgorde en de onderscheiden deelen van den dienst", zoals hij het liturgisch werk van de reformatoren omschreef.[97] In een dergelijke vorm van orde ligt voor Kuyper de essentie van de eredienst: "Liturgie is (...) eenig en alleenlijk de regeling van den gang en van de orde van den dienst."[98] Nu had Van Oosterzee het woord "orde" al gebruikt, mogelijk daarbij teruggaand op Micron of A Lasco.[99] Waar echter bij Kuyper een zekere orde in de bespreking van de onderdelen is voorondersteld, was bij Van Oosterzee een bescheiden orde het sluitstuk van een bespreking van de onderscheidene elementen. Kruijf volgde de opzet van Van Oosterzee en besprak aan het slot van zijn Liturgiek enkele "liturgische samenstellingen", zij het dat hij al meer aandacht besteedde aan de onderlinge samenhang van de elementen.[100] Kuyper draaide in Onze Eeredienst de volgorde om en legde de basis voor de benadering van de liturgie vanuit een totaalconcept.

 

Reacties op 'Onze Eeredienst'


De Gereformeerde reacties op Onze Eeredienst waren in het algemeen posi­tief. Juist de vertegen­woor­digers van de A-richting roemden Kuypers milde toon, met name over de aanwezigheid van de moeder bij de doop en over bijvoor­beeld het amen bij de doopformu­le. T. Bos, die in de in het verleden de confrontatie met Kuyper niet uit de weg was gegaan, conclu­deerde nu met instem­ming in De Wach­ter, dat Kuyper voorlopig geen verande­ringen in de for­mu­lie­ren wens­te.[101] In een wat late recensie in het Gere­for­meerd The­o­log­isch Tijd­schrift wees Tj. Hoekstra, die net hoogle­raar geworden was in Kampen en daar de colleges liturgiek van Bouwman had overgenomen, op Kuypers woor­den dat haast in dezen niet goed is.[102] Anderen zwegen over de controver­ses rond de doop en hoopten op snel­le veranderingen, ook op synodaal niveau. Met name H.H. Kuy­per, die na de dood van Biesterveld in deze jaren de colleges in de li­turgiek aan de VU waarnam, be­toonde zich daarvan een groot voor­stan­der in De Heraut.[103] Bouwman hoopte in De Bazuin, in navolging van A. Kuyper, op een groeiend li­tur­gisch besef in de gemeente. Plaatse­lijk zou al een "vaste gang (...) in onzen eeredienst" bevor­derd kun­nen en moeten wor­den.[104] Een meer inhoudelijk getinte opmerking is afkomstig van de B-man J.C. Sikkel in zijn blad Hollandia.[105] Wijzend op de bijzondere waarde van de cate­chismus voor de gemeente had hij graag een uitge­breidere bespre­king van de catechismus­predi­king gezien.


Opvallend is dat de reacties op Kuypers Onze Eeredienst in Gereformeerde kring parallel liepen aan de mening over de al eerder genoemde eerste liturgische dienst van Gerretsen. Sikkel was op zich geen tegen­stander, maar wees op het grote gevaar, dat de litur­gie de belijde­nis zou ver­drin­gen.[106] Ger­retsens brochure Litur­gie gaf daar zijns inziens alle aan­lei­ding toe. H.H. Kuyper waar­deerde Gerretsens bro­chure Liturgie en diens liturgi­sche dienst, maar gaf een kort daarop startende reeks over de eredienst de uitda­gende titel "Onze liturgie" mee: Gere­formeer­den hadden hun eigen li­tur­gie.[107] Bouw­man had in zijn be­spreking van Onze Eere­dienst zijn positie al ge­markeerd met de stel­lingname, dat in de eredienst de prediking "het hoogte­punt en het hoofd­doel" was.[108] Hij onder­kende in Gerret­sens ont­werp de gerefor­meerde elemen­ten, maar meen­de dat het vanwege het hoge belij­dende gehalte slechts in enkele Her­vormde gemeenten kans van slagen had. Rand- en buitenkerkelij­ken zouden volgens hem niet worden aangespro­ken, zoals Gerretsens bedoeling was. De gemeente uit zich in de liturgie. Zij kan er niet door wor­den aangesproken.[109] Geheel af­wij­zend was van de genoemde bla­den al­leen De Wach­ter. Dat han­teer­de dezelfde argu­menta­tie als Bouw­man, maar was scherper in de ver­oorde­ling. In de predi­king zal men de mensen moe­ten aanspreken, niet in de litur­gie.[110] De Gereformeerde scribenten konden met Kuypers net verschenen Onze Eeredienst in de hand nauwelijks anders dan Gerretsens initiatief zakelijk en voor­zichtig welwillend tegemoet treden. Gerretsens orde vertoonde immers grote overeenkomsten met hetgeen door Kuyper werd voorgestaan. De Gereformeerde kri­tiek richtte zich daarom op het evangeliserend aspect in zijn expe­riment, dat bij Kuyper geheel ontbrak. Deze gema­tigde houding viel ook anderen op. De Her­vormde J.H. Gun­ning J.Hz. prees hen in het predi­kan­tenperi­odiek De Schatka­mer: "eere voor de pers der Geref­or­meer­den!"[111] Al eerder had hij in een korte be­spre­king van Onze Ee­re­dienst aangege­ven, dat Gerretsen en Kuyper prak­tisch niet ver van elkaar verwij­derd wa­ren.[112] Belangrijker voor de verdere liturgische ontwikke­lingen in de Gereformeerde Kerken is misschien nog wel, wat er niét gebeurde. Over de door Kuyper geconcipieerde orde werd namelijk in de Gereformeerde kerkelijke pers naast het geciteerde bijna met geen woord gerept. Kuypers studie werd voor kennisgeving aangeno­men. Ze leverde op korte termijn weinig op.

 

Terugblik op Kuypers ontwikkelingsgang

Na 1911 is er van Kuypers hand geen wezenlijke bijdrage meer ver­schenen op het gebied van de liturgiek. Wie de balans opmaakt en Kuypers eerste en laatste uitlatingen over de eredienst vergelijkt, ontdekt, dat er in beide een grote ambivalentie bestaat ten aanzien van de vorm. Als student had Kuyper al niet veel op met godsdien­stige vormen zonder meer. In Onze Eeredienst is dit niet anders. Tijdens zijn predikantschap groeide Kuypers waardering voor vormen en liturgie, mede onder invloed van A Lasco. Deze ontwikkeling vond in de Confidentie haar hoogtepunt. De inhoud was voor Kuyper niet onbelangrijk, maar trad terug achter de eis van een vaste vorm.


Parallel aan de bewustwording van het Gereformeerde volksdeel ver­schoof in Kuypers gedachten­gang het accent van vorm naar inhoud. Dit had zijn weerslag op de waardering van Woord (preek) en sacrament. Het ambt - en ook de ambtelijke vergadering - als door Schrift en belijdenis gekwalificeerde vorm, gingen in het vaststellen van en voorgaan in de eredienst een centrale rol spelen. In het spannings­veld van vorm en inhoud liet Kuyper zich in toenemende mate leiden door de historisch gegroeide liturgische praktijk. Deze kreeg welis­waar niet het laatste woord, maar ging in de argumentatie als erva­ringsfeit een belangrijke rol spelen. Significant voor deze ontwik­kelingsgang is, dat Kuypers persoonlij­ke voorkeur voor een wekelijk­se avondmaals­viering plaatsmaakte voor het bestaande gebruik van een twee- of driemaandelijkse viering. Een constant element in Kuypers publikaties is het beginsel, dat de vergaderde gemeente de eredienst constitueert en dat zij het recht heeft de regels van deze dienst te bepalen. Dit kan mede Kuypers toene­mende waardering van en voor de historisch gegroeide plaatse­lijke praktijk verklaren. Deze waardering had overigens wel een theoretisch karakter. Zelf ging Kuyper immers na zijn emeritering als predikant niet vaak meer naar de kerk.

Er bestaat nog een ander spanningsveld in Kuypers opzet. Het is de gemeente, die bepaalt, wat er in de eredienst gebeurt. Maar Kuyper verantwoordt niet nauwkeu­rig, hoever de gebondenheid van de predikant vervolgens gaat. Hij beschrijft de uitersten van spiritualisme (vrijheid) en ritualisme (gebondenheid) en hun gevaren, maar grenst zijn eigen positie daartussen niet duidelijk af en reikt inhoudelijk geen eenduidige criteria aan. In Onze Eeredienst doet hij soms verscheidene, tegenstrijdi­ge voorstellen om bepaalde problemen op te lossen. Zijn eigen, persoonlijk oordeel over hetgeen hij treffend, mooi of ontroerend acht, geeft hierbij nogal eens de doorslag. Het blijft onduidelijk, in hoeverre een gereformeerde kerkeraad zijn predikant liturgisch verantwoord kan intomen. De predikant blijft, mede door de hoge waardering die het ambt bij Kuyper krijgt, een centrale plaats innemen in de eredienst. Maar ook dat was misschien wel hetgeen de Gereformeerde Kerken in de praktijk ten diepste wilden.

Het geschetste spanningsveld wordt ook in Kuypers Encyclopaedie zichtbaar. Men zou op grond van Kuypers inzet bij de gemeente verwacht hebben, dat hij de eredienst, "de vergadering der geloovigen" bij uitstek, bij de laïcale vakken zou hebben ondergebracht.[113] Hij koos echter voor de didascalische vakken en werkte de liturgiek uit onder het gezichtspunt van het leraars- ofwel predikantsambt. Kuyper verdedigde dit met de diskwalificatie van de viering, de cultus, als zelfstandige grootheid. Zijn keuze bracht met zich mee, dat de dienaar des Woords en met name hetgeen hij in Gods naam zegt en doet, in de liturgische bezinning centraal kwam te staan. Nu is het in Kuypers optiek de onvervreemdbare taak van de gemeente om dit te regelen, toch dreigt haar positie en haar inbreng op de achtergrond te raken, net als al het overige dat niet direct met het handelen a parte Dei van de voorganger van doen heeft. Persoonlijk inzicht kan dan op het terrein van dat overige een grote rol gaan spelen. Biesterveld heeft deze lijn van Kuyper doorgetrokken met als gevolg dat het onderwijzen­de aspect in de eredienst bijzondere aandacht kreeg. Anderen, bijvoorbeeld de Kamper hoogle­raar Tj. Hoekstra, zouden dit later evenzo doen.[114] De gedachte, dat de eredienst een gemeentelijke categorie is, raakte meer en meer op de achtergrond.


4.3         Conclusies

 

In de beschreven periode van 1892 tot en met 1911 won Kuypers liturgisch ideaal weliswaar onder predikanten aan invloed, maar bleef de doorwerking op het niveau van plaatselijke kerk en synode beperkt. In de liturgiek bleef Kuyper het voortouw houden. De door hem voorgestane vaste vorm werd door de uitbouw van de gereformeerde beweging steeds sterker inhoudelijk gevuld. Hij plaatste tegenover het ritualisme met zijn extreme gebondenheid aan vaste (Roomse) vormen als eerste en enige principe het Woord en in het verlengde daarvan de prediking. Het sacrament kreeg derhalve geen zelfstandige plaats meer toebedeeld, maar werd ondergeschikt gemaakt aan het Woord. Kuyper stelde zich gaandeweg milder op ten opzichte van de bestaande plaatselijke praktijk, ook al voldeed die lang niet altijd aan de door hem gestelde eisen. De situatie verschilde dan ook duidelijk van die in zijn Hervormde periode. Het ging nu om 'zijn' kerken en de spanningen liepen er ten gevolge van de verschillen tussen A en B soms hoog op. Met name in Christelijke Gereformeerde kring was men huiverig voor de wijze van organisatie die Kuyper en zijn volgelingen voorstonden, ook op het gebied van de liturgie. Kuypers invloed op de Gereformeerde synode en daarmee op het Gereformeerde kerkelijk leven verminderde aan het einde van de vorige eeuw. Hij verlegde zijn aandacht in toenemende mate naar de politiek. Zowel in de periode 1897 - 1902 als in 1911 beoogde Kuyper met zijn publikatie van artikelen, respectievelijk de bundeling van die artikelen in Onze Eeredienst, de visie van de kerken en de synode op de eredienst te beïnvloeden en hen tot activiteit aan te zetten. De eerste keer ondersteunde hij het kerkelijk vaststellen van de Liturgie. De tweede keer hoopte hij - vermoedelijk - mede door Gerretsens experiment op een bezinning op de orde van dienst. Beide keren mislukte Kuypers opzet. Zijn opstelling inzake de eredienst was in veel opzichten zo ambivalent en overweldigend, dat de Gerefor­meerde Kerken zich wellicht wel uitgedaagd voelden om zich te bezinnen op de eredienst, maar beslist niet genoodzaakt voortvarend aan veranderingen te werken.


De Gereformeerde synode volgde vanwege de spanningen in de kerken inzake de eredienst een voorzichtige lijn. Ze nam op dit punt maar weinig besluiten en als ze het al deed, dan zocht ze aansluiting bij de bestaande praktijk. In 1902 achtte de synode de vaststelling van de tekst van de klassiek-gereformeerde Liturgie meer een historisch gegeven waarover de wetenschap te oordelen had, dan een opdracht van actuele betekenis waarover zij zich als synode moest uitspreken. Ze kon daarom niet verder gaan dan zich uit te spreken voor de wenselijkheid van het gebruik van een bepaalde editie van de liturgische formulieren. In principe kon de bestaande plaatselijke praktijk worden gehandhaafd. In die praktijk valt onder de predikanten een groeiende consensus waar te nemen over het onverkort en uitsluitend gebruik van de Liturgie bij de kerkelijke plechtigheden. Tevens werd in het liturgisch onderwijs de tendens zichtbaar een sterker accent te leggen op de positie en rol van de predikant in de eredienst, dan Kuyper had gedaan. Voor een deel lag de kiem van deze ontwikkeling bij Kuyper zelf. Die had de liturgiek encyclopedisch ingedeeld bij de didascalische vakken, hetgeen bovendien tot gevolg had, dat het leerstellige en rationele element in de eredienst steeds dominanter werd. Toch leidden zowel het voorzichtig naar elkaar toebuigen van liturgische regels en bestaande praktijk door de synode als de veranderde houding van met name predikanten ten opzichte van die regels ertoe, dat de liturgische praktijk voor een steeds groter deel kerkelijk vastgesteld was. Zo ging de Gereformeerde eredienst steeds meer lijken op hetgeen Kuyper zich er althans wat het principe betreft van had voorgesteld.



     [1]        A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerd­heid III, Amsterdam 1894, 485 (citaat in deze en volgende zin). Vgl. Kuyper, "De Eeredienst", 91. Vgl. ook: Ph.J. Hoedemaker, De herleving, 26, die de vorm omschrijft als "de natuurlijke uiting van onze gemoeds­toe­stand" en hem daarom van onderge­schikt belang acht.

     [2]        Kuyper, Encyclopaedie III, 486 (citaat).

     [3]        Kuyper, Tractaat, 75v. Vgl. Kuyper, Encyclopaedie III, 516v.

     [4]        Kuyper, Encyclopaedie III, 515.

     [5]        Ibidem, 517. Vgl. Kuyper, De menschwording, 14.

     [6]        Kuyper, Encyclopaedie III, 486 (citaat). Vgl. met name Kuyper, Trac­taat, 74, waar Woord en sacrament als genademiddelen uit­druk­kelijk gelijk worden gesteld. Die gedachte is in de Ency­clo­paedie geheel verdwe­nen.

     [7]          De Heraut nr. 1095 (18 december 1898) (citaat in deze en de volgende zin). Kuyper liet de rede, die op 6 december 1898 in Philadelphia in het Engels werd uitgesproken, dus al voor zijn thuiskomst op oudejaarsdag voor het thuisfront afdrukken. De uitgave van de Engelse tekst onder de titel The antithesis between Symbolism and Revelation. Lecture delivered before the Historical Presbyterian Society in Philadelphia, PA. (Amsterdam-Pretoria-Edingburgh z.j.[1899]) verscheen ruim een half jaar later (Rullmann, Kuyper-Bibliographie III, 162 - 168).

     [8]           De Heraut nr. 1096 (25 december 1898) (citaat).

     [9]        Vgl. Rullmann, Kuyper-Bibliographie III, 168 - 180, met name 170v. Vgl. A. Kuyper, Calvinism.  Six Stone-lectures, Amsterdam-Pretoria z.j. [1899], 189 - 230 ("Calvinism and Art"). Zie voor citaat in volgende zin: De Heraut nr. 1096 (25 december 1898).

     [10]  Vgl. voor het liturgisch erfgoed van A Lasco hieronder blz. 75 - 78.

     [11]  H.H. Kuyper (1864 - 1945) stud. theol. VU 1883, dr. theol. 1891, Geref. pred. Baarn 1891, Leeuwarden 1896, hoog­l. VU 1900 - 1940 (emer.). Constanten in de leerop­dracht van H.H. Kuyper aan de VU waren de ency­clopedie en de kerkgeschiede­nis. Vanaf 1911 ver­schenen weke­lijks artikelen van zijn hand in De Heraut over tal van zaken betreffende het kerkelijk leven. Hij was er op gebrand de erfenis van zijn vader te bewaren en volgde daarom een gema­tigde koers (BLGNP III, 233 - 236).

     [12]  Zie bijlage A2.

     [13]  P. Biesterveld (1863 - 1908) stud. theol. Kampen 1880, Chr. Geref. pred. Sexbierum 1883, Go­rinchem 1885, Rotter­dam 1890, hoogl. Kampen 1894, VU 1902 (BLGNP III, 41v).

     [14]  Voor het contact dat Biesterveld over het ontwerp van zijn inauguratie met Kuyper had, zie: J. Vree, "Hoe de citadel ontstond. De consolidatie der Vereniging 1892 - 1905", in: L.J. Wolthuis e.a. (red.), De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis, Kampen 1992, 113 - 160, 121.

     [15]  Zie bijlage A1.

     [16]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1893 (Dordrecht), art. 197.

     [17]   Vgl. bijvoorbeeld: Kuyper, Tractaat, 76v; E Voto IV, 344; De Heraut nrs. 1046 en 1047 (resp. 9 en 16 januari 1898).

     [18]  M. van den Boom (1849 - 1927) stud. theol. Kampen 1870, Chr. Geref. pred. Hardinx­veld 1876, Vollenhove (Ambt) 1884, Dussen 1891, Capelle aan den IJssel 1892, Ouder­kerk aan den Amstel 1896 - 1916 (emer.) (De Haas, Voorgangers II, 41v). 

     [19]  A. de Kievit (red), Uit het duister. 100 jaar kerk­ge­schie­denis Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel z.j. [1988], 26, 65, 67v en 71. Met name moet genoemd worden H. Stam (1838 - 1916), die aanvankelijk als oefenaar optrad in de omgeving van Capelle en in 1896 door B. Sterkenburg (1809 - 1900) in het ambt van predikant bevestigd werd. Zie over de laatste: F.L. Bos, Kruisdominees. Figuren uit de Gereformeer­de Kerk onder 't Kruis, Kampen 1953, 81 - 97.

     [20]  Notulen kerkeraad d.d. 31 december 1895 (citaat) - thans in: Archief Gerefor­meerde Kerk (Vrijge­maakt) te Capelle a/d IJssel.

     [21]  Notulen classis d.d. 19 mei 1896 (citaat) - GA Rotterdam, Archief Classis Rotterdam GKN.

     [22]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1896 (Middelburg), art. 42 (citaat). De notulen van de particuliere synode Zuid-Holland (GA 's-Gravenhage) zijn ten gevolge van waterschade niet meer te raadple­gen. Vgl. het verslag van deze verga­dering in Het Kerkblad 5 (1896), 154v. Vgl. verder H.H. Kuyper, Is de authentieke tekst der Liturgie in 1586 of in 1619 vastgesteld? Antwoord aan dr. L.A. van Lan­geraad op diens De tekst van de Litur­gie der Nederland­sche Gereformeerde Kerken, Amsterdam 1902, waar de begrippen offi­ciële uitgave en authentieke tekst zeer dicht bij elkaar blij­ken te liggen, zo niet identiek zijn.

     [23]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1896 (Middelburg), art. 43 (citaat). Vgl. hierboven blz. 49, 53 en 58.

     [24]  Ibidem, art. 116.  En voor de on­derhavi­ge passage in het rapport van de zendingsdeputaten, onder wie Kuy­per: ibidem (pag. 67v). Vgl. verder Kuyper, Trac­taat, 109.

     [25]  H.H. Kuyper verdedigde het jaartal 1619 (bijvoor­beeld in: De Post-acta of de nahandelingen van de Nati­onale Synode van Dordrecht in 1618 en 1619 gehouden (...), een historische studie door H.H. Kuyper, Am­sterdam-Pretoria z.j. [1899], 391 - 412).

     [26]  F.L. Rutgers (1836 - 1917) stud. theol. Leiden 1853, dr. theol. 1860, Herv. pred. Soesterberg 1860, Eibergen 1865, Brummen 1867, Vlissingen 1874, 's-Hertogenbosch 1877, Amsterdam 1878, hoog­l. VU 1879 - 1910 (emer.). Rutgers heeft een belang­rijk aandeel gehad in de stich­ting van de VU. Weten­schappelijk maakte hij zich ver­dien­ste­lijk op het terrein van de kerkge­schiede­nis en vooral het kerkrecht. Hij was een be­langrijk pleitbezorger van de zelf­standigheid van de plaatse­lijke kerk (BLGNP I, 303v). Voor de hulp van H.H. Kuyper zie diens inleiding in: De Post-acta, XI.

     [27]  F.L. Rutgers aan A. Kuyper d.d. 30 mei 1896 - Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) te Amsterdam (= HDC), Archief Kuyper, nr. 5819.

     [28]   Vorige regel: De berijmde Psalmen (ed. Rutgers), 71. Deze regel: ibidem, 71 - rechtsonder, noot 1.

     [29]  "Onze Eeredienst" geheten van 31 oktober 1897 tot en met 7 janua­ri 1900 (De Heraut, nrs. 1036 - 1150).

     [30]  Kuyper, Onze Eeredienst, 5, maakt melding van "een vijftig­tal nieuwe artikelen". Dit blijkt onjuist, evenals andere gegevens uit het voorwoord. Zo brak de serie artikelen in De Heraut niet in juli 1901 af. De reeks heette toen al meer dan een jaar niet meer "Onze Eeredienst" (zie vorige noot). En de dagteke­ning 1 augustus 1911 ver­meldt ten onrechte als plaats 's Gravenhage, omdat Kuyper op dat moment in Duitsland verbleef.

     [31]  Kuyper, Onze Eeredienst, 40 (citaat in vorige en deze regel).

     [32]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1899 (Groningen), art. 10 (citaat).

     [33]  A.G. Honig (1864 - 1940) stud. theol. VU, dr. theol. 1892, Geref. pred. Oudshoorn 1892, Zeist 1894, hoogl. Kampen 1903 - 1934 (emer.). Honig kreeg in Kampen de moeilijke taak de naar de VU vertrokken Bavinck op te volgen. Hij stond er om bekend door zijn milde houding de goede verstandhouding tussen de beide Gereformeerde oplei­dingsinstituten te hebben vergroot (De Haas, Voorgangers III, 101v).

             C. van Proosdij (1859 - 1915) stud. theol. Kampen 1877, Chr. Geref. pred. Stroobos 1881, Hallum 1883, Baarn 1890, Leiden 1893, Amsterdam 1899 (ibidem, 217 - 219). Vgl. voor de verhouding met Kuyper: J. Vree, "Brieven aan A. Kuyper als bron van informatie over het leven in de Gereformeer­de Kerken in de jaren 1892 - 1901", in: Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis van de 19e eeuw 37 (1992), 35 - 50, met name 39.

     [34]  Hand. Syn. Herv. Kerk 1892, 13v, 114, 407 - 425, 428v (vgl. ook bijlage A, 157 - 163); Ibidem 1893, 476, 523 (vgl. bijlage A, 155; bijlage B, 247). J.G.R. Acquoy (1829 - 1896) stud. theol. Amsterdam 1850, dr. theol. Leiden 1857, ler. Hebreeuws Amsterdam 1854, Herv. pred. Eerbeek 1858, Koog aan de Zaan 1861, Zaltbommel 1863,  hoogl. Leiden (kerkel.) 1878 (gew. 1881). Acquoy behoorde aanvan­kelijk tot de Groninger richting, later tot de moderne. Hij heeft zich vooral gericht op de beoefening van de kerkgeschiedenis, in het bijzonder van het geestelijk lied en de kerkmuziek (BLGNP II, 11 - 13).

     [35]  Hand. Syn. Herv. Kerk 1896, 14 (citaat). A.W. Bronsveld (1839 - 1924) stud. theol. Utrecht 1856, dr. theol. 1862, Herv. pred. Ophemert 1862, Charlois 1866, Haarlem 1868, Utrecht 1880 - 1915 (emer.). Brons­veld nam in de NHK een eigen positie in, rekende zich met enig voorbe­houd tot de ethisch-irenische rich­ting. Hoewel aanvanke­lijk met Kuyper bevriend, raakte hij in de loop van de jaren zeven­tig van de vorige eeuw steeds verder van hem verwij­derd (BGLNP II, 100 - 103).

     [36]  Zie voor het verdere verloop: Hand. Syn. Herv. Kerk 1896, 146v, 234vv; ibidem 1897, 58, 256vv, en bijlage B, 185 - 193; ibidem 1898, 67vv.

     [37]  Volgens de stukken die in ibidem 1898 zijn opgeno­men (zie vorige noot) zou M.A. Gooszen door de synode alleen worden aangezocht voor de uitgave van de Catechismus. M.A. Gooszen (1837 - 1916) stud. theol. Gronin­gen 1856, Herv. pred. Wilnis 1861, Dwingelo 1865, Emmen 1867, Veendam 1869, Schiedam 1872, hoogl. Leiden 1878 - 1907 (e­mer.). Tijdens zijn studie werd Gooszen beïnvloed door de Groninger rich­ting. Hij zocht in zijn werk in de kerk en aan de academie een middenweg tus­sen moder­nisme en orthodoxie (BWPGN III, 303 - 305).

     [38]  H.H. Kuyper, De authentieke tekst der Liturgische Ge­schrif­ten gehandhaafd tegen M.A. Gooszen, Amsterdam 1901; L.A. van Lange­raad, De tekst van de Liturgie der Nederland­sche Gereformeerde Kerken, Leiden 1901. L.A. van Langeraad (1855 - 1913) stud. theol. Leiden 1877, dr. theol. 1884, Herv. pred. Nieuwveen 1883, Stolwijk 1887, Lekkerkerk 1895. Van Langeraad legde zich toe op de studie van de kerkgeschiedenis. Hij bekende zich tot de moderne richting (BWPGN V, 540 - 544).

     [39]   J.N. Bakhuizen van den Brink, "De tekst van de belijdenisgeschriften en van de liturgische formulieren der Nederlandse Hervormde Kerk", in: NedAK 40 (1954), 207 - 250, met name 207 - 220 (217).

     [40]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1902 (Arnhem), bijlage D 1.

     [41]  Ibidem (citaat).

     [42]  Ibidem, art. 24.

     [43]  Ibidem, bijlage D 2 (citaat).

     [44]  H. Hoekstra (1852 - 1915) stud. theol. Utrecht, Herv. pred. Idsegahuizum 1879, Berlikum 1881, Utrecht 1885, Geref. pred. Utrecht 1887, Kollum 1892, Schiedam 1894, Arnhem 1898. Voor de beoorde­ling van Hoekstra's ingrijpen is van belang te weten, dat hij getypeerd is als "een harmonische persoon­lijk­heid". Hij ver­vulde vanaf de Doleantie uiteenlopende kerkelijke func­ties op landelijk niveau (De Haas, Voorgangers II, 144 - 148). 

     [45]  Zie, ook voor het vervolg: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1902 (Arnhem), art. 26 (citaat in deze en volgende regels).

     [46]  Zie hieronder blz. 104.

     [47]  H. Bavinck, "De tekst onzer Liturgie", in: De Bazuin 50 (1902), nr. 2 (citaat).

     [48]   De Heraut nr. 1289 (14 september 1902) (citaat); Kuyper Onze Eeredienst, 384.

     [49]  H.H. Barger (1855 - 1939) stud. theol. Utrecht 1874, Herv. pred. Kerkwerve 1880, Leusden 1884, Vlaardingen 1887, Bloemendaal 1893, Utrecht 1898 - 1931 (emer.). "B. vertegenwoordigde op originele wijze de ethische richting; juist daarom kon hij zich maar moeilijk vinden in een vereniging van ethischen" (BLGNP I, 39v).

     [50]  Biesterveld, Het Gereformeerde Kerkboek (1903), 5v.

     [51]  Ibidem, 166v. Op dit punt onderscheidde Biesterveld zich eveneens van Barger, die het karakter van de Liturgie weliswaar wilde handhaven, maar geen heil zag in een verplichting tot het woordelijk gebruik ervan (H.H. Barger, Ons Kerkboek, 1e dr. Groningen 1900, 255 - 277). Indirect blijkt ook, dat Barger geen absoluut bezwaar had tegen dooptoespraken naast het formulier (Barger, Ons Kerkboek, 228).

     [52]  Biesterveld, Het Gereformeerde Kerkboek (1903), 168 (citaat).

     [53]  Citaat bij: Kuyper, Encyclopaedie III, 518. Zie voor Bies­ter­veld: Het Object der Ambtelijke Vakken, Wageningen 1902, 35v.

     [54]  Collegedictaat van W.L. Korfker, eerste schrift, 47 (citaat) - HDC, Collegedictaten VU, nr. 1. Vgl. Kuyper, Ency­clopae­die III, 485v, die al wees op het gevaar van deze eenzijdig­heid. Vgl. bijlage A2.

     [55]  H. Bouwman (1863 - 1933) stud. theol. Kampen 1886, VU 1887, dr. theol. 1899, Geref. pred. Berlikum 1893, Hattem 1897, hoogl. Kampen 1903. Bouwman promoveer­de op een oudtes­tamentisch onderwerp. In Kampen zou het zwaartepunt in zijn inte­resse zich verleggen naar kerkgeschie­denis en kerkrecht, de belangrijkste vakken uit zijn leeropdracht (De Haas, Voorgangers III, 35 - 37).

     [56]  Vgl. bijlage A1.

     [57]  E.F. Kruijf (1834 - 1914) stud. theol. Utrecht 1862, Herv. pred. Hijlaard 1868, Velp 1872, Leeuwarden 1875, hoog­l. Groningen 1878 - 1905 (emer.) (BWPGN V, 282 - 285).

     [58]  Zie voor een beschrijving van dit proces: J. Vree, "Hoe de citadel".

     [59]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1905 (Utrecht), art. 67 en 72; bijlage XL en XLa.

     [60]  Ibidem, zowel bijlage XL als XLa (citaat).

     [61]  B. Wielenga (1873 - 1949) stud. theol. Kampen 1893, Heidelberg 1897, dr. theol. 1899, Geref. pred. Westmaas 1899, Arnhem 1902, Amsterdam 1911 - 1940 (emer.). Wielenga werd in Kampen sterk beïnvloed door H. Bavinck. Hij ontwikkelde een grote belangstelling voor cultuurvragen. Na de scheuring ten gevolge van de kwestie-Geelkerken in 1926 hield hij zich af­zijdig van het openbare kerkelijk leven. Wielenga zette zich in voor de nog te beschrijven Kring (...) Kerkgezang en de Stichting (...) Psalm­gezang (zie voor deze groepen hieronder resp. vanaf blz. 89 en 129). In het kader van deze studie zijn naast zijn publikatie over het doopformulier inte­ressant Ons Huwelijks­formulier, Kampen 1909, en Ons Avondmaals­formu­lier, Kampen 1913 (vgl. BLGNP III, 399vv).

     [62]  Wielenga, Ons Doopsformulier, 12 (citaat). Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1896 (Middel­burg), art. 44. Zie voor de betekenis van A en B hierboven blz. 61.

     [63]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1902 (Arnhem), art. 192.

     [64]  Biesterveld, Het Kerkboek (1903), 166 (citaat).

     [65]  Wielenga, Ons Doopformulier, resp. 343v en 317 - 326. Overi­gens had ook Kuyper in een eerder stadium al tot voor­zichtig­heid gemaand inzake de vroegdoop (Kuyper, E Voto III, 63v).

     [66]  A.H. van Minnen, De Gereformeerde Eeredienst, 's-Gra­venzande 1908, 49. A.H. van Minnen (1866 - 1947) stud. theol. Kampen 1888, Geref. pred. Zaamslag A 1892, 's-Gravezande 1897 - 1938 (emer.). Van Minnen heeft zich ingezet voor de verbetering van het kerkgezang, onder meer voor de gezangen, maar vooral voor de psalmen (De Haas, Voorgangers V, 57v).

     [67]  Vgl. K.W. de Jong, "Gerretsens 'Litur­gie' (1911) in perspec­tief", in: JLO 9 (1993), 25 - 63.

     [68]  J.H. Gerretsen, Liturgie, 1e dr. Nijmegen 1911, 3. J.H. Gerretsen (1867 - 1923) stud. theol. Ut­recht 1885, dr. theol. 1891, Herv. pred. Lopik 1891, Dedemsvaart 1895, 's-Gravenhage 1898 - 1919 (emer.). Gerretsen richtte zich aan­vankelijk op de kerk­ge­schiede­nis, later ster­ker op de dog­ma­tiek. Hij rekende zichzelf tot de ethischen (BLGNP III, 132 - 135). M. van Woensel Kooy (1875 - 1934) was werkzaam als Hervormd evange­liste in Bussum, mede bekend om haar activitei­ten in de jeugd­kapel aldaar. Ze behoorde tot de oprichters van de Liturgische Kring aan het begin van de jaren twintig van deze eeuw (Christelijke Encyclopedie 6, 643v).

     [69]  De Schatkamer (= SK) 5 (1911), 180.

     [70]  Zie onder meer: De Jong, "Gerretsens 'liturgie'", 41 - 44 en 52.

     [71]  Zie voor de verhouding tussen de orde van Kuyper en die van A Lasco met name blz. 76v.

     [72]  SK 5 (1911), 181.

     [73]  Hij zou als honorarium het aanzien­lijke bedrag van fl. 1950,-- ontvangen (contract tussen J.H. Kok en A. Kuyper d.d. 26 juni 1911 - HDC, Archief Kuyper, F 1; op dezelfde plaats bevindt zich een verklaring van J.H. Kok d.d. 1 juli 1913, dat 2000 exemplaren zijn gedrukt, benevens 100 presentie- en recensie-exemplaren).

     [74]  Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 174 en 278. Vgl. hierboven blz. 61 - 70.

     [75]  Ibidem, 513v en 556v.

     [76]  Kuyper, Encyclopaedie III, 518.

     [77]  Kuyper, Onze Eeredienst, 20 (citaat). Vgl. ibidem, 19v.

     [78]  Ibidem, 25.

     [79]  Zie hierboven blz. 62v. Kuyper heeft eerst in de artikelenserie in de De Heraut over deze materie geschreven (nr. 1049 - 1052, januari/februari 1898; vgl. Onze Eeredienst, 73 - 91) en zijn bevindingen vervolgens verwerkt in de redevoeringen die hij in Noord-Amerika hield.

     [80]  Kuyper, Onze Eeredienst, 76 (citaat). Vgl. bijvoorbeeld ibidem, 351.

     [81]  De Heraut nr. 1096 (25 december 1898) (citaat). Vgl. hierboven blz. 62v.

     [82]  Vgl. Van de Kamp, "Liturgische bewustwording", 171v.

     [83]  Hoewel Kuyper heel goed wist, dat de orde van A Las­co geen votum kende (Kuyper, "De Eeredienst", 88v), gebruikt hij A Lasco om het voorschrijven van juist een votum als goed Gere­for­meerd te verant­woorden (Kuyper, Onze Eeredienst, 179).

     [84]  Zie voor de reconstructie daarvan hierboven op blz. 66.

     [85]  Kuyper, Onze Eeredienst, 207.

     [86]  Ibidem, 244v.

     [87]  Ibidem, 212 - 217. Vgl. Van de Kamp, "Liturgische be­wust­wor­ding", 172.

     [88]  Manuscript - HDC, Archief Kuyper, G 7, 4. Het manuscript van deze twee artikelen is geschei­den opgeborgen van de ove­rige artike­len uit 1911 en in de plaatsingslijst ten on­rechte gedateerd met 1881/1882. Ze zijn zeker uit 1911 af­kom­stig, omdat ze in het­zelfde hand­schrift al de numme­ring van de uit­eindelijke bundel dragen. Het manuscript van de artikelen XCIV - XCVII, CIV - CIII en CXXIII - CXXIX (nummering zie Onze Eere­dienst) bevindt zich in: HDC, Archief Kuyper, E 1a, 2.

     [89]   Kuyper, Onze Eeredienst, resp. 215 en 216 (citaten).

     [90]  Kuyper, Onze Eeredienst, 397v.

     [91]  Ibidem, 492v. Kuyper vat hier 'the order of the administration of the Lord's supper or Holy Communion' uit het 'Book of Common Prayer' samen en biedt een eigen variant.

     [92]  Kuyper, Onze Eeredienst, 40, 443v, 492v en 523, te ver­gelij­ken met ibidem, 464v en 479. Vgl. voor Kuypers voorkeur voor een wekelijkse avondmaalsviering hierboven blz. 45.

     [93]  J.F. Lescrauwaet, De liturgische beweging onder de Nederlandse Hervormden in oecumenisch perspectief. Een fenomenologische en kritische studie, Bussum 1957, 76v (vgl. Van de Kamp, "Liturgische bewust­wording", 173v).

     [94]  Vgl. ook Kuyper, Onze Eeredienst, 105, 204 en 531v. In zijn Encyclopaedie had Kuyper terughoudend over het sacrament gesproken (vgl. hierboven blz. 61v).

     [95]  Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 175 en 270 met ibidem, 490v.

     [96]  Kuyper, "De Eeredienst", 89v (waardering), 90v (kri­tisch, maar met begrip voor latere ontwikkelin­gen: "een een­zijdig­heid, waar kracht in lag").

     [97]  Kuyper, Onze Eeredienst, resp. 38 en 39 (citaten).

     [98]  Ibidem, 318 (citaat). Vgl. ibidem, 275vv, waar Kuyper spreekt van "Liturgische orde" (275) en dat in het vervolg uitwerkt met begrippen als regel of regeling.

     [99]  Van Oosterzee, Practische Theologie II, 97 (citaat). Vgl. bijvoorbeeld: Marten Micron. De Christlicke Ordinancien der Nederlantscher Ghemeinten te Londen (1554), opnieuw uitgegeven en van een inleiding voorzien door W.F. Dankbaar, 's-Gravenhage 1956, 58: "Van de orden en de wyse der predicatien, ende ghemein ghebeden."; Joannis a Lasco Opera tam edita quam inedita, ed. A. Kuyper, 2 dln., Amsterdam-'s-Gravenhage 1866: II, 81: "De ritu atque ordine".

     [100] Vgl. Kruijf, Liturgiek, 256 - 271. Kruijf gebruikt bij Calvijn en A Lasco wel het woord orde. Die heeft dan zeker in de bespreking van Calvijn niet alleen betrekking op een bepaalde opeenvolging van de onderdelen, maar eveneens op de invulling ervan.

     [101] T. Bos in: De Wachter 9 (1910-11), nr. 52. T. Bos (1846 - 1916) stud. theol. Kampen 1865, Meeden 1868, Midwolda 1874, Harlingen 1877, Bedum 1882, Dokkum 1901 - 1914 (emer.). Bos was een van de predikanten, die in de pasto­rie veel tijd aan studie bleef besteden. Dogmatiek, kerkge­schiedenis en ook de talen hadden daarbij de aandacht. Bos is bekend geworden door zijn strijd voor het behoud van het eigene van de Christelijke Gereformeerde Kerk, onder meer van de Kamper opleiding (De Haas, Voorgangers II, 43 - 45). Voor de confronta­tie met Kuyper op de synode van Middelburg 1896: Vree, "Hoe de citadel", 123 - 128.

     [102] Tj. Hoekstra, Bespreking van Onze Eeredienst door A. Kuyper, in: GTT 13 (1912-13), 300 - 303. Tj. Hoekstra (1880 - 1936) stud. theol. Kampen 1899, stud. filos. Heidelberg 1903, dr. filos. 1906, Geref. pred. Hazerswoude 1906, 's-Hertogenbosch 1908, hoogl. Kampen 1913. De verdienste van Hoekstra als hoogleraar bestond uit de uitbouw van de ambtelijke vakken - met name de homiletiek - waarvan de colleges sinds het vertrek van Bies­terveld in 1902 door de andere docenten waren waar­genomen (BLGNP III, 186v).

     [103] De Heraut nr. 1766 (5 november 1911).

     [104] De Bazuin 59 (1911), nr. 45 (citaat). Vgl. Kuyper, Onze Eere­dienst, bijvoorbeeld 278 en 556v.

     [105] Hollandia, nr. 1186 (25 november 1911). J.C. Sikkel (1855 - 1920) stud. theol. Utrecht 1878, Herv. pred. Kapelle-Biezelinge 1883, Hijlaard 1885, Ge­ref. pred. 1887, 's-Gravenha­ge 1888, Amsterdam 1899. Sikkel stond bekend om zijn grote zorg voor de belijdenis (BLGNP I, 342v).

     [106] Hollandia nr. 1193 (13 januari 1912).

     [107] De Heraut nr. 1766 (5 november 1911), resp. De He­raut nr. 1769 (26 november 1911).

     [108] De Bazuin 59 (1911), nr. 45 (citaat).

     [109] Ibidem (1911), nrs. 46 en 48.

     [110] De Wachter 9 (1910-11), nr. 52.

     [111] SK 6 (1912), 6 (citaat). Vgl. SK 5 (1911), 198. J.H. Gunning J.Hzn. (1858 - 1940) stud. theol. Utrecht 1876, dr. theol. 1881, Herv. pred. Wilhelminadorp 1881, Bennebroek 1884, Gouda 1887, Leiden 1891, Utrecht 1894, pred.-dir. diaconessenhuis Haarlem 1913, evangelisatiepred. Apeldoorn 1916, Herv. pred. Serooskerke 1920 - 1924 (emer.). Gunning had reeds in 1890 zijn Onze Eeredienst het licht doen zien (BLGNP III, 156 - 159).

     [112] SK 5 (1911), 196. Vgl. Gunnings waardering voor Onze Eere­dienst in: Ons Tijd­schrift 16 (1911), 761 - 781.

     [113] Kuyper, Encyclopaedie III, 482 (citaat).

     [114] Bij Hoekstra draait het in de liturgiek om de ele­menten in de eredienst, waarbij de dienaar des Woords de lei­ding heeft. Hij is van mening, dat Kuyper in Onze Ee­re­dienst ten onrechte onderwerpen als het gebed behandelt (Tj. Hoekstra, Dictaat Liturgiek, z.p. z.j., 2).