6.†††††††† De grenzen van de Gereformeerde eredienst bereikt (1933 - 1956)

 

 

De Gereformeerde synoden hielden zich na die van Middelburg 1933 een decennium lang nauwelijks meer met liturgische zaken bezig. Alleen de synode van Amsterdam 1936 vormde hierop een uitzondering. Op haar agenda stond een groot aantal bezwaar≠schriften tegen de besluiten van Middelburg 1933, zoals aan het slot van het vorige hoofdstuk kort werd aangestipt. Maar wat de synode betrof, veranderde er liturgisch na 1933 aanvankelijk niets. Daar bestond ook nauwelijks aanleiding toe. Bijna alle belangrijke knelpunten, die Kuyper in Onze Eeredienst had gesignaleerd, waren behandeld, zij het niet altijd op de wijze die Kuyper - en anderen met hem - had voorgestaan: de orde van dienst, de uitbreiding van de Eenige Gezangen en de herziening van de liturgische formulieren. Er waren andere zaken die de Gereformeerde Kerken in deze jaren bezig hielden. De Am≠sterdamse synode zag zich bijvoorbeeld gesteld voor de vraag of een Gereformeerde lid kon zijn van een poli≠tieke partij als de CDU of de NSB. Ook besloot ze een deputaat≠schap in te stellen, dat zich moest uitspre≠ken over een aantal leerge≠schillen die in de kerken zouden be≠staan. Het lukte de achtereen≠volgende synoden niet de gemoe≠de≠ren tot bedaren te brengen. De leerge≠schillen zouden, tezamen met verschillen≠de visies op het gezag van de meerdere kerke≠lijke vergaderingen en, niet te vergeten, per≠soonlijke tegen≠stellin≠gen, in 1944 leiden tot de Vrijmaking onder leiding van de Kamper hoogle≠raar K. Schilder.

Eerst in 1943 kreeg de Gereformeerde synode van Utrecht 1943-45 weer een litur≠gisch vraagstuk op haar agenda: de psalmbe≠rijming. Dit was het enige vraagstuk van belang uit Kuypers Onze Eeredienst waaraan op synodaal niveau nog nauwe≠lijks aandacht was besteed. De Gereformeerden deelden overigens hun wens voor een nieuwe, of tenminste herziene psalmberijming met Hervorm≠den, Hersteld-Verbanders en Christelijke Gerefor≠meer≠den. De Gereformeerde synode van Utrecht zag echter op dit ter≠rein voor haarzelf nauwe≠lijks een taak weggelegd. De oorlogs≠jaren beperkten de mogelijkheden, maar het was vooral het conflict rond Schil≠der dat haar agenda vulde. Het werk voor de psalmberijming moest worden ver≠richt door de Stichting tot Verbe≠tering van het Psalmge≠zang in de Gereformeerde Kerken in Nederland, die ijverde voor de invoering van de berijming van H. Hasper. De synode sloot zich daar vooralsnog graag bij aan. Maar de synode van Zwolle 1946-47 besloot in het najaar van 1946 tevens in te gaan op een Hervormd verzoek de mogelijkheden van een interkerkelijke berijming te onderzoeken. Mede ten gevolge van de onder druk van de oorlogs≠situatie toegenomen contacten gingen de ontwik≠kelingen in de Nederlandse Hervormde Kerk een steeds belangrijker rol spelen in de periode die we in dit hoofdstuk onder ogen zien. De Hervormde Kerk had al in de jaren twintig het initiatief in liturgische verandering en ver≠nieuwing van de Gereformeerde Kerken overgenomen. Na de oorlog zouden mede onder invloed van de Hervormde ontwikkelin≠gen ook andere aspecten van de ere≠dienst op de agenda van de Gerefor≠meerde synode ge≠plaatst worden. Toch zou er zowel op de synode als in de plaatselijke praktijk nog niet veel verande≠ren.

 

 


6.1†††††††† Aanzetten voor een nieuwe psalmberijming en toenemende interesse voor liturgische vraagstukken (1933 - 1946)

 

De initiatieven tot liturgische vernieuwing moesten na de synode van Middelburg 1933 van buiten komen, in het bijzonder uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Aangezien de ontwikkelingen buiten de eigen kring de Gereformeerde Kerken liturgisch weer in beweging zouden brengen, beginnen we daarmee om vervolgens in dat licht de gebeurtenissen aan Gereformeerde zijde te beschrijven.

 

6.1.1††††† De toenemende invloed van de liturgische beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk en Haspers eerste psalmberijming

 


Aan het begin van de jaren dertig verbreed≠de en ver≠diep≠te de litur≠gische beweging in de Hervormde Kerk zich. De Liturgische Kring in de Hervormde Kerk had zich in de jaren twintig vooral in enkele plaatselij≠ke gemeenten geprofileerd.[1] Ook buiten de Liturgische Kring begon er interesse voor hervor≠ming van de eredienst te ontstaan, met name onder vrijzinnigen, maar zij organiseerden zich niet. Hun belangstel≠ling was veel minder historisch en oecumenisch bepaald en veel meer gericht op een liturgie die aansloot bij het levensgevoel van de 'moderne mens'.[2] Maar de belangrijkste impuls voor de verbreiding van zijn gedachtengoed onder≠vond de Liturgische Kring toch wel van de activiteiten die in gang waren gezet om te komen tot een nieuwe kerkelijke orga≠nisa≠tie. De leden van de Liturgische Kring voelden zich vooral verbonden met de in 1931 in dat kader opgerichte Vereniging Kerkopbouw. In 1934 verscheen vanuit de Kring een bundel met artikelen, het Handboek voor den Eeredienst.[3] Uit dit handboek spreekt het verlangen om over de grenzen van het eigen en andere reformatorische kerkgenoot≠schappen heen te kijken en gemeenschap te oefenen met de ene, algemene en christelijke kerk van alle tijden. In tegenstelling tot wat voorheen in de Hervormde Kerk gebruikelijk was, richtten de leden van de kring de blik op de ongedeelde kerk van voor de Reformatie en stelden ze zich opener op ten opzichte van de andere reforma≠torische kerkge≠nootschappen als de Anglicaanse en lutherse kerken en zelfs van de Rooms-Katholieke Kerk.[4] Een van de belangrijkste gevolgen van deze oriŽntatie was een herwaarde≠ring van de positie van het sacra≠ment. In vergelijking met andere auteurs drukte J.N. Bakhuizen van den Brink zich nog voorzichtig uit, toen hij sprak over "zeer nauwe parallellie tusschen predi≠king en sacramentsbedie≠ning in beider verhouding tot het Woord Gods".[5] Van een objec≠tief sacramenteel denken wilde hij niet weten. Anderen in de Liturgische Kring wilden dat wel, zoals blijkt uit Het wezen van den Eeredienst, dat kort tevo≠ren verscheen vanuit de Vereni≠ging Kerk≠opbouw en volgens Van der Leeuw in het Handboek "zeker het inzicht (...) van onze Kring" weergaf:[6] "Doop en Avondmaal zijn teekenen, maar ook kanalen van de goddelijke verlossingsgenade."[7] Dat de benadering van de kring aansloeg blijkt wel uit de oprichting van een Litur≠gi≠sche Vereniging in 1935, kort na deze publikaties. Anders dan de Liturgische Kring, waarvan men slechts op uitnodiging lid kon worden, stond de Liturgische Vereni≠ging open voor iedereen die belang≠stelling had voor liturgische vraagstukken in de Hervormde Kerk. Omdat de Liturgische Kring de vernieu≠wing van de ere≠dienst toch wel op een heel eigen wijze bena≠derde, richtte in 1938 een groep vrijzinnigen de kring 'Eere≠dienst' op.

Maar ook buiten de directe kring van liturgisch belangstellen≠den groeide in deze jaren de interesse voor de eredienst. Dat werd onder meer bevorderd door het verschijnen van een nieuwe psalmberijming in november 1936 en een nieuwe gezangbundel in december 1938. De psalmberijming was van de hand van H. Hasper, met wie we in het vorige hoofdstuk al even kennismaakten in het kader van de Kring Kerkgezang. We zullen er in het vervolg nog nader op in≠gaan. Het gezangboek≠, gebundeld met de psalmberijming van 1773 voluit Psalmen en Gezangen voor den Eeredienst der Nederlandsche Hervormde Kerk geheten, bevatte naast 12 'enige', 306 nieuwe gezangen. Over deze bundel werd nogal verschillend geoordeeld. Aangezien de aard van de reac≠ties nauw samenhing met de wijze waarop de betrokkenen Haspers werk waardeerden, zullen ze eerst in dat kader nader worden beschreven.

Ondanks de toenemende aandacht die de eredienst in het Her≠vormde kerke≠lijk leven gekregen had, had er nog geen fundamen≠tele discus≠sie plaats gevonden over de vraag, hoe het ver≠schijn≠sel litur≠gie principieel benaderd moest worden. In 1939 verscheen Liturgie in de crisis, een positiebepaling in arti≠kelen tussen Van der Leeuw, O. Noordmans en W.H. van der Pol naar aan≠leiding van Noordmans' studie Liturgie, die in hetzelfde jaar van de drukpers gerold was.[8] Noordmans had ernstig be≠zwaar tegen de wijze waarop het sacrament centraal was komen te staan in de litur≠gische beweging. Hij plaatste daartegenover als ken≠merk van de reforma≠torische liturgie de centrale positie van de prediking van het Woord.[9] Van der Leeuw be≠schreef en verantwoordde daarop zijn positie nog eens uitge≠breid in 1940 in zijn studie Litur≠giek.


De eredienst was door al deze ontwikkelingen zo in het middel≠punt van de belang≠stelling komen te staan, dat ook de Hervorm≠de synode gedwongen werd er meer aandacht aan te schenken. Dat gebeurde in de eerste oorlogsjaren. De Hervormde synode wilde toen met het oog op de oorlogsomstandigheden de geestelijke krach≠ten bundelen en stelde daartoe een aantal werkgroepen in. In deze opzet kreeg de eredienst aanvankelijk geen eigen plaats. Op voor≠stel van de werkgroep Kerk en Prediking en de werkgroep Ge≠meenteop≠bouw werd in 1941 een commissie voor de eredienst ingesteld.[10] Het gelukte deze commissie echter niet tot concrete resultaten te komen. In 1946 werd ze omgezet in de Raad voor Kerk en Eeredienst.[11] In deze raad zag men wel kans een nieuw begin te maken, evenals dat na de oorlog op tal van andere terreinen in de Hervormde Kerk gebeurde.

Na de principiŽle uiteenzetting tussen met name Noordmans en Van der Leeuw was de discussie over het liturgisch vraagstuk in de oorlogsjaren doorge≠gaan. De aandacht verlegde zich naar het kerkelijk jaar en de rol die dit in de keuze van de Schriftlezingen en in het bijzonder van de tekst voor de preek zou moeten spelen. Dit was voor de opposanten van de Liturgi≠sche Kring met hun nadruk op het Woord een aangelegen prak≠tisch thema. De theologisch nauw met Noordmans verwante J. Koopmans stelde in de brochure Het kerke≠lijk jaar, dat de prediking de liturgie moet bepalen: "het gaat in het kerkelijk jaar allereerst om de rechte verdeeling van de preekstof."[12] Een stringent gehanteerd, jaarlijks terug≠kerend perikopensys≠teem doet volgens hem tekort aan de rijkdom van de Schrift. Koop≠mans vond met dit standpunt vertegenwoordigers van de Liturgische Kring als Van der Leeuw - in diens Liturgiek - en G.W. Ober≠man - in zijn publikatie De gang van het kerkelijk jaar - tegenover zich.[13] Zij meenden, dat door het kerkelijk jaar de tijd ge≠hei≠ligd wordt. Ze beij≠verden zich daarom, onder meer in het in 1933 gestarte perio≠diek Het jaar onzes Heeren, de in≠vloed van het kerkelijk jaar op de invulling van de eredienst in de Hervormde Kerk te vergro≠ten.


Ook langs andere wegen zocht de liturgische beweging haar gedach≠tengoed te verbreiden. In december 1945 verscheen het eerste nummer van het tijd≠schrift Kerk en Eere≠dienst. Aan dit perio≠diek hadden zich enkele lei≠dende figuren uit de Liturgi≠sche Kring en de kring 'Eeredienst' verbonden, als Van der Leeuw, Bakhui≠zen van den Brink, B.J. Aris en J.H. Smit Sibin≠ga. De redactie wilde zich plaatsen in de liturgi≠sche bewe≠ging, die zich in "de gansche christelijke Kerk" baanbrak.[14] Ze streefde naar litur≠gisch "herstel van hetgeen van den beginne in de Kerk van Christus is geweest en wat daarin, naar zijn bevel onmisbaar is." In de ondertitel "Ned. Hervormd tijdschrift" gaf de redactie van Kerk en Eeredienst aan zich te willen richten op de gehele Nederlandse Hervormde Kerk. In de praktijk zou de naam van het periodiek en de erin gepubliceerde artikelen sterk verbon≠den zijn met de idealen van de Liturgische Kring. Dat had gevolgen voor de samenstelling van het lezerspubliek, dat vooral uit liturgisch geÔnteresseerden in het brede midden van de Hervormde Kerk bestond.

 

De psalmberijming van H. Hasper

De naam van H. Hasper viel al even. We kijken nu nauwkeuriger naar deze predikant en zijn psalmberijming, die de Gereformeerde Kerken vele jaren bezig zouden houden. Haspers belang≠stelling voor het kerklied in het algemeen da≠teerde al van zijn perio≠de als Gerefor≠meerd predi≠kant op Schier≠mon≠nik≠oog.[15] Hij was als lid van de Kring Kerkgezang nooit op de voorgrond getre≠den.[16] In zijn tweede ge≠meen≠te, Olde≠boorn, vroeg hij in 1922 aan zijn kerkeraad om studie≠verlof, hetgeen hij ook kreeg. Een jaar later werd dit verlof omgezet in ontslag als predikant. Toen hij studieverlof kreeg, verhuisde hij naar Heemstede. Daar legde hij zich toe op de studie van het geestelijk lied. Na zijn zelf gekozen over≠gang naar de Gereformeerde Kerken in Nederland in Her≠steld Verband, werd hij in 1928 predi≠kant van de kerk te 's-Graven≠hage. In deze gemeente stelde hij de bundel met gezan≠gen samen die in 1933 door de Hersteld-Verban≠ders alge≠meen in ge≠bruik werd genomen en die de daar gebruikte Proeve van de Kring Kerkgezang ver≠ving. Grotere bekendheid kreeg Hasper vooral met zijn in 1935 verschenen bundel Geestelijke liederen uit de schat van de kerk der eeuwen≠.

Het was voor Hasper niet vanzelfsprekend, dat hij een nieuwe berij≠ming zou dichten en dat hij dat alleen zou doen, zo stelt zijn biograaf, N. van Tellin≠gen.[17] Hasper heeft eerst gepro≠beerd ook ande≠ren voor deze zaak te winnen. Toen dit niet lukte, zette hijzelf zich aan dit werk, dat hij binnen een jaar voltooi≠de. In november 1936 verscheen voor velen geheel onver≠wacht Het Boek der Psal≠men. De Psalmen van IsraŽl op de oor≠spronke≠lijke melodieŽn der zestiende eeuw opnieuw naar het Hebreeuws be≠werkt.[18] Uit de titel wordt al dui≠delijk, dat het Hasper in deze uitgave om twee dingen te doen was, om het herstel van de oorspronke≠lijke melo≠dieŽn en om een nieuwe berij≠ming. Hasper gaf de noten hun oorspronkelijke waarde. Maar anders dan Acquoy in 1896 schrap≠te hij de ingeslopen verhogin≠gen en hij verwij≠derde de later inge≠voerde maatstre≠pen. Omdat hij een nieu≠we berij≠ming gedicht had, gemaakt voor het ritmisch zin≠gen, was het voor Hasper niet meer nodig de waarde van sommige noten te verande≠ren, zoals De Moor dat in 1923 wel had gedaan.[19]

 


De reacties op Haspers Het Boek der Psalmen waren gemengd, zowel wat betreft de berijming zelf als de musicologische aspecten. In het voorafgaande werd al kort geschetst, hoe de belangstelling in de Hervormde Kerk voor liturgische zaken in de jaren dertig sterk groeide. Juist uit die hoek kwam de kritiek. Hieraan lagen zowel inhoudelijke als persoon≠lij≠ke motieven ten grond≠slag. Van Tellingen beschrijft, hoe in de tijd dat Het Boek der Psalmen verscheen, de verhou≠ding tussen Hasper en op dit gebied toon≠aangevende Hervormden uit de kring rond Van der Leeuw, snel verslech≠terde.[20] Dat had niet alleen te maken met de twijfels die zij hadden bij de kwaliteit van Haspers werk. Het was tevens het gevolg van Haspers rechtlijnige manier van denken en zijn felle manier van optreden, wanneer anderen zoals zij met hem van mening verschilden. De polarisatie nam toe en de verhoudingen verslechterden verder door het verschijnen van de 'bundel '38', in de samenstel≠ling waarvan Van der Leeuw een belangrijk aandeel had gehad. Lang niet ieder≠een was even gelukkig met deze nieuwe uitgave. Er werden welis≠waar verbete≠ringen ten opzichte van de Evange≠lische Gezangen geconstateerd, maar ze werden niet altijd als voldoende beoordeeld. Ook bestond er teleurstelling over het handhaven van de 'oude' psalmberijming. Sommigen gaven zelfs open≠lijk de voorkeur aan het werk van Hasper, in het bijzonder aan diens Geestelijke liede≠ren.[21] Een meerder≠heid in de Hervormde Kerk aan≠vaardde echter de 'bundel '38', zij het soms met de nodige reser≠ves. De tegenstan≠ders hadden daarom nauwe≠lijks kans van slagen om de Hervorm≠de synode van hun voorkeur voor Hasper te over≠tui≠gen. Door de heftige polemieken verscherpte zich de al bestaande animositeit tussen Hasper en Van der Leeuw c.s..[22]

Naast de verschillen van personele en formele aard speelde op de achtergrond ook een inhou≠delijk verschil in visie tussen Hasper en de samenstel≠lers van de 'bundel '38', met name Van der Leeuw. G.F.W. Herngreen heeft dat zo onder woorden gebracht: "terwijl Van der Leeuw droomde van een veelkleurige oecume≠niciteit, een 'kleinste gemene veel≠voud' van al die bonte factoren die geloof en kerk bepalen, was Haspers oecumene uiteindelijk toch meer die van een groot≠ste gemene deler: het simpele geloof van het eenvou≠dige ge≠meente≠lid. De grote theo≠logische verschuivingen van zijn tijd, enerzijds Karl Barth, anderzijds de herontdekking van Kerk, Sacrament en Liturgie, de veranderende instelling ten aanzien van de vragen van kerk-zijn in de wereld, gingen hem deels voorbij, deels wees hij ze af."[23] Anders dan voor Hasper stond voor Van der Leeuw de vernieuwing van het gezangboek in het bredere kader van een fundamentele heroriŽntering op de ere≠dienst en zijn inrichting.


6.1.2Gereformeerde belangstelling voor Haspers psalmbe≠rijming en de litur≠gische profi≠lering van K. Dijk

 

Hoe reageerden de Gereformeerden op al deze ontwikkelingen buiten de eigen kring? In eerste instantie stelden zij zich afwachtend op. Wel hadden enkele organisten in 1931 de Vereeniging van Organisten bij de Gereformeerde Kerken - later omgedoopt in Gereformeerde Organisten Vereniging (GOV) - opgericht, maar zij concentreerden zich vooral op het muzikale gedeelte van de eredienst, in het bijzonder op het orgelspel.[24] De 'Gereformeerde' 29 gezangen waren nog maar kort tevoren ingevoerd en er bestond voorlopig geen behoefte aan verdere uitbreiding. Voor een nieuwe herziening van de Liturgie was het animo al evenzeer minimaal.[25] Eerdere pogin≠gen daartoe hadden nauwelijks resultaat opgeleverd. De noodzaak van veran≠deringen werd betwijfeld.[26] Afgezien van Gerretsens liturgisch initiatief in 1911 was de belangstelling voor hetgeen buiten de Gereformeerde Kerken op liturgisch terrein gebeurde al nooit erg groot geweest, maar nu bleef het helemaal tot een enkel incident beperkt. In de kerke≠lijk pers gaf nog slechts een enkeling er blijk van kennis te nemen van hetgeen er op dat gebied in bijvoor≠beeld de Her≠vormde Kerk gebeur≠de. Bij een bespreking van het Hand≠boek voor den Eere≠dienst uit 1934 concludeerde F.W. Gros≠heide met een zekere afstandelijkheid: "Wij Gerefor≠meer≠den kunnen, wat dit boek voor≠stelt, zeker niet zonder meer aanvaar≠den. Maar we kunnen er wel onze winst mee doen, al is het maar door onszelf reken≠schap te geven van wat we doen of niet doen."[27] Heel wat scher≠≠≠per rea≠geerde E.D. Kraan in de lente van 1937 in De Reforma≠tie.[28] Het was toen wel duidelijk geworden, dat de aantrek≠kingskracht van het gedachtengoed van de Liturgische Kring in de Hervormde Kerk snel groeide. Kraans bezwaar gold vooral de centrale rol die de sacramenten volgens een belangrijke stro≠ming in de Liturgi≠sche Kring in de eredienst moest hebben: "De histori≠sche continu≠Ôteit met de sacra≠ments≠beschou≠wing der reformatie wordt onder≠broken, wat betreft hun plaats, hun aard en wer≠king, en hun getal."[29] Maar een uit≠voe≠rige bespreking over een thema als dit, dat buiten de directe gezichts≠kring van de Gerefor≠meerden viel, be≠hoor≠de zeker in de landelijke bladen tot de uitzon≠deringen.[30]


Stichting tot Verbetering van het Psalmgezang in de Gereformeerde Kerken in Nederland


Net als bij de Hervormden overheersten bij de Gereformeerden aanvankelijk de gemengde gevoelens over de psalmberijming van Hasper.[31] Toch groeiden na enige aarzeling onder hen de belang≠stelling en de steun voor Haspers proeve. Dat is niet zo vreemd, als men bedenkt, dat de psalmen juist in de gemeente≠zang van deze kerken zo'n centrale plaats innamen. Met de Haagse predikant K. Dijk, een studiegenoot van Hasper aan de VU, constateerden de Gereformeerden, dat Hasper "den hebreeuw≠schen tekst zorg≠vuldig bestudeerd" had. Vervolgens had hij "den tekst overge≠zet in 'dicht' en zůů, dat hij den zin der woorden zoo getrouw moge≠lijk bewaard heeft".[32] Dit was voor Gerefor≠meerden van het grootste belang. Hiermee was voor hen aan een van de belang≠rijkste voorwaarden voor een psalm≠be≠rij≠ming voldaan, namelijk dat ze schrif≠tuurlijk moest zijn. Verder signa≠leerde Dijk, dat Hasper "den oorspronkelijke melodieŽn uit den zestiende eeuw opge≠spoord" had. Hoewel in de prak≠tijk de histori≠sche argumenta≠tie weinig invloed had gehad op de liturgische besluitvorming, was ze in de bezin≠ning op de liturgische vorm steeds een factor van betekenis ge≠weest. Dijk liet zijn enthousiasme dan ook doorklinken in de slotzin van de recensie: de berijming "wacht op een hartelijke ontvangst, die ze dubbel en dwars verdiend heeft". Enkele voor≠aanstaan≠de Gerefor≠meer≠den haalden de banden met Hasper nauwer aan. In juni 1938 werd de Stich≠ting tot Verbe≠te≠ring van het Psalmge≠zang in de Gerefor≠meerde Kerken in Neder≠land opge≠richt, ook wel kortweg Stich≠ting Psalmgezang genoemd. Voor≠zitter was de Amsterdamse predi≠kant T. Ferwer≠da.[33] Het eerste bestuur be≠stond verder uit Dijk, intussen hoogleraar geworden te Kampen, en de heren A. Bouman, H. Burger en J. Kort.[34] Korte tijd later voegde F.W. Groshei≠de zich nog bij dit vijftal. De stichting ver≠kende "voor≠zich≠tigheidshal≠ve" eerst het land, "waartoe talrij≠ke artikelen in kerkboden, dagbladen, weekbla≠den, maand≠schrif≠ten en ook bro≠chures haar ruim≠schoots gelegen≠heid ga≠ven", zoals het bestuur het later zelf zou formule≠ren.[35]

Het is moeilijk aan te geven, in hoeverre de Gereformeerde toenadering tot Hasper is ingegeven door de persoonlijke en vooral inhoudelijke verwijdering tussen Hasper en de litur≠gisch vooraanstaande Hervormden. Het zal de toenade≠ring tot deze predikant, die nog geen tien jaar eerder met de Gereformeerde Kerken gebro≠ken had, in ieder geval hebben vergemak≠ke≠lijkt. De perike≠len rond Haspers Gees≠telijke liede≠ren en later rond de 'bundel '38' raakten de Gereformeer≠den weliswaar niet of nauwe≠lijks, maar Hasper kwam hier≠door open≠lijk tegen≠over Van der Leeuw te staan. Weldra zou blijken, dat de Gereformeerde steun voor Haspers psalmberij≠ming uitstekend gecombineerd kon worden met activiteiten ter bestrijding van een sacramentele benade≠ring van de eredienst, zoals Van der Leeuw c.s. die voor≠stond.

Na een periode van oriŽntatie trad de Stichting Psalmgezang in 1941 in de openbaar≠heid. Ze was in princi≠pe uit op de verbe≠tering van het psalmge≠zang in het alge≠meen, maar koos om dat doel te verwezen≠lijken voor Haspers berijming uit 1936. Fer≠werda noemde dit enkele jaren later een "uit≠gangspunt - niet meer, maar ook niet minder."[36] In een circu≠laire maakte het stichtingsbe≠stuur in 1941 duidelijk, waar het mee bezig was. Het wilde om te beginnen zoveel moge≠lijk Gere≠for≠meerden met Haspers psalter bekend maken. Zij bood daartoe een groot aantal exem≠plaren van diens berijming aan kerke≠ra≠den, predi≠kanten, evangelisatiecommis-sies ten behoeve van haar koren, verenigin≠gen en scholen, steeds tegen een geredu≠ceerde prijs. Verder was de stich≠ting erop uit zoge≠naamde oefenavon≠den te (doen) houden om het nieuwe psalter op de juiste wijze (rit≠misch) te leren zingen. Bovendien wilde de stichting de Gereformeerde Kerken van dienst zijn door een vijf≠tiental Gereformeerde oudtestamenti≠ci te vragen Haspers berijming te vergelij≠ken met de Hebreeuw≠se grondtekst. Zij zouden een advies op moeten stellen "om≠trent de vraag, welke herzienin≠gen gewenscht moch≠ten zijn ten einde het Gods≠woord in ons nieuwe Psalmboek volkomen tot zijn recht te doen komen."[37] Eerst later zouden literaire en musicologische aspecten de aandacht van de stichting krijgen.


De Stichting Psalmgezang gaf de Gereformeerde synode aanlei≠ding voor het eerst na 1933 weer een liturgisch thema te bespreken. In een brief geda≠teerd 17 mei 1943 richtte het be≠stuur van de stichting zich tot de synode met een verzoek om aanbeve≠ling en steun voor zijn werkzaamheden, ook van de zijde van kerkera≠den en predikanten. De synode van Utrecht 1943-45 bewilligde in het verzoek van de stichting voorzover het in haar vermogen lag. Ze be≠sloot de kerken aan te bevelen kennis te nemen van het werk van de stichting, ze riep kerke≠raden op avonden te houden om het zingen van de berijming te beproeven en ze verzocht hen, en in het bijzonder de predikanten, opmer≠kingen aan de stichting te doen toekomen. Maar de synode ging niet in op het verzoek delen van het nieuwe psalter vrij te geven voor gebruik in de eredienst.[38] Impli≠ciet liet ze met dit besluit aan plaat≠selijke kerkera≠den of de stichting over, aan te geven wanneer de tijd gekomen zou zijn om op de synode te spreken over een landelijke invoe≠ring van een nieuwe berij≠ming.

Eveneens op 17 mei 1943, stelde Dijk in het stichtingsbe≠stuur zijn voornemen aan de orde om binnen de Gereformeerde Kerken te komen tot een "li≠tur≠gische kring".[39] Deze zou, zo melden de notulen, als refor≠ma≠to≠rische tegenhan≠ger moeten fungeren van de liturgische beweging rond Van der Leeuw. Dijk zou de kring met onder≠steu≠ning van de Stichting Psalmgezang willen opzetten. Het be≠stuur stemde hier aarze≠lend mee in. De uitvoering van het plan zou door de andere werk≠zaamheden van de stichting nog even op zich laten wachten. Het is op zichzelf vreemd, dat de stichting die in haar naam had staan gericht te zijn op de verbete≠ring van het psalmgezang haar werkterrein uitbreidde tot de liturgie in haar geheel. Het is Dijk geweest die dit bewerk≠stelligde, en zijn ontwik≠kelings≠gang helpt inzien hoe hij hiertoe gekomen is. Al tij≠dens zijn predi≠kantschap in 's-Gra≠venhage genoot Dijk grote be≠kend≠heid in de Gereformeerde Kerken, onder meer door de wijze waarop hij zijn ambtswerk vorm gaf, door zijn pers≠werk en door zijn leidende rol op enkele synoden.[40] In het vorige hoofdstuk kwam al naar voren, dat hij liturgisch aanvankelijk vooral belangstelling toonde voor de gezangen. Eerst nadat Dijk in 1937 hoogleraar in onder meer de ambte≠lij≠ke vakken was geworden in Kampen, nam hij de gelegen≠heid te baat om zich nader op de liturgie te bezinnen.


De vrucht van Dijks studie werd gedo≠ceerd in de colle≠ges litur≠giek en door studen≠ten neerge≠legd in een sylla≠bus litur≠giek.[41] Deze bezinning viel grotendeels samen met de opko≠mende dis≠cus≠sie in de Hervormde Kerk over de liturgie en had naar alle waar≠schijnlijkheid haar oorsprong in de reflectie op Van der Leeuws stellingna≠me. In de overigens vrij zakelijk gestelde syllabus stak Dijk in een relatief uitvoeri≠ge bespreking van Van der Leeuws Liturgiek zijn bewondering niet onder stoelen of banken. Dit "inderdaad magistrale boek", dat "op elke bladzij≠de de hand van den meester op dit ter≠rein" verraadt, is "voor de liturgie en haar ontplooiing van de grootste beteekenis".[42] In vrijwel al Dijks liturgische publikaties klinkt deze waarde≠ring door. De benadering van Van der Leeuw heeft in Dijks visie op de liturgie in die zin haar sporen achtergelaten, dat Dijk zich tegen Van der Leeuw heeft afgezet. Dit komt vooral in een van Dijks latere artikelen over de eredienst naar voren en zal daarom eerst verderop nader worden bespro≠ken.[43]

Dijk had een eerste reeks van drie ŗ vier jaar colle≠ges litur≠giek, waarin hij de resultaten van zijn onderzoek aan studen≠ten kon voorleg≠gen, net afge≠rond, toen hij in juni 1941 door de Duit≠sers gevangen werd geno≠men. In november 1942 kwam hij vrij. De stichting had intussen haar activitei≠ten om het psalm≠gezang te verbete≠ren vorm kunnen geven. Voor Dijk kon zij vervol≠gens - de bijeenkomst op 17 mei 1943 was een van de eerste na zijn vrijlating - tevens dienen om zijn litur≠gische idealen te helpen verbrei≠den. Verder is het goed mogelijk, dat Dijk de binding van de Stich≠ting Psalm≠gezang aan Hasper door een verbreding van activitei≠ten wat losser wilde maken. Hij had ondanks zijn eerdere instemming toch nogal wat exegetische bezwaren tegen Haspers psalter. Andere bestuurs≠leden hadden eveneens uiteen≠lopende bezwaren. Zij vroegen zich af, of de synode met het gebruik van de term 'aanbevelen' van het werk van de stich≠ting niet al bij voor≠baat te sterk voor Hasper gekozen had. Ze trokken zich dit aan, omdat ze maar al te goed beseften, dat het bestuur daar in zijn brief aan de synode zelf aanleiding toe gegeven had.[44]


De prioriteit van de stichting bleef evenwel vooralsnog liggen bij het psalmzin≠gen. "De plaats van den gemeentezang in de liturgie", "Wat is reformato≠risch psalmzin≠gen?" en "De taak van den organist bij het reformatorisch psalmzingen" waren de titels van referaten die op de goed bezochte "Eerste Conferen≠tie over het Psalmge≠zang" op 4, 5 en 6 januari 1944 te Utrecht werden uitgespro≠ken.[45] Na deze conferen≠tie kwamen de werk≠zaam≠heden van de stichting door de oorlogs≠omstandig≠heden zo goed als stil te liggen. In het jaar van de bevrijding, op 29 september 1945, was het Dijk - na de geweld≠dadige dood van Ferwerda voorzitter gewor≠den - die het voorstel deed voor een tweede confe≠rentie "op brede basis voor de liturgie in den ruimsten zin".[46] Dijks oude wens van een al≠ter≠natieve liturgi≠sche kring werd onder≠streept door een ver≠zoek van B. Richters aan de GOV om een litur≠gi≠sche commis≠sie op te richten.[47] Het stichtingsbe≠stuur kon van dit verzoek kennis nemen, omdat er banden beston≠den tussen de besturen van de stichting en de GOV, onder meer in de perso≠nen van de al genoemde Bouman en Kort en van D.W.L. Milo.[48] Dijks plannen leken te gaan worden uitge≠voerd. Burger maakte in een brief aan zijn mede-be≠stuurs≠lid Milo enthousiast mel≠ding van "ťťn groot insti≠tuut (...) waarin al de liturgi≠sche vraagstuk≠ken tot een onderwerp van studie gemaakt wor≠den."[49] Op 30 maart 1946 werd in het stichtings≠bestuur ook de mogelijkheid van een eigen litur≠gisch maand≠blad geop≠perd.[50] Ruim vijf jaar tevoren had men een poging onderno≠men samen met de GOV een periodiek te starten, dat dan geheel of gedeeltelijk in plaats van Organist en Eeredienst zou hebben moeten komen. Het bestuur van de GOV had dit voorstel indertijd afgewezen.[51] De stich≠ting moest nu zelf op korte termijn een initiatief ont≠wikke≠len. De eerste nummers van Kerk en Eeredienst waren immers verschenen en vormden bij uitstek een forum voor hen die een sacramentele benadering van de ere≠dienst voorstonden. Een eigen blad van de Stichting Psalmgezang zou als tegenhan≠ger moeten gaan fungeren.


Dijks ideeŽn begonnen vorm te krijgen op de "Tweede Conferen≠tie over het Psalmge≠zang". Deze conferentie werd gehouden op een moment, dat Dijk steeds sterker naar voren kwam als de alom erkende vertolker van de Gereformeerde bezwaren tegen de litur≠gische bewe≠ging in de Hervormde Kerk.[52] Hij opende de twee≠daagse confe≠ren≠tie op 24 april 1946 met een lezing onder de titel "Liturgi≠sche roe≠ping".[53] Dit was ten opzichte van de veel ge≠bruikte term "litur≠gisch besef" een bewuste keuze: "Ik spreek (...) liever van liturgi≠sche roeping dan van liturgisch besef, omdat het eerste mij meer de lijn van boven naar beneden wijst, en wij ook met die lijn moeten beginnen, willen wij onze liturgische taak zuiver zien."[54] Dijk wijst de sacramentalistische benadering van de Rooms-Katholieke Kerk af, evenals de "aanbiddingscultus van de nieuwere liturgische beweging" waarin alle eredienst in een mystiek zwijgen dreigt op te gaan.[55] Tegelijk benadrukT hij Gods roep tot de eredienst en waarschuwt hij voor minachting van deze dienst in eigen kring. "Het ligt niet in onze vrijheid den eeredienst te degradeeren tot een onordelijke en smakelooze tijdpasseering".[56] Dijk doet de suggestie, dat kerkeraden of anders gemeenteleden op eigen initiatief "werkgroepen tot verbetering van den eeredienst" zullen oprichten.[57] Dijk volgt hierin de oproep die A. Kuyper aan het slot van Onze Eeredienst deed om de liturgische bewustwording in de plaatselijke gemeente te stimuleren. De predikant L. Hoorweg werkte in "De activiteit der gemeente in den eeredienst" Dijks gedachten verder uit.[58] Voor hem is het duidelijk, waar de prioriteit ligt in de eredienst: "Zoo staat dit dan wel vast, dat de activiteit der gemeente in den eeredienst vůůr alle dingen zal moeten blijven die van het hooren naar het Woord".[59] Hoorweg overweegt de mogelijkheden de liturgie uit te breiden met genadeverkondiging, responsoria en knielen op bepaalde momenten. Volstrekt afwijzen doet hij deze mogelijkheden niet, maar invoeren wil hij ze evenmin: "Ons drijft geen liturgische revolutiedrang."[60] Vooralsnog zou hij alleen het staan bij onder meer votum en groet en geloofsbelijdenis willen propageren.

De Stichting Psalmgezang had verder C. Rijnsdorp bereid gevonden een referaat te houden over de problematiek van de psalmberijming. Rijnsdorp was indertijd lid geweest van de Kring Kerkgezang en nu nauw betrokken bij het werk van de Stichting Psalmgezang, maar had geen zitting in het bestuur. Zijn referaat droeg de titel "Aan welke eischen dient een kerkelijk-bruikbare psalmberijming te beant≠woorden?"[61] In zijn logische en strakke betoog beschrijft Rijnsdorp de spanning die bestaat bij het maken van een berijming die zowel Schriftgetrouw als poŽtisch verantwoord moet zijn. Hij concludeert, dat de tijd niet gunstig is "voor het ontstaan van een strenge Psalmberijming, die meteen aan rechtmatige eischen van dichterlijke klaarheid en eenvoud voldoet."[62] Rijnsdorp wil niet ingaan op de vraag, of Haspers berijming aan deze eisen voldoet. Maar het is veelzeggend, dat hij vervolgens nadrukkelijk de vraag noteert "hoe men desverlangd komen kan tot een nieuwe berijming van het vereischte kaliber".[63] Rijnsdorp stond met zijn kritische opstelling onder degenen die nauw betrok≠ken waren bij het werk van de stichting niet alleen. In een door de secretaris-penningmeester H. Burger opgesteld con≠cept van de be≠stuursme≠dede≠lingen voor de tweede conferentie werd eveneens duidelijk afstand bewaard tot zowel Haspers berijming als een revisie van die berijming, waaraan met hulp van onder meer de stichting werd gewerkt: "Wan≠neer wij voorop≠stel≠len, dat een Psalm≠be≠rijming, welke voor kerkelijk gebruik bestemd is, zich moet bewegen op een niveau, dat toch stellig aan een dichter≠lijk minimum moet voldoen, dan moet geconsta≠teerd, dat dit met de berijming van het Psalter-1936 niet het geval is; dat zij misschien wel de verwach≠ting wekt, dat de revisie evenmin aan deze eischen zal beantwoor≠den."[64] In de definitie≠ve versie verdwenen deze zin≠sneden door een interven≠tie van bestuurslid H. Dekker, maar de twijfel over de kwali≠teit van Haspers werk ≠was daarmee niet weggenomen.[65]


Ondanks het succes van de tweede conferentie en ondanks de daar gedane aankon≠diging van nieuwe liturgi≠sche activiteiten bleven er in het stich≠tingsbe≠stuur twijfels bestaan over Dijks plan≠nen. Na de nodige dis≠cussie werd op 1 juni 1946 besloten "op 3 juli in Kras≠napolsky te Amsterdam een vergade≠ring te beleg≠gen om te komen tot constituering van een zuivere litur≠gische kring".[66] Uit zijn openingsrede op de tweede conferen≠tie wordt duidelijk, wat voor Dijk het belang was van deze kring. Hij had naast een liturgi≠sche ook een oecume≠nische betekenis: "De uit≠eengesla≠gen belij≠ders der gerefor≠meerde Confessie ontmoeten elkaar weer in het lied en in den cul≠tus".[67] Deze notie was op dat moment niet onbelangrijk, aange≠zien de Gerefor≠meerde Kerken in het voorjaar niet bij de oprichting van de Oecumeni≠sche Raad van Kerken in Nederland betrokken waren geweest en, zo zou later blijken, ook niet betrokken wilden zijn.[68] Het ver≠slag van de eerste bijeenkomst van de nieu≠we kring laat zien, dat er op de middag van de 3e juli in princi≠pe besloten werd tot de oprich≠ting van een "Reforma≠torische Werkkring voor de Litur≠gie".[69] Aanwezig waren naast Dijk de Hervormde predi≠kan≠ten J.J. Stam[70] en E. van Wieringen, de Gere≠for≠meerde pre≠di≠kanten B. Wielenga en L. Hoorweg, de archi≠tecten J. de Jonge en B. van Heyningen en verder Bouman, Dekker, Rijnsdorp, Milo en Burger, de laat≠sten op een of andere wijze verbon≠den met het werk van de stich≠ting. Voor de bijeenkomst waren behalve van de aanwe≠zi≠gen ook positieve reacties ontvangen uit onder meer Christelijke Gereformeerde kring en uit de pas gevormde Gereformeer≠de Kerken in Nederland onderhou≠dende art. 31.[71]


Uit Dijks openingswoord blijkt, dat in zijn voorstelling de werkkring veel weg had van de Liturgi≠sche Kring: "een werk≠ge≠meen≠schap", "een studie≠kring waartoe men slechts op uitnodi≠ging kan toetreden".[72] Inhoudelijk is er sprake van een tegen≠beweging, gericht tegen de opvattingen van de liturgische beweging. Volgens de notulen sprak Dijk uit Van der Leeuw erkente≠lijk te zijn voor het op gang brengen van het litur≠gisch bewustzijn, maar onder verwijzing naar Noordmans en Koopmans overwoog bij hem de kritiek. In de Reformatorische Werkkring zou eerst de liturgiegeschiedenis nader bestudeerd dienen te worden: op welke wijze is de kerk van haar oudste praxis afgeweken? Dijk noemde in dit verband de naam van J.L. Koole.[73] Men proeft in de vraag van Dijk de pole≠miek met ver≠te≠genwoor≠di≠gers van de litur≠gische beweging, die zich in hun stelling≠name nogal eens beriepen op de vroeg-christe≠lij≠ke kerk. Uit het verslag van de vergadering komt naar voren dat de aanwezigen zeer beducht waren voor de snel groeiende invloed van de liturgische beweging, met name in de Hervormde Kerk. De architecten bijvoorbeeld uitten hun zorg over de jongste ontwikkelingen die zich daar voordeden op het terrein van kerkbouw en kerkinrichting. Geestverwanten van Van der Leeuw zouden de situatie beheersen. "Anderen krijgen geen voet aan de grond." Gelet op de kritiek op de liturgische beweging wekt het geen verbazing, dat na enige discus≠sie als thema voor een volgende vergadering geko≠zen werd: de centrale plaats van het Woord in de ere≠dienst. Dit zou tevens kunnen dienen als geza≠men≠lijk uit≠gangs≠punt voor de werkkring, die meer dan bij de Litur≠gische Kring het geval was, zou gaan bestaan uit mensen van verschil≠lende reformatorische richtin≠gen.

 

Op de Gereformeerde synode van Zwolle, die in de maanden augus≠tus, september en oktober 1946 samenkwam, stond een brief op de agenda van de Hervormde Raad voor Kerk en Eere≠dienst met een uitnodi≠ging voor een interkerkelijke conferen≠tie over een nieuwe psalmbe≠rij≠ming.[74] De gebeurtenissen in dit en volgende jaren laten zien, dat er door noodzakelijk geworden intensieve samenwerking in de oorlog iets wezen≠lijks was veranderd in de verhouding tussen de beide kerkge≠nootschappen. Bestond er voor de oorlog op synodaal niveau zo goed als geen enkele vorm van contact, nu was de Gere≠for≠meerde synode bereid tot nader overleg en zond twee afge≠vaardigden, A. de Bondt en L. Hoor≠weg.[75] Hoewel Hoorweg actief bij de Stichting Psalmge≠zang betrokken was, durfde hij met De Bondt te stellen: "er is heden geen enkele psalmberij≠ming of frag≠ment daarvan, die voldoet aan de ei≠schen, die men mag stellen ten aanzien van kerkelijk gebruik en poŽtische verant≠woor≠ding". Zij advi≠seer≠den daarom mee te werken aan een "in≠ter≠kerke≠lijke werkgroep voor een nieuwe psalmberij≠ming".[76] De synode nam het advies over, maar voeg≠de daar wel aan toe, dat bij een verdere ont≠wik≠ke≠ling van deze berij≠ming overleg ge≠pleegd moest worden met de Stichting Psalmgezang. Zo de berij≠ming Hasper al kansen had gehad in de Gereformeerde Kerken, dan leken die nu te verdwijnen.

 


6.2†††††††† Pogingen tot samenwerking (1946 - 1956)

 

Na de eerste stap in 1946 zou het nog tien jaar duren voor de Gereformeerde synode volledig overtuigd was van de noodzaak om een nieuwe psalmberijming in interkerkelijk verband te ontwik≠kelen. Aanvankelijk, in 1949, toonde ze zich nog gevoelig voor het advies van de Stichting Psalmge≠zang en koos ze voor de berij≠ming van Hasper. Maar deze stichting zou al spoedig hierna aan gezag inboeten, terwijl vrijwel gelijktijdig de in≠vloed van de Hervormde synode toenam. Die groeiende in≠vloed wordt ook zichtbaar in de overige litur≠gische ontwik≠ke≠lingen van de Gereformeerde Kerken, hoewel de synode als het op beslissen aankwam vei≠ligheidshalve nog voor de oude stand≠punten koos. Om deze keuzen in het juiste perspectief te zien, beginnen we eerst weer met de ontwikkelingen aan Hervormde zijde.

 

6.2.1Liturgische vernieuwing in andere protestantse kerkgenootschappen

 

De Nederlandse Hervormde Kerk


De Hervormde Raad voor Kerk en E(e)redienst - vanaf 1951: Raad voor de Eredienst - ging na zijn instelling als zodanig in 1946 met veel elan aan het werk. Het was een van zijn taken om een dienst≠boek samen te stellen. Het eerste concept-deel werd in december 1949 aan de synode voorgelegd. In maart 1955 zou het project met het in druk verschijnen van het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk in ontwerp voorlopig worden afgerond. Het Dienstboek bevatte onder meer ver≠schillende orden van dienst voor de zon≠dagmor≠gen en -avond, voor een morgen- en avondge≠bed, voor de bediening van doop en avond≠maal, voor de beves≠tiging van ambtsdragers, voor de bevesti≠ging en inzegening van het huwelijk, en tal van gebeds≠teksten voor uiteenlopende gelegenheden. Het Dienstboek dat de synode aan de kerk aanbood, was niet meer dan een ontwerp en in zijn pluriformi≠teit aanvaardbaar voor de liturgische praktijk in grote delen van de Hervormde Kerk. Of en in hoeverre het in de ontwerp-fase gebruikt werd, werd overigens overgelaten aan de prudentie van de kerkeraden.[77] De tijd was rijp voor een breed gedragen principiŽle overeenstemming over het liturgisch vraagstuk. Op 14 februari 1950 aanvaardde de synode met algemene stemmen een tiental stellingen onder de titel "De Hervormde kerkdienst. Proeve van omschrij≠ving".[78] De proeve laat in de helderheid van formuleringen nog wel eens te wensen over, zodat het over de meeste twistpunten geen uitsluitsel biedt. Toch valt eruit op te maken, dat ondanks de erkenning van het katholiek-apostolisch karakter van de Hervormde Kerk de reforma≠tori≠sche belijdenis prevaleert. Hoewel het grote belang van het sacrament in de eredienst voluit erkend wordt, heeft de inhoudelijke beschrijving van de prediking een zodanige kracht dat zij onmiskenbaar de centrale plaats inneemt. In de stellingen overweegt het functionele karakter van het ambt, terwijl over de grondslag, een aangelegen punt voor de liturgische beweging in de Hervormde Kerk, zo goed als gezwegen wordt. In de proeve ligt derhalve het accent op de eigen geschiede≠nis van de Hervormde Kerk in het kader van de reformatori≠sche traditie. Deze proeve zou vele jaren later in de Gereformeerde Kerken een belang≠rijke inspiratiebron en, in gewijzigde vorm, uitgangspunt voor liturgische vernieu≠wing gaan vormen.[79] Net als de aanvaarding van de proeve betekende de overname van het tijd≠schrift Kerk en Eredienst door de Raad voor de Eredienst een zekere erkenning van het streven van de liturgische beweging, maar ze begrensde tegelij≠kertijd de oorspronkelijk door haar voorgestane koers. De vernieuwde redactie sprak in het eerste nummer van de nieuwe opzet in maart 1950 uit, dat ze haar werk wilde verrichten "in gehoorzaam≠heid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften".[80] Dat was wel iets anders dan het kader van de in alle kerken baanbrekende liturgische bewe≠ging en het ideaal van de vroeg-christelij≠ke kerk, waarmee men nog geen vijf jaar tevoren van start was gegaan.[81] Toen Van der Leeuw op 18 november 1950 overleed, was hij erin geslaagd het liturgisch vraagstuk hoog op de Hervormde agenda te plaatsen. Het aantal aanhangers van zijn sacramentele benadering van de eredienst was evenwel nog steeds gering.


De ontwikkeling van een nieuwe psalmberijming verliep aan Hervormde zijde aanvankelijk minder voorspoe≠dig dan de voorbereidingen voor het Dienstboek.[82] De pogingen van de raad om te komen tot een interkerkelijke psalmbe≠rij≠ming liepen aanvanke≠lijk op niets uit. In februari 1948 ver≠scheen de herziening van het psalter-Hasper. In Hervormde kring, maar vooral ook daarbuiten was er een aanzienlijke groep sympathi≠santen, die hoopte met deze herzie≠ning een nieuwe, interkerkelijk te aanvaarden psalmbe≠rijming in handen te krijgen. De Hervormde synode moest der≠halve over de gereviseerde berijming van Hasper een uit≠spraak doen. Op voorstel van een commissie onder leiding van Van der Leeuw besloot de synode in mei 1949 de herziening zowel voor gebruik als als uitgangspunt voor een nieuwe berij≠ming af te wijzen.[83] Relatief veel aandacht ging uit naar de literaire kwa≠li≠teiten van Haspers bundel, die men van "zeer geringe dichterlijke waar≠de" achtte.[84] Na dit be≠sluit wacht≠te de synode in eerste instantie af, wat er elders beslist zou worden, met name door de Gereformeerde synode. Toen echter duidelijk werd, dat die voor Haspers psalter koos, zette de Hervormde synode in het voorjaar van 1950 bewust vaart achter de ontwikkeling van een eigen berijming. Men beoogde "dat als de Gere≠formeer≠de Kerk voor een beslissing zal staan men van Her≠vormde zijde iets aan te bieden heeft."[85] Met Gerefor≠meer≠de depu≠ta≠ten zou door een daartoe aange≠wezen commissie "inof≠fi≠ciŽel con≠tact" onder≠houden worden.[86] De eerste, beschei≠den resultaten van de Hervormde commissie voor de psalmberijming onder voorzitterschap van de Leidse hoogleraar K.H. Miskotte werden twee jaar na haar instelling, in het voorjaar van 1952, bekend.[87] De Hervormde synode vroeg de commis≠sie vervolgens haar werk voort te zet≠ten, maar sprak tevens uit "het interkerkelijk verband van grote waarde" te achten.[88] Aan de Gereformeerde synode liet ze weten het gesprek te willen voortzet≠ten en vroeg haar tevens om "geen defini≠tieve beslis≠sing over het psalter 1949", de laatste herziening van Haspers bundel, te ne≠men.[89] De Hervormde synode bleef met haar besluiten de mogelijkheid van een nieuwe, interkerkelijke berijming open houden. We komen daar in het kader van de ontwikkelingen aan Gereformeerde zijde nog op terug.

Het vooruitzicht van een nieuwe psalmberijming gaf tevens een impuls aan de bezinning op de verzameling gezangen die in de bundel '38 was samengebracht. Op 1 december 1952 stelde de Hervormde Raad voor de Eredienst een commissie in, die moest bezien, in hoeverre de opgenomen gezangen moesten worden gehand≠haafd en met welke gezangen uit andere kerken de bundel zou kunnen worden aangevuld.[90] De commissie kon in haar eerste vergadering nog niet bevroeden hoeveel tijd, inspanning en overleg er nodig zou zijn, voor ze ter afsluiting van haar werkzaamheden in 1973 samen met anderen het Liedboek voor de kerken kon aanbieden.

 

De Evangelisch-Lutherse Kerk


Na de oorlog ontstond er ook in de Evangelisch-Lutherse Kerk een vernieuwings-proces. In 1952 slaagde men er in de ruim anderhalve eeuw oude breuk met de zogenaamd Hersteld-Luthersen te helen. In 1955 nam de Lutherse synode een nieuwe kerkorde aan. Voor de eredienst waren met name het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk en het Dienstboek der Evangelisch-Lutherse Kerk van belang, die beide in hetzelfde jaar voor gebruik gereed kwamen.[91] Het Dienstboek bood twee orden voor de 'hoofddienst'. De eerste ging uit van een dienst mťt de viering van het avondmaal. De tweede beperkte zich tot een dienst van het Woord, maar werd in haar soberheid in wezen door dezelfde structuur bepaald als de eerste. Naast het ordinarium gaf het Dienstboek ook beknopte aanwijzingen voor het proprium. Het hing daarin nauw samen met het nieuwe Gezangboek dat 296 nummers bevatte en vooral opviel door de relatief grote aandacht voor het kerkelijk jaar. Achterin bevonden zich bovendien orden voor een morgen- en avondgebed.Deze ontwikkelingen laten zien, dat de liturgische beweging geen exclusief Hervormde zaak meer was, maar ook in andere kerken haar vruchten begon af te werpen.[92]

 

6.2.2Van een Gereformeerde naar een interkerkelijke psalmberijming

 

De keuze van de Gereformeerde synode van Zwolle in het najaar van 1946 voor een interkerkelijke psalmberijming had de verhoudingen in de Stichting Psalmge≠zang niet onberoerd gelaten. Zo leek het althans. Volkomen onverwacht bedankte Dijk in de loop van november 1946 als voorzit≠ter en bestuurslid van de Stichting Psalmgezang.[93] Gros≠heide be≠dank≠te ver≠vol≠gens even≠eens. Beiden verze≠ker≠den de over≠geble≠ven be≠stuursle≠den ervan, dat ze niet om inhoudelijke redenen waren opgestapt. Dijk gaf in een latere toelichtende brief de tijds- en werk≠druk als reden op.[94] Grosheide wees op de toe≠val≠lige wijze waarop hij ooit door Ferwerda bij de stichting be≠trokken raakte en meende over te weinig kennis van zaken te beschikken om zijn werk≠zaamheden te kunnen voortzet≠ten.[95] Al gauw na het vertrek van de beide hooglera≠ren besloot het stichtingsbe≠stuur om niet verder te gaan met de verbre≠ding van activi≠teiten waar Dijk mee was begon≠nen.[96] Het be≠stuur had zich op dit punt toch al nooit enthou≠si≠ast be≠toond. Door dit besluit was het tevens gedaan met de Reformatori≠sche Werk≠kring.


Ondanks zijn eigen uitleg blijft Dijks plotselinge vertrek vragen oproe≠pen. Waarom haakte hij af, nadat hij kort tevoren nog zo'n omvangrijk plan met de Stichting Psalmge≠zang had willen uitvoeren? Het klopt, dat zijn vele synodale opdrachten en het dubbele professoraat in Kampen - Dijk nam Schilders colleges waar - veel van Dijk vroegen. Maar was zijn werkdruk ook voorheen al niet erg groot? De bestuurlijk ervaren Dijk moet ge≠voeld hebben, dat Haspers berijming het waar≠schijnlijk niet zou halen. Binnen het stichtingsbe≠stuur bestonden de nodige twijfels over Haspers psalter. Dijk zelf had zich na zijn positieve en enthousiaste recensie nauwe≠lijks meer openlijk over Haspers berijming uitgespro≠ken. De jong≠ste besluiten van de synode van Zwolle om de mogelijkheid van een breed gedragen psalmberij≠ming te onder≠zoeken wezen niet in Haspers richting. In de Hervormde Kerk wilde men immers op synodaal niveau niet van Hasper weten. In het stichtingsbe≠stuur daarente≠gen was voor enkele leden verbetering van het psalmgezang uitsluitend met Haspers berijming denkbaar≠. Het bestuur had bovendien Dijk zelf slechts aarze≠lend ge≠steund in diens ambi≠tieuze plannen. Dijk had al met al zowel zakelijk - voor de invoering van een nieuwe psalmberij≠ming - als persoon≠lijk - voor het verwe≠zenlijken van zijn liturgisch ideaal - weinig meer van het stichtingsbe≠stuur te verwachten. Voor het bestuur van de Stichting Psalmge≠zang had het vertrek van Dijk en Grosheide ingrijpende gevolgen, al waren beiden wel bereid als advi≠seur te blijven optreden. Het verloor met hen twee vooraan≠staande figuren in de Gerefor≠meerde Kerken. H.A. Munnik, prae≠ses van de synode van Zwolle 1946-47, kwam voor een van hen in de plaats, maar hij genoot lang niet zoveel gezag.[97] Met de komst van deze bevlogen voorstander van Has≠pers berijming ver≠minderde de kritische distantie van het bestuur tot dit psal≠ter.[98]


In de Gereformeerde Kerken zou Hasper ondanks de synodale inspanningen voor een interkerkelijke berijming toch nog een kans krijgen. Anders dan de Hervormde synode oordeelde de Stichting Psalmgezang positief over Haspers herziening van februari 1948. Datzelfde gold voor de Gereformeerde deputaten voor de psalm≠berij≠ming, De Bondt, Hoorweg en Munnik, van wie de laatste twee nauw ver≠bonden waren met de stich≠ting.[99] De synodale mode≠ramina van de beide kerk≠ge≠noot≠schap≠pen pleeg≠den enkele malen overleg om de ontwik≠kelin≠gen in de beide kerken toch met elkaar te laten sporen. Dit misluk≠te. Voor de Gereformeerden deed de Hervormde kritiek op het literaire gehalte van Haspers berijming nauwelijks terzake. Zij legden namelijk een wezenlijk ander accent en gingen uit van het "grond≠prin≠ci≠pe, dat trouwe weer≠gave van het Woord van God gebiedende eis is."[100] Met de Stich≠ting Psalm≠ge≠zang, de be≠trok≠ken deputa≠ten en de voor≠berei≠dende synodale commissie meende de synode van 's-Graven≠ha≠ge 1949-50 dat Haspers werk aan deze eis vol≠deed, zeker nadat er met het oog op de Gere≠formeer≠de wensen nog een revisie≠ van de reeds herziene uitgave uit 1948 had plaats≠gevonden. De synode besloot op 22 september 1949 er bij de plaatse≠lij≠ke kerken "op aan te dringen" kennis te nemen van de nieuwe bundel en hun "de vrijheid" te laten Haspers berij≠ming in de eredienst te "beproe≠ven", dit in afwachting van defini≠tie≠ve aanvaar≠ding.[101] De synode leek voorzichtig, voor≠zich≠tiger zelfs dan indertijd bij de uitbrei≠ding van de enige gezangen, die gevoelig lag in de Gereformeerde Kerken. Later bleek, dat uit het besluit begrepen mocht wor≠den, dat de synode Haspers berijming "in principe heeft aan≠vaard."[102]


De toch al niet ideale uitgangspositie van Haspers berijming in de Gereformeerde Kerken verslechterde nog voor ze in de eredienst beproefd zou worden.[103] Er ging nog bijna een half jaar overheen alvorens met de verbreiding van de nieuwe psalmberijming begonnen kon worden. Zoveel tijd kostte het de synode namelijk om de nodige gegevens in een contract met Haspers Stichting Geestelijke Liederen vast te leggen.[104] Ook daarna kwam de campagne voor Haspers psalter maar langzaam op gang. De Stich≠ting Psalmge≠zang nam uiteinde≠lijk slechts een vijfde deel van de toegezeg≠de fl. 25.000 op voor propagandadoelein≠den.[105] Het aanvanke≠lijke enthou≠si≠asme begon weg te ebben.[106] Kritische stemmen, die ook in de Gereformeerde Kerken nooit helemaal weg waren geweest, begonnen sterker te worden. Op de chris≠te≠lijke scho≠len wachtte men af, omdat al≠leen de Gere≠for≠meerden voor Hasper gekozen had≠den.[107] Meningsver≠schil≠len tussen bestuursleden van de Stichting Psalmgezang en Gere≠for≠meerde deputaten leidden evenmin tot een daadkrachtig optreden ten gunste van Haspers psalter. De Vrijgemaakte leden van het bestuur voelden zich steeds minder betrokken bij de perikelen op het erf van de synodale Gereformeerden. Kritische stemmen in de Vrijge≠maakte gelederen gaven hun eens temeer reden om enige af≠stand te nemen van Hasper. Uit de bestuursno≠tu≠len van de Stichting Psalmge≠zang betreffende een gesprek met de Gere≠for≠meerde deputaten blijkt verder, dat de nieuw benoemde Gerefor≠meerde depu≠taat voor de psalmbe≠rijming, de Amsterdamse hoogleraar G. Kui≠per, weinig voelde Haspers psalter.[108] Net als in eerdere adviezen aan de stichting vond hij een "algehe≠le ingrijpen≠de revisie" gewenst en meldde hij ten tijde van zijn benoe≠ming als deputaat niet geweten te hebben van de afspraak tussen Hasper en de synode dat slechts "kleine veran≠de≠ringen" konden worden aange≠bracht.[109] Hoorweg bena≠drukte andermaal dat hij "met de nieuwe berijming niet weg" liep. De keuze voor Hasper was voor hem een voorlopi≠ge: "Slechts de interker≠kelijkheid kan ons doel zijn." Ondanks de uiteenlopende standpunten konden de aanwezigen zich vereni≠gen op de afspraak voorlopig Haspers berijming verder te beproe≠ven. Ze zouden zwijgen over de moge≠lijkheid van een gron≠dige revisie. Zoveel wordt hier al duidelijk, dat reeds in het najaar van 1950 tenminste twee van de vier Gerefor≠meerde deputaten er geen moeite mee zouden hebben, Haspers psalter te laten vallen, als zich de mogelijk≠heid van een brede≠r gedragen en betere psalmberijming zou voordoen. Het stich≠tingsbestuur hield weliswaar sterker vast aan Hasper, maar daar was men evenmin eensgezind.

 


Dat de twijfels in Gereformeerde kring over Haspers berijming toenamen, werd ook ingegeven door de voortvarendheid aan Hervormde zijde. We zagen reeds, dat men daar contact bleef zoeken met de Gereformeerden en de hoop nog niet helemaal opgegeven had om juist hen voor een nieuwe, interkerkelijke psalmberij≠ming te winnen. Van hun kant waren de Gerefor≠meer≠de deputaten tot een dergelijk contact gemach≠tigd, zij het dat de be≠woordin≠gen in hun opdracht, "het con≠tact met andere kerken, commis≠sies en comitť's in stand te hou≠den", een neutraal karakter had≠den.[110] Dit Hervormd-Gerefor≠meerde contact leidde tot in≠ter≠kerke≠lijk overleg op 27 september 1951.[111] Dit had geen resultaat, omdat de partijen vooral hun eigen plannen propageerden. Kuiper lanceerde na verloop van enkele maanden in het Gereformeerde deputaatschap een initiatief om de besprekingen weer vlot te trekken.[112] Hij overreedde zijn mede-deputaten hun irritaties in te slikken en vooral het uiteindelijk doel voor ogen te houden. De Hervormde Kerk en de Gereformeer≠de Kerken zouden samen het voortouw moeten nemen in de ontwikkeling van een interkerkelijke psalmberijming. Alleen De Bondt was tegen. De reactie van Hervormde zijde liet even op zich wachten, maar was positief: "De royale wijze, waarop Uw voorstel is geformuleerd, opent o.i. nieuwe perspectieven voor een openharti≠ge samenwerking."[113]

Onder de Gereformeerde deputaten groeide intussen de irritatie over de wijze waarop Hasper buiten hen om probeerde de besluitvorming van de Gereformeerde synode te beÔnvloe≠den.[114] De synode koos mede op hun voorstel in het najaar van 1952 voor een twee≠sporenbe≠leid, dat leek op dat van de Hervormde synode: aan de ene kant doorgaan met een eigen berijming, aan de andere kant open staan voor een interkerkelijke. Het niet onbelangrijke verschil was, dat de Gereformeerde Kerken al een berijming hadden en de Hervormde Kerk er, afgezien van een eerste fragmentarische proeve, nog een moest ontwik≠kelen. De Gerefor≠meerde synode van Rotter≠dam 1952-53 onder≠streepte daarom het besluit uit 1949 door kerken op te wekken de berijming van Hasper te gaan gebruiken. Maar tevens bood ze deputaten de mogelijkheid "zit≠ting te nemen in een interkerkelijke commis≠sie voor een nieuwe psalm≠be≠rij≠ming, in geval zulk een commis≠sie tot stand komt".[115] Aan de Her≠vorm≠de synode liet ze weten "voor haar deel gaarne aan de wens tot interker≠kelijke samenwer≠king" te willen vol≠doen.[116]

De moge≠lijkheid voor een dergelijke samen≠werking werd geopend in de interkerke≠lijke commissie voor een nieuwe psalm≠berijming, die op 6 mei 1953 van start ging.[117] Deze stelde op haar beurt een werkcommissie in, die zou moeten trachten tot een interkerke≠lijk aanvaardbare psalmberijming te komen. Twee weken later ging de werk≠commissie al aan de slag.[118] Van Gere≠formeerde zijde partici≠peerden de hooglera≠ren Kuiper en W.H. Gispen hierin. Gispen was De Bondt na diens dood als deputaat opge≠volgd. Hij had in de oorlogsjaren Hasper van advies gediend inzake de revisie van diens berijming, maar daarna geen direc≠te bemoeienis meer met hem gehad.[119] Gelet op de opdracht van de werkcommissie was zijn eerste belang te komen tot een inter≠kerkelijk aanvaardbare berijming. Van het viertal deputa≠ten waren er nu drie die zich meer betrokken voelden bij een interker≠kelijke berijming in het algemeen, en minder bij die van Has≠per in het bijzonder.


Van verschil≠lende zijden werden berij≠mingen inge≠bracht in de werkcom≠missie, onder meer die van Hasper. Na hem hadden ook anderen pogingen ondernomen tot een nieuwe berijming te komen. In Gereformeerde kring waren dat onder meer de predikant L.W. Muns en de organist Joh. Luyckenaar Francken. Hun proeven kregen echter lang niet de aandacht die die van Hasper had gehad. De Ge≠reformeerde synode van Leeuwarden 1955-56 kreeg over het beoordeelde materiaal te horen: "niet ťťn van deze berij≠min≠gen, meende de commis≠sie, kon als grond≠slag voor een nieuwe berij≠ming dienen."[120] De werkcommissie kwam na verloop van tijd tot een aanpak, die leek op die van de Her≠vorm≠de commis≠sie voor een nieuwe psalmberij≠ming. Zelf omschreef ze de werkwijze als volgt: er "is de overtuiging gegroeid, dat de beste berijming tot stand komt, waar dich≠ters samen≠werken met oudtestamentici en neerlandici, theolo≠gen en musicolo≠gen. Het eigenlijke berijmings≠werk moet gedaan worden door mensen, die gewoon zijn om te gaan met het woord, voorge≠licht en gecon≠troleerd door hen die de grondtekst kennen, alsmede de functie van het kerklied in de gemeente."[121] De commis≠sie vervaardig≠de op deze manier een berij≠ming van een tien≠tal psal≠men. Dat de Hervorm≠den de Gere≠for≠meerde deelname waardeer≠den en wilden doen continueren, blijkt wel uit de aanzien≠lijke posi≠ties die ze kregen in dit project. Kuiper werd voor≠zitter van de werkcom≠missie, Hoorweg secretaris van de alge≠mene com≠mis≠sie.


De Gereformeerde synode van Leeuwarden 1955-56 werd met deze ontwik≠kelingen voor de vraag gesteld, of ze op de ingeslagen weg verder wilde gaan. Een bevesti-gend antwoord zou grote gevolgen hebben voor het gebruik van Haspers berijming, terwijl van het resultaat van de inter≠kerkelijke commis≠sie op voorhand nog weinig te zeggen viel. Het antwoord dat de synode op 13 april 1956 gaf, was bevesti≠gend.[122] Formeel raakte Haspers berijming daar≠bij nog niet uit zicht. Ze moest "zoveel als verantwoord" in het interkerkelijk overleg worden ingebracht.[123] Maar op de vorige synode was de restrictie in het gebruik van alternatie≠ven veel groter geweest en heette het slechts, dat een aantal ≠berijmingen uit dit psalter "zo nodig" vervan≠gen konden wor≠den.[124] De kerken werden niet meer zoals toen opge≠wekt Haspers psalter te gaan zingen. Het leek, alsof in 1956 alleen wie er eens mee begonnen was, werd aanbe≠volen "zo enigszins mogelijk, voort te gaan met het gebruiken" er≠van.[125] Het contact met de vaste partner in het overleg over de psalm≠≠≠berijming, de Stichting Psalm≠gezang, werd opge≠schort "geduren≠de de tijd van het inter≠kerke≠lijk overleg".[126] Een en ander kwam ook in de ≠≠be≠noemin≠g van deputaten tot uiting. Munnik - nog wel naar de vorige, maar niet meer naar deze synode afgevaardigd - en Hoorweg keerden niet terug. De synode benoem≠de de predikant P.G. Kunst in hun plaats, naast Kuiper en Gispen.[127] Hasper zelf zou geen genoe≠gen nemen met deze gang van zaken, waardoor de synode zijn berijming op een zijspoor had gezet. Er volgde een lange periode met diverse pogingen tot arbitrage en verzoening, die hem evenwel weinig oplever≠den.[128] De Stich≠ting Psalm≠≠gezang had hij achter zich, maar die kon weinig voor hem doen. Na de totstandkoming van de interkerke≠lijke psalmbe≠rijming zou ze in 1969 worden opgehe≠ven.[129]

 


Het Gereformeerde besluit uit 1949 heeft vanaf de koerswending in 1956 de nodige vragen opgeroepen. Hoe heeft het zover kunnen komen, dat de synode Haspers berijming wel in principe goedkeurde, maar uiteindelijk toch niet invoerde? Kunst meent in Kerkzang in de Nederlanden, dat de activiteiten van onder meer de Stichting Psalmgezang onbedoeld een "element van overrompeling" hebben gehad.[130] Daarvan zijn inderdaad alleen al op de Haagse synode zelf enkele voorbeelden te noemen. Op de openingszitting bood Munnik de synode een in leer gebonden exemplaar van de nieuwe psalmbe≠rijming aan, terwijl de beraad≠sla≠gingen nog moesten plaatsvinden.[131] Het drukwerk van depu≠ta≠ten en stichting was goed verzorgd, beter in ieder geval dan dat van menig ander stuk. Deputaat Hoorweg zong bij de bespre≠king van Haspers psalter op de synode Psalm 23 in diens berij≠ming voor.[132] Dat heeft ongetwijfeld een bijzondere in≠druk op de synodeleden gemaakt. Toch kan men twijfe≠len aan het onbe≠doel≠de van de overrompeling. Rijns≠dorp stelt in een inter≠view ruim veertig jaar later, dat Hoorweg "de bundel Hasper heeft doorgedreven en doorgezon≠gen".[133] Aan Her≠vormde zijde regis≠treer≠de men, dat het modera≠men van de buiten≠gewone synode van Eindhoven 1948 "vrij wat kalmer tegen≠over de zaak stond" dan het stichtings≠be≠stuur.[134] Zeker is wel, dat het gebrek aan distantie van depu≠taten tot de stich≠ting en vervolgens van de stichting tot het werk van Hasper en tot Hasper persoonlijk een complicerende factor is geweest. Prof. Kuiper zou de al te innige betrekkingen tussen deputaten en stichting open≠breken, al was hij zelf in een eerder stadium met een advies bij het werk van de stichting betrokken geweest. Het is ach≠teraf paradoxaal te noemen, dat juist de Haagse synode 1949-50 hem benoemd heeft. Toch is het niet alleen de presentatie van Haspers berijming geweest die het Haagse besluit kan helpen verkla≠ren. Ook de tijdsfac≠tor heeft een rol gespeeld. De eerste versie van Haspers berijming was toen al meer dan twaalf jaar geleden verschenen en zes jaar tevoren door de synode van Utrecht 1943-45 positief begroet. Een in deze zaken centrale figuur als Hoorweg had grote twij≠fels over de lite≠rai≠re kwali≠teiten van Haspers werk, maar heeft vanuit het grote verlan≠gen naar een nieuwe berijming desondanks de invoe≠ring van Haspers berijming bevorderd. Toen deze invoering een wel zeer beperkte bleek te zijn, namelijk alleen in de Gereformeerde Kerken, was de overstap naar een andere berijming niet groot. Hoorweg heeft zich immers nooit principieel gebonden gevoeld aan Haspers psalter. In de beoor≠de≠ling van het Haagse be≠sluit zal verder reke≠ning gehou≠den moeten worden met de oecumeni≠sche factor. Het isolement van de Gereformeerde Kerken op dat moment leidde ertoe, dat de samen≠werking met andere kerkgenootschappen, in het bijzonder de Hervormde Kerk, gekenmerkt werd door een grote mate van onwennigheid. In een sfeer van polarisa≠tie werden door Hervormden en Gereformeerden respectievelijk het dichterlijke en het schriftuurlijke aspect tegen elkaar uitgespeeld. Van het begin af aan is het belang van een inter≠kerkelijke berijming voor de Gereformeerde synode duide≠lijk geweest. Maar eerst later, door reacties van derden, met name van de scholen, groeide het bewustzijn, dat een dergelij≠ke berijming absolute noodzaak was.

 

6.2.3Verdere openingen voor samenwerking

 

De visie van K. Dijk op de eredienst

Naast de psalmberijming werden in de naoorlogse jaren ook andere liturgische vraagstukken weer actueel in de Gereformeerde Kerken. Op de synode van 's-Gravenhage 1949-50 kwam een verzoek uit Ermelo ter sprake om een even≠tueel vernieuwde orde van dienst bij de kerken aan te bevelen.[135] Niets wijst erop, dat de liturgische ontwik≠ke≠lingen in de Hervormde Kerk hierop invloed hebben uitgeoe≠fend. De voorbereidende syno≠dale com≠missie adviseerde op het ver≠zoek uit Ermelo de oude orde uit 1933 opnieuw aan te beve≠len. Dijk sprak in zijn functie van preadviseur het oordeel uit, dat het beter zou zijn de zaak opnieuw in studie te nemen, hetgeen door anderen in een voorstel werd omgezet. De synode besloot uitein≠delijk tot een com≠promis. Ze ver≠zocht de kerken vooralsnog geen wijzigin≠gen in de oude orde aan te bren≠gen en besloot "in verband met de ontwik≠keling der litur≠gie in de laatste jaren (...) en de grote varia≠tie" in de plaatse≠lijk gebruikte orden de zaak van de orde van dienst opnieuw te onderzoe≠ken.[136] Als deputa≠ten werden be≠noemd de om hun liturgi≠sche belang≠stelling bekend staande Dijk, Hoorweg en Koole, alsme≠de de predi≠kant J. van Herksen uit Ermelo en ouderling S. Melse.


Het was vooral Dijk die zich in de rapportage van deze deputaten aan de synode van Rotterdam 1952-53 zou profileren. Hij bevond zich in deze jaren op het hoogtepunt van zijn loopbaan. In 1952≠ verscheen het artikel "Woord en offer", waarin hij uitgebreider dan tevoren zijn standpunt nog eens uiteenzette en verant-woordde.[137] Volgens Dijk bevat de reformato≠rische ere≠dienst de volgende lijnen.[138] De eredienst is in de eerste plaats een "actus populi Dei", geen "actus cleri" ten behoeve van het volk. In elke eredienst, dus niet alleen bij de vie≠ring van het avondmaal, ontmoet de gemeente haar God en oefent Hij met haar gemeenschap in Jezus Christus. In de tweede plaats dienen alle elementen van de eredienst gerela≠teerd te zijn aan het Woord. De dienst des Woords staat centraal. Hieruit volgt voor Dijk in de derde plaats, dat het sacrament "geen nieuwe wel≠daad aan de zegeningen des Evangelies" toe≠voegt. In de weg van het geloof verstevigt het de gemeenschap met Christus. In de vierde plaats dient de eredienst getekend te zijn door "de soberheid van het Evangelie". Dijk betrekt dit in het bijzon≠der op het gebruik van de landstaal. In het verlengde van het voorgaande stelt Dijk in de vijfde plaats: "in de liturgie (...) beslist niet de vorm maar de inhoud".

Wie de keuze en de formulering van deze kenmerken nader be≠schouwt, ontdekt dat niet zozeer Kuyper alswel Van der Leeuw Dijks belangrijkste gesprekspartner is geweest. Dijk zet zich af tegen Van der Leeuw en neemt daarbij noodge≠dwongen tevens afstand van Kuyper, die in een aantal gevallen dichter bij Van der Leeuw stond dan hij.[139] In zijn verzet tegen Van der Leeuw sluit Dijk zich in belangrijke mate aan bij Noordmans, zij het dat hij bij alle kritiek meer waardering en respect voor Van der Leeuw laat doorklinken dan Noordmans.[140]


Hoe gaat Dijk nu om met Van der Leeuw en Kuyper? Voor Kuy≠per was de ere≠dienst ver≠deeld in een acte a parte Dei en een acte a parte populi, zij het dat hij een scherpe schei≠ding van beide onmogelijk acht≠te. Dijk kent dit onder≠scheid wel, gebruikt het ook, maar wil in eerste instan≠tie over de gehele eredienst spreken als een "actus populi Dei".[141] Daar≠mee heeft hij Van der Leeuw op het oog. Die omschrijft de eredienst met woorden als ontmoe≠ting en gesprek tussen God en Zijn kerk. Het hoogtepunt van deze ontmoeting ligt voor deze voorman van de liturgi-sche beweging in de gemeenschap die in het sacra≠ment geoefend wordt, bediend door de gewijde ambts≠drager, een "actus cleri" om met de woorden van Dijk te spre≠ken.[142] Voor Kuyper lag de verbinding tussen de delen a parte Dei en a parte populi in het ambt van de voorganger. Bij Dijk heeft het ambt in de eredienst als geheel deze integrerende plaats niet. De dienst des Woords vormt zelf het integra-tiepunt: "het brengen van de bood≠schap der gena≠de".[143] Dat ge≠beurt in het bijzon≠der in de prediking. De delen a parte populi en a parte Dei pro≠beert Dijk zonder meer op elkaar te betrekken: "In beide is de wisselwerking tussen een tweevoudi≠ge activi≠teit" van God en Zijn volk.[144] Het ambt treedt bij Dijk terug achter de bood≠schap, zij het dat de vraag met welk gezag de voorganger in de liturgie optreedt open blijft. Dijk weert zich op deze wijze tegen van Van der Leeuw, bij wie het ambt een veel zelf≠standi≠ger positie heeft. Het wordt nu ook duide≠lijk, waarom Dijk van een zelf≠standige plaats van het sacra≠ment niets wil weten, al bezit het dat in Kuypers vroege≠re ge≠schriften als medium gratiae tot op zekere hoogte wel.[145] Tevergeefs zal men bij Dijk zoeken naar uitdruk≠kingen die Kuyper in zijn latere publikatie Onze Eere≠dienst nog bezigde als zou het avond≠maal het "middenpunt" of "hoogte≠punt" van de dienst vormen.[146] Dijk grenst op deze wijze zijn positie duide≠lijk af ten opzichte van de liturgi≠sche beweging en in het bijzon≠der van Van der Leeuw, die de ere≠dienst niet onder het ge≠zichts≠punt van het Woord zelf, maar van de vleeswording van het Woord be≠schouwt en daarmee de eredienst in al zijn onderdelen sacramenteel noemt. De confronta≠tie met de liturgische bewe≠ging komt eveneens tot uiting in Dijks plei≠dooi in de vormge≠ving van de eredienst het principe van de soberheid te hante≠ren. Voor Kuyper was dit niet meer dan een historisch ver≠klaarbaar en tot op grote hoogte aanvaard≠baar kenmerk van de gerefor≠meerde ere≠dienst. In het verlengde hiervan mist de verhouding tussen vorm en inhoud bij Dijk de nuance die het bij Kuyper had. Voor Kuyper was de vorm eveneens ondergeschikt aan de inhoud, maar er was voor hem zoiets als de 'schoon≠heids≠eis', waarbij de rijke inhoud een optimale vorm verlangt.[147]

Al met al negeert Dijk in meerdere gevallen Kuypers opstelling. Maar in zijn verzet tegen de ambtelijke benade≠ring van Van der Leeuw ziet hij kans in de lijn van Kuyper de positie van de ere≠dienst als hande≠ling van de gehele gemeente te versterken. Dit aspect was na Kuyper bij theologen als Biesterveld en Hoekstra door hun sterke accent op de ambtelij≠ke voorganger op de achtergrond ge≠raakt. In een later artikel "De plaats van de liturgiek in de theologie" zou Dijk Kuyper op dit punt nog encyclopedisch corrige≠ren.[148] Hij wil de diaco≠niologische vak≠ken niet meer beschouwen onder het oogpunt van het ambt, maar van de ambtelijke dienst. Op de eerste plaats komen dan die vakken die "de diakonia aan de gemeente in haar geheel op het oog hebben".[149] De liturgiek gaat daarbij vůůr de homi≠le≠tiek. Als ik "eerst handel over de arbeid aan de gemeente als ge≠heel", zo stelt Dijk, "kom ik vůůr alles tot de vergadering van die gemeente in de ontmoe≠ting met haar God". Die ontmoe≠ting ziet hij in de liturgiek beschreven.


Toen Dijk in 1952 "Woord en offer" publiceerde, was hij eigenlijk al bezig met een achterhoedegevecht. In de Gereformeerde Kerken was een nieuwe generatie theologen opgekomen, die de verhouding van Woord en sacrament heel wat genuanceerder tegemoet trad dan hij. Enkele jaren tevoren had de Kamper hoogle≠raar H.N. Ridderbos in een exegetische verhandeling over het avondmaal in het perspectief van het komende Koninkrijk Gods geschreven: "Hier is geen prae van het een boven het ander: in het gelovig zien en horen, in het gelovig ont≠vangen van het Woord en het eten en drinken van het Avondmaal schenkt Chris≠tus aan de zijnen langs verschillenden weg het ene en ondeel≠bare heil van het koninkrijk der heme≠len."[150] Enkele jaren later zou G.C. Berkouwer, hoog≠le≠raar aan de VU, het probleem nog eens dogmatisch doordenken en tot een soortgelijke conclusie komen.[151]

 

Orde van dienst

De synode van Rotterdam 1952-53 nam van de door haar voorganger benoemde deputaten voor het onderzoek naar de orde van dienst het Rapport over de zaak van de orde van de eredienst in ontvangst.[152] Omdat Dijk de rapporteur was, is het niet verwonderlijk, dat het stuk in de principiŽle uiteenzet≠ting diens sporen draagt. Koole verzorgde voor het rapport enkele "grepen uit de histo≠rie".[153] Daar was hij blijkens eerder vermelde publikaties immers goed in thuis.[154] Koole wees in dat kader op "liturgische elemen≠ten, die in onbruik raakten", schuldbelij≠denis en troost (genadeverkondiging), evenals klassieke litur≠gische teksten als Kyrie, Gloria, enzovoort.[155] Praktisch boden de deputaten een viertal in hun structuur sterk op elkaar gelij≠kende orden van dienst voor gewone zondagse ere≠diensten: "Een uniforme voor alle kerken gelijkluidende liturgische orde is moeilijk te vin≠den."[156] Verder werden con≠cepten voor≠ge≠legd voor dien≠sten op de feest-, bid- en dankda≠gen en voor diensten met sacra≠mentsbe≠diening, openba≠re ge≠loofsbelij≠de≠nis en kerke≠lijke huwe≠lijksbe≠vesti≠ging. Deze aanbieding van uit≠eenlopende orden doet denken aan het ontwerp voor het Hervorm≠de dienst≠boek.


Toen deputaten bij de aanvang van hun werkzaamheden onder de kerken de wensen hadden gepeild inzake "de liturgie en haar herziening en verdie≠ping", had nog geen 8 % van de kerkera≠den gereageerd.[157] Deze tendens zette zich op de synode van Rotterdam 1952-53 voort. De veel≠heid aan modellen kon nauwe≠lijks enige be≠langstel≠ling, laat staan enthou≠siasme wek≠ken.[158] Rapporteur van de voorbe≠reidende syno≠dale commissie was de nieuwtesta≠menti≠cus R. Schippers, hoog≠leraar aan de VU, die na het emeri≠taat van Aalders ook colle≠ges in de homiletiek verzorgde≠.[159] Het vak liturgiek had sinds 1917 al niet meer op de series gestaan, maar op eigen initiatief besteedde hij in het kader van de homiletiek ook de nodige tijd aan de inrichting van de eredienst. Na≠mens de commissie bepleitte Schippers in zijn rap≠port de han≠delwijze uit 1933 te conti≠nueren "om zowel de mogelijke en noodzakelij≠ke eenheid als de gewens≠te en geoor≠loofde verschei≠denheid in het litur≠gisch handelen onzer kerken te waarborgen. Middelburg 1933 stippelde de hoofdlij≠nen, waarlangs dit hande≠len zich dient te bewegen, zeer duidelijk uit en liet toch (...) een grote ruimte binnen het vastgestel≠de kader."[160] De synode sprak daarop uit ťťn orde van dienst te willen vast≠stellen.[161] Drie weken later beval de synode de hieronder afgedrukte orde voor de zondagse morgen≠dienst aan de kerken aan.[162] In de middagdienst zou het onder 4/4a genoemde vervangen moeten worden door de belijdenis des geloofs. Bij de bediening des Woords werd in de orde voor de middagdienst vermeld, dat deze diende te handelen over een zondagsafdeling van de Heidelberg≠se Catechismus. De aanvaarde orde voor de morgendienst zag er zo uit:


1†† Votum

2†† Zegengroet

3†† Aanvangslied

4†† Voorlezing van de wet des Heren, eventueel gevolgd door de samen≠vatting van de wet en/of een lied

of:

4a††††† Voorlezing van de wet des Heren, eventueel gevolgd door de samen≠vatting van de wet

††††† Lied van schuldbelijdenis

††††† Genadeverkondiging met retentie

††††† Lied

5†† Voorlezing van een gedeelte van de Heilige Schrift, die desgewenst ook na de midden≠zang, voor de bediening des Woords kan plaatsvin≠den

6†† Gebed

7†† Inzameling der gaven

8†† Middenzang

9†† Bediening des Woords, eventueel onderbroken en/of gevolgd door een lied

10†† Gebed

11†† Slotzang

12†† Zegen

 

Ten opzichte van de voorstellen van deputaten volgde de synode een behou≠dende koers. Hoe behoudend wordt duidelijk uit de opvat≠tingen van hen die in de hervorming van de eredienst nog veel verder wilden gaan dan deputaten. Nog voor de synode van Rotterdam samengekomen was, had de in het kader van de Stichting Psalmge≠zang al genoemde A. Bouman in de geruchtmakende publikatie Gerefor≠meerden, waar≠heen? al enkele ver≠langens opgesomd. Hij deed dat als vertegen≠woordiger van de vooruitstrevende Werkgemeenschap Gereformeerde Jongeren en werd daarbij onder≠steund door Th. Booy. Deze maakte zich niet alleen in de werkgemeenschap sterk voor nieuwe vormen van jeugdwerk, maar zette zich ook buiten de kerk in voor jongeren en plaatste de toenmalige jeugdproblematiek in Europees perspectief.[163] Bouman stelt: "Het kind moet in de kerk ook werke≠lijk worden aangespro≠ken en iets ontvangen voor zijn eigen≠soortig geeste≠lijk le≠ven."[164] Van de in Rotter≠dam rappor≠te≠rende deputaten verwacht hij een orde van dienst "met voor≠stellen in de stijl van weder≠kerigheid, die bij de ontmoe≠ting van God en Zijn volk past."[165] Hij uit de wens naar "wat meer gevoel voor stijl", in het verleden vaak als bijzaak afgedaan. Hij vraagt om meer stilte in de ere≠dienst, meer plaats voor de "lofver≠heffing van God en het Avond≠maal".[166] De oude formulieren vol≠doen volgens hem niet meer. De nieuwe zouden kort en krachtig van taal moeten zijn. De wensen van Bouman c.s. gingen niet direct in vervul≠ling, omdat zij en hun geestver≠wanten in de kerken geen invloedrijke posi≠ties inna≠men.


Waarom maakte de synode zulke wezenlijk andere keuzen dan de deputaten, die zich toch vrij gematigd opgesteld hadden? Dijk bekende in 1956: "Over de teleur≠stel≠ling van 1952 ben ik (...) nog niet geheel heen."[167] Ook eerder had hij aan dit ongenoegen al uiting gegeven.[168] De enige mogelijkheid, die Dijk in zijn loop≠baan kreeg om direct in≠vloed uit te oefenen op de liturgi≠sche vormgeving, werd hem niet gegund. Het beperkte aantal reacties dat deputaten uit de kerken ontving is er een indica≠tie van, dat de liturgische vragen in de kerken nog niet echt leefden. Er be≠stond in deze jaren van restaura≠tie na de oorlog weinig behoefte aan radicale ver≠nieuwingen, ook op liturgisch vlak. Daar kwam bij, dat de aange≠boden orden en aanwijzin≠gen voor bijzon≠dere diensten niet over≠tuigden. Histo≠risch waren ze nauwelijks onderbouwd. Maar wat vooral stoorde was, dat de in 1949 gecon≠stateerde "grote variatie" erdoor werd bevestigd en niet werd tegenge≠gaan.[169] De Gereformeerde Kerken hadden behoef≠te aan een zekere een≠heid, zo blijkt wel uit het commis≠sierap≠port van Schippers.[170] In het licht van de scheuring die enke≠le jaren tevoren had plaatsge≠vonden is dat een begrijpe≠lijk verlangen.


Ondanks de behouden≠de koers vonden er in nieuwe orde toch een aantal kleine verschui≠vingen plaats. Anders dan in 1933 en bij deputaten in 1952 werd de inhoud van het gebed na de preek niet meer inge≠vuld met "dank≠zegging". De uitdrukking "gebed" volstond en liet daarmee een andere invul≠lin≠g en nieuwe ver≠schui≠vingen in de orde van dienst toe. De voorbeden in het zogenaamde grote gebed voor de preek konden nu na de preek worden gezegd. Schip≠pers was daar een voorstan≠der van.[171] De in 1952 rapporte≠rende deputaten wisten, dat op grond van histori≠sche gegevens de voorbeden na de preek uitgesproken dienden te worden.[172] Ze hadden hier echter geen conse≠quen≠ties uit getrokken. Dijk bijvoorbeeld was er niet voor. De gemeente zou na het hoogtepunt, de preek, het liefst zo snel mogelijk huiswaarts willen keren en niet nog eens de aandacht op kunnen brengen voor een lang gebed.[173] In de nieuwe orde kregen verder kerke≠raden en voorgan≠gers die dat wilden, de gelegen≠heid de Schrift≠lezing vlak voor de preek, na gebed en collecte te doen. Hierop had vooral Dijk aange≠dron≠gen.[174] Ver≠der maakte de syno≠de ruimte voor schuld≠belijdenis en gena≠de≠verkon≠diging, door Dijk voor≠heen dan wel afgewezen, maar door Koole als in de loop der eeuwen in on≠bruik geraakt ele≠ment aange≠reikt.[175] Net als de synode van Utrecht in 1923 gedaan had, bood de syno≠de van Rot≠ter≠dam 1952-53 ook een opening voor verdere ontwikkelingen. Op basis van een groot aantal verzoe≠ken daartoe en in overeen≠stemming met een opmer≠king daarover van de rapporte≠rende deputaten besloot ze een nieuwe redactie van de liturgi≠sche formulie≠ren en gebeden te laten ontwerpen. Tevens bood ze de nieuw te benoemen deputa≠ten de gelegenheid bij gebleken "noodzakelijk≠heid of wense≠lijk≠heid" voorstellen te doen voor "andere wijzi≠gingen en verkor≠tingen" in die liturgische teksten.[176] De jon≠ge≠ren onder aan≠voe≠ring van Bouman en Booy konden hierin een eerste aanzet zien voor de bijstel≠ling van het beleid in hun rich≠ting.

 

Gezangen


Er bestonden overigens meer aanwijzingen, dat het klimaat in de Gereformeerde Kerken aan het veranderen was en de wensen van de jongeren wel eens sneller zouden kunnen worden ingewilligd dan zij zelf ook maar hadden durven hopen. Bouman hoopte in 1951 "t.z.t. ook op een betere gezangenbundel dan het twijfel-achtige aanhangsel dat wij nu bezitten".[177] Reeds kort daarop spraken een vijftal particulie≠re synoden, enkele classes, kerkeraden en particu≠lieren vergelijk-bare wensen uit tegenover de synode van Rotterdam 1952-53. Deze gaf gehoor aan de verzoeken tot herziening en uitbreiding vande bestaande bundel.[178] In de overwegingen bij het besluit in≠ter≠preteerde de synode de gewenste uitbreiding als liederen "speciaal voor de christe≠lijke feestda≠gen en voor 'bij≠zondere diensten'".[179] In de eigen≠lij≠ke op≠dracht aan deputaten werd deze kwali≠ficatie niet opgenomen. De synode droeg hun op de bestaande bundel te herzien en voor≠stellen tot uitbreiding te doen "met een beperkt aantal schriftuur≠lijk verantwoorde gezangen".[180] Al te groot is de verande≠ring ten opzichte van het verleden in dit stadium nog niet. De inter≠pre≠tatie van het verlangen van de kerke≠lijke vergaderin≠gen en de opdracht aan deputaten doen sterk denken aan de synode van Arnhem 1930: niet teveel gezan≠gen, bijzonde≠re aandacht voor het schriftuur≠lijk verant≠woorde karakter ervan, en vooral bestemd voor bijzondere gele≠genhe≠den. Wel was het deputaatschap anders samengesteld dan voor de oorlog. Naast een drietal predikanten -L. Hoorweg, C.N. Impeta en P.D. Kuiper - benoemde de synode van Rotterdam nu ook twee andere deskundigen: een musicus - L. Huizenga - en een literator - C. Rijnsdorp.[181] De hoogleraren in de theologie waren in het geheel niet meer vertegenwoordigd.


De vooromschreven sfeer heerste ook in het depu≠taatschap, zeker toen het begon. Rijnsdorp zegt hierover: "the≠ologisch waren we volkomen tradi≠tioneel. Cultureel waren we ... nou ja, hadden we hoogstens aan de algemene cultuur ge≠nipt" en ver≠volgt: "wij leefden (...) nog in de vooroor≠logse mentali≠teit".[182] Volgens Rijnsdorp begonnen deputa≠ten de Her≠vorm≠de bundel '38 op geschikte liede≠ren door te nemen. Een aantal gezangen uit deze bundel genoot onder Gereformeerden grote bekend-heid. Maar men bleef niet staan bij de 'bundel '38', ook ander materiaal kwam onder de aandacht.[183] In de loop van 1954 deden deputaten iets dat hun strikt genomen niet was opgedra≠gen: ze zochten contact met de Her≠vormde commissie voor de gezangen.[184] Het contact bewoog zich aanvanke≠lijk op schrif≠telijk niveau en had vooral tot doel tot gelijk≠luidende revisies te komen. Over en weer werden suggesties tot wijzi≠ging gedaan en enkele nieuwe liede≠ren aangeboden. Nog geen jaar later, op 18 mei 1955, volgde een eerste gezamenlij≠ke vergade≠ring. De Gereformeerde deputa≠ten raakten er mede door deze contac≠ten van overtuigd, dat er nog veel gebeuren moest voor een verant≠woorde nieuwe bundel kon worden samenge≠steld. Deze voorzich≠tige werkwijze had tot gevolg, dat ze de synode van Leeuwarden 1955-56 alleen maar konden informeren over de stand van zaken en welis≠waar een honderd gezangen konden aanbie≠den, maar groten≠deels in een voorlopige redac≠tie.[185] De synode was ongeduldig en nam hier geen genoegen mee. Ze wilde resul≠taten zien, maar het gelukte bij herhaling niet, onderling tot overeen-stem≠ming te komen.[186] Een daartoe samen≠ge≠stelde commissie selec≠teerde dertig beken≠de gezangen voor kerkelijk gebruik, die door de synode werden overgeno≠men.[187] Volgens Rijns≠dorp was het vooral Dijk die in dit "eer≠ste lorrige boekje van 1956" zijn invloed had laten gel≠den.[188] Depu≠taten werden herbe≠noemd en kregen op≠nieuw de op≠dracht "tot een beperkt aantal ver≠meerderde gezangen" en "zulks na voort≠gezet overleg met de commissie vanwege de NHK" ter beoor≠deling aan de synode van 1959 aan te bieden.[189] Het over≠leg met de Hervormde Kerk werd gesanctioneerd, een gezangbundel in omvang vergelijkbaar met de Hervorm≠de 'bundel '38' (nog) niet. Over het aantal gezangen werd blijkbaar nogal verschillend gedacht.

 

Een Gereformeerd Kerkboek

Niet alleen inzake de psalmen en gezangen, ook in de verdere vormgeving van de eredienst kwam de Hervormde Kerk in het midden van de jaren vijftig een stuk dichterbij. Koole vatte in 1955 in Kerk en Eredienst de reacties van de Gerefor≠meerden op het Hervormde Dienstboek samen met de woorden, dat zij "in 't algemeen tot een positieve waardering gekomen" waren, "die hoop doet leven op nader interkerkelijk overleg."[190] Deze opvatting vond weerklank in de Gereformeer-de synode van Leeuwarden 1955-56. Bij de behandeling van de rapportage over de herziening van de liturgische formulieren werd de suggestie gedaan, dat de deputa-ten bij de voortzetting van hun werkzaamheden aandacht zouden moeten schenken aan het pas verschenen Dienstboek.[191] In de opdracht aan deputaten werd weliswaar het Dienstboek niet met name genoemd, maar werd wel zeer nadrukkelijk de mogelijkheid van overleg met andere kerken opgenomen.

Verder ontving de synode van Leeuwarden een eerste rapport van de deputaten die de opdracht hadden gekregen de liturgische formulieren en gebeden te herzien. Ze besloot daarop onder meer een vooral taalkundig herzien doopformulier en twee verkorte formulieren voor de avondmaalsbediening naast de bestaande "vrij te geven in het gebruik der kerken".[192] Dat was in verscheidene opzichten een nieuwe ontwikkeling. De tijd dat men voor elke kerkelijke plechtigheid slechts ťťn formu-lier ter beschikking had, was voorbij. En nieuwe formulieren hoefden niet meer alleen in kerke≠raadskamers en andere vergaderlokalen beoordeeld te worden, maar konden na een eerste synodale ijking in de praktijk worden beproefd. In beide gevallen ontstond een situatie die leek op die in de Hervormde Kerk. Daar waren in het Dienstboek voor elke plechtigheid eveneens meerdere formulieren beschikbaar. Daar was het Dienstboek een Dienstboek (...) in ontwerp. Maar al te innig was de verhou≠ding tussen beide kerkgenootschappen beslist nog niet.[193] Vooral aan Gereformeerde zijde hield men de nodige afstand. Dat komt onder meer naar voren in de nieuwe naam die de deputaten kregen die toezagen op de uitgaven van de gezangbundel en de Liturgie. Hun toezicht ging de uitgaven van het overigens nog samen te stellen kerkboek betreffen.[194] Dat was duidelijk te onderscheiden van het dienstboek, omdat een kerkboek ook de nauw met de Gereformeerde identiteit verbonden Formulieren van Enigheid diende te bevatten.

 

Kerkelijk jaar


Tot besluit moet in het kader van de toenadering tot de Hervormde Kerk nog kort de thematiek van het kerkelijk jaar besproken worden. Encyclopedisch viel dat nog steeds onder de homiletiek en werd het besproken in het kader van de tekstkeuze voor de preek. Dijks homiletisch handboek De dienst der prediking uit 1955 biedt daarvan een goed voorbeeld.[195] Dijk acht het vooral van belang, dat elke predikant in de eerste plaats zelf orde aanbrengt in zijn tekstkeuze en daarbij vooral het belang van zijn eigen gemeente in het oog houdt.[196] In dat verband zal de voorgan-ger zich ook rekenschap moeten geven van het kerkelijk jaar. Evenals Hel. de Cock ontleent hij daarvoor een belangrijk argument aan de stemming van de gemeente: "de gemeente leeft nu eenmaal na Pasen" en verwacht een prediking die daarmee in verband staat. En Dijk stelt dan: "deze verwachting moet de prediker niet bescha-men".[197] In navolging van zijn voorganger Hoekstra en de Hervormde Koopmans, meent hij dat het zeker verantwoord is de thematiek van de eerste helft van het kerkelijk jaar (Advent - Pinksteren), het kerkelijk jaar "in engeren zin", te laten doorwerken in de prediking, maar dat het gebruik van perikopensystemen ook dan uit den boze is.[198] Dijk deelt de visie van zijn voor≠ganger Hoekstra, dat dit deel van het kerke≠lijk jaar "een uitne≠men≠de leidraad" voor de tekstkeu≠ze vormt.[199] Dat deze bena≠dering op een breed draagvlak mocht rekenen, blijkt wel uit de nieuwe kerkorde die de synode van Leeuwarden voorlopig vaststelde. Daarin was de zondag de door God aangewezen dag voor de samenkomst van de gemeente, maar werd tevens een richtlijn opgenomen voor de omgang met het kerkelijk jaar: "In de kerkdiensten zullen op het Kerstfeest, den Goeden Vrijdag, het Paasfeest, den Hemelvaartsdag en het Pinksterfeest in het bijzonder de grote heilsfeiten herdacht worden en voorts zal bij de tekstkeuze ook rekening gehouden worden met de adventstijd en de lijdenstijd."[200] Opvallend is in dit verband de opname van de Goede Vrijdag. In het verleden hadden de voorgangsters van de Gereformeerde Kerken zich op dit punt in soms felle bewoordingen afgezet tegen de Hervormde praktijk. Nu maakten Gereformeerden die praktijk alsnog tot de hunne.

 

 

6.3†††††††† Conclusies


In de twintig jaar van verwikkelingen die dit hoofdstuk be≠schrijft zijn er in de Gereformeerde Kerken weinig concrete resultaten te mel≠den van liturgi-sche verandering en vernieu≠wing. De omgang met de plannen voor een nieuwe psalmberijming illustreren deze ontwikkeling wel in het bijzonder. Een nieuwe berij≠ming leek met Haspers werk in 1936 in het verschiet te liggen. Twintig jaar later, in 1956, besloot de Gereformeerde synode te proberen langs een andere weg tot een nieuwe, interkerke≠lijke berijming te komen. Con≠creet had men nog vrijwel niets in handen, hoewel veel kerken mede onder invloed van Haspers berijming wel het ritmisch zingen hadden ingevoerd. In hetzelfde jaar werden 30 gezangen toegevoegd aan de al bestaande 29, maar vernieu≠wend was deze uit≠breiding niet. Het taboe om gebruik te maken van materiaal uit Hervormde bundels was in 1933 al doorbroken en de nieuwe nummers kwamen in 1956 voorna≠melijk uit die hoek. In de orde van dienst was evenmin veel verandering te bespeu≠ren. De orde van 1952 had veel weg van die uit 1933. Het is daarbij opmer≠kelijk, dat juist de basis van de meest in het oog springende veran≠de≠ring, de invoering van de genade≠verkondiging, zo wankel was, dat al spoedig twijfels over de invulling hiervan naar voren kwamen.[201]

Bekijkt men de situa≠tie in 1956 uit het oogpunt van de moge≠lijkheden die er be≠stonden om de Gereformeerde liturgie verder te ontwikkelen, dan is het beeld wezenlijk anders. De psalmbe≠rijming vormt daarop wellicht een uitzondering, omdat men twintig jaar eerder goede hoop had de bundel van Hasper op korte termijn te kunnen invoeren. Verdere uitbreiding van de gezan≠gbundel was in de jaren dertig uitgesloten. Twintig jaar later kon de synode nauwe≠lijks meer wachten. De herzie≠ning van de liturgische gebeden en formulieren die in het begin met de synode van Rotterdam 1952-53 in gang was gezet moest op den duur wel leiden tot een herbezin≠ning op de orde van dienst. De ≠plaats die bepaalde gebeden in de orde toebedeeld hadden gekregen, kwam niet overeen met de plaats die ze volgens hun op≠schrift in de klassiek-gereformeerde Liturgie zouden moeten hebben. De orde van dienst uit 1952-53 bood in principe wat dat betreft al wat meer ruimte dan die van 1933. Bij de samenstelling van de deputaatschappen voor de psalmberijming en de gezangbundel begonnen de Gereformeerde synoden na de oorlog deskundige niet-theologen in te schakelen. Juist zij namen als eersten initiatieven om de bestaande grenzen van de Gereformeerde wereld te overschrijden. Bij de mogelijk≠heden die de Gereformeerde Kerken in 1956 hadden, moet namelijk in het bij≠zonder de bereidheid tot con≠tact met de Hervormde Kerk genoemd worden. Hoewel dit nog niet op alle liturgische fronten was geoperati≠onaliseerd, waren de princi≠piŽ≠le ope≠ningen daartoe in 1956 al goeddeels gemaakt.


Ondanks dit positieve beeld was het met de liturgische bezin≠ning in de Gerefor-meerde Kerken in 1956 matig gesteld. Dijk, wiens hoogleraar≠schap zich bijna over de gehele beschreven periode uitstrekte, had wel een eigen visie op de liturgie geformu≠leerd, maar deze was meer op een gedateerde afweer en afwij≠zing geba-seerd dan op een positieve, opbouwende en inspi≠reren≠de benadering van het verschijnsel. Bovendien vertoonden zijn publikaties inhou≠de≠lijk-thematisch sterke verwantschap en boden ze door hun apologetisch karakter nauwelijks concrete alternatieven voor de eigen kerken. Ze sloten niet meer aan op de wensen die uit verschillende hoeken naar voren werden gebracht: een overtuigende orde van dienst die de liturgische eenheid zou bevorderen, een alternatief voor de vaak stukgelezen formulieren en een verantwoord samengestelde gezangbundel. Deze leemte vroeg erom opgevuld te worden.

 


 



†††† [1]†††††††††† Zie hierboven blz. 112v.

†††† [2]†††††††††† Zie voor een beknopte beschrijving: Lescrauwaet, De liturgische beweging, 101 - 104.

†††† [3]†††††††††† Handboek voor den eeredienst in de Nederlandsche Hervormde Kerk, samengesteld door den Liturgischen Kring, Rotterdam 1934.

†††† [4]††††††† In het vervolg zal Luthers (met een kapitaal) geschreven worden, als dit betrekking heeft op de Evangelisch-Lutherse Kerk in ons land. Bij luthers (met een kleine letter) wordt gedoeld op de bredere lutherse traditie.

†††† [5]†††††††††† J.N. Bakhuizen van den Brink, "De Heilige Doop", in: Handboek, 61 - 90, 69 (citaat). J.N. Bakhuizen van den Brink (1896 - 1987) stud. theol. Leiden, dr. theol. 1923, Herv. pred. Nieuw-Dordrecht 1920, Winterswijk 1924, Kralingen 1929, hoogl. Leiden 1934 - 1966 (emer.) (NedAk 67 (1987), 93v).

†††† [6]†††††††††† G. van der Leeuw, "Inleiding", in: Handboek, 9 - 16, 11 (citaat). Zie voor de vereniging Kerkopbouw en haar poging tot reorganisatie van de NHK: Rasker, Ned. Herv. Kerk, 271v.

†††† [7]†††††††††† Het Wezen van den Eeredienst. Rapport van de Kerkopbouwcommis≠sie tot bestudeering van het liturgisch vraagstuk, Baarn z.j. [1933], 23 (citaat).

†††† [8]†† ††††† Zie de (geannoteerde) uitgaven: O. Noordmans, Liturgie, in: O. Noordmans, Verzamelde werken VI: De kerk en het leven, Kampen 1986, 45 - 164. G. van der Leeuw; O. Noordmans, W.H. van de Pol, Liturgie in de crisis, in: Noordmans, Verzamelde werken VI, 165 - 243. O. Noordmans (1871 - 1956) stud. theol. Leiden 1891, Utrecht 1898, dr. theol. h.c. Groningen 1935, Herv. pred. Idsegahuizen en Piaam 1903, Suameer 1910, Laren (Gld.) 1923 - 1943 (emer.) (BLGNP I, 220 - 223).

†††† [9]†† ††††† Zie voor een beknopte beschrijving van de controverse tussen Noordmans en Van der Leeuw: Lescrauwaet, De liturgische beweging, 143 - 148.

†††† [10]†† Hand. Syn. Herv. Kerk 1941, 36, 270v. Voor de context: Rasker, Ned. Herv. Kerk, 283v.

††† [11]†† Hand. Syn. Herv. Kerk 1945-46, 290 - 295.

†††† [12]†† J. Koopmans, Het kerkelijk jaar, Wageningen z.j. (overdruk van in 1941 in Onder eigen vaandel gepubliceerd artikel), 53 (citaat). J. Koopmans (1905 - 1945) stud. theol. Utrecht, dr. theol. 1938, Herv. pred. Elkerzee 1928, 's-Heer Hendrikskinderen 1931, bijbelstudiesecr. NCSV 1938, Herv. pred. Amsterdam 1941 (Rasker, Ned. Herv. Kerk, 293). Koopmans had zitting in de hiervoor genoemde werkgroep Kerk en Prediking en de in 1941 ingestelde commissie voor de eredienst.

†††† [13]†† Van der Leeuw, Liturgiek, 95; G.W. Oberman, De gang van het kerkelijk jaar, 's-Gravenhage-Rijswijk 1947 (volgens het voorwoord in 1942 geschreven), 21.

†††† [14]†† J.N. Bakhuizen van den Brink e.a., "Ter inleiding", in: KE 1 (1945-46), 1 - 3, 1 (citaat in deze en volgende regel).

†††† [15]†† H. Hasper (1886 - 1974) stud. theol. VU 1905, Geref. pred. Schiermon≠nikoog 1912, Oldeboorn 1917, studieverlof 1922, buiten bed. 1923, Geref. pred. in H.V. 1927, 's-Gravenhage 1928 - 1946 (emer.) (N. van Tellingen, H. Hasper, een omstreden hymnoloog, Goes 1980).

†††† [16]†† Zie voor Haspers lidmaatschap: GA Kampen, Archief Kring Kerkgezang, nr. 88 (sub H) en nr. 105 (1922, 1923). Vgl. hierboven blz. 95. Vgl. ook Van Tellingen H. Hasper, 30 - 34, die geen melding maakt van Haspers' lidmaatschap van de Kring Kerkgezang in deze jaren.

†††† [17]†† Van Tellingen, H. Hasper, 78 - 81.

†††† [18]†† 's-Gravenhage 1936.

†††† [19]Zie voor de uitgave van Acquoy hierboven blz. 68, voor die van De Moor blz. 107.

†††† [20]†† Van Tellingen, H. Hasper, 89 - 92.

†††† [21]†† Ibidem, 103v.

†††† [22]†† Vgl. ibidem, 104.

†††† [23]†† G.F.W. Herngreen, "Oecumenische aspecten van de Nederlandse kerk≠zang", in: A.C. Honders (red.), Klinkend Geloof. Uit de geschiedenis van het Nederlandse kerkelijk en geestelijk lied, 's-Gravenhage 1978, 79 - 93, 88 (citaat).

†††† [24]†† Zie voor de GOV verder een reeks van korte artikelen van verschillende auteurs onder de titel "Uit de geschiedenis van de G.O.V." in: Organist en Eredienst (= OE) 46 (1980), 45vv, 109vv, 133vv, 157 - 161, 177v.

†††[25]†† Vgl. OB 9 (1930-31), 1242v en 1250 - 1254, waarin de liturgi≠sche situatie in de plaatselijke kerken kritisch beschreven wordt.

†††† [26]†† Vgl. bijvoorbeeld OB 5 (1926-27), 579 - 582 (met name 581), waarin duidelijk wordt, dat onder de in 1923 rapporterende deputaten al verschil van mening bestond over bijvoorbeeld de noodzaak van een verkorting van het avondmaalsformulier.

†††† [27]†† De Heraut nr. 2989 (5 mei 1935) (citaat). F.W. Grosheide (1881 - 1972) stud. theol. en lett. VU 1899, dr. theol. 1908, Geref. pred. Schipluiden 1907, hoogl. VU (Nieuwe Testament) 1912 - 1953 (emer.) (BLGNP III, 155v).

†††† [28]†† De Reformatie 17 (1936-37), 219v, 227v, 235v, 243v, 251v, 259v.

†††† [29]†† Ibidem, 243 (citaat).

†††† [30]†† Aspecten van de liturgische beweging komen bijvoor≠beeld aan de orde in de volgende bundel met kerkbode-artikelen: D. Sikkel, Eeredienst, prediking, ambt, Amsterdam z.j. [1937]. Het is goed denkbaar, dat ook in andere plaatselijke of regionale kerkbladen soortgelijke artikelen versche≠nen.

†††† [31]†† Van Tellingen, H. Hasper, 87. Vgl. De Reformatie 17 (1936-37), 122v, 124, 130vv, 138v, 145v, 153v, 161v, 169 (naast waarderende woorden ook kritische kanttekeningen van Schilder; 165, 175, 184, 192v, 208v, 216, 223v (kritiek van J. Zwart op een aantal musicologische beslissingen van Hasper). Opmerkelijk is het aanvankelijk stilzwijgen in dezen van De Heraut. Het bleef bij de overname van een enkele (positieve) recensie uit de plaatselijke pers als die van D. Sikkel in de Amsterdamsche Kerkbode. In veel plaatselijke kerkbladen werd Haspers werk aangeprezen (zie het over≠zicht dat Hasper hiervan zelf aanlegde: HDC, Archief Hasper, nr. 429 (I - XXXIII)).

†††† [32]†† K. Dijk, Bespreking van Geestelijke liederen enHet Boek der Psalmen door H. Hasper, Kerkblad van de Gereformeer≠de Kerken van 's Gravenhage d.d. 13 december 1936 (als knipsel in: HDC, Archief Hasper, nr. 429 (II, 8)) (citaat in vorige en deze regel, alsmede twee volgende citaten). Vgl. voor Dijk ook hierboven blz. 110v.

†††† [33]†† Het Archief van de Stichting tot Verbetering van het Psalmge≠zang in de Gereformeerde Kerken in Nederland vormt een onderdeel van het Archief Hasper: HDC, Archief Hasper, nrs. 436 - 487 (in het vervolg afgekort met Archief Stichting). Een aanvulling op deze stukken bevindt zich in: HDC, Archief Milo. T. Ferwerda (1876 - 1944) stud. klass. lett. en theol. VU, Geref. pred. Monnicken≠dam 1905, Vlissingen 1911, Amsterdam 1913 (De Haas, Voorgangers III, 70v).

†††† [34]†† Volgens de stichtingsakte was A. Bouman procureur en advocaat te Rotterdam en H. Burger redacteur van De Standaard. Van J. Kort staat alleen vermeld, dat hij voorzitter van de GOV was (vgl. Stichtingsakte d.d. 24 juni 1938 - HDC, Archief Stichting, nr. 436).

†††† [35]†† "Verantwoording en toelichting" van het bestuur van de Stich≠ting Psalmgezang aan de gebruikers van het studie-exemplaar van Het Boek der Psalmen d.d. 16 april 1941, afgedrukt in: H. Hasper, Een reforma≠torisch kerkboek. Voordracht ten behoeve van de conferentie voor prakti≠sche theologie te Arnhem (...), september 1941, Leeuwarden 1941, 157 - 159, 157 (citaten).

†††† [36]†† T. Ferwerda, "De plaats van den gemeentezang in de liturgie", in: Reformatorisch Psalmzin≠gen. Referaten uitgesproken op de Eerste Conferen≠tie over het Psalmgezang, Leeuwarden 1944, 5 - 15, 14 (citaat).

†††† [37]†† "Verantwoording" (zie hierboven noot 35), 158 (citaat). Over de periode 1938 - 1943 ontbreken de notulen van het bestuur. Aanvullen≠de gegevens zijn te vinden in de circulaires en publikaties uit deze jaren (HDC, Archief Stichting, nrs. 484, 485 en 486).

†††† [38]†† Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1943-45 (Utrecht), art. 54 en bijlage XVII. Vreemd genoeg is in de notulen van het stichtingsbe≠stuur van 17 mei 1943 niets te vinden over genoemde brief (HDC, Archief Stichting, nr. 437). Vermoedelijk is het besluit tot een dergelijke brief eerder genomen en heeft de onderte≠kening ervan op de vergadering van 17 mei plaatsgevonden. ††

†††† [39]†† Notulen bestuur d.d. 17 mei 1943 (citaat) - HDC, Archief Stichting, nr. 437.

†††† [40]†† Vgl. BLGNP II, 180.

†††† [41]†† K. Dijk, Syllabus liturgiek, z.p. z.j. Een precieze datering is niet te geven. De combinatie van twee feiten, namelijk het gebruik van de 'oude' spelling - met ingang van 1948 vernieuwd - en de aanwezigheid van voldoende papier om te stencilen - vlak na de oorlog bestond er papierschaar≠ste - doet vermoeden dat als jaar van uitgave aan 1946 of 1947 gedacht moet worden. Inhoudelijk volgt de syllabus de liturgiekcolle≠ges uit de jaren 1937 en volgende (vgl. bijlage A1).

†††† [42]†† Ibidem, 34 (citaten).

†††† [43]†† Zie hieronder blz. 147 - 150.

†††† [44]†† L. Hoorweg aan D.W.L. Milo d.d. 5 juli 1943 en D.W.L. Milo aan L. Hoorweg d.d. 6 juli 1943 - RAU, Archief GOV.

†††† [45]†† Opgenomen in: Reformatorisch Psalmzingen.

†††† [46]†† Notulen bestuur d.d. 29 september 1945 (citaat) - HDC, Archief Stichting, nr. 437,

†††† [47]†† De brief is noch in het archief van de Stichting Psalmgezang, noch in het archief van de GOV terug te vinden (bron voor het bestaan ervan: zie vorige noot). B. Richters was na verbonden te zijn geweest aan de Gereformeerde Kerk te Heerhugowaard, vanaf 1944 predikant-directeur van het Zendingscentrum te Baarn. Hij voelde zich vanuit een muzikale interesse in het bijzonder bij het werk van de organistenver≠eniging betrokken.

†††† [48]†† D.W.L. Milo, zoon van ds. W.L. Milo, ging mee met de Vrijmaking en was in de beschre≠ven periode werkzaam bij een incassobank te Nunspeet (vgl. diverse correspondentie - HDC, Archief Milo).

†††† [49]†† H. Burger aan D.W.L. Milo d.d. 23 oktober 1945 (citaat) - HDC, Archief Milo.

†††† [50]†† Notulen bestuur d.d. 30 maart 1946 - HDC, Archief Stichting, nr. 437.

†††† [51]†† Notulen bestuur d.d. 6 januari 1941 - RAU, Archief GOV.

†††† [52]†† Vgl. K. Dijk, "Liturgie", in: Vox Theologica (= VT) 16 (1945-46), 58 - 68. Dit artikel verscheen in februari 1946. Dijk kreeg in dit liturgie-nummer van het tijdschrift een plaats naast de Hervormde G.W. Oberman, de Lutherse W.J. Kooiman en de Remonstrantse J.F. van Royen.

†††† [53]†† K. Dijk, "Liturgische roeping", in: Liturgische roeping. Referaten uitgesproken op de Tweede Conferentie over het Psalmgezang, Leeuwarden 1946, 5 - 13.

†††† [54]Ibidem, 7 (citaat).

†††† [55]Ibidem, 10 (citaat).

†††† [56]Ibidem (citaat).

†††† [57]Ibidem, 12 (citaat).

†††† [58]L. Hoorweg, "De activiteit der gemeente in den eeredienst", in: Liturgische roeping, 28 - 39. L. Hoorweg (1897 - 1969) stud. theol. VU, Geref. pred. Purmerend 1924, Voorthuizen 1928, Haarlem 1931, Haarlem-Zuid 1953 - 1963 (emer.). Als eigenschappen van Hoorweg worden genoemd "innerlijke beschaving en eerlijke bescheidenheid", evenals een "schriftuurlijke vroomheid" (De Haas, Voorgangers IV, 277).

†††† [59]Hoorweg, "De activiteit", 35 (citaat).

†††† [60]Ibidem, 38 (citaat).

†††† [61]C. Rijnsdorp, "Aan welke eischen dient een kerkelijk-bruikbare psalmberijming te beantwoor≠den?", in: Liturgische roeping, 14 - 27. C. Rijnsdorp (1894 - 1982) dr. lett. h.c. VU 1965, schrijver, verrichtte naast en na zijn reguliere werkkring tal van activiteiten met een literair-culturele inslag (Jaarboek van de Maatschappij der Ned. Letterkunde 1981-82, 85 - 92).

†††† [62]Rijnsdorp, "Aan welke eischen", 27 (citaat).

†††† [63]†† Ibidem (citaat).

†††† [64]†† Circulaire van H. Burger aan de bestuursleden d.d. 10 april 1946 (citaat) - HDC, Archief Milo.

†††† [65]†† Notulen bestuur d.d. 15 april 1946 - HDC, Archief Stichting, nr. 437. Vgl. "Mededeelin≠gen", in: Liturgische roeping, 47 - 51.

†††† [66]†† Notulen bestuur d.d. 1 juni 1946 (citaat) - HDC, Archief Stichting, nr. 437.

†††† [67]†† Dijk, "Liturgische Roeping", 7 (citaat).

†††† [68]†† Zie voor de omstandigheden: Endedijk, De Gereformeerde Kerken 2, 184v.

†††† [69]†† Verslag van de (eerste) bijeenkomst van de Reformatorische werkkring voor de liturgie d.d. 3 juli 1946 (verder: Verslag Werkkring) (citaat) - HDC, Archief Milo.

†††† [70]†† Stam had zich kort tevoren geprofileerd ten opzichte van de Litur≠gische Kring met: J.J. Stam, Rondom de preek, Amsterdam 1946.

†††† [71]†† Deze reacties waren afkomstig van de hoogle≠raar L.H. van der Meiden en de predikant M.W. Nieuwenhuyze (beiden Chr. Geref.) en van de predikant J. Smelik en de organis≠ten D.W.L. Milo, D.N.J. van der Paauw en J.M. Vetter (alle vier Geref. onderhoudende art. 31). Uit de GKN zelf kwamen instemmende reacties van de predi≠kanten J.L. Koole, R. Schippers en J.W. de Jager en de archi≠tect A. Rothuizen (Liturgische roeping, 48). In een brief wordt verder nog de naam van de Hervormde J.W. Beerekamp genoemd (H. Burger aan D.W.L. Milo d.d. 17 juni 1946 - HDC, Archief Milo). Deze zou later op het ver≠schijnsel jeugd≠dienst promoveren: De jeugddienst, zijn ge≠schiede≠nis, principe en opzet, Nijkerk 1952.

†††† [72]†† Verslag Werkkring (citaten in deze zin, alsmede citaat in het vervolg van de alinea).

†††† [73]†† De belangstelling van Koole voor de liturgiegeschiedenis was onder meer gebleken in: "De eeredienst in de tijd van het Nieuwe Testa≠ment", in: Horizon 6 (1939), 4 - 14. Later zou hierover nog verschijnen: Liturgie en ambt in de apostolische kerk, Kampen 1949. Verder publiceerde hij over liturgie: De zin der liturgie, Amsterdam 1946. J.L. Koole (geb. 1910) stud. theol. Kampen 1927, dr. theol. Berlijn 1936 en VU 1938, Geref. pred. Vreeland 1934, Naaldwijk 1939, Delft 1943, Schiedam 1945, Bloemendaal 1948, hoogl. Kampen 1954 - 1978 (emer.).

†††† [74]†† Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1946-47 (Zwolle), art. 27. De bespreking ter synode vond plaats op 28 augustus, de uitnodiging betrof 2 september.

†††† [75]†† A. de Bondt (1901 - 1953) stud. kweekschool, onderwijzer, stud. theol. VU, dr. theol. 1938, Geref. pred. Pijnacker en Nootdorp 1929, Leiden 1931, 's-Gravenhage-West 1934, hoogl. Kampen (onder meer Oude Testament) 1950 (De Haas, Voorgangers IV, 68v).

†††† [76]†† Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1946-47 (Zwolle), bijlage LXXIX (citaat in voorgaande en deze regel); vgl. ibidem, art. 226 (12 september), 361 (25 september). Dit optreden werd Hoorweg door Hasper niet in dank afgenomen (vgl. L. Hoorweg aan bestuur Stich≠ting Psalmgezang d.d. 6 januari 1947 - HDC, Archief Milo).

†††† [77]Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk, 2e dr. 's-Gravenhage 1951, 286 (overgangsbepa≠ling 187). Vgl. ibidem, 7 (art. XI, lid 3), waar de voorganger "in overleg met de kerkeraad der gemeente" een keuze maakt uit de in het (definitieve!) "dienstboek der Kerk" opgenomen orden van dienst. Tot op heden is het echter niet tot een definiteve vaststelling van een dienstboek gekomen.

†††† [78]†† "Omschrijving Hervormde kerkdienst", in: Documenten Nederlandse Hervormde Kerk. Verklarin≠gen, kanselafkondigingen, boodschappen, herderlijke brieven en rapporten, uitgevaardigd door of namens de generale synode der Nederlandse Hervormde Kerk in de jaren 1945 - 1955, 's-Gravenhage z.j., 115 - 128.

†††† [79]†† Zie verder hieronder vanaf blz. 197 en 251.

†††† [80]†† W.A. Zeydner, "Inleiding", in: KE 5 (1950), 1 - 4, 4 (citaat).

†††† [81]†† Vgl. hierboven blz. 125.

†††† [82]Zie voor de geschiedenis van de nieuwe psalmberijming (vanuit Hervormd perspectief): H. Schroten, Geschiedenis van het ontstaan der Psalmberijming-1967, 's-Gravenhage 1976.

†††† [83]†† Hand. Syn. Herv. Kerk 1949, 113, 167 - 200 en 383 - 399.

†††† [84]†† Ibidem, 170 (citaat). Vgl. F. Schurer, "Haspers Psalmberij≠ming (Literair)", in KE 4 (1949), 108 - 114. Dit artikel zou een averechtse uitwerking hebben en in de Gereformeerde overwegingen om wel te kiezen voor Haspers berijming een belangrijke rol gaan spelen (vgl. hieronder het slot van noot 99).

†††† [85]†† Hand. Syn. Herv. Kerk 1950-51, 904 (citaat). Vgl. ibidem, 901 - 907.

†††[86]†† Ibidem, 1886 (citaat). Vgl. Hand. Syn. Herv. Kerk 1951-52, 58v, 276.

†††† [87]†† Hand. Syn. Herv. Kerk 1951-52, 357 - 367.

†††† [88]†† Ibidem, 367 (citaat).

†††† [89]†† Ibidem, 473 (citaat). Vgl. ibidem, 473v. Men constateerde aan Hervormde zijde: "Er is bij de meeste gedeputeer≠den wel openheid." Vermoe≠delijk is het verzet bij Munnik het grootst geweest. Vgl. voor de reactie van Gereformeerde zijde hieronder vanaf blz. 143v.

†††† [90]Notulen gezangencommissie d.d. 1 december 1952 - ARA II, Archief NHK, Raad voor de Eredienst (verder: Archief NHK, Eredienst), nr. 10.

†††† [91]Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk, Amsterdam 1955; Dienstboek der Evangelisch-Lutherse Kerk, z.p. z.j.

†††† [92]Voor de doorwerking van genoemde uitgaven in de GKN: zie hieronder met name blz. 201 en 206v.

†††† [93]†† Dit is in ieder geval voor 18 november gebeurd (vgl. H. Burger aan D.W.L. Milo d.d. 18 november 1946 - HDC, Archief Milo).

†††† [94]†† K. Dijk aan H. Burger d.d. 28 december 1946 - HDC, Archief Stichting, nr. 440 (sub D).

†††† [95]†† F.W. Grosheide aan H. Burger d.d. 21 december 1946 - HDC, Archief Stich≠ting, nr. 440 (sub G). Overigens kan ook de familierelatie tussen Ferwerda en Grosheide mee hebben gespeeld in de wijze waarop hij betrokken raakte bij de stichting. Een zoon van Grosheide was getrouwd met een dochter van Ferwerda.

†††† [96]†† Notulen bestuur d.d. 8 februari 1947 - HDC, Archief Stichting, nr. 437.

†††† [97]†† H.A. Munnik (1884 - 1969) stud. theol. VU, Geref. pred. Fijnaart 1909, Bunschoten 1912, Barendrecht 1917, Zwolle 1919 - 1956 (emer.). Hij is wel getypeerd met eigenschappen als "stiptheid", "cor≠rectheid", "trouw" en "strakke belijndheid", die in het bijzonder uitkwamen in zijn houding ten opzichte van de berijming van Hasper (De Haas, Voorgangers V, 67v).

†††† [98]†† Ondanks zijn functie als praeses had Munnik zich op de Zwolse synode openlijk bezorgd getoond over de continuering van het werk van de Stichting Psalmgezang (Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1946-47 (Zwolle), art. 226).

†††† [99]†† Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), bijlage LI. Vgl. Rapport nieuwe psalmbe≠rijming, uitgebracht door de deputaten tot aanbieding van een nieuw psalmboek en door het bestuur der 'Stichting tot Verbetering van het Psalmgezang in de Gereformeerde Kerken in Nederland' aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, vergaderd te 's-Gravenhage 27 augustus 1949, z.p. z.d. Over de literaire waarde van Haspers berij≠ming: ibidem, 6 - 9.

†††† [100] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), bijlage LI (citaat). In een bespreking van de Stich≠ting Psalmgezang bleek, dat met name Wielenga en Rijnsdorp grote twijfels hadden bij de literaire kwaliteit van Haspers werk. J. Overduin, een leraar Nederlands, en G. Kuiper, hoogleraar aan de VU, oordeelden gunstiger, hoewel de laatste meende dat niet meer dan 30 % zonder meer aanvaard≠baar was. Voor het stichtingsbestuur overwoog evenwel het schriftuurlijk karakter van Haspers berijming (notulen bestuur d.d. 20 december 1947 - HDC, Archief Stichting, nr. 437; vgl. rapporten J. Overduin d.d. 1 december 1947, C. Rijnsdorp d.d. 2 december 1947, B. Wielenga d.d. 5 december 1947 - HDC, Archief Milo).

†††† [101] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 279 (citaten). Vgl. ibidem, 272 - 278. Deze als voorzichtig te karakteriseren uitdrukking stond op gespannen voet met hetgeen later met Hasper - hij had kennis van dit besluit! - overeengekomen zou worden, nl. dat de GKN zouden "aanbevelen" dat Haspers psalmen in de eredienst "in gebruik worden genomen" (Overeenkomst tussen de Stichting Geestelijke Liederen en de Generale Synode van de GKN d.d. 2 maart 1950, art. 5 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 748).

†††† [102] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 321 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage XCIX. Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 275 en 276, waaruit blijkt, dat prof. D. Nauta adviseerde niet te besluiten de bundel na genoegzame voorbereiding "te beproeven", maar "in te voeren". Het feit dat de bewoording toch anders werd, doet vermoeden, dat de synode bewust voorzichtig was.

†††† [103] Zie voor deze alinea: Van Tellingen, H. Hasper, 133vv. Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-52 (Rotterdam), bijlage XCIX.

†††† [104] Het eerste besluit viel op 22 september 1949. Op de zitting van 2 maart 1950 werd meege≠deeld, dat overeenstemming was bereikt (Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 715; vgl. Overeenkomst tussen de Stichting Geestelijke Liederen en de Generale Synode van de GKN d.d. 2 maart 1950 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 748).

†††† [105] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 254 en bijlage LXXX.

†††† [106] Ruim een jaar na het synodebesluit waren 43.000 exemplaren van de bundel verkocht, voldoende voor nauwelijks meer dan 6 ŗ 7 % van de Gereformeerden (vgl. notulen bestuur d.d. 18 november 1950 - HDC, Archief Stichting, nr. 438).

†††† [107] Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 721 en bijlage CXV en ibidem 1952-53 (Rotterdam), bijlage XCIX.

†††† [108] Notulen bestuur d.d. 18 november 1950 - HDC, Archief Stichting, nr. 438. De volgende citaten zijn uit dit stuk afkomstig, tenzij anders aangegeven. Vgl. persoonlijke aantekeningen bij deze vergade≠ring van D.W.L. Milo - HDC, Archief Milo. Kuiper was al eerder door de stichting verzocht om een beoordeling te geven van Haspers berijming (zie hierboven noot 100). G. Kuiper (1904 - 1973) stud. lett. VU 1921, dr. lett. 1941, leraar Nederlands en geschiedenis Harderwijk 1930, hoogl. lett. VU 1947 - 1971 (emer.) (Jaarboek van de Maatschappij voor Ned. Letterkunde 1976-77, 82 - 92).

†††† [109] Overeenkomst tussen de Stichting Geestelijke Liederen en de Generale Synode van de GKN d.d. 2 maart 1950, art. 2 (tweede citaat) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 748.

†††† [110] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 279 (citaat).

†††† [111] Notulen interkerkelijk overleg psalmberijming d.d. 27 september 1951 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 49. Vgl. Schroten, Geschiedenis, 154.

†††† [112] Circulaire G. Kuiper aan mede-deputaten d.d. 22 november 1951; G. Kuiper aan L. Hoorweg d.d. 1 december 1951; circulaire L. Hoorweg aan mede-deputaten d.d. 24 december 1951; G. Kuiper aan L. Hoorweg d.d. 6 februari 1952 - RAU, Archieven deputaatschappen van de GKN betreffende de eredienst (afkorting: Archieven GKN eredienst), nr. 4 (vgl. verder: Gereformeerde deputaten psalmberij≠ming aan secretaris-generaal NHK (E. Emmen) d.d. 15 februari 1952 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 55). Uit de notulen van het bestuur van de Stichting Psalmgezang worden de verschillen tussen de vier deputaten helder. Hoorweg was zonder meer voor. Munnik was niet tegen, maar wilde Haspers berijming handhaven. De Bondt was tegen (notulen bestuur d.d. 25 januari 1952 - HDC, Archief Stichting, nr. 438).

†††† [113] Zo wordt de Hervormde secretaris-generaal E. Emmen geciteerd in: circulaire L. Hoorweg aan mede-deputaten d.d. 21 maart 1952 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 4.

†††† [114] Circulaire L. Hoorweg aan mede-deputaten d.d. 5 augustus 1952 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 4.

†††† [115] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 326 (citaat). Vgl. ibidem, art. 320, 325 en 326, bijlage XCIX.

†††† [116] Ibidem, art. 326 (citaat).

†††† [117] Notulen interkerkelijke commissie psalmberijming d.d. 6 mei 1953 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 49.

†††† [118] Notulen interkerkelijke werkcommissie psalmberijming d.d. 20 mei 1953 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 48.

†††† [119] Van Tellingen, H. Hasper, 114.

†††† [120] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), bijlage CVI (citaat). Complicerende factor bij het eventuele gebruik van Haspers berijming was, dat Hasper niet toestond, dat zijn berijming slechts gedeeltelijk overgenomen zou worden, of in een door anderen bewerkte vorm (Van Tellingen, H. Hasper, 156, vgl. 136v).

†††† [121] Verslag interkerkelijke werkcommissie psalmberijming 1953-55 (citaat) - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 49. Ook opgenomen in Rapport psalmbe≠rijming Generale Synode Leeuwarden 1955, z.p. z.j., 4v.

†††† [122] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 424, 425, 426 en bijlage CVI.

†††† [123] Ibidem, art. 426 (citaat).

†††† [124] Ibidem 1952-53 (Rotterdam), art. 326 (citaat).

†††† [125] Ibidem 1955-56 (Leeuwarden), art. 426 (citaat).

†††† [126] Ibidem.

†††† [127] Ibidem, art. 267. Hoorweg bedankte nog in hetzelfde jaar als lid van het bestuur van de stichting. Zie voor Kunst ook hieronder blz. 303 en vanaf blz. 325.

†††† [128] Zie hiervoor: Van Tellingen, H. Hasper, 140 - 143 en 145 - 151.

†††† [129] Stukken over de opheffing van de stichting - HDC, Archief Stichting, nr. 483.

†††† [130] Kunst, Kerkzang, 146 (citaat).

†††† [131] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 21.

†††† [132] Van Tellingen, H. Hasper, 128.

†††† [133] Steenhuis, "De Gereformeerden", bijlage 1, 4 (citaat). Het interview vond plaats op 15 juli 1981.

†††† [134] Hand. Syn. Herv. Kerk 1949, 387 (citaat). Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenha≠ge), art. 46 en bijlage IV.

†††† [135] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 100.

†††† [136] Ibidem, art. 195 (citaat).

†††† [137] K. Dijk, "Woord en offer", in: De dienst der Kerk, Kampen 1952, 188 - 224. In het voorwoord van de bundel geeft Dijk aan, dat hij de artikelen begin 1951 heeft afgesloten (ibidem, 5).

†††† [138] Dijk, "Woord", 203. De citaten in het vervolg van deze alinea zijn van dezelfde pagina afkomstig.

†††† [139] Over de grootse plannen van de Stichting Psalmgezang (lees: Dijk) met betrekking tot de liturgie zei Dijk, dat ze "hiertoe gedrongen" was door Van der Leeuws activiteiten ("Liturgische roeping", 6). Van de Kamp, "Liturgische bewustwording", 178v, noemt als achtergrond van Dijks ontwikkeling in eerste instantie "de liturgische armoede in zijn eigen kerk" en wijst vervolgens op de liturgische beweging. Dit is in zoverre onjuist, dat de liturgische armoede in de GKN slechts een secundai≠re rol speelt in Dijks beschouwingen. Het lijkt er veeleer op, dat de eigen situatie verantwoord en verdedigd moest worden tegen invloeden als die van de liturgische beweging in de NHK.

†††† [140] Zie voor Dijks aansluiting bij Noordmans: Dijk, "Woord", met name 190 en 211. In ibidem, 212, meent Dijk, dat Noordmans te ver gaat, als hij het avondmaal ten opzichte van het Woord een minus noemt. Vgl. voor Dijks oordeel over Van der Leeuw hierboven blz. 131v en 135.

†††† [141] Dijk, "Woord", resp. 217v en 203 (citaat).

†††† [142] Vgl. ibidem, 211vv, en Dijk, "Liturgie", 60v.

†††† [143] Dijk, "Woord", 220 (citaat). Vgl. K. Dijk, "De prediking als dienst des Woords" in: De dienst der Kerk, 79 - 114. Ook in deze oorspronkelijk in 1937 uitgesproken rede heeft het ambt geen zelfstandige plaats. De dienst, de prediking zelf, gaat voorop, de dienaar treedt daarachter terug (met name ibidem, 107vv).

†††† [144] Dijk, "Woord", 218 (citaat).

†††† [145] Van de Kamp, "Liturgische bewustwording", 178 - noot 34, meent dat Dijk zeker op dit punt afstand neemt van Kuyper en verwijst daarbij naar G.C. Berkouwer, De Sacramenten, Kampen 1954, 102 - 105.

†††† [146] Kuyper, Onze Eeredienst, resp. 523 (citaat) en 443 (citaat).

†††† [147] Zie: ibidem, 73 - 91.

†††† [148] K. Dijk, "De plaats van de liturgiek in de theologie", in: KE 12 (1957), 152 - 159.

†††† [149] Ibidem, 158 (evenals het citaat in het vervolg van de alinea).

†††† [150] H.N. Ridderbos, "Woord en Sacrament", in: J.N. Bakhuizen van den Brink e.a., Het avondmaal. Problemen rondom de avondmaalstheologie en de intercommunie, Assen 1949 (bij: VT 19 (1949)), 23 - 45, 44 (citaat). H.N. Ridderbos (geb. 1909) stud. theol. Kampen 1927, dr. theol. VU, Geref. pred. Eefde-Gorssel 1934, Rotterdam-Charlois 1939, hoogl. Kampen 1942 - 1978 (emer.).

†††† [151] Berkouwer, De sacramenten, 49 - 65. G.C. Berkouwer (1903 - 1996) stud. theol. VU 1922, Geref. pred. Oudehorne 1927, Amster≠dam-Watergraafs≠meer 1931, tevens buitengew. hoogl. VU 1940, hoogl. VU 1945 - 1973 (emer.) (Kabats. Een speciale uitgave ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van G.C. Berkouwer (= Kabats 6 (1993), nummer 5), Amsterdam 1993).

†††† [152] Rapport over de zaak van de orde van de eredienst, z.p. z.j. (afgekort: Rapport 1952). Vgl. voor de opdracht daartoe hierboven blz. 147.

†††† [153] Ibidem, 6 (citaat). Vgl. ibidem, 6 - 10.

†††† [154] Vgl. hierboven noot 73.

†††† [155] Ibidem, 9v (citaten).

†††† [156] Ibidem, 11 (citaat). Het aantal van vier komt exact overeen met het aantal orden van dienst in het eerste concept voor het Hervormde Dienstboek. De structuur van die orden loopt echter onderling veel verder uiteen, dan die in het rapport van de Gereformeerde deputaten.

†††† [157] Ibidem, 1 (citaat).

†††† [158] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 176. Vgl. Kerknieuws 10 1952-53), 234.

†††† [159] R. Schippers (1907 - 1989) stud. theol. VU 1924, dr. theol. 1938, Geref. pred. Drachtster≠compagnie 1928, Wanswerd c.a. 1934, Rotterdam 1939, Amsterdam-Watergraafsmeer 1948, hoogl. VU 1950 - 1977 (emer.) (S.J. Noorda, "Een theoloog in rapport met zijn tijd. Prof.dr. Reinier Schippers (1907 - 1989)", in: GTT 90 (1990), 129 - 145).

Schippers was betrokken bij de Reformatori≠sche Werkkring, zoals hierboven in noot 71 al werd aangege≠ven. Verder had hij al eens de redactie gevoerd voor een bundel met artikelen over de preek (en de liturgie): R. Schippers (red.), Van den dienst des Woords. Een boek over de prediking naar Gereformeerde belijde≠nis, Goes 1944. Zie voor zijn colleges homiletiek-liturgiek bijlage A2.

†††† [160] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), bijlage LVIII (citaat).

†††† [161] Ibidem, art. 262 (9 oktober 1952). Dijk drong er op aan, dat de synode de mogelijkheid zou krijgen te kiezen tussen een of meerdere orden van dienst. Schippers ging hiermee akkoord. De synode koos vervolgens voor ťťn orde van dienst (vgl. Kerknieuws 10 (1952-53), 258v en 261).

†††† [162] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 364, 365, 368 en 369 (30 en 31 oktober 1952).

†††† [163] Zie voor nadere gegevens over beiden: Endedijk, De Gereformeerde Kerken II, 138 - noot 3. In 1952 werd Booy particulier secretaris van oud-koningin Wilhelmina.

†††† [164] A. Bouman en Th. Booy, Gereformeerden, waarheen? Inleiding tot een gesprek over de koers van het Gereformeerde leven, Kampen 1951, 147v (citaat).

†††† [165] Ibidem, 148 (citaat).

†††† [166] Ibidem, 149 (citaat in vorige en deze zin).

†††† [167] Dijk, "Liturgische vragen", 217 (citaat).

†††† [168] Centraal Weekblad (= CW) 1 (1953), 66 ("Het doet velen leed, (...) dat de synode niet meer de weg van het rapport inzake de eredienst is opgegaan. Maar ... daarover willen we liever niet 'nakaarten'."). Verder borduurde Dijk met enige regelmaat voort op de modellen die de deputaten hadden aangeboden voor bijzondere diensten (bijvoorbeeld CW 4 (1956), 194 en CW 5 (1957), 179).

†††† [169] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 195 (citaat). Vgl. ibidem 1952-53 (Rotterdam), bijlage LVIII (met name pagina 357v), waarin de voorberei≠dende commissie de voorstellen van deputaten naast de gegeven opdracht en de daarbij behorende overwegingen legt.

†† ††[170] Vgl. het rapport van de voorbereidende commissie (ibidem 1952-53 (Rotterdam), bijlage LVIII, met name pagina 358vv).

†††† [171] Schippers leerde zijn studenten aan de VU, dat het intercessie≠gebed aan het slot van de dienst een plaats moest krijgen (Dictaat homiletiek-liturgiek 1951-52 - particulier bezit J.D. de Vries).

†††† [172] Rapport 1952, 7.

†††† [173] Vgl. Dijk, "Woord", 219vv. Vgl. ook GW 2 (1946-47), 190.

†††† [174] Dijk, "Liturgie", 67; "Woord", 220 (met name noot 90).

†††† [175] Vgl. Dijk, "Liturgie", 67 (bezwaar) en "Woord", 219; Rapport 1952, 9 (Koole).

†††† [176] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 115 (citaten). Uit het vervolg blijkt dat uitsluitend een "verkorte uitgave" van het avondmaalsformulier werd gewenst en een "verkorte editie der andere liturgische formulieren" niet nodig was. Bij het avondmaal werd de noodzaak van een verkorte versie het sterkst gevoeld, omdat het formulier buitengewoon lang was en op een avondmaals≠zondag met viering in beide diensten twee keer helemaal gelezen moest worden.

†††† [177] Bouman, Gereformeerden, 149 (citaat).

†††† [178] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 263, 264 en bijlage LXXXII. Vgl. ibidem, art. 269 en bijlage LXXXIV (met name met betrekking tot de revisie van de bestaande bundel). Op de vorige synode was een soortgelijk verzoek nog afgewezen, maar dat was dan ook van slechts ťťn classis afkomstig (ibidem 1949-50 ('s-Gravenhage), art. 280).

†††† [179] Ibidem 1952-53 (Rotterdam), art. 264 (citaat).

†††† [180] Ibidem (citaat). Een poging van de later tot deputaat benoemde P.D. Kuiper om de opdracht te verruimen mislukte. Hij wilde, dat de nieuwe liederen ook bestemd konden zijn voor "gewone diensten", dat uit "een beperkt aantal" het woord "beperkt" werd geschrapt en dat de liederen niet alleen schriftuur≠lijk, maar ook "aesthetisch verantwoord" zouden zijn (ibidem, art. 263).

†††† [181] In het vervolg zullen we naast de reeds ter sprake gekomen Rijnsdorp (zie hierboven blz. 134v en 146) vooral nog de naam tegenkomen van: P.D. Kuiper (1900 - 1966) stud. theol. Kampen 1920, Geref. pred. Oud-Loosdrecht 1927, Sassenheim 1929 - 1966 (emer.) (De Haas, Voorgangers IV, 357).

†††† [182] Steenhuis, "De Gereformeerden", bijlage 1, 4v (citaten).

†††† [183] Ibidem, bijlage 1, 3 - 6.

†††† [184] Notulen commissie voor de gezangen d.d. 19 juli 1954 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 10. De brief, vermoedelijk van de hand van C. Rijnsdorp, bevindt zich niet in het archief. De volgende data zijn uit dezelfde reeks notulen afkomstig.

†††† [185] Rapport deputaten herzie≠ning en/of uitbreiding 'Enige Gezangen', z.p., z.j..

†††† [186] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 315, 317, 322, 326, 333, 509 en bijlage XCVI en CXXIa.

†††† [187] Ibidem, art. 510, 532, 534 - 538 en bijlage CXXIb.

†††† [188] Steenhuis, "De Gereformeerden", bijlage 1, 6 (citaat).

†††† [189] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 538 (citaat).

†††† [190] J.L. Koole, "Hoe denken de Gereformeerden over het Dienstboek", in: KE 10 (1955), 164 - 165, 164 (citaten).

†††† [191] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 225, vgl. ibidem, art. 226 en 475.

†††† [192] Ibidem, art. 475 (citaat).

†††† [193] Zie: J. Plomp, Een kerk in beweging. De Gereformeerde Kerken in Nederland na de tweede wereldoorlog, Kampen 1987, 17vv.

†††† [194] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 538 (vgl. ibidem, art. 549).

†††† [195] K. Dijk, De dienst der prediking, Kampen 1955. De pagina's 309 - 314 (titel: het kerkelijk jaar) gaan terug op: K. Dijk, "Kerkelijk jaar en postille", in: Bezinning 8 (1953), 29 - 38.

†††† [196] K. Dijk, De dienst der prediking, 313v. Wat sterker uitgedrukt: Dijk, "Kerkelijk jaar", 33.

†††† [197] Dijk, De dienst der prediking, 314 (citaat). Zie voor De Cock hierboven blz. 55.

†††† [198] Dijk, De dienst der prediking, 314 (citaat). Vgl. Hoekstra, Gereformeerde homiletiek, 245 - 249; Koopmans, Het kerkelijk jaar, 50 - 57.

†††† [199] Hoekstra, Gereformeerde homiletiek, 257 (citaat).

†††† [200] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 495 (citaat). Vgl. ibidem , art. 377. Definitieve vaststelling in vergelijkbare bewoordingen: ibidem 1957-58 (Assen), art. 347 en 348.

†††† [201] De synode van Leeuwarden ontving het verzoek een nadere formule≠ring te geven van de genadever≠kondiging met retentie (ibidem 1955-56 (Leeuwarden), art. 263, bijlage LXXI). De synode van Assen maakte vervol≠gens de retentie facultatief, tegen het voorstel van deputaten in (ibidem 1957-58 (Assen), art. 394 en 405, alsmede de bijlagen LXXXVIa en b; vgl. Rapport herziening liturgische formulieren Generale Synode Assen 1957 (= Rapport herziening 1957), 4v). Vgl. verder het kriti≠sche artikel van J.T. Bakker, "Vragen rond de genadeverkondiging", in: Jaarb. Eredienst 2 (1960), 18 - 33.