5.         Vernieuwing omwille van de eenheid (1911 - 1933)

 

 

Na de consolidatie van het verenigingsproces van de Gerefor­meerde Kerken door de synode van Utrecht 1905 kwam als vanzelf de vraag op, hoe het verder moest. In de loop van de volgende decennia werd hier­op verschillend geantwoord. In zijn artikel Gefnuikte vernieu­wing situeert D.Th. Kuiper het ontstaan van meer behoudende en meer ver­nieuwende groeperingen in de Gere­formeerde Kerken tussen de jaren 1910 en 1913.[1] Toen werden conferenties gehouden over soci­ale pro­blemen, evangelisatie in de grote steden en pedagogische vraag­stuk­ken. Wat betreft de liturgische ontwikkelingen past daar het jaar­tal 1911 met onder meer Kuypers Onze Eeredienst keurig in. In de loop van de volgende jaren kreeg de drang naar vernieu­wing van het kerkelijk leven en herbezinning op tal van kerke­lijke en maat­schappelijke vraagstukken in de Gereformeerde Kerken vorm in de zogenaamde 'beweging der jongeren'. De hervor­ming van de eredienst in al zijn facetten behoorde tot de wensen van deze beweging, maar dat gold ten dele ook voor anderen die zich beslist niet tot de jongeren wilden rekenen. Sociologisch onderzoek heeft aangetoond, dat in het stadium van het emancipatie-proces waarin het Gereformeerde volksdeel zich op dat moment bevond, de resultaten van vrijwel elke vorm van vernieuwing niet anders dan bescheiden konden zijn.[2] Voorop stonden namelijk de interne eenheid en de versterking van het eigen volksdeel.

De vernieuwing van de eredienst manifesteerde zich tussen 1911 en 1933 met name in twee onderwer­pen, de uitbreiding van de Eenige Gezangen en de synodaal vastgestelde orde van dienst. Daarnaast werd ook de klassiek-gereformeerde Liturgie aan een herziening onderworpen, maar het aantal wijzigingen bleef beperkt. Het accent ligt in dit hoofdstuk op het gezangenvraagstuk. Op dit punt zorgde de synode van Middelburg 1933 voor een welhaast principiële door­braak, zij het van een beperkte omvang. De aanbe­veling van een orde van dienst was eveneens nieuw, maar deze orde was in feite de weer­gave van de bestaande situatie in de meeste plaatselijke kerken.

 

 

5.1         Onvoldoende draagvlak voor liturgische vernieuwing (1911 - 1914)

 

Gezangen


Zowel in de traditie van de Afscheiding als van de Doleantie bestond er verzet tegen de gezangen. Onder de afgescheidenen spitste dit zich aanvankelijk vooral toe op de verplichting in de Hervormde Kerk om in elke dienst tenminste één gezangvers op te geven. Daarach­ter lagen inhou­delijke bezwaren tegen een groot aantal gezangen. Onder de doleren­den richtten de bezwaren zich met name op de onwettige invoering van de Evangelische Gezangen. In beide tradi­ties wees men er op, dat gezan­gen veelal opkwamen in een tijd van geestelijke deformatie en het gebruik van de psalmen in de eredienst er in het verleden steeds door onder druk kwam te staan. Daardoorheen speelden prakti­sche argumenten als de te verwachten commotie en de mogelijke verdeeld­heid bij de invoering van nieuwe gezangen een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol om tegen de invoe­ring ervan te pleiten. Na de Vereniging van 1892 stond de discussie over de gezangen twee decennia lang op een laag pitje.[3] De voors en tegens van nieuwe gezangen werden met enige regelmaat in de kerkelijke pers uiteengezet. Maar tot een brede en uitvoerige ge­dach­tenwisseling kwam het niet.


In De Heraut van 7 april 1912 doorbrak H.H. Kuyper de rust met een artikel, dat als volgt begon. "Volgens een bericht, dat dezer dagen in de pers de ronde deed en, naar uit geloof­waardi­ge bron ons gemeld wordt, juist is, zou een groep van jonge predikanten in onze Kerken zich bezig houden met de saamstelling van een gezangenbundel, dien ze aan de eerstkomende Synode willen aanbieden, opdat deze die ge­zangen in onzen eeredienst zou invoeren."[4] Het is niet te achterha­len, aan welk bericht Kuyper refereerde. Dat was ook voor tijdgeno­ten niet mogelijk. In De Wachter twijfelde W.D. Renkema enkele weken later zelfs open­lijk aan het waar­heidsgehalte van Kuypers bericht. Hij deed de sug­gestie, dat Kuyper zich baseerde op een pleidooi van de "Poort­wach­ter" - pseudoniem van S. Huis­mans - in het Friesch Kerk­blad van het late najaar 1911.[5] Vermoedelijk had hij hierin ge­lijk. Uit andere bronnen blijkt, dat Huismans' plan­nen heeft gehad om de voor­standers van de gezangen op een of andere wijze te vereni­gen en een proef­bundel samen te stellen.[6] Het is waarschijnlijk, dat H.H. Kuyper met zijn sugges­tie van een te verwachten proefbundel de zaak op scherp heeft willen stellen en reacties heeft willen uitlokken. Zeker is, dat hij met zijn stel­lingname heel wat pennen los maakte, zowel van voor- als tegen­stan­ders.[7] Zelf stelt hij in De Heraut: "Onze Kerken zijn toch zeker niet rijp om over dit be­lang­rijke vraagstuk thans een beslis­sing te ne­men."[8] Eerst zal volgens hem een discussie dienen plaats te vinden in de pers. Ver­volgens moet langs de kerke­lijke weg een voorstel worden ingediend. En invoering van een gezang­bun­del kan alleen dan plaatsvinden, als er "overeenstem-ming van ziens­wijze in onze Kerken verkregen is. En deze overeenstemming is er thans niet."

De Gereformeerde kerk van Brussel, ondersteund door de classis Dor­drecht waartoe ze behoorde, verzocht de synode van 's-Gravenhage 1914 om de wenselijk­heid na te gaan van een bundel "andere Kerk­lie­deren" naast de psal­men.[9] Bij een beves­ti­gend ant­woord zou zij wil­len ver­zoeken voorbe­reidin­gen te treffen tot het samenstel­len en invoe­ren van een derge­lijke bundel. De commissie die de bespreking in de synode voorbereidde wees op het gebrek aan een­stemmig­heid - drie particuliere synoden ver­klaarden zich uitdruk­kelijk tegen het voorstel - en aan urgentie - door de oorlog wenste men zich tot het hoogstnoodzakelij­ke te beper­ken. Tevens overwoog ze, dat de verhouding tot gereformeerden buiten het eigen kerkgenootschap bemoeilijkt zou kunnen worden. Ze stelde daarom voor niet op het voor­stel in te gaan. De synode nam dit standpunt over.[10] Ze verwierp daarmee impli­ciet een verzoek van sy­no­de­lid S. Huis­mans om toch in ieder geval een onder­zoek in te stel­len naar de wenselijk­heid van het "vermeer­deren van Kerkliede­ren". On­danks de afwijzing ging van Huismans' verzoek een positieve werking uit, omdat het was medeon­dertekend door de gezaghebbende hooglera­ren en preadvise­rende leden H. Ba­vinck, L. Linde­boom en A. Kuyper, die daarmee kleur be­kenden.[11] Het woord gezang was in de voorstellen zorgvuldig verme­den. Toch hadden de voorstan­ders geen meerderheid achter zich kunnen krijgen.


De steun van A. Kuyper voor het voorstel van Huismans was het resultaat van een ontwikkeling die zich in het laatste decennium bij hem voltrokken had.[12] In 1898 had hij in Heraut gesteld, dat het moeilijk is om een goed lied te schrijven en er een groot gebrek bestaat aan goede, Gereformeerde dichters. Hij concludeerde toen: "Nu, God kan ons zulke mannen geven, maar Hij gaf ze ons nog niet, en aan het bestellen van zulk een lied valt nog veel minder te denken."[13] In 1911 stelde hij zich veel toeschietelijker op, toen hij juist hier in Onze Eeredienst een van de schaarse aanvullingen op de oorspronkelijke tekst maakte en de volgende zin inlaste: "We hebben voor onze Christelijke feestdagen, we hebben voor de verheffing van onze ziel tot onzen Heiland, we hebben voor de bedie­ning van de Sacra­men­ten, voor de bevestiging van leden en ambtsdra­gers, en zoo ook voor de bevestiging van het Huwe­lijk, eigen liederen dringend van noode, en die zullen ons door Gods gunste te Zijner tijd ook geschonken worden."[14] Nog verder ging hij in 1913, toen hij in nog sterkere, ­welhaast pathetische bewoor­din­gen in De Heraut het gemis in de Gereformeerde Kerken aan gezangen aan de orde stelde: "'t Laat de liefdedrang voor Jezus onvol­daan."[15] Vader A. en zoon H.H. Kuyper namen ten aanzien van de gezangen een verschillend standpunt in. Bij de vader kreeg het ideaal de over­hand. De zoon was bezorgd voor de gevolgen die een gezang­bundel zou hebben voor de rust in de kerken. Vooralsnog zou vooral de stel­lingname van de zoon in de kerken weerklank vinden.[16]

 

Orde van dienst


De synode van 's Gravenhage hield zich niet alleen met de gezangen, maar ook met de orde van dienst bezig. In het voorgaande hoofdstuk is al duidelijk geworden, dat de Gereformeerden mede door het initiatief van Gerretsen bepaald werden bij het bestaan van een zekere orde van dienst en dat dit H.H. Kuyper de aanleiding bood tot het starten van een serie artikelen onder de titel "Onze liturgie".[17] Tot op dat moment gingen voorgangers en gemeenten zonder veel vragen uit van de overgele­verde en gewoon geworden gang van de eredienst. Kuypers artikelenreeks vormde de aanzet tot nieuwe ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken en verdient het daarom nader belicht te worden. Kuyper had met zijn artikelen vooral Gerretsens dienst op het oog en niet de kort daarop verschijnen­de brochure Liturgie. Hij maakt een kritische kantteke­ning bij de ontwik­keling, dat de Gerefor­meerde eredienst in de loop der eeuwen verwor­den was tot een leerdienst.[18] Hij consta­teert, dat de litur­gi­sche praktijk van de Gereformeerde Kerken, afgezien van het ge­bruik van de formulieren, niet overeenkomt met de kerkelijk vastge­stelde Litur­gie.[19] Hij meent daarom, dat de synode óf de bestaande prak­tijk zou moeten sanctione­ren, óf - en dat zou zijn voorkeur hebben - de on­deugdelijkheid daarvan aantonen en een herzie­ning opstel­len.[20] Er zou een grondige studie dienen plaats te vinden van de gegevens van de Schrift, de praktijk van de oud-chris­telijke Kerk met de daarop­volgende verbastering en de Reforma­tie van de middel­eeuwse ere­dienst.[21] Al eerder had hij te kennen gegeven, dat zijns inziens het werk van zijn vader, Onze Eere­dienst, exegetisch en historisch onvoldoende te bieden had.[22]

Van het begin af aan plaatst Kuyper jr. de liturgische vernieuwing in het kader van de noodzaak om de belijdenis uit te breiden en de kerkorde grondig te herzien. Hij bena­drukt, dat de eenheid van li­turgie, die eveneens door verschillende synoden tot en met die van Dordt 1618-19 was nage­streefd, altijd gebaseerd was en nog altijd dient te zijn op de eenheid van belijden.[23] In een enigszins euforische stemming had Kuyper zijn artikelen­reeks geopend met de mededeling, dat "reeds van verschillen­de zijden het bericht tot ons kwam, dat men op de volgende Generale Synode de herziening van onze liturgie ter sprake hoopt te bren­gen".[24] Ver­moe­delijk wilde hij met deze mededeling zijn pleidooi voor een vaste orde van dienst onderstrepen en anderen tot activiteit aanzetten. Het was uiteindelijk alleen de kerk van Brussel, ondersteund door de classis waartoe ze behoorde, die van Dordrecht, die de synode van 's-Gravenhage tezamen met de vraag naar de wenselijkheid van meer gezangen verzocht: "Moet het wensche­lijk en uitvoer­baar worden ge­acht, eene generale regeling voor de inrichting van den openbaren eere­dienst te ontwer­pen en in te voeren?" De synode meen­de, dat er geen dringende redenen waren om op deze algemeen gestelde vraag in te gaan.[25]

 

De synode van 's-Gravenhage 1914 liet de eredienst zoals ze was. Het pleidooi voor een uitgebreidere liturgie dat A. Kuyper in 1911 gevoerd had, vond in een belangrijk deel van de kerken en op de Gereformeerde synode nog geen weerklank. Daarin verschilde de situatie overigens niet van die in de Hervormde Kerk, waar het enthousiasme over Gerretsens liturgische dienst al spoedig was weggeëbd.[26]

 

 

5.2         Verbreding van het draagvlak (1914 - 1920)

 

De Kring van Belangstellenden in de Verrijking van ons Kerkgezang


Lang niet iedereen was in 1914 ingenomen met de afwijzende houding van de synode van 's-Gravenhage inzake de gezangen. Op 22 december 1914, ruim een maand na het besluit, hield Joh. van den Berg een inleiding over de gezangen voor de vrienden­kring van oud-leden der J.V. Timotheüs in Rotterdam.[27] Hoewel er toen nog in het geheel geen sprake was van een zodanige beweging, zette Van den Berg hier inhou­de­lijk de lijnen uit voor de latere Kring van Belangstellen­den in de Verrij­king van ons Kerkgezang (verder: Kring Kerkgezang). Hij stelt, dat de psalmen in de Gere­for­meerde ere­dienst de eerste plaats moeten blijven innemen, maar dat even­eens het gezang "een onmisbaar bestand­deel" is.[28] Voor­al met het oog op de verkon­diging uit het Nieuwe Testament is er "be­hoefte aan geestelijke liederen, waarin de geboren Christus en Zijn werk bezongen wordt."[29] Van den Berg is zich bewust van de his­tori­sche en praktische argumenten tegen de invoering van gezan­gen: "Ook wij zijn de overtuiging toegedaan dat invoering van gezan­gen alleen vrucht kan zijn van algemeen gerijpte overtuiging der Gemeen­te. Geen dwang van bovenaf."[30] Daarmee bevindt hij zich dicht bij het stand­punt van iemand als bij­voorbeeld H.H. Kuyper. Toch meent Van den Berg, dat het al eerder mogelijk zou moeten zijn te komen tot een "geschik­te keurverza­me­ling" van liederen.[31]

 


Samen met enkele Rotterdamse medestanders, C. Besselaar, H. Robijn en M. Smith, begon Van den Berg in mei 1915 voorbereidingen te tref­fen om te komen tot een plaatselijke vereniging, die zou kunnen ijveren voor het invoeren van gezangen in de Gereformeerde Kerken.[32] Na aanvankelijk een afwachtende houding te hebben aangeno­men weigerde de kerkeraad zich met het gezangen­vraagstuk te gaan bezig houden.[33] Het duur­­­de nog een half jaar voor de oprich­ting van de gewenste vereni­ging op 19 november een feit werd.[34] De publiciteit die dit met zich mee­bracht miste haar uitwerking niet. In het voorjaar van 1916 wer­den vervol­gens plaatse­lijke vereni­gingen opgericht in Middelburg en Vlissin­gen, Hoogeveen, Gorin­chem en Delft.[35] Elders vonden vol­gens eigen opgave van de Kring Kerkgezang wel activiteiten plaats, maar werd geen vereni­ging opgericht, bij­voorbeeld in Amsterdam, Haarlem en Rotter­dam-Delfsha­ven.[36] De belangstellenden woonden vooral in het Westen van het land.


Al in een vroeg stadium, januari 1915, hadden de Rotterdamse initia­tiefnemers contact gelegd met de Anjummer predikant S. Huismans. Zoals al duidelijk werd, had hij zich sinds 1911 in de pers en in het bijzonder op de laatstge­houden synode in 1914 voor de gezangen ingezet. Toen de plannen aan het einde van 1915 concre­tere vormen aanna­men, gaf hij zich op als lid. Hij was verder behulpzaam met het aanleve­ren van een lijst met mensen, die benaderd zouden kunnen worden. Hij waarschuwde ook voor H.H. Kuyper, die volgens hem de gevaarlijkste tegenstan­der van de kring zou kunnen zijn.[37] Een ander, die in een vroeg stadium werd geconsulteerd en grote in­vloed zou uitoefenen op de kring was de Kamper hoogleraar L. Lin­de­boom, die al vele jaren bekend stond om zijn positieve houding ten opzichte van de gezangen.[38] Onafhankelijk van Van den Berg en van elkaar pleitten Huis­mans en Lindeboom er in correspondentie met de initiatiefnemers van de kring voor om in eerste instantie een verantwoor­de proef­bundel samen te stellen.[39] Een poging in maart 1916 om H. Bavinck niet alleen in de gelederen op te nemen, maar ook de leiding toe te vertrouwen, mislukte.[40] Ba­vinck uitte volgens Van den Berg de vrees, "dat dan een andere Pro­fessor de leiding zal nemen van een tegenactie"[41]: H.H. Kuyper. Ook in andere vernieuwingsbewegingen verkoos Bavinck het in deze jaren op de achter­grond te blijven.[42] De kring slaagde er niet in op de VU voet aan de grond te krijgen. Ruim een jaar later bedankte ook de hoogleraar P.A.E. Sillevis Smitt voor een verzoek om mee te wer­ken.[43] Was deze net als Bavinck be­ducht voor de invloed van H.H. Kuyper? Vanuit Kampen daarentegen zette niet alleen Lindeboom zich in, maar verklaarde ook zijn schoonzoon en colle­ga Tj. Hoek­stra in 1917 des­ge­vraagd bereid te zijn de kring met zijn advies te die­nen. In het Kamerlid A. Brummelkamp vonden de initiatiefne­mers van de kring in het voorjaar van 1916 een belangrijk medestander.[44] Hij kwam uit een afgescheiden gezin waar relatief positief over het zingen van gezangen gedacht werd. Het werd ons al duidelijk, dat zijn vader geen principieel tegenstander van het zingen van gezangen was. Zijn broer (J.) kreeg in 1865 zijn Tielse kerkeraad mee om via de classis aan de Christelijke Afgeschei­den synode te verzoeken een gezang­bundel voor kerkelijk gebruik samen te stellen.[45] Nu zou A. Brummelkamp jr. het voortouw nemen om te proberen de gezangenkwestie tot een oplossing te brengen. Hij zou de eer­ste jaren van de Kring Kerkgezang als voorzitter fungeren.


Al op de eerste vergadering op 4 mei 1916 tekende zich af, wie het werk van de kring zouden gaan dragen.[46] Uitgenodigd waren de plaatselijke verenigingen, enkele predikanten en andere sympathisan­ten.[47] Actief zouden vooral degenen worden, die in het bestuur, comité genaamd, gekozen werden. Naast de genoemde Rotter­dammers waren dat Brummelkamp, J.G. Geelkerken - op dit moment nog nauwelijks bekend in de Gereformeerde Kerken - en Huismans.[48] De kring vertoonde in de eerstvolgende jaren weinig daadkracht. Er leefden verschillende gedachten over het doel van de kring. Men wilde het aantal gezangen uitbrei­den, maar met welke?[49] Geelkerken stelde zich in het bestuur voorzichtig op. Hij wilde dat de gezangen "uit de klassieke schat der Chr. Kerk" zouden komen. Huismans stond daar lijnrecht tegenover en gaf de voorkeur aan gezangen die "het stempel van onzen tijd" zouden dragen. Brummelkamp nam onder verwijzing naar de situatie in de Engelse kerk een tussenposi­tie in: van beide wat. Toen de kringverga­dering een jaar later, op 3 september 1917, een opdracht formuleerde voor de commissie die een proefbundel moest gaan samenstellen, droeg deze vooral het stempel van Geelker­kens opvatting. Sub a vermeldde ze: "Het verzamelen van liederen uit de klassieke schat der Chris­telijk Kerk, deze zoo noodig te vertalen en op toon te zetten. Hierbij is echter niet uitgesloten dat de commis­sie bevoegd is ge­bruik te maken van nieuw te dichten liede­ren."[50]

Al op de eerste bijeenkomst in mei 1916 werd naast de gezangen ook aandacht gevraagd voor de psalmberijming en de psalmwijzen.[51] Die waren volgens het inzicht van de aanwezigen net zo goed aan ver­nieu­wing toe. De predikantencon­fe­rentie, gehouden op 19 en 20 september van hetzelfde jaar, ver­sterk­te de aandrang om hiermee aan de slag te gaan. Huismans, ook be­stuurslid van de predikan­tenvereni­ging, verdedigde daar de uit­brei­ding van het aantal gezangen. De predikan­tenverga­de­ring oor­deelde, zo valt uit het archief van de kring op te maken, dat een herziening van de psalmberij­ming de voorkeur genoot boven de uit­breiding van de Eenige Gezangen.[52] Voor de kring bleef dit ook na uitvoerig beraad echter op de tweede plaats komen. In de genoem­de opdracht voor de commissie van de proefbundel heette het onder b: "Het verbete­ren van minder geschikte psalm-zang­wijzen en later ook van de berijming van sommige Psalmen, met dien verstande dat vooralsnog de meeste nadruk op sub a worde ge­legd."[53] Hier zou de kring evenwel nooit aan toekomen. Het duurde tot ver in de jaren dertig voor de kerken aan dit vraagstuk daadwerkelijk aandacht gingen besteden.[54]

 


De Kring Kerkgezang wilde meer dan alleen maar een proefbundel op de markt brengen. Zij wilde daarnaast in de kerken de bezinning op het gezan­genvraagstuk op gang bren­gen, onder meer met enkele vlugschriften. Bavinck had geadviseerd ze niet met naam en toenaam te onderteke­nen. Onder die conditie zou ook hijzelf bereid zijn een bijdrage te leveren.[55] Maar hij heeft deze belofte niet waargemaakt. Het eerste vlugschrift is getiteld De dogmatisch-liturgische noodza­ke­lijkheid van het Nieuw-Testamen­tisch kerklied en van de hand van Huismans en verscheen eind 1916 of begin 1917. Het tweede, Een legende geheten en geschreven door Brummel-kamp, kwam ruim een jaar later uit en bestaat net als het eerste uit vier pagina's. Het bevat geen nadere aanduiding over de plaats van uitgave of de drukker. Het handelt over de rol van de gezangen in de Afschei­ding. Het derde, 'In Gods Huis alleen Gods Woord'!? uit 1920, is weer van Huis­mans.[56] Huismans zet­te in het eerste pam­flet hoog in. Hij be­sprak niet de principiële moge­lijk­heid van het zingen van gezangen in de eredienst. Daarvan was menigeen wel over­tuigd. Hij handel­de over de prin­cipi­ële en prakti­sche noodzaak van het zingen van gezangen. Daarover waren in de Gereformeerde Kerken de meningen verdeeld. Daarom spraken Huismans en andere leden van de kring bij voorkeur van het "Nieuw-Testamentisch kerklied" en vermeden ze de term gezang.[57] Het lied van de gemeente mocht "ontleend zijn aan Oud- of Nieuw-Testa­men­tische Schriftge­deel­ten, of ook, het moge zonder aan die Schrif­ten recht­streeks ontleend te zijn, zich stren­gelijk houden, gelijk het behoort, aan de schrif­tuurlijke waarheid in haar geheel, dat doet er niet toe, als het maar Nieuw-Testamen­tisch van toon is."[58] Het is de vraag, of de kring met de vlug­schriften mensen voor zijn zaak heeft gewonnen. Alleen het derde kreeg in de kerkelij­ke pers enige aan­dacht. Dit werd dan ook in een periodiek gepubli­ceerd, vlak voor de synode van Leeuwarden 1920, waarop de zaak aan de orde zou komen.[59]

 


Vrij kort na de start, in de zomer van 1916 verliet men de oorspronkelijke organisatie met plaatselijke verenigingen en werden alle leden lid van de lande­lijke kring. Het waren vooral Geelker­ken en L. Lindeboom die hierop aandrongen om plaatselijk niet teveel onrust te zaaien en om de relatief sterke invloed van de Rotterdamse vereniging enigszins in te perken.[60] Niet alleen groeide in de eerste anderhalf jaar van zijn bestaan in de Kring Kerkgezang de duidelijk­heid over doel en middelen, ook het ledental vertoonde een gestage groei. Op de jaarver­gadering van 3 september 1917 kon de secretaris meedelen, dat de vereniging 133 leden had. Hiervan waren er 22 predikant. Een nader onderzoek van de correspon­dentie van de kring - een ledenadministratie ontbreekt - laat zien, dat de overige leden in het algemeen vrij jong waren, redelijk tot goed ge­schoold, werkzaam in het onderwijs of in betere posities in het be­drijfsleven.[61] Onder de predikanten was een relatief groot deel gepro­moveerd, of zou nog promoveren.[62] Verhoudingsgewijs velen van hen zouden te zijner tijd bij de kerken van het Hersteld Verband terecht komen.[63] Een van hen was H. Hasper, die in de kring echter nooit op de voorgrond is getreden, maar op wie we later nog zullen terugkomen.[64] Anderen moesten onder meer vanwege hun Schriftbeschouwing al voor de vorming van het Hersteld Verband het predikantsambt in de Gereformeer­de Kerken opgeven.[65] Op enkele uitzon­de­ringen na hadden ze aan de Vrije Universiteit hun opleiding geno­ten en het meren­deel had elkaar daar als stu­dent ontmoet.[66] Het is verder interessant, dat een aantal leden van de kring ook bekend stond als voorstan­ders van het vrouwenkies­recht.[67]

 


In de nazomer van 1917 deden zich echter tevens de eerste tekenen voor, dat de nieuwe beweging over haar hoogtepunt heen was. "De bewe­ging is hier op sterven na dood", zo deelde men vanuit Delft mee.[68] Van elders kwamen de eerste bedankjes binnen. Uit de stukken zelf wordt niet duidelijk waarom. Mogelijk had het opheffen van de plaatselij­ke vereni­gin­gen ten gun­ste van de lande­lijke kring in de zomer van 1916 gevolgen voor de betrokkenheid van de individu­ele leden bij het werk. Mogelijk waren sommige leden teleurge­steld, dat er na ander­half jaar en een synode - waarop de zaak overigens niet aan de orde was gesteld - nog geen enkel tastbaar resultaat behaald was. Mogelijk schrok het voorgaan van J.B. Netelenbos op 10 juni 1917 in de Hervormde Gemeente te 's-Graven­hage af.[69] Hij gaf toen naast één psalm alleen maar gezangen op en voedde daarmee de vrees dat een uitge­breide gezangbundel op termijn de psalmen verdringen zou. Het comité van de kring liet hem weten deze han­delwij­ze af te keuren, maar trad hier niet mee in de publiciteit.[70] Een jaar later ver­scheen De critiek der jongeren van J.C. Aal­ders. Het streven van de kring werd daarmee nog eens nadrukkelijk in een breder kader van bezinning en vernieuwing geplaatst. Het gevaar bestond, dat dit streven met de beweging van de jongeren zou worden geïdentificeerd - en afgewe­zen.

 

Het werk van de Kring Kerkgezang kwam ondanks de goede voornemens bij de op­richting al spoedig zo goed als stil te liggen. Op 23 juni 1919 besloot het comité schoon schip te maken en de bundel­commissie op te heffen.[71] De oorzaak hiervan lag in de minimale vorderingen. De directe aanlei­ding was gelegen in de kerke­lijke procedure tegen Netelenbos, lid van de commis­sie. Men was bang, dat zijn persoon het werk van de kring zou kunnen schaden.[72] Zonder de openlijke confronta­tie aan te gaan, wilde men hem op deze wijze kwijtra­ken. Geelkerken, na de dood van Brum­melkamp waar­nemend voorzitter, verzette zich hier ver­geefs tegen.[73] Het comité vertrouwde het verzamelen van de liederen voor de bundel vervolgens toe aan H.J. Tollig, geassisteerd door G.G. van As. Zij brachten in de zomer van 1919 106 liederen bijeen. Dit aantal werd in het voorjaar van 1920 teruggebracht tot 51. Hierbij waren Besse­laar, H.C. van den Brink, de weduwe van de overleden voorzitter, J.C. Brummelkamp-Esser­, Geelkerken, Hoekstra, L. Lindeboom, Tollig en B. Wielen­ga betrokken.[74] Hoekstra nam hierna afstand van het werk van de kring, hoewel hij zijn lidmaatschap niet opzegde. Hij had een twaalftal nieuwe gezangen over de heilsfeiten ruim voldoende gevon­den. De kring verloor in Hoek­stra en in mindere mate ook in Brummel­kamp mannen die in de kerken vertrouwen en gezag genoten. Dat vertrouwen had de kring, evenals anderen die vernieuwingen voorstonden, met de proce­dure tegen Netelenbos grotendeels toch al verloren.

Uit de stukken van de kring valt helaas niet op te maken, welke criteria de samenstellers van de proefbundel precies hanteerden. Gelet op de aangebrachte wijzigingen was zowel de inhoud als de poëtische waarde van de teksten van belang, met een nadruk op het eerste. Ook werd gelet op de mate van bekendheid van zowel tekst als melodie, hoewel de samenstellers zich niet direct met de melodie bemoeiden. Dat was de taak van de musicus J.J. de Vos, geassis­teerd door H.H. Tobé.[75] Het gevolg van deze procedure was, dat bekende nummers uit de Evangeli­sche Gezangen een belangrijk deel van de bundel gingen uitmaken.


In tijdnood gekomen kon de kring aan de synode van Leeuwarden 1920 niet meer dan het concept voor een proefbundel aanbieden, waarin wellicht zelfs de melodieën nog ontbraken. J.C. de Moor beschreef enkele jaren later, toen de bundel in druk verschenen was, hoe het concept gepresenteerd werd: "wat getypte vellen, zonder eenige toelichting, waaruit we in Leeuwarden maar moesten zien wijs te worden."[76]

 

De kerkelijke weg

Niet alleen de Kring Kerkgezang, ook langs kerkelijke weg kwam de gezangen-kwestie aan de orde op de Leeuwarder synode. Dat gebeurde in combinatie met andere liturgische vragen. Na de synode van 's-Gravenhage 1914 was namelijk ook de vraag naar een "generale regeling voor de inrichting van den openbare eeredienst" in de Gereformeerde Kerken blijven naklinken.[77] De synode mocht er in 1914 de noodzaak niet van inzien, anderen deden dat wel. In deze periode begonnen weliswaar de oude grenzen van Afscheiding en Doleantie te vervagen, maar kwamen nieuwe op. We kwamen de grensverleggende beweging der jongeren al tegen. Tegen deze achtergrond is eenheid van eredienst de leus, die steeds krachtiger naar voren werd gebracht. A. Kuyper had daar voorheen ook wel voor gepleit, maar dan toch in eerste instantie in een en de­zelfde plaatselijke kerk en tegenover vorm- en ordeloosheid elders (in de Hervormde Kerk). De term eenheid kwam in zijn liturgische geschrif­ten nauwe­lijks voor. Zijn zoon H.H. Kuyper begon er in 1911 en 1912 al meer nadruk op te leggen. De eenheid van het kerkelijk leven en daarmee ook de eenheid van de liturgie, lag direct in het verlengde van de eenheid in de belijde­nis.[78] H.H. Kuyper was erop bedacht om de eenheid in eigen kring te bewaren en waar mogelijk te versterken.


P.A.E. Sillevis Smitt, in 1912 hoogleraar geworden aan de VU in de ambte­lijke vakken, onderbouwde de noodzaak van eenheid van eredienst vanuit de Schrift in zijn artikel "De Eeredienst in den apostoli­schen tijd", dat in 1916 verscheen.[79] Op grond van nieuwtestamen­ti­sche gegevens kwam hij tot de conclusie, dat zich "in den apostoli­schen tijd een vorm van eeredienst heeft ontwikkeld die allerwege in hoofdzaak een gelijke gestalte had."[80] En dat verplichtte zijns in­ziens: "Toen brandde de haard, waaraan nog steeds alle kool moet worden ont­gloeid." Een jaar later gaf C. Lindeboom een actueel vervolg in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift met zijn bijdrage "Eenheid in onze liturgie?". Hij beschreef in grote lijnen de in de praktijk gevolgde gang van de eredienst. "Alleen om tot nadenken te prikkelen over deze materie wenschen we op de ver­schillen (...) te wij­zen"[81]. Door een grotere eenheid zou er van de kerkdiensten meer kracht kunnen uitgaan, "ook geestelijk-opvoedende kracht".[82] H.C. van den Brink, die net als C. Lindeboom bij de Kring Kerkgezang betrokken was, plaatste in hetzelfde tijdschrift een positief getoonzette reactie.[83] Op basis van beide bijdragen kan een schets gemaakt worden van de "gang van den cultus", zoals die in deze jaren in de meeste kerken prak­tijk was:[84]

 

votum

groet

voorzang[85]

lezing van de Wet / Apostolische Geloofsbelijdenis

Schriftlezing

lied      

gebed - voorbeden

tekstlezing

lied

preek, eventueel onderbroken door tussenzang

dankgebed

slotzang

zegen

 

Deze orde vertoont grote gelijkenis met de orde, zoals die aan het begin van de 19e eeuw vrij algemeen was.[86] Slechts twee veranderingen vallen op. De voordienst is verdwenen en de Schriftlezing is daarmee in de dienst zelf terecht gekomen, terwijl de lezing van de wet en het Apostolicum zich een vaste plaats in de orde verworven hebben. Wat betreft de wetslezing was dit de eerste stap in de richting van een verdere liturgische uitbouw.[87]

 


Toen H.H. Kuyper op 9 februari 1919 in De Heraut nog eens uiteenzet­te voor welke taken de Gereformeerde Kerken zich zagen gesteld, kreeg de liturgie daarin ook een plaats, zij het een ondergeschik­te.[88] De gedreven­heid en het enthousiasme in zijn artikelenreeks uit 1911 en 1912 was geheel verdwenen. Kuyper was zelfs bang, dat de discussie over de liturgie de een­heid van de kerken in ge­vaar zou kunnen brengen. "En de een­heid onzer Kerken staat ons veel hooger dan een liturgische eere­dienst". Onder de klassieke formulie­ren achtte hij vooral het huwe­lijksformu­lier voor herziening vat­baar. Tevens wees hij op de nood­zaak van kerke­lijk vastgestelde vragen voor de openbare geloofs­be­lijdenis. Verder be­pleitte hij het vaststellen "in een kort litur­gisch formu­lier" van de regel voor "de inrichting van den eere­dienst". In het licht van de historie had H.H. Kuyper in het verleden de noodzaak van een synodaal vastgestelde orde van dienst verdedigd en de moge­lijkheid van het uitbreiden van het aantal gezangen. In de Gerefor­meerde traditie vond hij echter voldoende argumenten om voor­alsnog niet op deze mogelijkheid in te gaan. De historische bena­dering kreeg in 1919 een actuele spits in het criterium van de een­heid van de Gereformeerde Kerken. Die gaf voor hem de doorslag. Van herziene formu­lieren en een orde van dienst was een bevordering van die een­heid te verwach­ten. Nieuwe gezangen, zo had hij al bij herha­ling aangegeven, leverden niet anders dan verdeeldheid op.[89] Het werd steeds duidelijker, dat er op liturgisch gebied iets zou gaan gebeuren.

 

Het was de kerk te Amsterdam-Zuid, waaraan Geelkerken als predikant verbonden was, die het initiatief nam en een aantal liturgische vraagstukken op de agenda van de synode van Leeuwarden wilde plaatsen. Op voorstel van zijn ou­der­ling A. Lukkien besloot de kerkeraad op 22 mei 1919, dat hij via de classis aan de synode zou verzoeken om de belijdenisgeschrif­ten en de Liturgie te herzien.[90] Tot op dat moment had de kerkeraad zich nauwelijks met liturgi­sche vraag­stukken beziggehou­den.[91] Lukkiens ver­zoek om "bij de bestaande gezangen achter de psalmen nog eenige te voegen speciaal voor de Chr. feest­dagen" werd door de kerkeraad aangehou­den.[92] Op de classisvergadering trokken de vertegenwoordi­gers uit Am­sterdam-Zuid het verzoek op aanraden van de classis in.[93] Die achtte het niet concreet genoeg.


Op aandringen van Lukkien was de kerkeraad bijna een jaar later, op 12 februari 1920 bereid opnieuw over zijn voorstel­len na te den­ken.[94] In een week tijd stelde een daartoe inge­stelde commissie met onder meer de beide predikanten - Geelker­ken met zijn collega A. van Dijken - een nieuw verzoek op, dat werd aangenomen.[95] Lukkiens voorstel omtrent de gezangen werd in zoverre verbreed, dat over het karakter van de uitbreiding van de bestaande gezangen geen uitspraak meer werd gedaan. Hoewel in de Amsterdamse verzoeken uit 1919 en 1920 niet werd gevraagd om een orde van dienst, ­bestonden er wel wensen op dit gebied. In de herfst van 1919 had een van de ouderlingen gevraagd om een zogenaamde liturgi­sche dienst in te voe­ren.[96] De beide predikanten was toen opgedragen zich daarop te bezinnen. Dat leidde niet tot enig resultaat, hoewel Geelkerken gelet op zijn latere activiteiten in dezen in principe wel gevoeld zal hebben voor een dergelijke dienst. Met ingang van het voorjaar van 1920 werden op zijn voorstel de afkon­di­gingen door de ouderling-voorlezer gedaan.[97]

De classis Amsterdam bracht in haar vergadering van 14 april 1920 een aantal wezenlijke wijzigingen aan in het verzoek uit Amsterdam-Zuid.[98] Om te beginnen liet zij op voorstel van J.C. Sikkel de con­stateringen en overwegingen weg. Daarin stond onder meer, dat "de liturgische geschriften (...) niet kunnen geacht worden in elk opzicht meer in overeen­stemming te zijn met de inzichten en praktische be­hoeften van het tegenwoordige Gereformeerde kerkelijke leven". De vraag de "liturgische schriften (...) aan een algehele herziening te onderwerpen" zwakte de classis af met de woorden de "liturgische schriften (...) in hun geheel te overzien".[99] De wens te komen tot een formulier(gebed) voor openbare schuld-belijdenis - passend in een nieuwe orde van dienst? - wees ze af. Ten aanzien van de gezangen wenste de classis dat men de bestaande zou "overzien" en dat deze niet zouden worden uitgebreid met "gereformeerde kerklie­deren", maar dat de uitbreiding zich zou beperken tot "eenige andere berijmde gedeelten der H. Schrift". De classis suggereerde hiermee overigens ten on­rechte, dat de be­staande gezan­gen alle berijmde Schriftgedeelten waren.

Via de particuliere synode Noord-Holland bereikte het ontwerp van de classis Amsterdam, aangevuld met een verzoek om belijdenisvragen, de synode. Agenda's en verslagen van de meerdere vergaderingen in de kerkelijke pers hadden er intussen bredere bekendheid aan gegeven. Op het punt van de liturgische ge­schriften werd het on­dersteund door de particuliere synoden van Drenthe en van Noord-Bra­bant en Limburg.[100] De kerkeraad van Amsterdam-Zuid besloot na de wij­zigingen van de classis Amsterdam tevens haar eigen voorstellen bij de synode in te dienen, maar dan zonder de zinsnede over het formu­lier voor openba­re schuldbelijdenis.[101] Inzake de uitbreiding van de bestaande gezangbundel betuigde de particuliere synode van Gelderland adhesie aan deze brief.


De synode van Leeuwarden 1920, die zich onder meer voor de taak gesteld zag een uitspraak te doen in de zaak-Netelenbos, probeerde de verschillende stromingen en groepen in de Gereformeerde Kerken bij elkaar te houden en het juiste midden te vinden tussen verstarring en vernieuwing.[102] Ook wat betreft de eredienst: de concept-bundel die de Kring Kerkgezang had aangeboden en de overige voorstellen omtrent de eredienst die haar door kerkelijke vergaderingen waren voorgelegd.[103] De idealen van de Kring Kerkgezang en in het bijzonder de door hem gepresenteer-de liederen behoorden tot de elementen die het bij deze koers moesten ontgelden. De twee exemplaren van de concept-bundel die de kring aan de synode gezonden had, lagen volgens gegevens van de kring zelf niet ter visie. Synodeleden konden er persoonlijk geen kennis van ne­men.[104] Op J.C. de Moor, die in zijn functie van voorzitter van de beoorde­lende commissie het concept als enige doornam, maakte het geheel een wat armzalige indruk.[105] In haar rapport constateerde de commis­sie op gezag van De Moor, dat vele liederen afkomstig waren uit de vroeger zo nadruk­ke­lijk afgewe­zen Evangeli­sche Gezangen en hun vervolg­bun­del. Dat alleen al zou bij invoering uit tactische overwegingen een zwak punt zijn. Verder voor­zag de commissie proble­men rond het auteurs­recht, de soms onduide­lijke keuze van de strofen en de soms willekeurig schijnende wijzigingen in de teksten. Zij stelde daarom voor de bundel te laten voor wat zij was. De synode volgde haar in dit oordeel.[106]

Reagerend op de andere voorstellen aangaande de gezangen, uit Am­sterdam-Zuid en Noord-Holland, kon de synode zich tegemoetkomender opstellen, omdat er wat dit betreft nog geen concrete beslui­ten hoefden te worden genomen. Ze be­sloot het minder vergaande verzoek van Noord-Holland over te nemen, namelijk dat deputaten "den bundel Eenige Gezangen zullen over­zien en voorts trachten dien uit te brei­den met eenige andere be­rijmde of onberijmde gedeel­ten der H. Schrift"[107].


Aangaande de liturgische geschriften probeerde de synode de uiteen­lopende opvattin­gen bij elkaar te brengen in de opdracht deze in hun geheel te "overzien", maar tevens de mogelijk­heid open te la­ten, dat deputaten "zoo nodig eene herziening" zouden voor­berei­den.[108] Los daarvan besloot ze "enkele vragen te concipieeren (...) om bij het afleggen der openbare geloofsbelijdenis te worden gebruikt." De commissie van rapport sprak in het voorstel tot besluitvorming uit, dat het wenselijk zou zijn "wat deze zaak betreft tot meer eenheid in alle onze Kerken te komen".[109] De synode benoemde voor het vervullen van deze opdrachten en van die betreffende de gezangen­ de hoogle­raren in de ambtelijke vakken G.Ch. Aalders (sinds 1920 hoogleraar aan de VU) en Hoek­stra, de Kamper hoogleraar kerkgeschie­denis en kerkrecht Bouwman, de om hun liturgische inter­esse bekende predikan­ten De Moor en Van Minnen en de jurist A.J.L. van Beeck Calkoen.[110] De benoe­ming van de laatste was ingegeven door diens publikatie over het huwe­lijksformulier in het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift.[111] Verschil­len­de ker­ke­lijke verga­deringen hadden daarop aanslui­tend aan de synode ge­vraagd, of in het formu­lier de burgerlijke huwelijks­slui­ting niet beter verdisconteerd zou moeten worden. Van Beeck Calkoen voel­de zich nauw be­trokken bij het streven van de Kring Kerkgezang, maar nam bewust enige af­stand toen hij tot depu­taat werd benoemd.

 

De besluiten van de synode van Leeuwarden 1920 laten zien, dat in de voorafgaan­de jaren het draagvlak voor vernieuwing van de eredienst weliswaar gegroeid was, maar dat voor ingrijpende veranderingen in de kerken slechts beperkte steun te verwachten was. De desbetreffende deputaten kregen zowel wat betreft de gezangen als de Liturgie opdrachten mee, waarin het zwaartepunt lag bij de handhaving van het bestaande. De synode zweeg over de orde van dienst en de daarin door sommigen zo gewenste eenheid in de Gereformeerde Kerken. Om een dergelijke orde was door de mindere vergaderingen dan ook niet gevraagd.

 

 

5.3         Grenzen (1920 - 1923)

 


Na het voor hem zo teleurstellende verloop van de synode van Leeuwarden 1920 duurde het even voor de Kring Kerkgezang weer in actie kwam. In de loop van 1921 stelde het comité orde op zaken, zodat op 9 september voor het eerst na vier jaar weer een ledenvergadering kon worden uitgeschre­ven.[112] Deze besloot de proefbundel ondanks de afwijzende houding van de synode toch te laten druk­ken.[113] Hij zou goed kunnen worden gebruikt in gemeente­vergaderin­gen, evangelisatie­werk, scholen, ziekenhuizen, politieke vergaderingen en zou interessant kunnen zijn voor niet-Gereformeer­den en belangstellen­den in het buitenland. In het voor­jaar van 1922 verscheen bij de uitgeverij J. Brandt & Zoon in een oplage van 5000 exemplaren de Proeve van uitbreiding van de 'Eenige Gezangen' om nevens het Boek der Psalmen te worden gebruikt. De in de oorspronke­lijke teksten aangebrach­te wijzigingen die de synodale commissie zo stevig had bekriti­seerd, werden achterin toegelicht. Boven elk lied was een vierstemmige zetting geplaatst. Binnen een half jaar werden er 2700 stuks verkocht - waarvan 600 bestemd waren voor leden van de kring en van de volgende synode - in het daar­op­volgende jaar nog eens zo'n 800.[114] Daarna stokte de ver­koop tot de bundel in 1927 bij de Gerefor­meerde Kerken in Nederland in Her­steld Verband werd ingevoerd. In vergelij­king met de afname die toen plaatsvond door dit kleine kerk­verband met zo'n 5500 leden - met als gevolg een tweede oplage van 2500 stuks in 1927 en een derde even grote in 1930 - valt de belangstel­ling voor de eerste druk mager te noemen.[115] Vooral belangstel­lende particulieren zullen een exem­plaar hebben gekocht.

 

De synode van Leeuwarden 1920 was er niet in geslaagd de tegenstellingen in de kerken te overbrug­gen. Een Getuigenis dat ze daartoe had uitgegeven, had zelfs nieuwe onrust opgeroepen. Voor een bezinning op de belij­de­nis in de zin van een uitbouw ervan bij gelijktijdige handhaving van het bestaande had ze een deputaat-schap ingesteld. Deze bleken niet in staat hun opdracht voor de eerstvolgende synode, die van Utrecht 1923, af te ron­den. Het rapport over de liturgische vraagstukken kwam wel gereed. De betrokken deputaten hadden alvorens ze aan hun werkzaamheden begonnen, de kerken in de gelegenheid gesteld "eventu­eele wenschen of opmerkin­gen" kenbaar te maken.[116] Daar was royaal gebruik van gemaakt. De deputaten wisten zodoende wat er in de kerken leefde. Bij het verschijnen van het rapport waren de verwachtingen hoog gespannen en was de belangstelling andermaal groot: binnen enkele weken was het uitverkocht en werd een herdruk noodzakelijk. Mede bij gebrek aan andere punten van enige betekenis op de synodale agenda kwam het liturgisch vraagstuk in het centrum van de aandacht te staan. Tientallen kerkelijke vergaderingen zonden wijzigingsvoorstellen in.


Het rapport van de betrokken deputaten viel in drie delen uiteen: een formulier met vragen voor het afleggen van openbare geloofsbelijdenis, de Liturgie en de gezangen. In het eerste deel over de belijdenisvragen sloten de deputaten nauw aan bij de be­staande praktijk. De meeste kerken hanteer­den vragen die geënt waren op die van Voetius. Het door deputaten voorgestelde formulier met bijbehorende vragen werd met enkele wijzigingen door de synode aangenomen. Ze besloot het aan de kerken "aan te bevelen".[117] Deze term zouden de synoden in het vervolg blijven hanteren in de besluitvor­ming over liturgische vraagstukken.

Veel moeizamer ging het met de beide andere delen van het rapport. Deputaten hadden gemeend, dat het binnen hun opdracht lag om "eene liturgische orde voor de morgen- en namiddaggods­dienstoefening" te ontwerpen, hoewel het daar strikt genomen niet toe behoorde.[118] He­le­maal onverwacht kwam deze interpretatie van de opdracht niet. Depu­taat Hoekstra had twee jaar eerder in het Gerefor­meerd Theolo­gisch Tijdschrift een arti­kel gepu­bli­ceerd onder de titel "Eenheid in de liturgie". Daar­in no­teerde hij dat het naar de opvatting der synode "tot de taak der Commis­sie ook behoort een voorstel te ontwerpen, waarin de op­eenvolging van de constante ele­menten in den eeredienst is aange­ge­ven."[119] In feite echter grepen de deputaten met deze taakopvatting terug op wensen als van H.H. Kuyper, die voor de synode in de kerkelijke pers waren geventileerd en die uiting gaven aan het verlangen de liturgische eenheid in de kerken te vergroten.[120] Aanha­kend bij de summiere aanwijzin­gen die de klassiek-gereformeerde Liturgie over het verloop van de die­nst gaf, gebruikten de deputaten in hun rapport opnieuw dit argument. Geen orde zou beteke­nen, "dat de eenheid van liturgie in onze kerken schade zal lij­den."[121]


Bij het opstellen van hun orde hanteerden de deputaten drie overwe­gin­gen. Zij wilden 1) "het Gereformeerd karakter" van de liturgie hand­haven.[122] Zij werkten 2) in overeenstemming met en in aansluiting op de liturgische traditie in de Gerefor­meerde Kerken sinds de zeventiende eeuw. Als ze al nieuwe elementen gebruikten, dan dienden die 3) in de stijl en de vormgeving van de Gereformeerde liturgie te passen. Hoewel ze dit niet verantwoordden, hebben de deputaten daarbij waar­schijnlijk gekeken naar initiatieven in de Gereformeerde Kerken in Noord-Ameri­ka.[123] Evenmin verant­woord is de afhankelijkheid in de keuze van de genoem­de criteria van H.H. (met name het tweede) en A. (met name het der­de) Kuyper. Meerdere concrete sugges­ties zijn met of zonder bron­vermelding uit Onze Eeredienst afkom­stig: bijvoor­beeld de term "li­turgische orde", het gebruik van een vaste formule voor de schuld­­­belijdenis, het neerleg­gen van de ingezamel­de gaven op een tafel voor in de kerk, het zingen van de geloofs­belijdenis en de argu­men­tatie voor de inschake­ling van een voorle­zer.[124] Toch wa­ren er ook elementen waarbij de deputaten aan Kuypers stelling­na­me voorbij gingen. Zij zagen de wet voornamelijk als kenbron der ellen­de. Kuy­per zag die in de gewone orde van dienst als regel der dank­baar­heid.[125] Verder gaven ze bij­voor­beeld de voorbeden een plaats vóór de preek, Kuyper erna.[126] Uit de toelichting op de gepresenteerde orde komt naar voren, dat de praktische haal­baar­heid bij de afweging van de deputaten een doorslaggevende rol heeft gespeeld.

De deputaten hadden de volgende orde voor de zondagmorgendienst ontworpen:

 

      AANVANGSLITURGIE

 1   votum

 2   groetzegen

 3   zingen

 4   wetslezing (Exodus 20: 2 - 17)

DIENST DER GEBEDEN

 5   belijdenis van zonden (gebed, lied)

 6   verkondiging van vergeving der zonden

 7   gebed (bediening des Woords, alle nood der christenheid)

      DIENST DER BARMHARTIGHEID

 8   collecte

      DIENST DES WOORDS

 9   zingen

10   voorlezing van een gedeelte der H. Schrift

11   voorlezing van de tekst

12   bediening des Woords

SLOT-LITURGIE

13 dankzegging

14 slotzang

15 slotzegen

 


In deze orde voor de morgendienst werden vaste formules gegeven voor de nummers 1, 2, 5, 6 en 15, evenals voor de begeleidende bewoordingen bij 8. In de middagdienst zou nummer 4 moeten vervallen, zouden de nummers 5 en 6 worden ver­vangen door de geloofsbelij­denis (gezongen, of gelezen met een vers ten antwoord door de gemeente) en zou het gebed onder 7 moeten wor­den beperkt tot de bediening van het Woord. De dankzegging diende dan bij voorkeur te bestaan uit het 'Onze Vader'. Evenals bij de belijdenisvragen stelden deputaten voor de orde "aan onze kerken ten gebruike aan te bevelen."[127]

Een belangrijk deel van de reacties uit de kerken op het deputatenrapport had betrekking op deze orde. Ze waren in het algemeen kritisch en negatief.[128] De meeste kerken herken­den te weinig van de bestaande situatie in de voorstellen. Vooral nieuwe elementen als de schuldbelijde­nis en de genadeverkondiging in de morgendienst, alsmede de aanbevo­len vorm­ge­ving van de collecte moesten het ontgelden. Een aantal kerkelijke ver­ga­deringen was evenmin ingenomen met de mogelijkheid de geloofs­be­lijde­nis in de middagdienst te zingen. Desalniettemin stelden velen voor een orde vast te stellen, zij het dan gewijzigd en met alle vrijheid voor de kerken om deze al dan niet in te voeren. De synodale commissie van rapport stelde op grond van de ingediende bezwaren voor nog geen besluit te nemen over de voorgestelde orde en van deputaten een aanvullend rapport te vra­gen.[129] De synode be­sloot in afwijking hiervan het voorstel van deputaten af te wijzen, maar tegelijk uit te spreken dat deputaten hun opdracht niet te buiten waren gegaan. Bovendien sprak zij uit dat "de eenheid in de Liturgie in den kring onzer Kerken" aanbeve­ling verdiende en zoveel mogelijk diende te worden bevorderd.[130] Hoe dat zou moeten gebeuren gaf ze niet aan.

Iets milder oordeelde de synode over het resterende werk van deputaten betref­fende de Liturgie: de christelijke gebeden en de formulieren.[131] Deze zouden met inbegrip van de binnenge­ko­men reacties nog eens moeten worden overzien.

 


De deputaten hadden in hun rapport aan de synode van Utrecht 1923 tenslotte kleine wijzi­gings­voorstellen voor de bestaande Eenige Gezangen gedaan en toegelicht, alsmede na een korte verantwoording vijf onbe­rijmde en negen berijmde Schriftgedeelten voorgelegd. Namens de Kring Kerkgezang die door de verschij­ning van zijn Proeve behoorlijk aan zelfvertrouwen gewonnen had, verscheen er een reactie op het deputatenrap­port van de hand van Geelker­ken onder de titel Berijmde Schriftgedeelten of Schriftuurlijke liede­ren?[132] Na een scherpe analyse van het gebode­ne kwam Geelkerken tot de conclu­sie, dat het werk van deputaten "1o. aan de behoefte van de gemeente des Nieuwen Verbonds aan Nieuw-Tes­tamentische liederen niet voldoet; 2o. met name geen verruiming geeft van de liederen, die gezongen kunnen worden bij de herdenking der groote heilsfei­ten; 3o niet beantwoordt zelfs aan de meest be­scheiden eischen, welke uit dichterlijk oogpunt aan kerke­lijke ge­zangen mogen gesteld worden; 4o in strijd met de gegeven opdracht aller­minst vrij is van paraphrasen; 5o. herhaal­de­lijk zulke para­phrasen geeft, die den zin van het berijmde Schrift­woord veran­deren, verzwakken, ja daarmee strijden."[133] Geelkerken weet het povere resultaat aan de "prac­tisch onuitvoerbare en principiëel verkeerde opdracht" die uit "tactische overwegingen" aan deputaten gegeven was.[134] Hij nam hiermee revanche op de wijzigingen die in 1920 door de kerkelijke vergaderingen waren aange­bracht in het voorstel van Amsterdam-Zuid om de be­staande gezang­bundel uit te breiden. Geel­kerken stelde daarom de synode voor, het deputatenrapport te verwer­pen en het onjuiste uitgangs­punt los te laten. De synode zou vervol­gens een keuze moeten maken "uit den rijken schat van bestaande, vooral klassieke kerkliederen" voor "een verzameling van met Gods Woord naar onze Gerefor­meerde belijdenis overeenstemmende Schrif­tuurlijke en met name Nieuw-Testamentische kerkliede­ren".[135] Het zou dan vervol­gens tot de vrijheid van de plaatselijke kerken beho­ren de bundel al dan niet in gebruik te nemen.

De argumenten vanuit de kerken tegen het gezangenrapport van de deputaten leken, afgezien dan van de ontkenning dat meer gezangen nodig zouden zijn, op die van Geelkerken. De synode zelf kwam ook tot een soortgelij­ke conclusie als Geel­kerken, name­lijk dat in ieder geval "ten deele" het mislukken van de proeve van deputaten gelegen was in de ongelukkig gestelde opdracht van de synode van Leeuwar­den.[136] Zij wees het werk van deputaten dan ook af, droeg op de Eenige Gezangen nogmaals te overzien en "de kwestie van het zoog­enaamde 'vrije kerklied' in haar vollen omvang principieel te onder­zoeken".[137] De gezangenkwestie bleef daarmee op de synodale agenda staan.


Zijdelings werd op de synode van Utrecht 1923 eveneens het psalmzingen aan de orde gesteld. Enkele jaren tevoren had De Moor zich daarover uitgelaten in De Reformatie, een in 1920 gestart blad dat leiding wilde geven aan de bezinning op de vele nieuwe vragen waarvoor de Gereformeerde Kerken zich gesteld zagen. De Moor had zich een voorstander van het ritmisch psalmzingen betoond en later daartoe een bewerking van de bestaande berijming "ten behoeve van het ryth­misch zingen" doen uitgeven.[138] De Moor noteert de melodieën zonder maatstrepen, zoals ze oorspronkelijk bedoeld waren. De valse verhogingen, waaraan men gewend was geraakt, laat hij staan. In een enkel geval verandert hij de waarde van de noten. Het ritmisch zingen wil hij bevorderen door de lettergrepen op een lange noot cursief te laten drukken. Prompt lag er een ver­zoek bij de synode om het ritmisch zingen te bevorderen "opdat de schoon­heid onzer Psalm­wijzen werkelijk uitko­me".[139] Ook waren er voorstel­len om som­mi­ge melodieën te herzien. De synode stelde zich direct al terug­hou­dend ten opzichte van deze vraagstukken op. Over de zangwij­zen wilde ze op advies van deputaten uiteinde­lijk geen uitspraak doen, omdat geen enkele gereformeerde synode zich daar ooit over uitgespro­ken had. Het al dan niet rit­misch zingen liet ze in de vrij­heid van de kerken.[140]

 

De afwijzing van het deputatenrapport door de Utrechtse synode in 1923 was voor degenen die een vernieuwing van de eredienst in de Gereformeerde Kerken voorstonden een opluchting en een teleurstelling tegelijk. Een opluchting: de afkeuring van de zeer beperkte aanvulling op de bestaande gezangen en het principieel in studie nemen van het gezangenvraagstuk boden hoop op een aanzienlijker uitbreiding van de gezangbundel. Een teleurstelling: afgezien van een kort formulier met belijdenisvragen, was zelfs een beperkte herziening van de klassiek-gereformeerde Liturgie uitgesteld en een uitbreiding daarvan met een orde van dienst afgewezen.  

 

 

5.4         Vernieuwingen buiten de synode om (1923 - 1930)

 

Het zou tot de synode van Arnhem 1930 duren voor de uitkomst van de liturgische opdrachten van de Utrechtse synode duidelijk werd. Alle aandacht ging al spoedig uit naar de procedure tegen Geelkerken, die leidde tot zijn afzetting door de synode van Assen 1926.[141] Mede daardoor waren de deputaten die voor de uitvoering van de eerder genoemde opdrachten waren benoemd en voor een deel ook intensieve bemoeienis met de kwestie Geelkerken hadden, nog niet met hun rapporten gereed voor de synode van Groningen 1927. Onderwijl vonden er buiten de synode om wel een aantal ontwikkelingen plaats die op termijn hun sporen zouden nalaten op de synodale besluitvorming.

 

Liturgische praktijk


­In de praktijk leek er na de synode van Utrecht 1923 in de Gereformeerde eredienst weinig te verande­ren. Zelfs met de nieuwe belijdenisvragen veranderde er weinig, omdat ze nauw verwant waren met de reeds gebruikte. Daar stond tegenover, dat men er in sommige plaatsen toe over ging om na de lezing van de wet een versje te zin­gen, terwijl de synode een dergelijke centraal geleide verandering in de orde van dienst had afgewezen.[142] Ook op andere punten werden plaatselijk vernieuwingen doorgevoerd. Van verschil­lende kanten werd een pleidooi gehouden voor het ritmisch zingen, met name van de psal­men. Elders werd het veelal nog gebrui­kelijke individuele stil gebed bij het innemen van de zitplaats voor de dienst gelijk­tijdig gedaan, na het binnenko­men van de kerke­raad.[143] De positie van de voorlezer kwam onder druk te staan, met name in de grote steden.[144] De toga, door een kleine minder­heid van de voor­gan­gers gedra­gen, werd in een stad als Utrecht door onderlinge afspra­ken onder de Gerefor­meerde predi­kanten alge­meen.[145] Hier en daar dijden de gebruiken bij het begraven zo uit, dat van een rouwdienst gesproken werd.[146] Hoewel de verande­rin­gen niet indrukwekkend genoemd kunnen worden, werden ze in de sobere, volgens een vast stramien verlopende eredienst soms als ingrijpend ervaren. De kerkelijke pers hield de plaatselijke ontwikkelin­gen nauwlettend in de gaten en werkte er door de berichtgeving aan mee, dat nieuwe initiatieven ook elders ingang vonden.

De kerkeraad van Amsterdam-Zuid ging nog wat verder. Het bleef niet bij een keer op proef ritmisch zingen op eerste Kerstdag 1923. Hij besloot met algemene stemmen en behoudens enkele kleinere wijzigin­gen de door de synode afgewezen orde van dienst met ingang van 1 januari 1924 in te voeren.[147] Met name tegen de orde van dienst, maar ook tegen de door Geelkerken gedragen toga, kwamen bezwaren binnen bij de kerkeraad.[148] De kerkeraad tikte echter niet Geelker­ken, maar diens collega Van Dijken op de vingers, omdat hij het kerke­raadsbe­sluit inzake de liturgische orde niet loyaal uitvoerde.[149] Nog voor H. Mari­nus zich met zijn bezwaren tegen Geelkerkens cate­chis­mus­preek van 24 maart 1924 tot de classis wendde en daarmee een procedure in gang zette die tot diens afzetting leiden zou, hadden enkele gemeenteleden­­ hun grieven tegen de liturgische veranderingen al bij de classis aanhangig gemaakt. Maar de classis zag op dit punt geen grond Geelkerkens gemeentele­den in het gelijk te stellen, "zolang het Gereformeer­de karakter der Litur­gie niet wordt aange­rand."[150] Intussen was de classis zich met de ge­wichtigere bezwaren van Marinus tegen Geelkerken bezig gaan houden. De liturgische vernieuwingen in Amsterdam-Zuid en de onrust die deze met zich mee­brachten in de gemeente versterkten het verzet dat plaatse­lijk tegen Geelkerken was gegroeid. Op liturgisch gebied stond de Gereformeerde kerk van Amsterdam-Zuid dicht bij die van Zandvoort. De beide predikanten, Geelkerken en Van den Brink, kenden elkaar onder meer van de Kring Kerkgezang. En terwijl in Amsterdam-Zuid de synodaal afgewezen orde van dienst werd ingevoerd, had de kerkeraad in Zandvoort vóór de synode op de classis al laten merken ermee ingenomen te zijn.[151] Litur­gisch lagen er zodoende al verbindingen voordat het na de af­zetting van Geelkerken door de synode van Assen 1926 tot een Hersteld Verband tussen beide kerken zou komen.


Ten aanzien van de liturgische zaken waarover de synode zich niet uitgesproken had, bestond in de kerken in deze jaren een zekere vrij­heid. Was er eenmaal een besluit gevallen, dan lag de zaak an­ders, zeker als inhoudelijke zaken in het geding waren. Zo werd de afwijzing en het niet gebruiken van de belijdenisvragen door de kerk van Leeuwar­den in de kerke­lijke pers heftig bestreden.[152]

 

Kring van Belangstellenden in de Verrijking van ons Kerkgezang

De inbreng en de invloed van de Kring Kerkgezang nam evenals zijn ledental na de synode van Utrecht snel af.[153] In het najaar van 1923 maakte men plannen om de kring nieuw leven in te blazen.[154] Tevergeefs overigens. Geel­kerken, met zijn scherp analy­tisch vermo­gen en tactisch inzicht een belangrijke inspirator van de kring en sinds 1921 voor­zitter ervan, raakte al spoedig ver­wikkeld in de tegen hem gestarte kerke­lijke procedure. In de zomer van 1924 over­leed het bestuurslid Huismans. Hij was zeker in de beginjaren van de kring een belangrijk gangma­ker en zorgde toen voor de princi­piële onderbouwing van de doelstelling.


Toen het bestuur in 1927 met het oog op de aanstaande synode van Groningen 1927 weer samenkwam, bestond het slechts nog uit de oorspronkelijke Rotterdam­se initiatiefnemers Van den Berg, Besselaar en Robijn, aangevuld met Tollig.[155] Zij die als Van den Brink en Geelkerken bij de kerken van het Hersteld Verband terecht gekomen waren, konden statutair geen lid meer zijn van de kring. In de commissie van advies waren L. Linde­boom en Wielen­ga overgebleven. Maar Lindeboom zou evenmin als in vroeger jaren in staat zijn de kring concreet met een brief of artikel van dienst te zijn.[156] Wielenga hield zich na de verwikke­lin­gen van de voorgaande jaren in het kerkelijk leven op de achter­grond. De overgebleven kern van de kring zond de synode van Groningen 1927 nog eens een brief, maar deze bevatte weinig nieuws en zou ook geen effect heb­ben.[157] Synode en deputaten inzake de herziening van de liturgie en het vraagstuk van het kerkgezang gingen met de besluiten uit 1923 hun eigen gang. Wel mocht op basis van een voorlopige, inhoudelijk ter synode niet besproken rapportage vermoed worden, dat de principiële barrières voor het uitbreiden van de gezangbundel weggenomen zouden worden.[158] Het was de Haagse predikant K. Dijk, die het bewuste rapport verzorgde, maar om onbekende redenen in 1927 niet opnieuw tot deputaat werd be­noemd.[159] Zijn bijzondere belangstelling voor liturgische vraagstukken dateert uit een latere periode, toen hij hoogleraar in de ambtelijke vakken in Kampen was. We zullen in het volgende hoofdstuk nog uitvoerig op hem terugkomen.[160]

 

De theologische opleidingen

De terughoudende opstelling van de kerken ten opzichte van liturgi­sche verandering en vernieu­wing zien we weerspiegeld in de bezinning op de eredienst. Aalders gaf in tegenstel­ling tot zijn voorganger aan de VU, Sillevis Smitt, tot aan zijn emeritaat in 1950 geen colleges in de liturgiek. Wel publiceer­de hij in het Ouderlingenblad, dat veel ambtsdragers onder ogen kregen, een reeks onder de titel "Onze Eere­dienst".[161] Hij liet hier en daar spijt doorklin­ken over de besluit­vor­ming in Utrecht, maar hield zich in zijn beschrijving van en commen­taar op de eredienst bij de bestaande situatie. Hij werd als oudtes­tamenticus al spoedig in beslag genomen door de kwestie Geel­kerken en de nasleep daarvan. De synode van Groningen 1927 benoem­de hem niet meer als deputaat voor zaken betreffende de liturgie en het kerkgezang. In de volgende jaren nam in het Ouder­lingen­blad het aantal artikelen over liturgische zaken gestaag af. Dat gold eveneens voor toonaange­vende periodieken als De Bazuin, De Heraut en De Reformatie. 

In Kampen zette Hoekstra de traditie van het liturgiekcollege voort. Studenten hebben zijn dictaat op schrift gesteld en gestencild uit­gege­ven.[162] Met (A.) Kuyper omschreef Hoekstra de liturgiek als de we­ten­schap die de vastgestelde vormen van de publieke eredienst onder­zoekt, maar hij voegde daar Kruijfs gedachte aan toe, dat het daar­bij ging om de leiding­gevende rol van de dienaar des Woords. Ook de indeling van de stof ontleende Hoekstra, net als Bouwman voorheen, aan Kruijfs Litur­giek. Eerst de beginselen, daarna­ de elementen van de eredienst en tot slot zaken als plaats en tijd en de kleding van de liturg. De elementen onderscheidde Hoek­stra evenals Biester­veld in constante, nodig "om een gods­dienstoefening te kunnen con­stituee­ren", en niet-con­stante, "ook wel genoemd (...) de kerkel. plechtig­heden".[163] Vervol­gens maakte hij voor de constante onderde­len een door Kuyper geïn­spireerde onderver­deling in elementen "a parte Dei" en "a parte populi". Vanuit deze indeling beschreef hij het geheel van de ere­dienst. Hoekstra's neiging tot indelen en schemati­seren - ook vorm en inhoud waren niet zo direct met elkaar verbonden als bij Kuyper - kwam de beschrij­ving van de samenhang van de elementen van de eredienst niet ten goede. Net als Kruijf moest hij in een aparte paragraaf ingaan op "de constructie van de elemen­ten".[164]


Wat betreft de orde van dienst droeg Hoek­stra de inzichten van het deputatenrap­port uit 1923 aan zijn studen­ten over. Hij wees op het belang van schuldbelijdenis en abso­lutie, bepleitte een eigen, dui­delijk afge­grensde plaats voor de collecte, zag de ge­loofsbelij­denis het liefst door de gemeente gezegd of gezongen, enzovoort. Hoekstra maakte ook duidelijk, waarom de orde uit Kuypers Onze Eeredienst niet zonder meer zou kunnen worden overgenomen. Hij vond diens indeling "niet logisch".[165] De dienst der gebeden zou naar voren moeten worden ge­haald, naar het liturgisch objectieve deel. Ze zou daar alleen al vanwe­ge de concen­tratie van voorgan­ger en gemeente beter tot zijn recht ko­men.[166] De wet, door Kuyper onder de dienst der gebeden vlak voor de zegen gerang­schikt, zou eveneens voor in de dienst geplaatst moeten worden, maar vanwege haar eigen­aardig karak­ter losge­maakt van de dienst der gebeden. De tekst voor de preek zou niet ergens aan het begin moeten worden meegedeeld, zoals Kuyper wilde, maar vlak voor de preek zelf. Elders liet Hoekstra veel explicieter dan Kuyper merken zich in de tekstkeuze nauw aan te willen sluiten bij het kerkelijk jaar: "een uitnemende leidraad", al voelde hij weer niets voor perikopensystemen.[167] Naar Hoekstra's opvat­ting bevatte Kuypers orde te weinig gemeen­tezang. Anders dan zijn collega Aalders achtte Hoekstra met Kuyper gezangen voor "het uit­zingen v.d. heils­feiten", "doop, avondm., huwel., bevesti­ging van ambtsdra­gers" gewenst.[168]

Hoekstra deed Kuypers principiële en praktische benade­ring van de eredienst zo goed als teniet. Op twee punten dreigde de plaatselijke gemeente uit het zicht te verdwijnen. De nadruk kwam te liggen op de rol van de predikant in de plaatselijke praktijk en op de landelijke synode in het vaststellen van regels voor die prak­tijk.[169] Kuyper en, zoals eerder al duidelijk werd, ook Hoekstra's collega Bouwman zag voor dat laatste nog duidelijk een eigen rol wegge­legd voor de kerke­raad.[170]

 

De invloed van de Hervormde Liturgische Kring


Inmiddels was in of vlak voor 1922 de Hervormde Liturgische Kring opgericht. Hij stond onder leiding van G. van der Leeuw, hoogleraar in Groningen.[171] Van der Leeuw was geïnspireerd door zowel A. Kuyper als J.H. Gerretsen en zou hun beider publikaties uit 1911 later dan ook typeren als de "twee klassieken" van de liturgische beweging in Nederland.[172] Zijn benadering van de liturgie werd sterk gestempeld door het vakgebied waarop hij met name thuis was, dat van de godsdienstgeschiedenis en -fenomenologie. De Liturgische Kring stelde "zich ten doel studie te maken van het liturgisch vraagstuk en leiding te geven aan het streven naar Liturgie" en liet daartoe enkele brochures het daglicht zien onder de serietitel "Liturgische Handboekjes".[173] De Liturgische Kring genoot in de eerste jaren van zijn bestaan nog maar weinig bekendheid en er werd in de Gereformeerde Kerken niet of nauwelijks op dit initiatief gereageerd. Wel lokte de liturgische praktijk in sommige Hervorm­de gemeenten van tijd tot tijd heftige reacties uit, bijvoor­beeld de inwijding van de Haagse Duinoordkerk, het invoeren van een zogenaamde doden-dienst in die kerk, de inhoud van een liturgi­sche dienst in Utrecht en de inrichting van de kerkzaal voor een jeugddienst in diezelfde stad.[174] Ook ontging het de Gereformeer­de pers niet, dat enkele kerken in Hersteld Ver­band liturgisch het voorbeeld van Amster­dam-Zuid volgden en soms zelfs aparte liturgische diensten invoer­den.[175] Deze ontwik­kelingen ver­grootten de huiver voor liturgi­sche vernieu­wingen, hoewel sommigen bleven hameren op de noodzaak tot verbete­ring.[176]

 

Op grond van de gebeurtenissen in de voorafgaande jaren, was er aan de vooravond van de synode van Arnhem 1930 alle reden om te betwijfelen, of er in de Gereformeerde Kerken voldoende overeenstemming bestond om te besluiten tot welke vorm van liturgische vernieuwing dan ook. Met Geelkerken was een substantieel deel van de vernieuwers uit de kerken verdwenen. Plaatselijk waren weliswaar incidenteel kleine veranderingen in de eredienst doorgevoerd, maar in het algemeen stelden de kerken zich in deze zaken voorzichtig op.

 

 

5.5         ­Vernieuwing omwille van de eenheid (1930 - 1933)

 


De synode van Leeuwarden 1920 had een proces van bezinning in gang gezet inzake grensver­leg­gen­de onderwerpen als de uitbouw van de belijde­nis en het vrouwenkiesrecht, evenals op indirecte wijze inzake bepaalde aspecten van de eredienst. Dit proces kwam tien jaar later met de synode van Arn­hem tot een zekere afronding. Voor de uitbouw van de belijdenis en het vrouwenkiesrecht draaide dit uit op een afwijzing. Voor de vernieuwing van de eredienst bood deze synode enkele be­scheiden nieuwe kansen. Op tafel lag een rapport van de deputaten die in 1923 onder meer de opdracht hadden gekregen de zaak van het zogenaamde vrije kerklied principi­eel te onderzoeken.[177] In het eerste deel van hun rapport aan de synode van Arnhem 1930 gaven deputaten een historisch overzicht met gegevens uit de oude kerk, de kerk der Middeleeu­wen en de kerken der Hervorming. In het tweede deel gingen ze nader in op de bijbelse gegevens, in het derde op de toestand in buitenlandse Gereformeerde Kerken. Ten opzichte van de voorlopige versie uit 1927 waren de gegevens over de kerken der Hervor­ming en die over de Schrift aanzienlijk uitgebreider beschreven, hetgeen de aanvaardbaarheid van het rapport voor de kerken onmiskenbaar vergrootte. De deputa­ten conclu­deerden, dat er geen principiële argumenten tegen de in­voering van het vrije kerklied waren. Zij gaven aan nauw bij de bestaande situatie te willen aansluiten. Eerst gaven ze vier voorwaarden waaronder een nieuwe gezang­bundel zou kunnen worden ingevoerd. Pas vervolgens gingen ze in op de argumenten die voor deze verandering konden pleiten.[178] Als voorwaarden formuleerden zij, dat 1) de kerken die wilden afzien van het zingen van gezangen daar niet toe gedwon­gen, laat staan erom veroor­deeld mochten wor­den, 2) de psalmbun­del "in zijn geheel de eereplaats" in de gemeente­zang zou blijven inne­men en de nieuw in te voeren gezangen in over­eenstemming zouden zijn met 3) Schrift en 4) belij­denis. Voor uitbreiding van het aantal gezangen pleitte volgens hen, dat "de gemeente des Nieuwen Ver­bonds behoefte heeft om (...) de aanbid­ding en eere toe te bren­gen aan het Lam", en dat er vraag was naar liederen om "de groote heilsfei­ten" uit te zingen en naar gelegenheids-liederen voor de kerkelijke plechtigheden.


Hoewel de synodale commissie zich afgezien van enkele ondergeschikte punten - ze meende dat de Schrift zowel direct als indirect geen aanwijzingen gaf over het vrije kerklied - met de conclu­sies van de deputaten verenigde, kon de synode in haar geheel dat niet.[179] Het rapport werd afgewezen. Maar dat betekende niet, dat de zaak van de agenda werd afgevoerd.[180] De synode besloot uiteindelijk toch deputaten te benoe­men om de Eenige Gezangen uit te breiden. Inhoudelijk sloot de syno­de zich in de eerste plaats aan bij de afgrenzing van de opdracht bij het besluit uit 1920, dat het moest gaan om "berijmde of onberijmde Schriftge­deel­ten". In het vervolg klonk in aangescherpte vorm de conclusie uit het afge­keurde rapport door, namelijk dat de (andere) gezangen "ten nauwste" moesten aansluiten bij de Schrift en in het bijzonder op christelij­ke feestdagen en "op de dagen die bestemd zijn voor de herdenking van het lijden en sterven van Christus", alsmede bij "de bediening der heilige sacramen­ten, de bevestiging van ambtsdragers en huwe­lijksbevesti­gingen" gebruikt moesten kunnen worden. Over de praktische kant van de conclusie van deputaten, de invoering van de gezangen, zweeg de opdracht. Van invoering kon pas sprake zijn, zo meende de synode, als zij zich over de principiële kwestie van het zingen van gezangen nader had uitgesproken. 

Dezelfde deputaten als voor de gezangenkwestie rapporteerden eveneens over de herziening van de Liturgie. Dit door de synode van Leeuwarden 1920 opgedragen werk kwam in Arnhem 1930 tot een afronding.[181] De bewoordingen van enkele gebeden en formulieren waren op enkele ondergeschikte punten gewijzigd. Opvallender is de verandering in het doopformulier. De al eerder beschreven discussie over de aanwe­zigheid van de moeder bij de doopbediening werd in zoverre beslecht, dat de moeder tussen haakjes bij de vragen een plaats kreeg. Voorheen werd daar alleen de vader en/of eventuele getuige genoemd. Het huwelijksformulier was wel het sterkst vernieuwd. Toch constateerde K. Dijk later ook daarover wat teleurgesteld, dat het "hier en daar de indruk maakt van een nieuwe lap op een oud kleed".[182] Als enige voorbehoud voor definitieve goedkeu-ring en kerkelijk gebruik bleef het overleg met de buitenlandse kerken, waarmee de Gereformeerde Kerken in corresponden­tie ston­den. De synode formuleerde voor de herziene Liturgie geen aanbeve­ling. Dat was vermoedelijk ook niet goed mogelijk geweest. Er werd in de kerken uiteenlo­pend gedacht over het gebruik van formulierge­be­den, zoals die in de Liturgie waren opgenomen. En het was ook niet nodig. Het gebruik van de formulieren voor de kerkelijke plechtighe­den was in de DKO vast­gelegd.

Enkele kerkelijke vergaderingen hadden nog een ander onderdeel uit de Leeuwarder opdracht tot herziening van de Liturgie gelicht: de orde van dienst. Na de afwijzing van het deputatenvoorstel daarvoor in 1923 was dit onderwerp van de synodale agenda afgevoerd. De synode besloot nu in 1930 naar aanleiding van de door de kerken uitgesproken wens deputaten op te dragen een concept-orde in te dienen.[183] Nogal wat kerkeraden hadden in de tussenliggen­de jaren zelf aanwijzingen voor de te vol­gen orde van dienst opgesteld.[184] De synode bleef weliswaar voorzichtig, maar stelde zich in liturgische zaken toch wat tegemoetkomen­der op dan voorheen. Over de melodieën van de psalmen wilde ze zich in 1930 niet uitlaten en het ritmisch zingen liet ze in de vrijheid van de kerken.[185]

 

Gezangbundel


Op de synode van Middelburg 1933 werden de laatste liturgische opdrachten uit het vorige decennium vervuld. Van de deputaten die aan de synode van Utrecht 1923 rapporteer­den, waren alleen nog Hoekstra en Van Minnen over. Aalders verdween uit de kring van deputaten na de afhande­ling van de kwestie-Geelkerken. De enige ouderling in het gezelschap, Van Beeck Calkoen, keerde na de synode van Groningen 1927 niet meer terug. Bouwman werd in 1930 niet opnieuw benoemd. Wel werd hij toen belast met de afhande­ling en uitgave van de herziene Liturgie. De Moor was overleden. Later benoemd en nog steeds deputaat[186] waren de hooglera­ren V. Hepp (1923) en H.H. Kuyper (1923), alsme­de de predikan­ten H. Kaajan (1927) en J. Douma (1930).[187] Inhoudelijk zouden deze personele verander­ingen nauwelijks invloed hoeven te hebben. Hepp, hoewel bekend om zijn scherpe pen, had zich meermalen positief uit­gelaten over de voorstellen uit 1923.[188] Kuyper had in het verle­den herhaaldelijk voor liturgische ver­nieu­wing gepleit, maar zich op het punt van de gezan­gen terughoudend opgesteld. Een kritische noot zal in dit gezelschap vooral door Kaajan ingebracht zijn, die zich in de kerkelijke pers zeer negatief uitliet over veranderin­gen in de li­turgie.[189] Douma tot slot had laten merken zich litur­gisch op Cal­vijn te willen oriënte­ren en zal daarom de mee op Calvijn teruggaan­de voorstellen uit 1923 wel hebben kunnen waarderen.[190] Hij genoot bekend­heid door zijn ver­zame­ling liederen Stemmen des heils.[191] Hij wist wat Gereformeerden ­buiten de kerk­dien­sten om graag zongen en omgekeerd maakte zijn bundel Gerefor­meerden met vele liederen be­kend, onder meer die van Joh. de Heer. De synode zou in 1933 juist die liederen uit de selec­tie van deputa­ten overne­men die ook in Stemmen des heils voor­kwamen.


De in 1930 aangewezen deputaten boden de synode van Middelburg 1933 een selectie van 23 nieuwe liederen aan. ­In hun verantwoording verklaarden zij het niet gewenst geacht te hebben "liederen van dichters uit den tegenwoordi­gen tijd op te nemen, maar alleen van hen die reeds ontslapen zijn en wier gedich­ten over het algemeen in onze kringen zekere bekend­heid hebben verworven."[192] Ze hadden alleen geschikte liederen bij de christelijke heilsfeiten kunnen vinden, niet voor de kerkelijke plechtigheden.

Voordat de synode het voorstel van deputaten kon behandelen moest zij eerst vaststellen, dat de ertegen ingebrachte bezwaren "niet van zoodani­gen aard zijn, dat niet tot uitbreiding van den bestaanden bundel kan worden over­gegaan".[193] Over het principe, of er op basis van Schrift en belijdenis gezangen gezongen mochten worden in de eredienst, had de vorige synode immers geen beslissing genomen. Nadat de synode had vastgesteld, dat de ingebrachte bezwaren onvoldoende gewicht hadden, nam ze 19 gezangen uit het voor­stel over, soms met een andere dan de voorgestelde tekst, en voegde ze zelf één lied toe.[194] Van de 20 nieuwe liederen waren er 6 afkomstig van Da Cos­ta, volgens sommi­gen gekenmerkt door een teveel aan "rhetoriek en een gezwollenheid van stijl".[195] Samen met de voorgestel­de ver­wij­de­ring van de eerste berijming van het Apostoli­cum uit de Eenige Ge­zangen bracht dit het aantal gezan­gen op totaal 29. De synode paste art. 69 van de DKO aan de nieuwe situatie aan, maar zag af van de conclusie die de commis­sie van advies haar had voorge­legd om de nieuwe bundel aan de kerken "aan te bevelen", ook al was daar nadruk­kelijk aan toegevoegd dat kerkeraden omtrent het gebruik een beslis­sing dienden te nemen en dan nog wel "met groote wijsheid".[196] De synode wilde blijkbaar zelfs de schijn van dwang vermijden. Ze zal daarmee met name rekening hebben willen houden met kerken die in de loop der jaren bezwaren tegen de gezangen hadden ingediend.­­ De keuze van de melodieën liet de synode tezamen met de definitieve afwerking en de uitgave in één bundel met de liturgi­sche formulieren en gebeden, over aan een drietal deputaten. De uitgebreide gezangbundel werd onder meer uitgegeven in de vorm van een katern die achter in het psalmboek kon worden geplakt.

 

Met de synode van Middelburg 1933 hadden de Gereformeerde Kerken principieel en praktisch tot uit­breiding van de Eenige Gezangen besloten, hoewel naar het oordeel van de voorbereiden­de synodale commissie het aantal beperkt moest blijven en "in de eerste vijftig jaren" niet mocht worden uitge­breid.[197] De eerste vraag die in de kerkeraad van Amsterdam-Zuid in 1919 was opgeko­men, was die naar gezangen voor de christelijke feestda­gen. Precies die gezangen waren er gekomen. Over­eenkomst met de Evangeli­sche Gezangen bleek nu veel minder een probleem te zijn dan in 1920 bij de bundel van de Kring Kerkgezang. Integen­deel. In sommige gevallen werd vanwe­ge de bekendheid juist voor de versie van deze Her­vormde bundel geko­zen!


De uitbreiding van de gezangen lokte met name felle reacties van Christelijke Gereformeerde zijde uit.[198] De honderdste verjaardag van de Afscheiding stond voor de deur en de aanspraak daarvan de rechtmatige voort­zetting te zijn lag op tafel, ook in het verzet tegen de gezan­gen. Dat zal bij de receptie van de bundel in de Gereformeerde Kerken zelf eveneens hebben meegespeeld. De reacties die de volgende synode, die van Amsterdam 1936, ontving, illustreren de gemengde gevoelens waarmee de nieuwe gezangen ontvangen werden.[199] Die reacties waren alle afkomstig van (groepen) particulieren. Aangezien er ­­geen kerkelijke vergaderin-gen reageerden, zullen de be­zwaarden in de min­derheid zijn geweest. De wijze waarop de synode met hen omging, laat zien dat het toch een niet onaanzienlijke groep was. De synodale commis­sie van advies woog de bezwa­ren uitvoerig en deed daarvan in een pastorale toonzetting verslag. Haar conclusie was, dat de synode niet kon terug­komen op haar be­sluit, omdat daar op grond van Schrift en belijdenis geen aanlei­ding toe bestond. Degenen die gereageerd had­den, zouden van het besluit op de hoogte worden gesteld, en vanwege de gevoeligheid van de materie te­vens - anders dan gebruikelijk - de overwegingen ontvangen die eraan ten grondslag la­gen.[200]

 

Achteraf blijkt, dat de Kring Kerkgezang met de Proeve indertijd een treffende bloemlezing had samengesteld. Veertien van de twintig nieuwe gezangen stonden in een of andere vorm ook in deze Proeve. De kring was mede door interne verdeeldheid al enkele jaren niet meer in staat geweest een wezenlijke bijdrage aan de oplossing van het gezangenvraagstuk te leveren.[201] De achtereenvolgende synoden hadden bovendien besluiten genomen die uiteindelijk in de richting gingen die de kring voorstond. Hoewel menig lid misschien een royalere uitbreiding van de gezangbundel gewenst had, besloot de kring in 1934 zijn werkzaamheden te beëindigen. L. Lindeboom was de enige voorman, die bijna van het begin af aan steeds openlijk met de kring verbonden was geweest. Hij was nog voor de zitting van de Middelburgse synode in 1933 overleden. Anderen, J. Hoek, E.D. Kraan en C. Lindeboom, wilden of konden om onbekende redenen het werk aan de "verrijking van ons kerkgezang" niet voort­zetten.[202]  

 

Orde van dienst


We keren tot besluit nog even terug naar de synode van Middelburg 1933 voor de lotgevallen van een "voorstel voor de orde van den eere­dienst" dat deputaten bij haar hadden ingediend. In de presentatie klonk nog enig ongenoegen van hun zijde door over de gang van zaken in 1923: "Al laten ze in het midden, of de bezwaren destijds tegen deze liturgie inge­bracht, juist waren (...)." Nu hadden ze zich ge­hou­den aan hetgeen in de kerken "gebruikelijk" was. Ze wezen de door som­mige gevraagde uniformiteit af, omdat deze "nooit bestaan" had en ook "niet noodza­kelijk" was en wilden "zooveel mogelijk de vrijheid der Kerken" eerbiedigen.[203] De synode vond het voorstel desondanks nog te beperkend en verruimde de moge­lijkheden op enkele punten. Ze gaf een derde, trinita­rische formule­ring voor de zegengroet, gaf de voorlezer - "in de meeste kerken" nog aanwe­zig[204] - ondanks het afwijkend advies van deputaten op dit punt een ruime plaats in de dienst, ontdeed het gebed voor de preek van de inhoude­lijke bepaling "open­bare belijdenis der zonde, bede om een zegen over de bediening des Woords, voorbede voor de Over-heid en voor allen nood der Chris­ten­heid" en sanctioneer­de de tussenzang in de preek. De synode besloot de orde aan de kerken "aan te beve­­­­­­­­len".[205] Uit de toelichting van deputa­ten valt op te maken dat dit verstaan moet worden als "opleg­gen" of "voor­schrijven".[206] De synode onder­streepte deze opvat­ting door de aange­brachte wijzigingen, die het iedere kerk mogelijk moesten maken binnen de grenzen van het vastge­stelde te blijven. De orde zag er uiteindelijk als volgt uit:

 

 1   Votum

 2   Zegengroet

 3   Zingen

 4   Voorlezing van de Wet des Heeren, Exodus 20: 2 - 17 (eventueel aangevuld met Mattheüs 22: 37 - 40), eventueel gevolgd door een toepasselijk lied

 5   Voorlezing van een gedeelte der Heilige Schrift

 6   Gebed

 7   Zingen

 8   Collecte

 9   Bediening des Woords (eventueel met tussenzang)

             10   Dankzegging

             11   Zingen

             12   Zegen

 

In de middagdienst moest 4 worden vervangen door de belijdenis van het geloof met de bewoor­dingen van de apostolische geloofsbelijde­nis, eventueel gevolgd door een toepasse­lijk lied. Verder werd dan bij 9 nadrukkelijk vermeld, dat het ging om de behandeling van een zondagsafdeling van de Catechismus.

 


Na een langdurige en moeizame voorgeschiedenis heeft de synode van Arnhem 1930 een licht herziene Liturgie kunnen vaststellen en heeft haar opvolgster te Middelburg 1933 daar een bescheiden uitbreiding van de gezangbundel en een orde van dienst aan toegevoegd. Alleen de psalmberijming was buiten de beraadsla-gingen gebleven. Afgezien daarvan zou het vele jaren duren eer de Gereformeerde Kerken zelfs maar een onderdeel van hun eredienst weer ter discussie zouden stellen.

 

 

5.6         Conclusies

 

Vergelijkt men de resultaten van de achtereenvolgende synoden in de periode 1911 - 1933 met de idealen die A. Kuyper aan het begin daarvan in Onze Eeredienst beschreef, dan mogen de belangrijkste onderwerpen weliswaar in studie genomen zijn, maar kunnen de resultaten met recht "pover"[207] worden genoemd: twintig ge­zan­gen, maar uit de klassieke liederenschat en met name bedoeld voor de feestda-gen; belijdenisvragen en een orde van dienst, maar nauwelijks verschillend van de bestaande praktijk; een Liturgie die wel her­zien, maar beslist niet vernieuwd was. Het is de vraag, of meer verwacht mocht en kon worden. H.H. Kuyper vertolkte in 1919 het al langer levende gevoelen van de kerken, toen hij de zaak van de liturgie van "bijkomstig belang" noemde.[208] De voorafgaande oorlogsjaren waren reden genoeg geweest om niet tot nadere studie van liturgische onderwerpen over te gaan, laat staan enig constructief be­sluit te nemen.

Nadat de liturgische problematiek in 1920 op synodaal niveau aan de orde was gesteld, kreeg deze mede door het uitblijven van andere rapporten in 1923 een zwaar gewicht. Door toenemende spanningen was toen vrijwel alles wat op verandering en vernieuwing leek onder druk komen te staan. De gezangen­kwestie was belast door een teveel aan discussie. De kwestie was zo beladen, dat de synode in de opdracht aan deputaten een te grote voorzichtig­heid betrachtte en een verantwoord resultaat eigenlijk bij voorbaat onmogelijk maakte. De orde van dienst leed daarentegen aan een te­kort aan kerkelijk dispuut. Er bestond wellicht overeenstemming over het feit, dat er eenheid in de orde van dienst moest komen, maar over het wat had men in de kerkelijke pers nauwelijks de degens gekruist. De kerkelijke leiders bezaten daarvoor ook nauwelijks de kennis en het gepaste gereed­schap. H.H. Kuyper was eigen­lijk de enige die voor ogen had, hoe de liturgische vernieuwing systematisch zou moeten worden aangepakt, maar hij voegde de daad niet bij het woord. Zijn vader had ooit de ene liturgie in het verlengde van de ene belijdenis geplaatst. Juist en alleen in het formulier waarin de belijdenis centraal stond, dat voor de openbare geloofsbelijdenis, wist de synode in 1923 wel resultaat te boeken. In de voorgaande jaren waren ten gevolge van het proces van heroriën-tatie op de Gereformeerde identiteit verschillende stromingen zichtbaar geworden. Met het formulier voor openbare geloofsbelijdenis onderstreepte de synode nog eens waar het in Gereformeerde kring op aan kwam.


Bij gebrek aan leiding in de liturgische bezinning ging de bestaande plaat­selijke situatie in de praktijk gaandeweg een steeds belangrijker rol spelen. De synode gaf ruimte voor het zingen van een aantal gezangen die men buiten de erediensten al had leren kennen. De synode bevestigde bij gebrek aan een breed gedragen alternatief in de orde van dienst in grote lijnen de al be­staande praktijk. Dit had een vertragend effect op vernieuwingen, omdat zij daarbij zocht naar de grootste gemene deler. Er ontstond met deze keuze voor de bestaande plaatselijke praktijk een gesloten systeem waarin de Gereformeerde Kerken in liturgicis enkele tientallen jaren gevangen zouden zitten. De kerkeraden op hun beurt richtten zich immers in de bepaling van die praktijk weer op de syno­dale aanbevelingen. De vroegere tegenstelling tussen A en B was overwonnen: de liturgie was niet alleen kerkelijk vastgesteld, maar vertoonde ook de vertrouwde trekken van het aloude. Ze sloot immers bijna naadloos aan bij de historisch gegroeide gewoonte.

A. Kuyper stelde in Onze Eeredienst, dat in de liturgische besluit­vorming in principe de plaatselijke gemeente, c.q. de kerkeraad een doorslagge­vende rol moest spelen. Sommi­gen van de generatie na Kuyper meenden dat het in de liturgie ging om de synode en de predi­kant. In het bijzonder in de zaak Geelkerken (1926) liet de synode haar gezag gelden. Dat deed ze ook in het aanbevelen - dat als voorschrijven mocht worden opgevat - van de orde van dienst in 1933. Tegelijk versterkte ze in liturgische zaken met haar bevestiging van de bestaande praktijk de rol van de plaatselijke kerken. Doordat de verantwoordelijkheid voor uitvoering van synodale liturgische besluiten nadrukkelijk bij de kerken werd gelegd, won de gedachte veld, dat niet de predikant, maar de kerkeraad de orde en verdere invulling van de eredienst voor een belangrijk deel dient te bepalen. Vanuit Kuypers optiek een wezenlijk winstpunt ten opzichte van de situatie in 1911, waarmee dit hoofdstuk begon.

Met de Kring Kerkge­zang presenteerde zich de eerste als zodanig georganiseerde belan­gengroep in de Gereformeerde Kerken. De kring zag zijn doel tot op zekere hoogte gerealiseerd in een twintigtal nieuwe gezangen. Zij had evenwel getracht de noodzaak van het zingen aan te tonen, terwijl de synode niet verder wilde gaan dan het bieden van de mogelijkheid daartoe. Maar zelfs dit lijkt eer­der ondanks dan dankzij de kring te zijn gebeurd. Zijn tweede voor­zit­ter, Geelkerken, mag weliswaar betrokken zijn geweest bij de eerste gezangen-initiatieven in Amsterdam-Zuid, maar de moeilijke positie waarin hij kwam te verkeren heeft de realisatie van het streven van de kring zeker geen goed gedaan. Met Hoekstra en Van Beeck Calkoen benoemde de synode van Leeuwarden 1920 weliswaar twee leden van de kring tot deputaat, maar beiden stelden zich zeer gema­tigd op. De synode heeft zich ook in dezen vooral gevoelig ge­toond voor voorstel­len die langs de kerkelijke weg tot haar kwamen.

 



     [1]        D.Th. Kuiper, "Gefnuikte vernieuwing. De 'beweging der jongeren' in de Gereformeerde Kerken in Nederland in de periode 1910 - 1930", in: JGGK 1 (1987), 57 - 87, met name 60v.

     [2]        J. Hendriks, De emancipatie van de Gereformeerden - sociologische bijdrage tot de verklaring van enige kenmerken van het huidige gereformeerde volksdeel, Alphen a/d Rijn 1971, met name 212 - 224.

     [3]        Vgl. hierboven blz. 73 voor de wijziging van art. 69 van de DKO in 1905. Stilzwijgend werd het aantal gezangen toen met twee uitgebreid, morgen- en avondzang. Beide liederen hadden overigens al lang een plaats in de kerkboeken.

     [4]        De Heraut nr. 1788 (7 april 1912) (citaat).

     [5]        De Wachter 10 (1911-12), nr. 20. Al eerder had men melding gemaakt van het pleidooi van de Poort­wachter in ibi­dem, nr. 2. S. Huismans (1873 - 1924) stud. theol. VU 1893, Ge­ref. pred. Anjum 1901, Zevenhoven 1916, Doetinchem 1918. Huis­mans werd vooral bekend vanwege zijn inzet voor de Friese taal en de uitbreiding van de gezangbundel (BLGNP II, 265v).

     [6]           S. Huismans aan M. Smith d.d. 25 februari 1915 - GA Kampen, Archief Kring van Belangstel­lenden in de Verrijking van ons Kerkgezang (afgekort met: Archief Kring Kerkgezang), gedeponeerd in: Archief Theo­logische Hogeschool Kampen (afdeling IX-H), nr. 89. Huismans geeft in deze brief aan, dat hij na de Zwolse synode in 1911 begonnen is in de pers aan­dacht te vra­gen voor de ge­zangen­kwestie en dat de sug­gestie van een ver­eniging af­komstig is van Bavinck.

     [7]        Zie bijvoorbeeld de beschrijving van de kwestie in: Surcu­lus, Vrijwillige armoede? Kunnen Gerefor­meerde christenen met het gemis van Nieuw-Testamentische gezangen bij den Nieuw-Testamenti­schen eeredienst vrede hebben?, 's-Gravenhage 1914. De auteur van dit geschrift is de uitgever ervan, H.J. Spruyt, zo ont­hult K. Dijk in: "Liturgische vragen", 211.

     [8]        De Heraut nr. 1788 (7 april 1912) (citaat). Citaat in de laatste regel van de alinea: ibidem.

     [9]           Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1914 ('s-Gravenhage), art. 131 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage XCII.  De kerk van Brussel onderscheidde zich van de meeste andere Gereformeerde Kerken. Ze was gele­gen in het overwegend Rooms-Katholieke België. Haar ontstaan had ze te danken aan geëmigreerde Nederlanders, die een kerk wilden die gebonden was aan de gereformeerde belijdenis en zo mogelijk ingericht naar een gereformeerde, bijvoorbeeld de Dordtse kerkorde (A. de Raaf, "De instituering van de Gereformeerde kerk van Brus­sel (1891 - 1896) begeleid door Kuyper zelf", in: JGGK 1 (1988), 69 - 96). Er hing in de Brusselse gemeente een open, vooruitstre­vende sfeer. Net als de Gereformeerde Kerk van Zand­voort zou ze enkele jaren later als een van de eerste het vrouwenkies­recht invoeren. Geelkerken zou in 1926 ook vanuit deze kleine kerkelijke gemeente steun ontvangen. Haar predikant was Chr. Warner (1880 - 1919), stud. theol. VU, Geref. pred. Raamsdonk 1905, Brussel 1909. Warner was een leerling van Bavinck (De Haas, Voorgangers III, 319v). Hij behoorde tot de groep predikanten die elkaar rond de eeuwwisseling aan de VU had leren kennen en elkaar later voor een deel weer tegen zou komen in de Kring (..) Kerkge­zang.

     [10]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1914 ('s-Gravenhage), art. 131 (citaat volgende regel: ibidem). Het besluit viel op 5 november 1912 met 36 stemmen voor en 12 tegen.

     [11]  Huismans probeerde op deze wijze het verzoek van Brus­sel nog enigszins te redden (zie voor bron hierboven noot 6). L. Lindeboom (1845 - 1933) stud. theol. Kampen 1862, Chr. Afgesch. pred. 's-Hertogenbosch 1866, Zaandam 1873, do­cent Kampen 1883 - 1917 (emer.). Linde­boom had een grote inte­res­se voor uiteenlopende vraag­stukken van sociaal-maatschappe­lijke aard. Zijn colleges te Kampen hadden een praktische in­slag (BLGNP III, 250 - 253).

     [12]  Zie voor een schets van Kuypers standpunt: Kunst, Kerkzang, 101 - 118. Vgl. Rullmann, Kuyper-Bibliografie II, 103 - 106.

     [13]   De Heraut nr. 1045 (2 januari 1898) (citaat).

     [14]  Kuyper, Onze Eeredienst, 60v (citaat; curs. KWdJ). Vgl. De Heraut nr. 1045 (2 januari 1898).

     [15]  De Heraut nr. 1836 (9 maart 1913) (citaat).

     [16]  H.H. Kuyper zou zich blijven verzetten tegen nieuwe gezan­gen, zo bijvoorbeeld nog in: De Heraut nr. 2142 (9 febru­ari 1919).

     [17]  De reeks startte met De Heraut nr. 1769 (26 november 1911). Het laatste, zeventiende artikel verscheen in ibidem nr. 1787 (31 maart 1912). Al eerder sprak H.H. Kuyper voorzichtig enige waardering uit over de dienst: "Het is voor onze Kerken toch wel ietwat beschaamend, dat de Hervormde Kerk ons het voor­beeld moet geven, hoe de eeredienst beter kan worden inge­richt." (ibidem nr. 1766 (5 november 1911)). Zie ook hierboven blz. 80v.

     [18]  Ibidem nr. 1775 (7 januari 1912), nr. 1776 (14 janu­ari 1912) en nr. 1787 (31 maart 1912).

     [19]  Ibidem nr. 1771 (10 december 1912), nr. 1772 (17 december 1912). Vgl. ibidem nr. 1775 (7 januari 1912) en nr. 1777 (21 januari 1912).

     [20]  Ibidem nr. 1776 (14 januari 1912).

     [21]  Ibidem nr. 1777 (21 januari 1912). In de volgende afleve­ringen geeft hij een beknopte uitwerking van dit werkprogramma.

     [22]  Ibidem, nr. 1768 (19 november 1911).

     [23]  Ibidem nr. 1785 (17 maart 1912).

     [24]  Ibidem nr. 1769 (26 november 1911) (citaat).

     [25]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1914 ('s-Gravenhage), art. 131 (citaat vorige zin). Vgl. ibidem, bijlage XCI­I.

     [26]   Vgl. De Jong, "Gerretsens 'liturgie'", 46 - 50.

     [27]  Inleiding gehouden voor de 'Vriendenkring van oud leden der J.V. 'Timotheüs' in Rotterdam op 22 december 1914 (in deze paragraaf af te korten met: Inleiding) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 107. Johannes van den Berg (1881 - 1961), werkzaam bij een grote scheepvaart­firma (fa. Wm. Ruijs & Zonen), zette zich in het kerke­lijk leven naast zijn werkzaamhe­den voor de kring onder meer in voor kerksplitsing in de grote steden, in het bijzonder in zijn eigen woonplaats Rotterdam (A.P. Crom e.a. (red.), Anderhalve eeuw gereformeerden in stad en land 6: Zuid-Holland Noord, Kampen 1984, 30).

     [28]  Inleiding, 1 (citaat in vorige en deze zin). Vgl. ibidem, 1 - 7.

     [29]  Ibidem, 1 (citaat). Vgl. ibidem, 11 - 23.

     [30]  Ibidem, 26 (citaat).

     [31]  Ibidem, 1 (citaat). Vgl. ibidem, 23 - 27.

     [32]  C. Besselaar aan Joh. van den Berg d.d. 17 (?) november 1915 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 94-e.

     [33]  Van den Berg hield zijn lezing ook voor leden van de Gereformeerde Kerk te Rotterdam (zie archivalia in: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 94-c) en in diverse verenigingen (Inleiding, 27). Voor de correspon­dentie met de kerkeraad zie: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 94-j en ook nr. 93 (sub K).

     [34]  C. Besselaar aan Joh. van den Berg d.d. 17 (?) de­cember 1915 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 94-e.

     [35]  Zie diverse kranteknipsels in: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 100, 5, 6 en 7; en voor Gorinchem correspon­dentie in GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 88 (sub Both, Schelling).

     [36]  Notulen kring d.d. 4 mei 1914 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87.

     [37]  S. Huismans aan M. Smith d.d. 25 februari 1915 en d.d. 8 december 1915; aan C. Besselaar d.d. 3 januari 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89.

     [38]  Joh. van den Berg aan L. Lindeboom d.d. 2 november 1915 (afschrift) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 91.

     [39]  S. Huismans aan M. Smith d.d. 25 februari 1915 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang nr. 89; L. Lindeboom aan Joh. van den Berg d.d. 25 januari 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 91.

     [40]  Volgens Huismans had Bavinck zelf gesuggereerd een ver­eni­ging op te richten om de uitbreiding van de gezangbun­del te bepleiten (S. Huismans aan M. Smith d.d. 25 februari 1915 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89).

     [41]  Joh. van den Berg aan L. Lindeboom d.d. 30 maart 1916 (afschrift) (citaat) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 91. Een ge­sprek dat Geelker­ken enkele maanden later met Bavinck had, leverde evenmin iets op (notulen comité d.d. 26 juni 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87). Mogelijk deed men een jaar later nog eens een ver­geefse poging (notulen comité d.d. 13 augustus 1917 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87).

     [42]   Vgl. 'Als Bavinck nu maar eens kleur bekende'. Aantekeningen van H. Bavinck over de zaak-Netelenbos, het Schriftgezag en de situatie van de Gerefor­meerde Kerken (november 1919), bezorgd door G. Harinck, C. van der Kooi en J. Vree, Amsterdam 1994.

     [43]  Notulen comité d.d. 13 augustus 1917 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87. Zie voor Sillevis Smitt ook hieronder blz. 97.

     [44]  Een eerste ontmoeting met de Rotterdammers vond plaats op 25 maart 1916 (A. Brummel­kamp jr. aan Joh. van den Berg d.d. 16 maart 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89). A. Brummelkamp jr. (1839 - 1919) stud. theol. Kam­pen 1854, Edingburgh, Chr. Geref. pred. Alkmaar 1876, Groningen 1879, hoofdred. Nieuwe Provinciale Groningsche Courant 1888, lid Tweede Kamer 1897 - 1918. Brummelkamp, zoon van A. Brummel­kamp (1811 - 1888), heeft zelf aangegeven, dat zijn verblijf in Edingburgh zijn blik enorm verruimd heeft (De Haas, Voorgangers II, 54v). Brummelkamps vader had zich gematigd positief opge­steld ten opzichte van gezangen, zijn broer J. Brummelkamp (1837 - 1898) had zich in 1865 voor het samenstellen van een gezang­bundel ingezet (Ypma, "Het godsdienstig lied", 218, 241).

     [45]   Vgl. hierboven blz. 24 (Brummelkamp sr.) en blz. 51 (broer J., predikant te Tiel).

     [46]  Notulen kring d.d. 4 mei 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87.

     [47]  Vertegenwoordigd waren de plaatselijke verenigingen uit Delft, Gorinchem, Rotter­dam, Middelburg en Vlis­singen (de laatste twee in de predikanten J.B. Netelenbos (zie over hem ook hieronder blz. 95) en D. Pol). Op persoonlijke titel waren verder uit­genodigd en aanwezig enkele pre­dikan­ten (H.C. van den Brink, Die­ren, en J.G. Geel­kerken, Am­ster­dam; J. Brinkman, Velp, en H. Thomas, Leiden, waren uitge­no­digd, maar verhin­derd) en an­dere sympa­thisanten (onder meer dichter-schrij­ver S. Anema en uit­gever H.J. Spruyt). Zie: notulen kring d.d. 4 mei 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87; correspondentie met Geelkerken - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 90; rondzendbrief van Joh. van den Berg d.d. 25 april 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, 91.

     [48]  J.G. Geelkerken (1879 - 1960) stud. theol. VU 1899, dr. theol. 1909, Geref. pred. Epe 1911, Amsterdam-Zuid 1915, Ge­ref. pred. in H.V. 1926, Herv. pred. 1946 (emer.). Geel­ker­ken was een leerling van H. Bavinck. Zijn be­lang­stel­ling voor de gezangen­kwestie moet gezien worden in het kader van een open hou­ding voor wat bui­ten de eigen kring van de GKN leefde (BLGNP II, 206 - 209).

     [49]  Notulen comité d.d. 26 juni 1916 (citaten in de volgende regels zijn uit deze notulen afkomstig) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87.

     [50]  Notulen kring d.d. 3 september 1917 (citaat) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87.

     [51]  Met name S. Anema wijst op het belang van een her­zie­ning van de psalmberijming en de bijbehorende zangwijzen. Vgl. zijn ingezon­den brief in De Heraut nr. 2007 (9 juli 1916).

     [52]  Zie voor Huismans stellingen en de reacties daarop: GTT 16 (1916-17), 282 - 284. Van enige besluitvorming is in dit verslag geen sprake. Zie verder: notulen comité d.d. 13 augustus 1917 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87; J. Brinkman aan N.N. d.d. 14 juli 1917 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, 94-b.

     [53]  Notulen kring d.d. 3 september 1917 (citaat) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87. Voor het sub a: zie boven.

     [54]  Zie hieronder vanaf blz. 128.

     [55]  Notulen kring d.d. 4 mei 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87. Het betreft de weergave van een gesprek met Bavinck door vermoede­lijk Van den Berg. Vgl. voor het contact met Bavinck ook noot 41.

     [56]  De pamfletten bevinden zich in: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 94-k. Voor auteurschap en date­ring van de eerste, zie: notulen comité d.d. 26 juni 1916; voor dat van de tweede: notu­len comité d.d. 13 augustus 1917 - beide: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87; A. Brummel­kamp aan C. Besselaar d.d. 9 januari 1918 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89.

     [57]  Vgl. J.G. Geelkerken, Berijmde Schrift­ge­deelten of Schrif­tuurlij­ke Kerkliederen?, Rotterdam 1923.

     [58]   Vlugschrift getiteld De dogmatisch-liturgi­sche nood­zakelijk­heid van het Nieuw-Testamentisch kerklied (citaat) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, 94-k.

     [59]  Het verscheen in: De Ster der christelijke weekbla­den 2 (1920), 6 augustus 1920, en werd als een overdruk van deze publikatie ver­spreid.

     [60]   J.G. Geelkerken aan C. Besselaar d.d. 10 mei 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 90; C. Besselaar aan J.G. Geelkerken d.d. 13 mei 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 90. Vgl. verder C. Besselaar en M. Smith aan Joh. van den Berg en H. Robijn  d.d. 8 mei 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89; correspondentie Lindeboom, diverse brieven rond de jaarwisseling 1915-16 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 91.

     [61]  Zie voor de correspondentie: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 88; voor gegevens uit de finan­ciële administratie van 1922 en later jaren: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 105.

     [62]  Naast de emeritus-predikanten H. Bavinck, A. Brum­mel­kamp jr., Tj. Hoekstra en L. Lindeboom, de predikanten J. Brinkman, J.G. Geelker­ken, H. Jansen, D. Pol, J.G. Ubbink, J. Waterink en B. Wielenga. Verder nog de studen­ten theologie J. Hoek, E.D. Kraan en Th. Ruys, die even­eens in 1917 al lid waren.

     [63]  H.C. van den Brink, J.G. Geelkerken, H. Hasper, C. Vermaat en J.G. Ubbink.

     [64]   Zie hieronder vanaf blz. 126.

     [65]  Te weten J. Brinkman (persoonlijke omstandigheden), H. Jansen en J.B. Netelenbos (Schriftbeschouwing).

     [66]  Naast de al genoemde predikanten, vermeldt het ar­chief tot en met 1918 verder de namen van S. Huismans, C. Lin­de­boom, A.J. Mulder, J.B. Netelenbos, A.Ph.S. Schaafsma, H. Thomas, J. Voerman en J.A. de Vries. In later jaren ook nog van J.C. Brussaard, W.L. Mi­lo, J.L. van der Wolf (allen 1922) en J. Schelhaas Jzn. (1929).

     [67]  Te noemen zijn de namen van: Van den Brink, (C. en L.) Lindeboom, Hoekstra, Huismans en Wielenga.

     [68]  L. Streng aan C. Besselaar d.d. 11 september 1917 (citaat) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 88.

     [69]  J.B. Netelenbos (1879 - 1934) stud. theol. VU 1899, Geref. pred. Oostkapelle 1905, Heeren­veen 1910, Middelburg 1912 - 1919 (afgezet), Herv. pred. Heinkenszand 1921, Roermond 1928, Groen­lo 1931 (BLGNP I, 208v; C.J. de Kruijter, "De erfenis niet gewei­gerd. Ds. Jan Bernard Netelenbos (1879 - 1934)", in: JGGK 6 (1992), 83 - 129). Vgl. ook hieronder blz. 101.

     [70]  Notulen comité d.d. 13 augustus 1917 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87.

     [71]  C. Besselaar aan L. Lindeboom d.d. 30 juni 1919 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 91.

     [72]  Lindeboom had al veel eerder zijn bedenkingen tegen de persoon en opvattingen van Netelenbos geuit (L. Lindeboom aan Joh. van den Berg d.d. 1 maart 1916 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 91).

     [73]  C. Besselaar aan J.G. Geelkerken d.d. 23 mei 1919, J.G. Geelkerken aan C. Besselaar d.d. 30 mei en 12 juni 1919 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 90.

     [74]  Zo het verslag van de vermoedelijk laatste vergadering op 6 mei 1920 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 94-l. Onder dit nummer zijn ook andere stukken opgenomen, die hebben gediend bij het samenstellen van de bundel. Vgl. aanvullend ook stukken van J.C. Brummelkamp-Esser in: HDC, Archief Brummelkamp, nr. 10.

     [75]  Vgl. J.J. de Vos aan C. Besselaar d.d. 20 juni 1920 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 90.

     [76]   De Heraut nr. 2308 (16 april 1922) (citaat). Vgl. hieronder blz. 101. J.C. de Moor (1878 - 1926) stud. theol. VU 1895, dr. theol. 1903, Geref. pred. Breda 1903, 's-Gravenhage 1905, Am­sterdam 1916, Utrecht 1920. De Moor had een brede belangstel­ling voor hetgeen zich op het kerkelijk erf afspeelde (BLGNP III, 276v).

     [77]  Vgl. hierboven blz. 88v.

     [78]  Zie bijvoorbeeld: De Heraut nr. 1773 (24 december 1911), nr. 1774 (31 december 1911), nr. 1785 (17 maart 1912). Vgl. voor het standpunt van A. Kuyper hierboven blz. 48.

     [79]  P.A.E. Sillevis Smitt, "De Eeredienst in den aposto­li­schen tijd", in: GTT 17 (1916-17), 15 - 29, 101 - 118. P.A.E. Sillevis Smitt (1867 - 1918) stud. theol. VU 1888, dr. theol. 1910, Geref. pred. Monster 1893, Rotterdam 1896, Amsterdam 1910, hoogl. VU 1912. In de grote steden deed Sillevis Smitt ruime pastorale erva­ring op. Zijn disser­tatie en verdere publikaties wijzen op kennis van en belang­stelling voor de apostolische tijd (De Haas, Voorgangers III, 266 - 268).

     [80]  Sillevis Smitt, "De Eeredienst", 117 (citaat). Citaat in volgende regel: ibidem, 118.

     [81]  C. Lindeboom, "Eenheid in onze liturgie?", in: GTT 18 (1917-18), 57 - 65, 57v (citaat). C. Lindeboom (1872 - 1938) stud. theol. Kampen 1889, Lausanne, Geref. pred. Sprang 1896, Bolnes 1900, Apeldoorn 1905, Gorinchem 1908, Amsterdam 1914 - 1937 (emer.) (BLGNP III, 249v). Lindeboom heeft verder nauwelijks over de ere­dienst gepubliceerd. Wel was hij betrokken bij de Kring Kerkgezang.

     [82]  Lindeboom, "Eenheid", 57 (citaat).

     [83]  Vgl. H.C. van den Brink, "Eenheid in onze litur­gie?", in: GTT 18 (1917-18), 116 - 119. H.C. Van den Brink (1866 - 1947) stud. theol. VU 1887, Geref. pred. Rinsumageest 1893, Heeg 1896, Rotterdam 1900, Dieren 1912, Zandvoort 1919, Geref. pred. in H.V. 1926, Leiden 1928, Amersfoort 1931 - 1932 (emer.) (BLGNP III, 59v). Van den Brink was actief betrokken bij de Kring Kerkgezang genoemde. Evenals Lindeboom publiceer­de Van den Brink verder nauwelijks over de eredienst.

     [84]  Lindeboom, "Eenheid", 57 (citaat).

     [85]  In de gebruikelijke plaats van de voorzang verschil­len beide predikanten. Van den Brink meent, dat in "vele ker­ken" dit de volgorde is ("Eenheid", 116). Lindeboom houdt het er op, dat in "vele kerken" de voorzang aan het votum vooraf gaat ("Eenheid", 58).

     [86]   Zie hierboven blz. 13.

     [87]  Zie hieronder bijvoorbeeld blz. 105v, 108 en 152.

     [88]   De Heraut nr. 2142 (9 februari 1919) (citaten in het vervolg van de alinea zijn uit dit stuk afkomstig). Vgl. voor de reeks uit 1911 en 1912 hierboven blz. 80v en 88v.

     [89]  Bij dit alles moet bovendien bedacht worden, dat de GKN en in het bijzonder A. Kuyper zich hadden afgezet tegen het niet ge­bruiken van kerkelijk geijkte liturgische formulie­ren en tegen het wel gebruiken van kerkrechtelijk onjuist in­ge­voerde en on-schrif­tuurlijke gezangen.

     [90]  Notulen kerkeraad d.d. 22 mei 1919 - deze en in het vervolg van deze paragraaf nog aan te halen notulen: GA Amsterdam, Archief Gereformeerde Kerk Amsterdam Zuid.

     [91]  Er was afwijzend beschikt op een vraag uit de ge­meente om de doopbedie­ning te be-amen en daarbij te zingen (notulen kerkeraad d.d. 9 december 1915 en 23 maart 1916). De frequentie van de avondmaalsvie­ring was bij een voorstel daartoe niet ver­laagd van twee- naar driemaandelijks (notulen kerkeraad d.d. 8 juni 1916).

     [92]  Citaat: zie hierboven noot 90. Lukkien zou later het initiatief nemen om door de ker­keraad aan de landelijke deputaten enkele suggesties te laten doen voor geschikte nieuwe gezangen (notulen kerkeraad d.d. 16 en 23 december 1920, 9 februari en 16 maart 1922).

     [93]  Notulen kerkeraad d.d. 12 juni 1919.

     [94]  Notulen kerkeraad d.d. 12 februari 1920.

     [95]  Notulen kerkeraad d.d. 19 februari 1920.

     [96]  Notulen kerkeraad d.d. 4 november 1919.

     [97]  Notulen kerkeraad d.d. 18 maart 1920.

     [98]  Notulen classis d.d. 14 april 1920 (citaten in het vervolg van de alinea zijn uit deze notulen afkomstig) - GA Amsterdam, Archief Classis Amsterdam GKN.

     [99]   Vgl. H.H. Kuyper, die op historische gronden uitging van de begrippen revisie en revideren en dit vrij consequent vertaalde met het herziening, resp. herzien (bijvoorbeeld: De Post-acta, 391 en 404v; Is de authentieke tekst, 33v) dat verder ging dan het overzien van de classis; vgl. tevens zijn pleidooi van recentere datum voor "herziening" (De Heraut nr. 2142 (9 februari 1919)).

     [100] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1920 (Leeuwarden), art. 10, sub A.

     [101] Notulen kerkeraad d.d. 8 juli 1920. De kerkeraad schoffeerde hiermee Van Dijken, die als afgevaardigde naar de classis daar mede de hand had gehad in enkele als compromis bedoelde wijzigingsvoorstellen. Vgl. verder Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1920 (Leeuwar­den), art. 10, sub A.

     [102] Zie voor Netelenbos' radicale opstelling in de gezangenkwestie hierboven blz. 95. Zie voor de behandeling van de zaak op de synode: H.C. Endedijk, De Gereformeerde Kerken in Nederland, 2 dln., Kampen 1990 - 1992: I, 139vv; De Kruijter, "De erfenis", 110 - 113; Kuiper, "Gefnuikte vernieuwing", 69vv.

     [103] Voor de bundel van de Kring Kerkgezang, zie hierboven met name blz. 96v.

     [104] Notulen kring d.d. 9 september 1921 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87.

     [105] Notulen commissie I d.d. 26 augustus 1920 - Rijksarchief Utrecht (= RAU), Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 429.

     [106] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1920 (Leeuwarden), art. 87.

     [107] Ibidem, art. 117 (citaat). Ten opzichte van het voor­stel van Noord-Holland werden de woorden "of onberijm­de" toe­ge­voegd.

     [108] Ibidem, art. 116 (citaat; curs. KWdJ). H.H. Kuyper had een klein jaar gele­den nog gespro­ken van de herziening van zowel de belijde­nis en als de litur­gische geschrif­ten. Enkele maanden later bleek dit evenals op de synode voor de belijde­nis vooral uit­breiding en aanvulling in te houden, "nadere formulee­ring" zoals vele ker­kelijke vergaderin­gen het noem­den. 

     [109] Resp. ibidem, art. 88 (citaat vorige regel) en bijlage XVIII (citaat deze regel).

     [110] G.Ch. Aalders (1880 - 1961) stud. klass. lett. en the­ol. VU 1897, dr. theol. 1911, Geref. pred. Tzummarum 1903, Er­melo 1911, hoogl. VU 1920 - 1950 (emer.). Aalders ver­wierf vooral bekendheid door zijn studies op het gebied van het Oude Testa­ment. Daarop is dan ook het aan hem gewijde artikel in BLGNP III, 11 - 13, gericht. 

     [111] A.J.L. van Beeck Calkoen, "Ons huwelijksformulier", in: GTT 19 (1918-19), 301 - 320. In 1918 hield hij op de Gere­for­meerde predikantenconferentie een referaat over dit onder­werp.

     [112] Notulen comité d.d. 3 februari en 15 juli 1921 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87.

     [113] Enkele polemische gedeelten tegen met name de syno­de­beslui­ten in het door Linde­boom opgestelde concept voor het voorwoord werden geschrapt (GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 94-h; vgl. notu­len comité d.d. 3 februari 1921 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87). Wel werd een protestbrief (d.d. maart 1922) geschreven vanwege de wijze waarop de proefbundel op de synode van 1920 was behandeld, met het verzoek deze brief in de Acta op te nemen (Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1923 (Utrecht), art. 157, vgl. bijlage XLV, resp. XLIV.

     [114] Zie voor deze gegevens: rondzendbrief van Joh. van den Berg aan de leden van het comité d.d. 10 november 1922 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89; Joh. van den Berg aan J. Dou­ma d.d. 16 november 1923 (afschrift) en fa. Brandt & Zn aan Joh. van den Berg d.d. 8 februa­ri en 9 juli 1923 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 93.

     [115] Rondzendbrief van Joh. van den Berg aan de leden van het comité en de commissie van advies d.d. 10 december 1927 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89; diverse cor­respondentie van 7 januari tot en met 12 mei 1930 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 93-b. Contractu­eel was be­paald, dat bij een tweede druk de kring voor het eerst een deel van de winst zou ont­vangen. In 1927 had men dit geld hard nodig om de acti­viteiten te kunnen voortzetten. In­direct heb­ben de Her­steld-Verbanders langs deze weg een bij­drage gele­verd aan de activi­teiten om de gezan­g­bundel in de GKN uitge­breid te krijgen!

     [116] Rapporten aangeboden aan de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, saam te komen te Utrecht, augustus 1923, Kampen z.j. (afgekort: Rapporten 1923), 119 (citaat).

     [117] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1923 (Utrecht), art. 136 (citaat). Voor de tekst van de vragen, zie bijlage E.

     [118] Rapporten 1923, 132 (citaat).

     [119] Tj. Hoekstra, "Eenheid in de liturgie", in: GTT 21 (1921-22), 163 - 168, 165v (citaat). Vgl. ook een mededeling van depu­taat J.C. de Moor hieromtrent in De Heraut nr. 2248 (20 fe­bruari 1921). Op basis van de vrijstelling die De Moor als deputaat van zijn kerkeraad kreeg, mag vermoed worden, dat een basis van het rapport in de tweede helft van septem­ber en de eerste helft van oktober 1921 is gelegd (De Heraut nr. 2262 (29 mei 1921)) en op de eindredactie na eind augustus 1922 gereed kwam (De Heraut nr. 2328 (3 september 1922)).

     [120] Zie voor de opdracht van de synode hierboven blz. 101v.

     [121] Rapporten 1923, 133 (citaat). Vgl. voor de aan de klassiek-gereformeerde Liturgie te ontlenen orde hierboven blz. 66.

     [122] Ibidem, 133 (citaat).

     [123] Vgl. De Reformatie 2 (1921-22), 289. Vgl. ook ibidem 8 (1927-28), 332v en ibidem 9 (1928-29), 110v en 225v. De auteur, V. Hepp, beschrijft een en ander steeds met instemming. Aangehaald tijdschrift is duidelijk te onderscheiden van het gelijknamige door H.P. Scholte geredigeerde periodiek.

     [124] Voor wat betreft de liturgische orde (citaat): Kuyper, Onze Eeredienst, 275. Door deputaten ook om­schreven als de "orde der Liturgie" (Rapporten 1923, 133). Voor de schuldbelijdenis: Kuyper, Onze Eeredienst, 220 en Rapporten 1923, 137, 139v. Voor de plaats van de ingezamelde gaven: Kuyper, Onze Eeredienst, 348 en Rapporten 1923, 136. Voor de gezongen geloofsbelijdenis: Kuyper, Onze Eeredienst, 261v en Rapporten 1923, 136 en 141. Met betrekking tot de voorlezer: Kuyper, Onze Eeredienst, 171 - 176 en Rapporten 1923, 138.

     [125] Rapporten 1923, 137. Kuyper, Onze Eeredienst, 214 - 217.

     [126] Rapporten 1923, 135. Kuyper, Onze Eeredienst, 283vv, 340vv.

     [127] Rapporten 1923, 142 (citaat). Vgl. ibidem, 139. Vgl. voor de orde: ibidem, 139 - 142.

     [128] Zie bijvoorbeeld: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1923 (Utrecht), art. 8, sub C; Instigator, De liturgie in onzen openbaren eeredienst, Kam­pen 1923; E.D.J. de Jongh, "Eenige opmer­kingen over het li­tur­gie-rapport", in: GTT 24 (1923-24), 69 - 76.

     [129] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1923 (Utrecht), art. 155 en bijlage XLIV.

     [130] Ibidem, art. 155 (citaat).

     [131] Ibidem, art. 155, 156 en bijlage XLIV.

     [132] Geelkerken, Berijmde Schriftgedeelten. De brochure werd na­mens de kring gepubli­ceerd, maar buiten medewerking van Linde­boom (i­bidem, 2).

     [133] Ibidem, 11 (citaat).

     [134] Ibidem, 13 (citaat). Vgl. ibidem, 12 - 18. Geelkerken stelt met name J.C. de Moor verant­woordelijk voor de opdracht (ibi­dem, 12).

     [135] Ibidem, 18 (citaten).

     [136] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1923 (Utrecht), art. 157 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage XLIV.

     [137] Ibidem, art. 157 (citaat).

     [138] De Reformatie 1 (1920-21), 277, 285v, 293 en 301v. Zie verder: Het boek der Psalmen benevens Eenige Gezangen (...), ten behoeve van het rythmisch zingen bewerkt door J.C. de Moor, Wageningen z.j. [1923] (citaat uit de titel).

     [139] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1923 (Utrecht), art. 8 (sub C) (citaat). Vgl. ibidem, art. 157.

     [140] Ibidem 1930 (Arnhem), art. 284.

     [141] Vgl. voor de zaak Geelkerken: Endedijk, De Gereformeerde Kerken I, met name 195 - 205; Kuiper, "Gefnuikte vernieuwing", met name 78 - 81.

     [142] Ouderlingenblad (= OB) 3 (1924-25), 369; De Heraut nr. 2455 (8 februari 1925). Vgl. wat vóór de synode geacht werd algemeen gebruik te zijn: ibidem nr. 2374 (22 juli 1923).

     [143] De Heraut nr. 2409 (23 maart 1924). Vgl. OB 6 (1927-28), 848v en OB 9 (1930-31), 1254.

     [144] OB 2 (1923-24), 260vv (tegen voorlezer), 368v en 379 (voor); OB 7 (1928-29), 907vv (tegen), 916v (tegen) en 961vv (voor).

     [145] De Heraut nrs. 2447 en 2448 (resp. 14 en 21 december 1924). Vgl. bijvoorbeeld De Reformatie 1 (1920-21), 323; ibidem 4 (1923-24), 59; ibidem 9 (1928-29), 6.

     [146] De Heraut nr. 2352 (18 februari 1923). Vgl. De Re­for­matie 7 (1926-27), 171 (met name bij predikanten), 234, 243.

     [147] Notulen kerkeraad d.d. 18 oktober (voorstel uit de gemeente) en 20 december 1923 (besluit over voorstel com­mis­sie ad hoc, bestaande uit onder meer de beide predikanten) - evenals in volgende twee noten: GA­ Amsterdam, Archief Gereformeerde Kerk Amsterdam-Zuid.

     [148] Notulen kerkeraad d.d. 3 april en 5 juni 1924.

     [149] Notulen kerkeraad d.d. 15 mei, 12 juni en 21 augus­tus 1924.

     [150] No­tu­len classis d.d. 11 maart 1925 (citaat) - GA Amsterdam, Archief Classis Amsterdam GKN. Vgl. idem d.d. 11 juni, 10 en 11 sep­tember en 10 december 1924 en 27 mei 1925.

     [151] Notulen classis d.d. 29 mei 1923 - RA Haarlem, Archief Classis Haarlem van de GKN, nr. 6.

     [152] Zie bijvoorbeeld: De Heraut nrs. 2391 tot en met 2395 (18 en 25 novem­ber, 2, 9 en 16 december); OB 2 (1923-24), 273 en 282vv.

     [153] Uit de beschikbare gegevens valt op te maken, dat er in 1922 en 1923 nog 123 leden waren (1917: 133), in 1929 nog 72 (GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, ­nrs. 103 en 105).

     [154] Rondzendbrief van Joh. van den Berg aan de leden van het co­mité en de commissie van advies d.d. 23 november 1923 - Archief Kring Kerkgezang, nr. 89.

     [155] Notulen comité d.d. 31 mei 1927 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87.

     [156] Notulen kring d.d. 4 mei 1916 (be­lofte vlugschrift), comité d.d. 16 juni 1916 (idem), comité d.d. 9 juni 1927 (i­dem) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87; rondzendbrief van Joh. van den Berg aan de leden van het comité en de commissie van advies d.d. 23 novem­ber 1923 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89.

     [157] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1927 (Groningen), art. 243 en bijlagen CXXXVIII en CXXXIX. De kring deed de suggestie, dat de synode een selectie zou kunnen maken uit zijn Proeve.

     [158] Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1927 (Groningen), met name bijlage CXXXVI - 2e gedeelte. Uit het in dit rapport ondergebrachte onderzoek naar het zogenaamde vrije kerklied waren door de deputaten nog geen conclusies getrokken. De synode besloot daarom de behandeling tot de volgende synode uit te stellen (ibidem, art. 242).

     [159] K. Dijk (1885 - 1968) stud. theol. VU 1905, dr. theol. 1912, Geref. pred. Rijswijk 1912, 's-Gravenhage 1916, hoogl. Kampen 1937 - 1955 (emer.). Dijk genoot grote bekendheid in de GKN en gold "jarenlang als een van haar meest representatieve figuren" (BLGNP II, 180v).

     [160] Zie hieronder vanaf blz. 128.

     [161] Eerste artikel: OB 3 (1924-25), 304v; slotartikel: OB 5 (1926-27), 616vv. Vgl. ook bijlage A2.

     [162] Hoekstra, Dictaat.

     [163] Ibidem, 17 (citaten).

     [164] Ibidem, 80 (citaat).

     [165] Ibidem, 82 (citaat). Vgl. voor Kuypers orde hierboven blz. 77.

     [166] Vgl. ibidem, 33 en 84.

     [167] Tj. Hoekstra, Gereformeerde homiletiek, Wageningen 1926, 257 (citaat). Zie verder Hoekstra's verhandeling over de tekstkeuze: ibidem, 236 - 275.

     [168] Aalders: OB 8 (1929-30), 1118 en 1143; Hoekstra, Dictaat, 43v, vgl. (voor zijn weergave van Kuypers standpunt): ibidem, 42v.

     [169] Hoekstra, Dictaat, 2.

     [170] Zie bijvoorbeeld: Kuyper, Onze Eeredienst, 278. Vgl. idem, 556v, waar Kuyper zelf de synode een belangrijke rol toebedeelt in het proces van liturgische vernieu­wing.

     [171] G. van der Leeuw (1890 - 1950) stud. theol. en Egyptisch Leiden 1908, Berlijn 1913, Göttingen 1914, dr. theol. Leiden 1916, Herv. pred. 's-Heerenberg 1916, hoogl. Groningen 1918, met onder­bre­king als minister van onderwijs 1945-46. Eerst na 1940 begon Van der Leeuw in Groningen ook liturgiek te doceren (BLGNP I, 114 - 120).

     [172] Inleiding van G. van der Leeuw in: J.H. Gerretsen, Liturgie, 4e dr. 's-Gravenhage-Rijswijk z.j. [1946 of 1947], 4 (citaat). Vgl. paragraaf 4.2.

     [173] G. van der Leeuw e.a., Inleiding. Waarom liturgie? Beginsel en practijk (= Liturgische Handboekjes 1), Baarn 1923, V (eerste citaat).

     [174] De Reformatie 1 (1920-21), 115 (inwijding Haagse Dui­noord­kerk); ibidem 7 (1926-27), 63, 70, 79 (doden­zon­dag in de­zelfde kerk rond 2 november); ibidem 11 (1930-31), 230 (li­turgische dienst op 2e Paasdag in de Ut­rechtse Klaas­kerk).

     [175] Bijvoorbeeld in Zandvoort (De Heraut nr. 2604 (18 de­cember 1927)), later ook bijvoorbeeld Haarlem en Tienhoven.

     [176] Deze roep van H.H. Kuyper in De Heraut werd nu door V. Hepp en J. Waterink in De Reformatie overgenomen (De Refor­ma­tie 10 (1929-30), 187, 258). Ook in de Kerken klonken soort­ge­lijke geluiden (zie bijvoorbeeld OB 8 (1929-30), 1131). Hepp had zich voorheen al posi­tief uitgelaten over de voorstel­len aan de Leeuwarder synode en soortgelij­ke vernieu­wingen in Noord-Amerika. Na het vertrek van Hepp nam K. Schilder de leiding over en werden de geluiden in De Reformatie over liturgische vernieu­wingen aanzienlijk kritischer (De Reformatie 12 (1931-32), 274, 282 (afwijzing van het ritmisch zingen, omdat dit voor de gemeente te moeilijk zou zijn) en ibidem 13 (1932-33), 66, 75 (instemming met de nieuwe orde van dienst, omdat de preek hierin duidelijk in het middelpunt stond)).

     [177] Rapport inzake de Herziening der Liturgie en het vraagstuk van het Kerkgezang aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken, saam te komen te Arnhem, in den jare 1930, z.p. z.j. (afgekort: Rapport 1930). Zie voor de voorlopige rapportage aan de synode van Groningen 1927 hierboven blz. 110v.

     [178] Vgl. Rapport 1930, 50. Citaten in vervolg alinea: ibidem.

     [179] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1930 (Arnhem), art. 282 en 284, bijlage XCVI­I.

     [180] Ibidem, art. 284. Citaten in vervolg alinea: ibidem.

     [181] Rapport 1930, 3 - 25. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1930 (Arnhem), art. 163, 166, 233, 273 en 285, en  bijlage XCIX, C en CXV.

     [182] Dijk, "Liturgische vragen", 213 (citaat).

     [183] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1930 (Arnhem), art. 213. Voor de gang van zaken met betrekking tot de orde van dienst op de synode van Utrecht 1923, zie hierboven blz. 103 - 106.

     [184] Hoewel hij zelf de voorkeur gaf aan een algemene rege­ling, beval onder meer Hepp deze werkwijze bij de kerken aan (De Reforma­tie 5 (1924-25), 203). Voorbeelden van kerken met een eigen orde in: De Heraut nrs. 2665, 2700, 2795 (resp. 17 februari en 22 okto­ber 1929 en 16 augus­tus 1931).

     [185] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1930 (Arnhem), art. 284.

     [186] In 1923 eveneens benoemd, maar in 1927 of 1930 niet herbenoemd, waren K. Dijk, T. Ferwerda, A. de Geus (overleden in 1929) en J.G. Kunst (overleden in 1928). Dijk en Ferwerda zouden beiden een rol spelen in de nog te beschrijven Stichting tot Verbetering van het Psalmgezang. Zie hieronder vanaf blz. 129.

     [187] V. Hepp (1879 - 1950) stud. theol. VU 1900, dr. the­ol. 1914, Geref. pred. Antwer­pen 1904, Klundert 1914, Water­graafsmeer 1916, hoogl. VU (met name dogmatiek en ethiek) 1922 (BLGNP III, 176vv). H. Kaajan (1879 - 1940) stud. theol. VU, dr. theol. 1914, Geref. pred. Woubrugge 1905, Huizen 1907, Bussum 1909, Rotterdam 1912, Utrecht 1920. Kerkhisto­ricus, kenner van Cal­vijn en de toenmalige kerkstrijd (De Haas, Voorgangers III, 121v). J. Douma (1873 - 1958) stud. theol. Kampen 1892, Geref. pred. Spijkenisse 1897, Alblasserdam 1902, Leiden 1907, Water­graafsmeer 1911, 's-Gravenhage 1916, Arnhem 1929 - 1938 (e­mer.). Naar eigen zeggen was Douma een leerling van H. Ba­vinck. Naast de zending ging zijn bijzondere belangstelling uit naar de evangelisatie. Dat heeft de aanzet ge­geven tot de bundel Stemmen des Heils (De Haas, Voorgangers IV, 194v).

     [188] Zie De Reformatie 3 (1922-23), 258v, 266v, 274v, 282v. Vgl. ibidem 1 (1920-21), 92.

     [189] Zie aangehaalde artikelen van zijn hand: ibidem 8 (1927-28), 94 en ibidem 11 (1930-31), 230, beide daterend van na zijn benoeming.

     [190] De Heraut nr. 2267 (3 juli 1921) en De Reformatie 5 (1924-25), 203.

     [191] J. Douma (ed.), Stemmen des heils, 1e dr. 's-Gravenhage 1925.

     [192] Rapport inzake de Uitbreiding van den Bundel "Een­ige Gezangen" van deputaten der Generale Synode van Arnhem 1930, aan de Generale Synode van de Gerefor­meerde Kerken, saam te komen te Middelburg, in den jare 1933, z.p. z.j. (verder afgekort met: Rapport 1933), 2 (citaat).

     [193] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1933 (Middelburg), art. 141 (citaat) en 144, vgl. ook bijla­ge XXIX.

     [194] Ibidem, art. 150 en 195. De synode voegde uit de Evangelische Gezangen nummer 180 toe, "'k Wil U, o God! mijn dank betalen".

     [195] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1933 (Middelburg), bijlage XXIX (citaat).

     [196] Ibidem, art. 150 (citaat); vgl. ibidem, art. 141 en 196.

     [197] Ibidem, bijlage XXIX (citaat).

     [198] Zie bijvoorbeeld: De Reformatie 13 (1933-34), 14v, 22v, 39 en 167.

     [199] Zie: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1936 (Amsterdam), art. 16 (sub B) 114, 119 en 150, en bijlage XXIII. Uit welke hoek kwamen de protes­ten? Het aantal plaatsen met van origine tenminste een kerk uit de A-richting is ongeveer even groot als die met van ori­gine tenminste een kerk uit de B-richting.

     [200] Vgl. ook Kunst, Kerkzang, 136v.

     [201] In de kring was bijvoorbeeld onenigheid ontstaan over de uitgave van de brochure Ons Kerkgezang van de hand van J. Kruithof, een gewezen onderwijzer uit Rotterdam. Lindeboom verzette zich tegen het publiceren namens de kring en slaagde erin dat te voorkomen (vgl. notulen comité d.d. 9 november 1929 en correspondentie tussen Joh. van den Berg en L. Lindeboom van 8 november tot en met 30 december 1929 - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, resp. nr. 87 en 91). Op de synode van Arnhem 1930 uitte Lindeboom in zijn functie als preadviseur vervolgens ernstige bezwaren tegen het deputatenrapport over de gezangen (vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1930 (Arnhem), art. 284 en bijlage XCVIII).

     [202] Notulen comité d.d. 15 juli 1931 (citaat) - GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 87. Vgl. ook corres­pondentie uit de laatste jaren in: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 89.

     [203] Ibidem, 30 (dit en eerdere citaten in deze alinea). Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1930 (Arnhem), art. 12, sub C, nrs. 5a en 5b. De betrokken deputaten registreer­den dit verlangen naar uni­formiteit, maar wezen het nadrukkelijk af (Rapport 1933, 30). De sy­node zou dit later bevestigen (Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1936 (Am­ster­dam), art. 33).

     [204] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1933 (Middelburg), bijlage IV (citaat).

     [205] Ibidem, art. 32 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage IV.

     [206] Rapport 1933, 30 (citaten).

     [207] Zo: Dijk, "Liturgische vragen", 213 (citaat).

     [208] De Heraut nr. 2142 (9 februari 1919) (citaat).