B

 

OP HET SPOOR VAN DE OECUMENE


 

 


7.         Herwaardering van de Gereformeerde eredienst  (1956 - 1957)

 

 

J. Plomp stelt in Een Kerk in beweging, dat de naoorlogse jaren in de Gereformeer­de Kerken gestempeld werden door "veel restauratie in de oude vooroorlogse stijl, nog veel continuïteit en stabiliteit."[1] Dat geldt in ieder geval voor het forum waarop Plomp zijn onder­zoek met name heeft gericht: de synode. Hij laat de bedoelde periode doorlopen tot 1961. In de volgende hoofdstukken zal nog blijken, dat dit jaar ook voor de liturgische ontwikke­lin­gen op syno­daal niveau een omslagpunt is geweest. Toch was er vóór 1961 elders in de Gereformeerde Kerken al de nodige beweging ontstaan. G. Dekker zet in De stille revolutie zijn tekening van de veranderingspro­cessen in de Gereformeerde Kerken in met een korte schets van de kort na de oorlog opge­richte Werkge­meenschap Gereformeerde Jongeren.[2] Deze beweging vermeldt Plomp eveneens, maar ze krijgt in het geheel van zijn betoog een veel minder prominente plaats. Nu was de daadwerke­lijke steun voor hetgeen de 'jongeren' voor­stonden inderdaad klein, maar in de praktijk van het kerkelijk leven zagen ze in betrekkelijk korte tijd ver­schuivingen optreden in de richting die zij wensten. Vooral een groep jonge Gereformeerden bleef niet meer bij de grenzen van het eigen kerkgenootschap staan. In organisaties als Youth for Christ, de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging en het missionaire Jeugd en Evangelie kwamen ze met nieuwe denkbeelden in aanraking. Al in 1956 durft Th. Booy te spreken van Een stille omwenteling.[3] Als 33-jarige overziet hij de veranderingen in de Gereformeerde Kerken sinds zijn jeugd en consta­teert hij: "Die veranderingen dateren goed­deels van de laatste tijden."[4] Dat er beweging in de Gerefor­meerde wereld kwam, werd in het najaar van 1956 ook aan buitenstaanders duidelijk. De verkie­zings­uitslagen brachten aan het licht, dat de altijd zo trouwe aanhang van de ARP onder het Gereformeerde kiezersvolk begon af te kalven. In voorgaande jaren had men elkaar ondanks soms grote meningsverschillen steeds vast kunnen houden.


Temidden van deze veranderingsprocessen die met de nodige interne spanningen gepaard gingen, werd op 12 november 1956 de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie opgericht. Deze werkgroep zou een belangrijke impuls geven aan de liturgische veranderingen die in de volgende decennia in de Gereformeerde Kerken hun beslag zouden krijgen. Dit hoofdstuk belicht de achtergronden en intenties van de werkgroep, in het bijzon­der van haar oprichters. Voor de belangrijkste ontwik­kelingen in andere kerkgenootschappen zij verwezen naar het vorige hoofdstuk.[5] De Gereformeerde synode blijft in dit hoofdstuk eveneens op de achtergrond. Ze zou zich welis­waar binnen een jaar na haar oprichting positief uitspre­ken over de werk­groep en haar streven, maar er deden zich nauwe­lijks mogelijk­heden voor op korte termijn gebruik te maken van haar dien­sten.

 

 

7.1         Herwaardering van de Gereformeerde eredienst

 

De synode had in de eerste helft van de jaren vijftig nauwe­lijks impulsen gegeven aan vernieuwing van de liturgie. Het bleef bij een kleine uitbreiding van de be­staande orde van dienst in Rotterdam 1952-53 en een vrij beperkte uitbreiding van het aantal gezangen in Leeuwarden 1955-56. Maar in de liturgische praktijk van de plaatselijke kerken gebeurde meer. Ook, of beter: juist daar manifesteer­den zich de door Booy gesignaleerde verande­ringen. Verschillende bronnen verschaffen teza­men enig inzicht in de ontwikkelingen. Allereerst is daar de beschrijving van Booy zelf in Een stille omwenteling.[6] Verder zijn er de acta van de Gereformeerde synode en de nieuwe kerkorde, die in deze jaren werd opgesteld en door de synode van Leeuwarden 1955-56 in eerste lezing goedgekeurd. In beide is de weerslag terug te vinden van hetgeen er in de plaatselijke kerken gaande was. Daar­naast geven bladen als Centraal Weekblad en Gerefor­meerd Weekblad een indicatie van veranderingen die op lokaal vlak plaats­vonden.


Booy constateert, dat de kerkdiensten in het bestek van enkele jaren korter zijn geworden. Ze gingen terug van anderhalf uur naar vijf kwartier en soms nog minder. Terwijl dit gebeurde, weerklonk volgens Booy in de kerken de roep: "wij willen een rijker liturgie en de tijd die deze uitbreiding vraagt moet gevonden worden in preekbe­snoeiing."[7] Andere bronnen maken duidelijk, dat in diezelfde tijd de benadering van de preek door de kerkganger aan het veranderen was: zij werd vrijblijvender en minder als met goddelijk gezag bekleed beluisterd.[8] Booy ziet zijn bewering bevestigd in het langzaam verdwijnen van de tussenzang in de preek. Verder meent hij, dat de mogelijke uitbreiding van de eredienst met schuldbelijde­nis en genade­verkondiging vrij algemeen ingang gevonden heeft. Helemaal juist is dit waarschijnlijk niet. De synode van Assen 1957-58 stelde namelijk vast, dat de eredienst in vele plaat­se­lijke kerken zich niet bewoog binnen de kaders van de in Rotterdam 1952-53 vastge­stelde orde van dienst.[9] Wat betreft de genadeverkondi­ging kan dit verband gehouden hebben met de vragen, die daarover al spoedig rezen, zoals aan het slot van het vorige hoofdstuk al kort werd gememoreerd.[10] De Asser synode slaagde er, ondanks een dringende oproep aan de kerkeraden zich te houden aan de Rotterdamse orde, overigens niet in, de bestaande willekeur ten goede te keren. Bij het definitief goedkeuren van de nieuwe kerkorde sanctioneerde ze zelfs, wat plaatselijk de praktijk geworden was. Kerkeraden dienden zich "zoveel mogelijk" te houden aan de synodaal vastgestelde orde van dienst, terwijl er bij de formulieren van uitgegaan werd dat ze ongewijzigd gelezen werden.[11] Uit andere bronnen wordt duidelijk, dat er nieuwe verlangens naar voren kwamen, zoals het zingen van de apostolische geloofsbelijdenis.[12] De eigen­zinnige opstelling van de plaatselij­ke kerken ten opzichte van de landelijke richtlijnen betekende overigens nog niet, dat de gemeenten zich meer verantwoordelijk voelden voor de eredienst. Zo de predikant voor­heen al niet een centrale rol speelde in de eredienst, dan werd die centrale rol nu door twee ont­wikke­lingen nog eens extra geac­centu­eerd. De toga werd meer en meer gedra­gen.[13] En de voor­le­zer was aan het verdwij­nen.[14] Wel bemer­ken Booy en ande­ren, dat de bezin­ning op de plaats van de kinderen in de eredienst op gang komt.[15] Booy ­geeft aan, dat de gezan­gen met snel toenemend enthousiasme worden gezon­gen en dat de uitbreiding van de gezan­gbundel in het algemeen positief ontvangen is. Mogelijk heeft hij daarbij de ontwik­keling laten meewegen, dat vele kerken ertoe overgin­gen voor de dienst een opwek­kingslied te zin­gen.[16] Hier en daar ziet hij kerkkoren hun intrede doen in bepaalde, met name bijzonde­re, diensten. Dat was, net als het zingen voor de dienst, ook de Gere­formeerde synode niet ontgaan.[17]


Op verschillende fronten signaleert Booy teruggang in het kerkbezoek. Hij noemt in het bijzonder de diensten op bid- en dankdagen, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag en tweede Pinksterdag. Tot op zekere hoogte wijst de invulling van de nieuwe kerkorde daar ook al op. De diensten voor de tweede feestdagen wer­den in de vrijheid van de plaatselijke kerken gelaten.[18] Twij­fels bestonden er onder sommige leden van de synode over de Hemel­vaartsdag, maar deze bleef desalniettemin behoren tot de feestda­gen.[19] Die twijfels betroffen eveneens de Goede Vrij­dag, maar deze behoorde anders dan de Hemelvaartsdag in de DKO niet tot de voor­geschreven feestdagen, al kreeg hij in de nieuwe kerkorde wel een plaats.[20] Nieuw waren in de kerkorde ook de concrete aanwij­zingen voor "de gebruikelijke bid- en dankda­gen voor gewas en arbeid" en de "Oude­jaars- en de Nieuw­jaars­dag".[21] De laatste had in de DKO wel een plaats gehad, maar dan als feest van de besnijde­nis des Heren. Teruggang in de kerkgang signaleert Booy tevens in de tweede dienst op zondag, ondanks het feit dat volgens hem de dubbele kerkgang in Gere­formeerde kring nog steeds "de graad­meter voor iemands ge­loofsbeleving is."[22] De nieuwe kerk­orde bevestigde een der­ge­lijke benadering in zover­re, dat ze kerke­raden expli­ciet verplichtte de gemeen­te op zondag twee­maal samen te roepen.[23] In de DKO was daar slechts impliciet sprake van. Sommige synodeleden hadden een expliciete vermel­ding afgera­den, maar tevergeefs.[24] Dat ook de invul­ling van de tweede dienst niet onom­streden was, wordt duide­lijk uit be­richten over bezinning daarop.[25] Over de bediening van de sacra­menten en de zogenaam­de kerke­lijke plechtig­heden heeft Booy zo goed als niets aan ontwikke­lingen te melden. De plaat­selijke kerken waren daarbij dan ook gebon­den aan synodaal vastgestelde formu­lieren, hoewel het de vraag is in hoeverre zij daar de hand aan hielden. Het is namelijk opvallend, dat de synode in de nieuwe kerkorde bij de kerkelijke plechtig­heden steeds voor een expliciete vermelding van het gebruik van de synodaal vastgestelde formulieren koos, terwijl daarover in het concept van deputaten niet gerept was.[26]


Uit het voorafgaande wordt duidelijk, dat het karakter van de Gereformeerde eredienst begon te veranderen. Oude vanzelfsprekend­heden begonnen te verdwij­nen. Booy oordeelt in het kader van de toenemende populariteit van de gezangen: "De kleur van onze eredienst komt hierdoor wat dichter bij die der hervorm­de midden-ortho­doxie".[27] Booy had in dit kader ook onderwerpen kunnen noemen als de toga en de Goede Vrijdag. Gereformeerden keken over de grenzen van de eigen traditie of wat daarvoor doorging heen en namen een voorbeeld aan hetgeen in het midden-orthodoxe deel van de Hervormde Kerk gebruikelijk was. Dat ging gepaard met een verschuiving in oriëntatie van een sterk historisch getinte naar een meer pastoraal getinte benadering van de eredienst. Tekenend hiervoor is de keuze in de herziene kerk­orde de kerkelijke bevestiging van het huwelijk te plaatsen in de rubriek "Her­derlijke zorg". Dat was een welbewuste keuze, aangezien de betrokken deputaten bij de opdracht tot herzie­ning was opgedragen "te vermijden alle nodelo­ze afwijkingen van de Dordtse kerkor­de".[28] In de DKO stond de kerkelijke huwe­lijksbevestiging in het kader van een serie artikelen over de eredienst.

 


"Het gerefor­meer­de leven is (...) heel stillekes maar ook heel gestadig­lijk een overgangs­periode binnengegleden", oordeelt Booy.[29] Maar waar zouden de ingezet­te liturgische ontwikkelin­gen uiteindelijk toe moeten leiden? Aan een openlijke gedachten­wisse­ling over deze vraag was men in het midden van de jaren vijftig nog niet toegekomen. Uit verschillende beoorde­lingen van de liturgische situatie valt af te leiden, dat er in de Gereformeerde Kerken in grote lijnen drie uiteenlopende benaderingen bestonden. Daar was om te beginnen Booy, die niet alleen verwoord­de wat er in de Werkgemeenschap Gereformeerde Jongeren leefde, maar ook wist wat een beweging als Jeugd en Evangelie bezighield. Hij was in deze kringen vrijwel de enige die een enigszins samenhangende visie op liturgische vernieuwing had en die ook onder woorden kon brengen. Naast zijn schets van de situatie geeft Booy in Een stille omwenteling aan, waar het volgens hem op moet en zal uitlopen. Met in­stem­ming begroet hij de eerste teke­nen, dat de tijd van aparte zondagse kleding voorbij is. Hij voorspelt bijvoorbeeld, dat de lengte van de gemiddelde kerkdienst terug zal lopen tot een uur. Het aantal bij­zondere diensten zal snel groeien. De gezang­bundel zal binnen af­zienbare tijd verder worden uitge­breid. Hij pleit ervoor meer aandacht aan de kinderen in de eredienst te schen­ken en soepe­ler om te gaan met de dubbele zondagse kerkgang. Booy verwacht verder nog voor het einde van de jaren vijftig de invoering van "tal van bewerkte en nieuwe formulie­ren en misschien zelfs wel een Dienst­boek".[30] Hoopvol signa­leert hij op tal van ter­rei­nen van het Gereformeerde leven: "Oude vormen sterven (...) maar nieuwe worden gebo­ren."[31] Het gaat Booy vooral om de vorm, de taal, naar het schijnt minder om de inhoud. Aanslui­ting bij het moder­ne leven lijkt een van de be­lang­rijk­ste crite­ria te zijn om de nieuwe vormen te kunnen toet­sen. Inhoudelijk is de Schrift het enige criterium. Het ideaal van Booy komt onder meer tot uiting in de Woudscho­ten-conferenties, waarbij de Werkgemeenschap Gerefor­meerde Jonge­ren zich in de jaren vijf­tig had aange­sloten. Daar koos men in de diensten, samen­komsten eigen­lijk, welhaast princi­pieel de weg van het experi­ment.[32] In de bezin­ning op de eredienst, zo die op de conferenties en in haar spreekbuis De strijdende Kerk al structureel aanwezig was, richtte de aan­dacht zich vooral op de preek.[33] Leden van de geestverwante organisatie Jeugd en Evangelie experimenteerden in dezelfde periode onder meer met jazz-muziek in jeugddiensten.[34] De eerste Gereformeerde kerk­diensten op televi­sie in het voorjaar van 1957 en daarna deden incidenteel in bredere kring de vraag rijzen naar de communi­catieve waarde van de traditionele dienst voor buitenkerkelij­ken.[35] Het is moei­lijk na te gaan, hoe groot de steun was voor Booys wijze van omgaan met de eredienst. Gelet op de plaats van de Woud­scho­ten-confe­renties in het Gerefor­meerde kerkelijk leven en de kritische reacties daarop, zal die steun in het midden van de jaren vijftig vrij gering zijn ge­weest.

Booy zet zich in Een stille omwenteling herhaaldelijk sterk af tegen Dijk, hetgeen mede verklaard wordt door enkele teleurstellende ervaringen die hij met hem in het jeugdwerk had opge­daan. Onder anderen hem verwijt Booy de liturgi­sche armoe­de van het Gereformeer­de kerk­volk: "het had geen leiders die de wegen zagen die wij thans optrekken."[36] Dijk bekeek een aantal liturgische ontwikkelin­gen in de Gere­formeerde Kerken dan ook met zorg en afkeuring. Hij had zo zijn twijfels bij de gretig­heid, waarmee de uitbreiding van de gezangbundel werd aange­vat.[37] Hij plaatste vraagtekens bij de inkorting van de preek en de uitbreiding van de liturgie, een alternatieve invulling van de tweede dienst wees hij resoluut af.[38] Hij hield vast aan het klassieke principe de formulieren onveran­derd en in hun geheel te lezen; alleen de synode zou nieuwe kunnen vaststellen.[39] Een en ander betekende beslist niet, dat Dijk tegen elke verande­ring was, maar hij meende dat vernieu­wing van de ere­dienst in overeenstemming met de Gereformeerde traditie en gedoseerd diende te geschieden. In 1955 was hij als hoogle­raar in Kampen met emeritaat ge­gaan. Zijn invloed begon af te nemen, maar was nog steeds aanzienlijk. In het Cen­traal Weekblad, ­dat zich richtte op het brede midden van de Gereformeerde Kerken, behan­delde hij vragen en pro­blemen van lezers. Sommige daarvan hadden betrek­king op de liturgie. Hoewel hij deze reacties zelf wel geselec­teerd zal hebben, doen ze ver­moeden dat veel Gere­formeer­den zijn zorg deelden.


Naast de cultureel-experimentele benadering van Booy en de klassiek-Gereformeer-de benadering van Dijk werd in 1956 in de Gereformeerde Kerken nog een derde invalshoek zichtbaar om een visie op de liturgie te ontwikkelen, namelijk die van de oecumene. De belangstelling voor oecumenische vraagstukken was in deze jaren groeiende. In het najaar van 1954 had het Gereformeerd Studieverband voor Oecumenische Vragen het eerste nummer van het tweemaandelijkse Uitzicht doen verschijnen. In dit blad werd onder meer gepleit voor aansluiting van de Gerefor­meerde Kerken bij de Wereldraad van Kerken. Het blad mocht zich binnen korte tijd in een snel toenem­end aantal abonnees verheugen. De druk nam toe om de verhou­ding tot andere kerken, met name die buiten de gerefor­meerde gezindte, te herzien. Anders dan voor­gaande synoden, die de oecumenische problematiek steeds uit de weg waren gegaan, besloot die van Leeuwarden in 1955 de vragen van oecumenici­teit en pluri­formi­teit door deputaten opnieuw in studie te laten nemen.[40] Op synodaal niveau bestonden op dat moment in ons land alleen officiële contacten met Christelijke Gerefor­meer­den en Hervormden. Op enkele praktische punten was er tot de laatsten sprake van enige toenadering, zoals in het vorige hoofdstuk al bleek ten aanzien van de gezangbun­del en de psalmberijming. Principieel was de afstand tussen de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk nog groot. Tussen de Gereformeerde Kerken en de Rooms-Katholieke Kerk gaapte een brede en diepe kloof. Incidenteel vonden er theolo­gische ge­sprekken plaats tussen leden van beide kerkge­noot­schappen, maar deze waren persoon­lijk van karakter en hadden geen enkele officiële status. Johannes XXIII moest nog tot paus gekozen worden, het 'onver­wachte concilie', Vaticanum II, dat van Rome uit een door­braak zou beteke­nen voor de oecume­nische verhou­dingen, moest nog worden aangekondigd. De Gerefor­meerde distan­tie tot andere kerken gold zeker ook de ere­dienst. Wel lieten ver­schillende periodie­ken in deze jaren veel ster­ker dan voorheen hun lezers kennismaken met liturgi­sche tradities en gewoonten buiten de vertrouwde ge­zichts­kring, maar in de praktijk werd daar zo goed als niets mee gedaan.[41]


In oktober 1956 verscheen in Uitzicht een kort artikel van de hand van J.H. van Halsema onder de titel "Oecumene en litur­gie".[42] Hetgeen hij schreef, moet in eerste instantie beoor­deeld worden tegen de achtergrond van de afstand van de Gereformeerde Kerken tot de Hervormde Kerk en de weigering zich aan te sluiten bij de Wereld­raad. Toch lijkt Van Halsema in zijn beschou­wing van de oecu­mene ook de Rooms-Katholieke Kerk te willen betrekken, al wordt ze niet met name genoemd. Hij stelt zich kritisch op ten opzichte van de Gere­formeerde traditie, die in de eredienst het primaat aan de dienst van het Woord toekent. "Veel te weinig zijn wij door­drongen van de centrale plaats, die het avondmaal hier in­neemt."[43] Hij meent, dat de werkelijke ere­dienst alleen met behulp van de oecumene kan worden terugge­vonden. De opstelling van Van Halsema stond diametraal op die van Dijk, die het enkel maanden later zo zou verwoorden: "De Gereformeerde Kerken hebben terecht de prediking van het Woord Gods als het centrale deel van de eredienst be­schouwd".[44] Veel sterker dan Booy pakte Van Halsema de li­tur­gische situatie principieel aan, maar ze hadden met elkaar gemeen bereid te zijn het aanzien van de Gereformeer­de eredienst grondig te verande­ren. Beide visies zouden in de liturgische vernieuwin­gen van de volgende jaren in verschil­lende ver­schij­ningsvormen een rol gaan spelen. Daarnaast zouden klassieke noties, zoals die door Dijk naar voren werden gebracht, lange tijd door blijven werken.

 

 

7.2         De oorsprong van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie

 

De eerste aanzet voor een Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie moet gezocht worden in twee ontmoe­tingen die de Hervorm­de predikant W. Vos aan het begin van de zomer van 1956 heeft gehad met twee Gereformeerde studenten in de theologie, J.D. de Vries en Fr. de Jong.[45] Vos was in Gro­ningen een toegewijd leerling van Van der Leeuw geweest en was lid van de Liturgi­sche Kring. Zijn bijdrage aan de liturgische beweging was vooral gelegen in organisatori­sche en ondersteu­nende werkzaam­heden. Van 1946 tot 1952 had hij het secretari­aat behar­tigd van de commissie Ways of Worship van Faith and Order en hij zou gedurende het gehele bestaan van het tijd­schrift Kerk en Eredienst zijn redactiese­cretaris zijn, ook toen in 1950 de Raad voor de Eredienst het blad overnam. Vos verstond de kunst verschillende mensen met liturgi­sche interesse met elkaar in contact te brengen en zo nieuwe initi­atieven te stimuleren. Wellicht hebben De Vries en De Jong contact met Vos gezocht, omdat hij redactie­secretaris van Kerk en Eredienst was.


De Vries kwam uit een predikantsgezin en liet zich in 1949 als student aan de theologische faculteit van de VU inschrijven. Vi­a J.Th. Heemskerk, die in hetzelfde jaar met de studie begonnen was, maakte hij kennis met de liturgie van de Hervormde Kloos­terkerk in diens woonplaats Den Haag.[46] Heemskerk, afkomstig uit een geslacht van juristen en politici, was al in zijn middelbare schooltijd in aanraking gekomen met de Dui­noord­kerkgemeente. Vanaf haar ontstaan in 1920 had deze gemeente zich in haar eredienst nauw verbonden gevoeld met hetgeen door de liturgische beweging werd nagestreefd.[47] In de oorlog was ze door de Duitsers uit haar eigen kerkge­bouw verdreven en had ze onderdak gevonden in de Klooster­kerk. Naar eigen zeggen had Heemskerk als jongen al gevoel voor liturgie en symboliek. "Ook liep ik, ondanks mijn zeer antipapistische opvoeding, toch wel eens heimelijk een Rooms-Katholieke kerk binnen. Want wat daar gebeurde boeide me mate­loos."[48] In Am­ster­dam voegde zich bij het tweetal van De Vries en Heemskerk A.C. Lange­dijk, zoon van de historicus D. Langedijk.[49] Onafhan­ke­lijk van Heem­skerk had hij even­eens in zijn vroegere woon­plaats Den Haag kennis gemaakt met de Duinoord­kerkge­meente en haar predi­kant, J.A. Kwint. De basis van de belangstelling van deze drie studenten voor liturgische vraagstukken werd dus gelegd in de praktijk van de Hervormde liturgi­sche beweging. De Vries zegt daarover: "Het is de viering zelf geweest, die bracht tot studie en bezinning."[50] Voor hun persoonlijke stu­die maakten ze afgezien van Kuy­pers Onze Eeredienst vooral gebruik van mate­riaal dat in de voorafgaande decennia in Hervormde kring verschenen was. Zelf noemen zij de handboekjes uit de begin­tijd van de Liturgische Kring, het Handboek voor den Eere­dienst, de Litur­giek en Sacra­mentstheo­logie van Van der Leeuw, het tijdschrift Kerk en Eredienst en natuurlijk het Hervormde Dienstboek.[51] Buiten het Nederlandse taalgebied trokken Engelse uitga­ven als The Shape of Liturgy van G. Dix en An Outline of Christian Worship van W.D. Maxwell hun aandacht.


De Jong werd geboren in een middenstandsgezin in Dokkum. In het najaar van 1953 begon hij aan zijn theologische studie in Kampen. Net als Heemskerk en De Vries behoorde hij daarmee tot de generatie die wel concrete herinneringen had aan de oorlog en de Vrijmaking, maar theologisch na de oorlog werd gevormd. Het is niet precies duidelijk, wat hem heeft aangezet tot studie van de liturgie. In zijn nala­ten­schap bevindt zich een kritische inleiding over de Gereformeerde orde van dienst, in de zomer van 1950 gehouden op een voorzit­tersconferentie van de Bond voor Jonge­lings­verenigingen op Ameland.[52] Wel­licht gaf de voorbe­rei­ding op deze rede aanleiding tot verdere studie. Drie jaar later houdt hij voor de GOV-kring Dokkum een inlei­ding onder de titel "Gereformeerde Eredienst".[53] Aan De Vries schrijft hij in 1956 zich al "enkele jaren" met de studie in de liturgie bezig te hou­den.[54] Anders dan De Vries en Heem­skerk is er geen bepaalde liturgische praktijk geweest, die hem tot verdere studie heeft gebracht.[55] Op 7 juli 1956 sprak De Jong opnieuw op een bijeen­komst van de GOV-kring Dokkum. Ditmaal hield hij een inlei­ding over het thema "Psalmen en Cul­tus".[56] Vos was uitgeno­digd om deze lezing met het laten horen van enkele grammofoonplaten te illustreren. Na afloop van deze bijeen­komst wees Vos De Jong op het bestaan van de even­eens in liturgi­sche vragen geïnteres­seerde De Vries.[57] Nog in dezelfde maand schreef De Jong De Vries aan en deed voorzich­tig het voorstel "te komen tot een kring, die zich speciaal met litur­gische vragen bezig houdt."[58] In zijn positie­ve reactie stelde De Vries voor el­kaar op 27 augustus in Groningen te ontmoeten. Ook Heemskerk zou dan aanwezig zijn.



Het klikte in Groningen tussen de drie studenten en het kostte hun weinig moeite met hun plannen en ideeën op één lijn te komen. Uit enkele brieven wordt duide­lijk, wat zoal besproken is.[59] Als uitgangspunt voor de bezinning op de li­tur­gie moest vol­gens het drietal de liturgie van Calvijn in Straatsburg geno­men worden. Aangezien deze was opgesteld met de intentie "selon la coustume de l'Eglise ancienne" te zijn, kon met Calvijns ontwerp worden teruggegaan naar de oude kerk.[60] Ana­loog aan de opzet van de Liturgische Kring en de Liturgi­sche Ver­eniging in de Hervormde Kerk, kozen de initiatiefnemers voor een werk­groep met een vaste kern en daar omheen een kring van belang­stellenden. Prioriteit had in eerste instantie de orga­nisatie van een werkgroep met deskundigen. De drie hebben in de Gro­ningse ontmoeting en later zowel mondeling als schrifte­lijk "het Gerefor­meerde erf zorgvuldig gescreend."[61] Daarbij werd afgegaan op al bestaande per­soonlijke contacten en de wijze waarop sommigen zich in hun belangstelling voor de eredienst hadden geprofi­leerd. De aange­zochte studenten in de theologie, de al genoem­de Langedijk, en verder in Kampen J.L. Bel, en aan de VU F.B. Fennema, rea­geerden gematigd tot zeer posi­tief op het verzoek zich achter het initiatief te scharen. Moeilijker was het om predikanten en anderen bereid te vinden. D. Krijger uit Den Haag-West zag de groep graag werken binnen het Gerefor­meerd Studie­ver­band voor Oecumeni­sche Vragen en voelde niet voor een zelf­standige nieuwe groep. J. van den Berg uit Zutphen had belang­stelling, maar kon een eerste keer niet komen.[62] P. de Bruijn uit Woerden was geïnteresseerd­, maar trok zich vanwege de voor zijn proef­schrift noodzakelijke studie later terug. J.H. van Halsema uit Pernis, wiens artikel over oecumene en liturgie in Uitzicht verscheen toen de voorberei­dingen voor de oprichting werden getroffen, was eveneens belangstellend­. Hij werd lid, maar haakte binnen een jaar weer af. Het sacramentele kreeg zijns inziens in de werkgroep te weinig aandacht. Over het benaderen van G.N. Lammens aarzelden de initia­tiefne­mers. Zij kenden hem niet persoonlijk en wisten niet goed, wat zij liturgisch van hem hadden te verwach­ten.[63] Lammens had tot dan toe bekend­heid verworven door zijn werk als gemeentepredikant, in het bijzonder door zijn preken. Een bezoek van Heem­skerk, die veel kandida­ten persoonlijk bezocht, zorgde voor de om­slag: "Deze man moeten wij erbij hebben."[64] Kort na deze ont­moeting deed Lammens docto­raal examen aan de theologi­sche faculteit van de VU met als hoofdvak liturgiek.[65] Hij was ver­hinderd de eerste bijeen­komsten van de werkgroep bij te wonen. Via de direct aange­zochte predikanten kwamen soms ook anderen in zicht. Van den Berg noemde bijvoorbeeld de namen van J. Firet en W.G. Schee­res.[66] Firet wilde in principe wel meedoen, maar zag daar na een benoeming bij de Gerefor­meerde Jeugdraad enkele maanden later van af.[67] Scheeres sloot zich bij de werkgroep aan. Niet iedereen deelde de inzich­ten van de ini­ti­atiefnemers. A. Bouman, net als Booy representant van de voor­uitstre­vende 'jongeren', zoals in het vorige hoofd­stuk al naar voren kwam, maakte dat bij een eerste ken­nis­ma­king al duide­lijk. Hij kon zich niet ver­enigen met hun "oud-kerkelijk streven".[68] De traditie achtte hij anders dan zij van weinig waarde voor de vernieu­wing van de eredienst. Mede onder in­vloed van reacties als deze ver­dween uit de koers die in Groningen was afgesproken stilzwij­gend elke verwijzing naar de liturgie van de vroeg-christe­lijke kerk.[69]

Als ideale plaats voor de eerste vergadering werd in Groningen de Vredenbergkerk te Oosterbeek genoemd. Deze uit 1950 daterende kerk bezat het voor die tijd ongebruikelijke fenomeen van een 'overruimte': een zijbeuk bedoeld om het avondmaal te vieren. Dit kerkgebouw kwam ter sprake, toen de drie studenten nagingen welke predikanten zij voor de werkgroep konden vragen. De Oosterbeek­se predikant A. van Egmond was een van hen.[70] Het kwam daarbij goed uit, dat De Vries en Heemskerk door civitasdagen van de VU ter plaatse in de gelegenheid waren hem op korte termijn te bezoeken. Begin september 1956 wisten ze zich van zijn medewerking te verzekeren. Via Van Egmond kwamen de initiatiefnemers van de werkgroep in contact met de architect van de kerk en diens zoon, W.H. en W. Ver­schoor, en een oud-lid van de bouwcommissie, I. van Baal. De laatste, bioloog en rector van een lyceum, had zich zelfstan­dig grote kennis eigen gemaakt van de liturgie van de Oosterse kerken.

Een musicus vond men na enkele teleurstellingen in de persoon van R. Bakker, organist van de Ichtuskerk te Scheveningen. Met ingang van de oprichtings-verga­dering werden kandidaat-leden op een vergadering door een werkgroeplid voorge­dragen. "Lidmaat­schap alleen mogelijk op uitnodiging", zo zou het Jaarboek van de Gereformeerde Kerken in Nederland vele jaren vermelden. De uitnodi­ging betrof vrijwel steeds mensen die bewezen hadden zich te willen inzet­ten voor de verbete­ring van de eredienst. Terugkijkend op de samenstel­ling van de groep durft De Vries te stellen, "dat we direct een sterke vriendschap en teamgeest hadden."[71] Met het betrek­ken van hoogleraren bij het plan wachtten Heemskerk, De Jong en De Vries bewust tot de eerste vergade­ring. Het drietal was niet zeker van hun "princi­pes" en er lijkt gezien de toenmali­ge gezagsverhoudingen een niet denk­beeldige angst voor over­heer­sing te hebben bestaan.[72]


7.3         De oprichting en het doel van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie

 

Op 12 november 1956 was het dan zover, dat de oprichtingsver­gadering van de Gerefor­meerde Werkgroep voor Liturgie in Oosterbeek kon worden gehouden.[73] De gedachten en gevoelens in deze dagen werden in hoge mate beheerst door de Russische inval in Hongarije, waarvan een grote dreiging uitging. Deson­danks werden de plannen uitge­voerd. De initiatiefnemers waren ervan overtuigd, dat er op de bijeen­komsten van de werkgroep ook een stukje liturgie in praktijk moest worden gebracht. De Jong had hier al enige ervaring mee opgedaan in Kampen. Bel en hij hadden bereikt, dat het studentencorps een vaste, door hen opge­stelde orde van dienst ging gebruiken voor de 'Andacht' die wekelijks op zaterdag­avond werd gehouden.[74] Deze orde bevatte een aantal vaste en een aantal facul­tatieve elementen (tussen haakjes): votum, (schuldbelijdenis, lied, gebed of bijbelwoord van vergeving,) lofprijzing, (psalmlezing en klein gloria,) Schriftle­zing(en), (medi­tatie,) lied, gebe­den, lied, zegenbe­de. Voor de oprich­tingsvergadering van de werk­groep kozen de initiatiefnemers echter voor een morgen- en avondge­bed volgens de orde van het Her­vormde Dienstboek.[75] Uit het feit dat aan de deel­ne­mers zonder enige gêne was verzocht zowel het Dienst­boek en de Hervormde 'bundel '38' mee te nemen, mag worden afge­leid, dat men bewust over de grenzen van het eigen kerkge­nootschap heen wilde kijken.[76] Tegelijk moet worden bedacht, dat voor het houden van een gebedsdienst nauwelijks ander breed verbreid materiaal beschikbaar was.[77]



Op de oprichtingsvergadering waren elf personen aanwezig, die allen in het vooraf­gaande al genoemd zijn: Van Baal, Bakker, Bel, Van Egmond, Fennema, Heem­skerk, De Jong, Lange­dijk, De Vries en vader en zoon Verschoor. 's Morgens hield Fr. de Jong een referaat, dat in bewerkte en gestencilde vorm de titel "Waar­om een Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie?" kreeg en later ook wel troonre­de genoemd werd.[78] Wie het antwoord op de vraag boven deze rede wil weten, hoeft vol­gens De Jong maar een blik te werpen op de liturgische voor­schrif­ten en praktijk in de Gereformeerde Kerken. Het heeft bijvoorbeeld de synode van Rotterdam 1952-53 aan een radicale, liturgisch en histo­risch verantwoor­de aanpak ontbro­ken. Dat is week aan week in de zondagse eredienst te merken. In een historische analyse gaat De Jong vervolgens na, hoe het alle­maal zover heeft kunnen komen. Hij wijst Datheen met zijn uitgave van gebeden en formulieren in 1566 als de belangrijk­ste schuldige aan. Die liet na een orde van dienst vast te leggen. Dat is wel het "ergste". Voorzover Datheen wel aanwijzin­gen gaf, kregen de ele­men­ten een heel andere plaats en beteke­nis dan bij Calvijn. In volgende jaren werd het concept van Datheen niet meer wezen­lijk gewijzigd door de Nederlandse kerken. "Stilzwijgend sluiten zij zich aan bij de Liturgie achter in Datheens psalm­boek." De Dordtse synode van 1618-19 besteedde evenmin veel tijd en aandacht aan de ere­dienst. Deze opstel­ling zette de toon voor de volgende eeuwen. De Jong wijt deze ontwikkeling aan uiteenlopende stromingen, die door de eeuwen heen hun invloed op het Neder­landse kerke­lijk leven hebben doen gelden. Eerst waren dat Zwingli en de Doper­se beweging, later het vanuit Engeland opkomende piëtisme en puritanisme, evenals het ratio­nalisme. Wezenlijke verande­ringen hebben Afschei­ding en Dole­antie en de daar uit voortge­komen Gereformeerde Kerken niet ge­bracht. Alleen Kuyper "heeft gezien dat ook de Liturgie onder de Reformatie valt en geen bijzaak is! Daarin staat hij naast Calvijn." Aan de hand van de achtereen­volgende Gerefor­meerde synoden laat De Jong zien, dat naar Kuyper niet is geluisterd. Vanuit deze historische analyse geeft De Jong aan, hoe hij zich de weg "tot herstel en opbouw van de Liturgie in onze Geref. kerken" voorstelt. Dit "her­stel", een woord dat hij al in zijn eerste brief aan De Vries gebruikte, heeft voor hem een sterk historische dimen­sie.[79] "Wij zullen helemaal op­nieuw moeten beginnen! (...) Wij zullen tot voor de wissel, waar de Liturgie in de nederlandse kerken op dood spoor kwam, terug­moeten! En dat is: de Liturgie van Calvijn van Straatsburg! Wij zullen ons daarbij ook tel­kens moeten oriënteren aan Kuyper, die in feite niets anders heeft gewild." De weg van het herstel heeft daarmee een aantal concrete, reformatorische aanknopingspunten gekregen, die het bij de Hervormde liturgi­sche beweging niet had. Daar kwamen we een decennium terug de volgende onomwonden formulering tegen: "herstel van het­geen van den beginne in de Kerk van Christus is ge­weest".[80] Uit de oorspronkelijke, handgeschreven versie van de rede worden we gewaar, hoe De Jong dit herstel praktisch ziet. Eerst moet de liturgie van Calvijn aan de orde komen, met name die van Straatsburg. Vervolgens kan gesproken worden over de zondag­morgendienst in de Neder­landse situatie. Daarbij zal van alles aan de orde komen: "Preek, viering Avond­maal, kerkge­bouw, verhouding Woord en Sacrament (...), de muzikale kant."[81] Het vergaren van kennis mag voor de werkgroep overigens niet een doel in zich zijn. "Voor het verza­melen van lit. kennis hebben we geen werk­groep no­dig." Het achterliggende doel hiervan is "een keer [te] brengen in de gang van za­ken" in de Gereformeerde eredienst.[82] Dat stond niet vermeld in de bewerkte en gestencilde versie van De Jongs rede. Het zou de werkgroep bij vele wat behoudend ingestelde Gereformeer­den op voorhand verdacht hebben gemaakt en daarmee haar daadkracht aanzienlijk hebben verminderd. Het valt op, dat bij dit alles met geen woord gerept wordt over het Hervormde Dienstboek. Dit mocht dan op de synode van Leeuwar­den 1955-56 als voorbeeld genoemd zijn, mogelijk wilden de initiatiefnemers in deze voor een breder publiek bestemde rede elke identificatie met de liturgische situatie in de Hervormde Kerk voorkomen. De Vries gaf in zijn verslag van de verga­dering een nuance­ring van de richting die de werkgroep wilde inslaan. Hij om­schrijft het herstel als een bezig ­zijn "met een oecume­nisch-correctieve instelling terug naar Cal­vijn/Straats­burg."[83] Dit is een inte­ressant gege­ven, omdat de Raad voor de Eredienst juist in de eerste voor­stel­len voor het Her­vormde Dienst­boek voor de als "gerefor­meerd-oecume­nisch" betitelde orde terugge­grepen had op tradi­ties uit de vroeg-christe­lijke kerk.[84] Elders heet het door de Werkgroep nage­streefde herstel "his­torisch-oecume­nisch".[85] Het is op grond van de voorge­schiedenis zeer waar­schijnlijk, dat in deze uit­eenlopende, opzettelijk wat vaag gehou­den formule­rin­gen, toch opgesloten lag, dat de werkgroep achter Calvijn verder terug wilde. Het oecumenisch-correctief hield dan geen gelijkstelling in met het terug naar Calvijn, maar een correc­tie op Calvijn vanuit oecume­nisch opzicht. Helaas vermeldt het ver­slag van de bijeenkomst niets over het verloop van de later op de dag gehouden dis­cussie over het refe­raat van De Jong. Dat er onduide­lijkhe­den bleven be­staan over de te volgen inhoudelijke koers­­ blijkt uit het feit, dat de discussie daarover in de eerste vergade­rin­gen steeds op de agenda stond.[86]


De jonge werkgroep zag zich op haar oprichtingsvergadering voor twee belangrijke vragen geplaatst, namelijk hoe zij zich zou organiseren en hoe zij zich zou profile­ren. Beide vragen zouden in een keer beantwoord zijn, als de al beschreven sugge­stie van D. Krijger zou worden opgevolgd.[87] De werk­groep zou zich moeten aansluiten bij het Gereformeerd Studie­verband voor Oecumeni­sche Vragen. Krijger had erop gewezen, dat de werkgroep zich een heleboel organisatorische rompslomp kon besparen door zich als sectie bij dit studiever­band aan te sluiten. In het orgaan Uitzicht zou de werkgroep zich door middel van publikaties nader kunnen profile­ren. Krijger zette zijn voorstel kracht bij door er op te wijzen dat liturgie per definitie een zaak van de oecumene was. Ook was hij bang dat de vooruitstre­vende krachten in de Gereformeerde Kerken uit elkaar gespeeld zouden worden. Hij taxeerde de stem­ming in de Gereformeerde wereld na de teleur­stellend verlopen landelijke verkiezin­gen in juni 1956 als "uiter­mate explo­sief". Heemskerk had persoonlijk met Krijger gesproken en was wel gepor­teerd voor deze oplossing. De Jong en De Vries waren beduidend minder enthousi­ast.[88] Zij vrees­den, om de woorden van De Jong te gebruiken, dat een dergelij­ke keuze ande­ren, "die op zich­zelf niet tegen verbetering van de Liturgie zijn", zou uit­sluiten.[89] Hoewel het aanvankelijk in de bedoe­ling had gelegen tijdens de eerste bijeenkomst in Ooster­beek een beslissing te nemen over het voorstel van Krijger, gebeurde dit om onbekende rede­nen niet. Mogelijk wilden de initiatiefnemers eerst meer duidelijk­heid verkrijgen over identi­teit, doel en omvang van de werkgroep. Wel werd in Ooster­beek meegedeeld dat "een effi­cient contact" gezocht zou worden met de groep Kerk en Kunst, die eveneens banden onder­hield met het Oecume­nisch Stu­diever­band.[90] De activiteiten van Kerk en Kunst moesten bij de oprichting van de werkgroep echter nog van start gaan en zouden zich tot de kerkbouw beperken, een onderwerp dat overigens ook de werkgroep interesseerde. De Gereformeerde Kerken hadden in tegenstelling tot de Hervormde Kerk na de oorlog geen eigen antwoord geformuleerd op de vraag aan welke voorwaarden haar kerkgebouwen dienden te voldoen en hoe ze moesten worden ingericht.[91] Toch was restauratie, uitbreiding en nieuwbouw van kerken aan de orde van de dag. Er was in beperkte mate sprake geweest van oorlogsscha­de. Door de Vrijmaking hadden sommige kerken zich gedwongen gezien, een nieuw onderkomen te zoeken. Maar vooral de combinatie van de groei van het eigen ledental en de opkomst van nieuwe dorps- en stadswijken noopten tot kerkbouwactiviteiten. De groep Kerk en Kunst wilde door middel van gesprekken, publikaties en een lande­lij­ke door de synode in te stellen advies­raad de aandacht voor en de bezinning op de kerkbouw in de Gereformeerde Kerken vergro­ten.[92] Dit raakte de eredienst in zoverre, dat duidelijk diende te worden, voor welke ere­dienst het Gereformeerde kerkge­bouw geschikt moest zijn. Een vrij­blij­vend contact met Kerk en Kunst was voor de Werkgroep heel wat minder bedrei­gend dan aanslui­ting bij het genoemde stu­die­verband. De contacten met Kerk en Kunst zijn evenwel inci­denteel geble­ven.[93]


Van andere zijde drong de vraag naar de profilering van de werkgroep zich even­eens op. Vos wilde in Kerk en Eredienst een verslag van de eerste vergadering opne­men. Het leek de werkers van het eerste uur niet opportuun om het eerste officiële nieuws over de werk­groep via dit Hervormde periodiek bekend te maken. "Zou dit hoffelijk en psychologisch juist zijn t.o.v. het 'eigen erf'?", zo vroeg De Vries zich in een brief aan De Jong af.[94] Andermaal klinkt hierin de vrees door bij voor­baat Gereformeer­den van het nieuwe initiatief te vervreem­den. Deze vrees zou eerst in de loop der jaren afne­men. Weldra zou de werkgroep langs door haar zelf gekozen wegen de publiciteit zoeken. Kerk en Eredienst kreeg daarbij extra aan­dacht. De Vries schreef er een aparte, wat uitgebreidere bijdrage voor.[95]

 


Op de tweede vergadering, gehouden op 14 januari 1957, begon er organisatorisch enige vorm in de werkgroep te komen.[96] Het was nog steeds een opgave niet-studenten daad­wer­kelijk bij de groep te betrekken. Dat bleek zowel bij de taakverde­ling voor het morgen- en avondge­bed als bij het vinden van een inleider voor de bespre­king. Ook het te vormen bestuur moest het vooral van de studenten hebben. De predikant Van Egmond werd weliswaar ab-actis, maar de studenten De Vries en Heem­skerk zouden voor­lopig de functies van respectievelijk quaestor en voorzitter­ waarne­men. Van Halsem­a, predikant en bij afwezig­heid tot assessor gekozen, zou daarvoor bedanken, zodat deze plaats vacant bleef. Met be­trekking tot de profes­soren en hun plaats in de werkgroep wist men de knoop door te ­hakken. De beide hoogle­raren in de ambte­lijke vakken, J.H. Bavinck en J.T. Bakker, werden uitge­nodigd lid te worden en namen na enig aarzelen die uitno­di­ging aan.[97] De psycho­lo­gisch geschoolde Bavinck had eerst als bijzonder hoogleraar zen­dings­we­tenschap gedoceerd en was in 1954 aan de VU als gewoon hoogleraar de ambte­lijke vakken gaan geven. Daarbij vergat hij zijn vroegere aandachtsgebieden niet. Bakker was gepromoveerd op een dogmatisch proefschrift over Luther en in 1956 benoemd om in Kampen het onderwijs in de ambtelijke vakken te gaan verzorgen. Naast deze beide hoogleraren werden K. Dijk en D. Nauta bereid gevonden als advi­seurs op te tre­den. De namen van dit viertal kwamen terecht op het persbe­richt dat in de loop van de maand januari werd ver­spreid en gepu­bliceerd.[98] De positieve houding van de hoogle­raren was een steun in de rug voor de initiatief­nemers en zou de erken­ning van de werkgroep in de kerken kunnen vergemakke­lijken. Maar ook buiten de eigen kerken probeerde de werkgroep bekendheid te verkrijgen, al was dat voor haar bestaans­grond van minder belang. De Hervorm­de Raad voor de Eredienst rea­geerde enthou­siast en gaf aan "open te staan voor gemeen­schap­pelijke be­sprekingen en over­leg".[99] De Liturgische Kring rea­geerde bij monde van Bakhui­zen van den Brink daaren­tegen koel. Hij spreekt aan het slot van zijn antwoord de verwach­ting uit, "dat wij elkaar wel eens zullen ontmoe­ten".[100] Hoewel Bakhuizen van den Brink een zekere "ver­slap­ping" in de kring na het ver­schijnen van het Dienstboek niet ontkende, ver­meldde hij niet dat de kring na de viering van het 30-jarig jubileum in het najaar van 1954 niet meer bijeen was ge­weest.[101] De kring had de werkgroep der­halve weinig te bieden. Andersom was dat eveneens het geval, zodat het nog ettelijke jaren zou duren voor constructief overleg met kring (en raad) tot stand kwam.


Op de tweede bijeenkomst stond inhoudelijk het geschriftje De Neder­landsch-Hervormde Kerk en de Gemeente van Christus van de Leidse hoogleraar A.J. Wensinck centraal.[102] Dit was in 1939 verschenen, in de tijd dat de Hervormde Kerk naar een passende nieuwe organi­satievorm zocht. Aan de hand van liturgie-histori­sche ontwikkelingen wijst Wensinck erop, dat in de calvinisti­sche traditie aan de gemeente haar rechtmatige plaats is ontno­men. De positie van de predikant is overgewaar­deerd. Hij doet de oproep de scheefgroei te corrigeren, wijst daartoe een weg en ziet in zijn tijd hoopvolle tekenen, onder meer in de verbetering van de kerk­zang, de inrichting van de jeugddien­sten en de oprichting van de Liturgische Vereniging, alsmede de door haar geïnitieerde activiteiten. Wensincks pleidooi doet sterk denken aan dat van bijvoorbeeld Gerretsen, J.H. Gunning J.Hz. en Kuyper die vele tientallen jaren eerder hamerden op het onvervreemdbare recht van de gemeente om de gang van de eredienst te bepalen. De bespreking in de Werkgroep werd ingeleid door de student Lange­dijk, hoewel men deze taak aanvankelijk aan een predikant had toege­dacht. Er ontstond volgens het summiere verslag "meer een gesprek dan een discus­sie."[103] Dit wijst erop, dat Wensincks brochure vooral diende als aankno­pingspunt voor de uitwisse­ling van (eigen) vragen en inzich­ten. De leden van de groep moesten elkaar nog leren kennen. Het resultaat van de bespreking had dan ook slechts zijde­lings van doen met de brochure. De werkgroep stelde twee principiële aan­dachts­punten vast, waarmee ze Cal­vijns litur­gisch werk wilde bestude­ren.[104] Het eerste aan­dachtspunt be­stond uit de vraag naar de verhou­ding tussen didactiek en viering en was, voor de werkgroep althans, vooral litur­gie-historisch van aard. Het tweede was de vraag naar de verhouding tussen Woord en sacrament en legde daarmee een dogma­tisch accent.

 



De derde vergadering van de werkgroep, gehouden op 11 maart 1957, sloot inhou­delijk nauw aan bij de tweede. Oorspronkelijk stond een inlei­ding van Dijk gepland over "Calvijns liturgi­sche instelling en de neerslag daarvan in Straatsburg".[105] Dijk had daar in zijn opstel "Woord en offer" al eens enkele blad­zijden aan gewijd.[106] Al spoedig bleek dat Dijk zich met zijn toezegging had "ver­gist" en voor­lopig geen tijd zou hebben om een referaat over dit onderwerp te hou­den.[107] Het bestuur overwoog iemand van buiten de groep te vragen, bij­voorbeeld de Hervorm­de predikant A.F.N. Lekkerker­ker. Deze had zich onder meer in het kader van zijn commentaar op het Dienstboek eveneens met Calvijns liturgi­sche inzichten bezig gehouden.[108] Bang om "een zielige indruk" te maken, vond het bestuur het onver­standig "in alle haast alle moge­lijke prominenten" te bellen met het verzoek de opengevallen plaats in te nemen.[109] Het oog viel daarom uit­eindelijk op iemand uit eigen kring: De Jong. Hij was al eerder uit per­soonlijke interesse met studie van het onderwerp begon­nen. In een uitvoerig referaat onder de titel "De litur­gie bij Calvijn - Deel I: Zijn litur­gische beginse­len" betoogt De Jong dat Calvijn de eredienst terug heeft "willen brengen tot de een­voud van de Oude Kerk".[110] Hij be­schouwt diens litur­gie daarom als "een gezui­ver­de Mis", be­staande uit vier onder­delen: prediking, gebeden (inclusief het lied), offeran­de en avondmaal.[111] Deze zou­den even­tu­eel tot twee delen kunnen wor­den teruggebracht, prediking en avond­maal, omdat Calvijn gebeden en offerande tot het avond­maal rekende. De Jong her­kent in deze twee elementen de oude inde­ling van Missa Cate­chumenorum en Missa Fidelium.[112] Hij wil geen van beide laten prevaleren. Dat gebeurde zijns inziens noch in de vroeg-chris­telijke kerk, noch in de Refor­matie. Eerst na de Reforma­tie is het misge­gaan. Het Woord beheerst de gehele dienst, zowel de prediking als de viering van het avondmaal. Onder verwij­zing naar Maxwell, wiens sporen in het hele referaat terug te vinden zijn, stelt hij, dat het avondmaal in elke zon­dagse dienst bij Cal­vijn is vooron­dersteld, ook als het niet wordt gevierd.[113] Dat moet ook in een nieuwe orde het geval zijn. De Jong breekt hierin met Dijk.[114] Die wilde Calvijns waardering voor het avondmaal niet ontkennen, maar legde alle accent bij het primaat dat Calvijn aan het Woord wilde geven. Daarmee verminderde voor Dijk de noodzaak om zich in de basisstructuur van de zondagse kerkdienst reken­schap te geven van de viering van het avondmaal. Overigens kan De Jong zich goed vinden in Dijks formule­ring van de ere­dienst als "actus populi Dei", als gemeentelij­ke dienst. De offerge­dach­te in de ere­dienst vindt hij wezen­lijk: "Kerk­gang is offer­gang; kerk­dienst is offer­dienst: wij offeren daar onszelf en het on­ze."[115] Het offer mag echter onder geen beding ver­staan worden als zoenof­fer, uit­sluitend als dankof­fer. De Jong begint en ein­digt zijn rede met de vraag naar de vrijheid in de litur­gie, zoals Calvijn die in zijn Institu­tie voor­stond. Zou die vrij­heid zo groot zijn als bijvoorbeeld de dogmenhistoricus W. Niesel en Lekkerkerker volgens De Jong willen, dan zou kennisna­me van Calvijns liturgie "niet be­lang­rijk" zijn.[116] De Jong meent, dat Calvijn de grond­vorm van de ere­dienst niet aantast­te, wel liet die op lokaal bepaalde gronden sommige elementen weg.[117] Met Dijk maakt hij onderscheid tussen de con­stante en de variabele elementen in Calvijns concept. Constant zijn voor hem de vier genoemde onderdelen. Variabel bijvoor­beeld de psalmberijming, de psalm­melodieën en de ge­bedshou­ding. Dijks opvatting dat Calvijn grote variatie in liturgi­sche vormen voorstond en de vormen bijkom­stig achtte, kan De Jong niet rijmen met de uitgave van dienst­boeken die vele zaken tot in details regelden. De conclusie kan voor hem dan ook niet anders zijn dan "dat er bij Calvijn zeker aankno­pingspunten zijn voor liturgisch herstel."[118] Di­rect wordt daar­bij de kant­tekening gemaakt, dat kritiek op Calvijn moge­lijk moet zijn, evenals "tot voor hem terug (...) gaan."[119] Reacties op deze uitvoeri­ge uiteenzetting zijn niet op schrift gesteld. Een indicatie van het groeiende zelfver­trouwen van de werk­groep is een brief die op de bijeen­komst van 11 maart aan het deputaat­schap voor de herziening van de liturgische gebeden en formulieren­ gezonden werd.[120] De werkgroep bood de deputaten haar dien­sten aan, aanvan­kelijk zonder resultaat. Enkele maanden later werd overleg gepleegd met de deputaten voor de herzie­ning en uitbreiding van de gezang­bundel.[121] De inhoud van dat overleg is onbe­kend gebleven. Organisatorisch deed de werkgroep op 11 maart ook een stapje voor­waarts door een dogmatische, historische en muzikale sec­tie in te stellen, evenals een sectie voor kerk­bouw. In deze secties zou het studiewerk ver­richt moeten worden.

De Jongs referaat kreeg op 1 mei 1957 een vervolg in "De liturgie bij Calvijn - Deel II: Zijn Zondagmorgendienst".[122] De Jong stipt kort de verschillende uitgaven van Calvijns litur­gie aan, de Straatsburgse uit 1542, de ongeveer gelijk­tijdig verschenen Geneefse en de Straatburgse uit 1545. Hij behandelt de verschillende elementen van de zondagmorgen­dienst en komt dan tot de volgende conclusie. "Ik zou niet durven zeggen, dat wij Calvijn als norm moeten nemen voor het litur­gisch herstel, maar willen wij het plei[t] voeren voor dat herstel, dan doen wij er goed aan om ons uitgangspunt te nemen bij deze 'geeste­lijke vader' van onze kerken, op wie wij ons graag beroepen en naar wie wij ons graag noemen."[123] De Jong zou daarom in prin­ci­pe geen bezwaren hebben tegen het herstel van bijvoorbeeld Sursum Corda, dank­zegging, Sanc­tus en Agnus Dei in de Missa Fidelium. Hij be­treurt dat de zondagmorgen­dienst in de Neder­landse kerken al in de tweede helft van de 16e eeuw versmald is tot preek­dienst. Hij ziet de oorzaak daarvan allereerst in het litur­gisch losmaken van het avond­maal uit de zondagmorgen­dienst. Verder wijst hij op de invloed van Zwingli op de liturgie in ons land. Die gaf zich veel minder dan Calvijn rekenschap van historische gegevens. De Jong spitst de zaak toe en vraagt: "Wat willen wij: de liturgie van de kerk der Eeuwen, dùs die van Calvijn, òf die van Zwingli?"[124] 


De twee referaten over Calvijns liturgie geven aanleiding tot enkele opmerkingen. De Jong nuanceert de inzet uit zijn zoge­naamde 'troonre­de' om Calvijns liturgie in Straatsburg als oriëntatiepunt te nemen voor het herstel van de bestaande orde van dienst. Hij vindt bij Calvijn vooral de principes voor herstel. Die nam de vier elementen die de eredienst in de Schrift en door de eeuwen heen hadden geconstitu­eerd in zijn orde van dienst op en vulde die vervolgens verder in. Deze benadering, waarbij de basis voor een 'nieuwe' eredienst gevonden wordt in de continuïteit van zijn structuren door de eeuwen heen, zou de Gereformeerde liturgische beweging sterk gaan stempelen. Op een andere plaats verwijst De Jong voor dit principe naar Vos.[125] De gedachtengang is mogelijk geïnspireerd door de opvattingen van Dix, die in zijn reeds genoemde standaardwerk, The Shape of Liturgy, de thesis uitwerk­te dat liturgieën van verschillende plaatsen en tijden dezelfde structuur bevatten.[126] De Jong wil alleen praktisch achter Calvijn terug naar de vroeg-christelijke kerk en hij meent dat met Calvijns princi­pes te kunnen en te mogen. Hij komt daarmee alsnog dicht bij de intenties van de Hervormde liturgische beweging te­recht. Hij wil echter niet zo ver gaan als Wen­sinck, die volgens hem de laat-middeleeuwse mis verheerlijkt en die hij daarom al spoe­dig achter zich laat.[127] Met de didac­tiek, een van de aan­dachtspunten die bij de behandeling van Wensincks brochure geformu­leerd was, heeft hij bij Calvijn evenmin moeite. Die moet volgens hem gezien worden in het kader van Calvijns streven om de liturgie daad­werkelijk een zaak van de gemeente te doen zijn. Daarom moet de liturgie begrijpelijk en verstaanbaar zijn. Als de liturgie aan die eisen voldoet, mag een teveel aan didactiek vervolgens "ge­rust" onder kritiek worden ge­steld.[128] Het andere aandachtspunt, de verhouding tussen Woord en sacrament, hono­reert De Jong in zoverre, dat hij consta­teert dat zowel predi­king als avondmaalsviering in Calvijns zondagmorgendienst zijn opge­nomen, althans in princi­pe.

Met zijn historische benade­ring en in zijn keuze voor Calvijn heeft De Jong een breekij­zer in handen om de vastgeroeste liturgische situatie in onder meer de Gereformeerde Kerken te kunnen openbreken en onder principi­ële kritiek te stellen. Door zijn herwaardering van Calvijn kunnen voor-reformatorische liturgische bronnen worden aangeboord. De liturgi­sche besluiten van Nederlandse synoden in de 16e en 17e eeuw kunnen aan de hand van Calvijns principes worden getoetst en hebben daardoor nauwelijks een normerende werking meer, zoals dat nog wel het geval was in de kerken van de Afschei­ding en bij theologen als Biesterveld (met in diens kielzog Hoekstra) en H.H. Kuy­per.[129] Nu hadden deze gegevens uit de Nederlandse traditie bij Dijk al een ondergeschikte functie, maar De Jong polemi­seert impli­ciet ook met hem. Dijk had zich teveel gele­gen laten liggen aan de bestaande praktijk en zijns in­ziens voor de praktijk onvol­doende consequenties getrokken uit de princi­pi­ële gege­vens van Calvijns liturgi­sche Reforma­tie. Ander­zijds trekt De Jong Dijks correctie van de latere A. Kuyper door. Dijk was veel minder accent gaan leggen op de positie van de ambte­lijke voorgan­ger. De Jong komt daarmee onbewust bij de jonge Kuyper te­recht. De ere­dienst als actus populi Dei is volgens De Jong per defi­nitie gemeenschapsoefe­ning van de gemeente met Jezus Christus, met als grond­slag de avond­maals­gemeenschap. In hoofdstuk 3 werd al duide­lijk, dat in Kuypers Confidentie uit 1873 soort­gelijke gedach­ten te vinden zijn en dat Kuyper juist in die tijd veel voelde voor een wekelijkse avondmaalsvie­ring.[130]


7.4         Reacties op de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie

 


In het algemeen werd de oprichting van een Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie positief begroet door de aspirant-leden die benaderd werden. Slechts een enkeling reageerde op inhoudelijke gronden afhoudend, zoals in het geval van Bouman reeds beschreven is. Toch creëerde De Jong voor mensen als Bouman enige ruimte door in de openingsrede met geen woord meer te reppen over de liturgie van de oude kerk. Ande­ren hadden moeite met de getijdediensten die de werkgroep op haar verga­deringen hield. Van Egmond had op basis van ervaringen in zijn gemeente aanvankelijk de vrees geuit, dat deze diensten de werkgroep verdacht zouden maken en het verwezenlijken van haar doelstellingen zouden kunnen belemmeren, maar er uiteindelijk toch mee ingestemd.[131] De musicus M. Geerink Bakker oordeelde in een brief, waarin hij meedeelde vooralsnog af te zien van het lidmaat­schap van de werkgroep, over de diensten: "De grens tussen kerk en conven­tikel is zoek".[132] Hij hoopte, dat de werkgroep "een gereformeerde weg" zou vinden. Gelet op de verdere inhoud van zijn brief zal hij daarbij gedacht hebben aan een meer kerkelijke weg, waarop aan de Gereformeerde traditie eigen liturgi­sche elementen gebruikt zouden worden. Juist dit morgen- en avond­gebed zou de aan­leiding vormen tot een stevige discus­sie over de koers van de werkgroep. Het dagblad Trouw bericht­te over deze ge­bedsmo­men­ten in de verga­dering van 11 maart het volgen­de: "Met het zingen van de vespers in de orde van het oud-kerke­lijk brevier werd deze week de conferentie van de gereformeer­de werkgroep voor liturgie te Oosterbeek beslo­ten."[133] De ver­slag­ge­ver, vermoedelijk J.B. Looij­en, maakt melding van het zingen van de lofzang van Simeon "op de vroeg-middel­eeuwse reciterende psalmtoon, die voortgekomen is uit de joodse tempelliturgie en die men eigen­lijk alleen nog maar goed kan beluisteren in een klooster."[134] En hij vervolgt: "de voorgan­ger wendde zich in de gebeden naar de in de zijbeuk van de kerk centraal geplaatste vaste avondmaalstafel, waarop temid­den van twee kande­laars het tekens des kruises is opge­steld, en bad geknield." Uit foto's blijkt verder, dat de leden van de werkgroep tijdens de gebedsmomenten in twee rijen op de leng­teas van het gebouw als in een koorge­stoelte tegen­over elkaar zaten.[135] Het krante­be­richt suggereert, dat de werk­groep met name een band zocht met de oude kerk. Het ge­schetste beeld roept sterke associaties op met bepaalde Rooms-Katho­lieke liturgi­sche praktijken. Reacties konden niet uitblijven. Ph.J. Huijser verwoordde de gevoelens van menig verontruste, toen hij enkele maanden later in Waarheid en Eenheid dit commentaar gaf: "Het liturgisch Festival te Ooster­beek heeft de eerste stappen gezet op weg naar Rome, via het Her­vormd katho­licisme van van der Leeuw. En een aantal profes­soren van Kampen en Amsterdam wil op die weg dienst doen als gids en leids­man."[136]


Andere Gereformeerden schonken geen aandacht aan het bericht in Trouw, of waren wellicht gematigder in hun oordeel dan Huij­ser. Zorg over de richting die de werkgroep uitging be­stond echter wel degelijk.[137] Dat bleek onder meer bij de zoektocht van het voor­lo­pig bestuur naar een geschikte voorzitter. Men had gehoopt hier­toe Bakker of Bavinck bereid te vinden. Het bestuur richtte zich eerst tot Bakker, omdat het vermoedde dat Bavinck er toch geen tijd voor zou hebben.[138] Bakker genoot op dat moment nog maar weinig bekendheid. Hij was een jaar terug door de synode tot hoogle­raar in Kampen benoemd, maar was door een ernstige ziekte aanvanke­lijk ver­hinderd college te geven. De Kamper studenten hadden hem nog nauwe­lijks leren kennen. De initiatiefnemers wisten daarom niet precies, wat zij van hem te ver­wachten had­den.[139] Van zijn kant uitte hij op zijn beurt zijn "bezorgd­heid" over de koers die de werk­groep had uitge­zet.[140] Van Eg­mond, de enige predi­kant in het voorlo­pig be­stuur, die in de beginpe­rio­de wel vaker een bemid­de­lende rol speelde, wist hem over te halen toch in ieder geval de bijeen­komst op 1 mei te bezoeken.[141] Bakker moet iets van de aarzelingen ten aanzien van zijn opvattingen gevoeld heb­ben. Terugkij­kend op die bijeen­komst zegt hij in een inter­view over de werkers van het eerste uur: "Die waren zó litur­gisch en er ook zo van over­tuigd dat zij een bepaalde weg in wilden, dat - toen ik erbij gevraagd werd, later zelfs ge­vraagd werd om er voorzit­ter van te worden - ik wel eerst op de gang moest gaan staan omdat er over gediscus­sieerd moest worden of ik daar betrouw­baar genoeg voor was."[142] Bakker aanvaardde het voorzitterschap. Bij gebrek aan enig ver­slag is het moeilijk na te gaan, wat er op de eerste mei is voorgevallen. Uit enkele brie­ven valt af te leiden, dat de gebedsdiensten - vermoe­delijk in het bijzonder die van 11 maart en het verslag daarvan in Trouw - bij eigen leden aanlei­ding gaven tot een scherpe discussie over de wijze waarop de liturgie bena­derd moest worden.[143] Moest de benadering van de liturgie louter zake­lijk en weten­schappe­lijk geschie­den, of diende er ook ruimte geschapen te worden voor persoon­lijke en ge­voelsma­tige betrok­kenheid, zoals die in de getijde­diensten gestalte kreeg? Bakker, Schee­res en wel­licht ook Van den Berg opteerden voor zakelijkheid. Zij hadden weinig be­hoefte aan de eigen gebeds­diensten, al zeiden ze dat nu nog niet hardop. Ande­ren als Bel, De Jong, De Vries, de op 1 mei voor het eerst aanwezige K. Bisschop en met name Heemskerk en Langedijk meenden, dat juist het wezen van de liturgie het noodzakelijk maakte reke­ning te houden met het boven-rationele aspect ervan en alleen zo ten volle begrepen kon worden.[144] Zij hechtten aan het experiment met de eigen gebeds­momen­ten die zij als een vorm van huis- en gezinsdienst beschouw­den en achtten naast kennis van ook ervaring met een stijlvolle (hoog-liturgische?) eredienst noodzakelijk om op het wezen van de eredienst te kunnen kunnen reflecteren. Sommigen van hen waren juist door een dergelijke praktijk in de litur­gie geïnteres­seerd geraakt. Echt opgelost werd de con­troverse niet. Studeren en vieren bleven beide onderdeel van het werk van de werk­groep. Wel kregen de diensten bij gebrek aan een passende ambian­ce als een kerk of kapel een wat zakelijker karakter, toen de werkgroep met ingang van 1958 in de senaats­zaal van de VU in Amsterdam ging verga­deren.[145]


Een discussie als de hiervoor geschetste kwam niet naar buiten. Ze kon daardoor net zo min als het enkele artikel in de pers over een gebedsdienst schade berokke­nen aan de erkenning van de werkgroep en de waardering voor haar streven. Zo werd de Kamper hoogleraar J.L. Koole bereid gevonden de werk­groep van advies te dienen en lid te wor­den.[146] Het aantal betrokken (emeri­tus-)hoog­leraren kwam daar­mee op vijf. Het leek steeds gemakkelijker te worden mensen voor het lidmaat­schap van de werkgroep te interesseren. Berichten in de kerke­lijke pers over de oprichting van de werkgroep maakten haar bestaan bij een breed publiek be­kend. Wie zich nader wilde verdiepen in uit­gangs­pun­ten en doel kon daartoe voor een gering bedrag De Jongs 'troonre­de' bestel­len.[147] Met al deze steun durfde de werk­groep zich in haar vijfde vergade­ring op 18 juni 1957 tot de synode te wenden, die van haar be­staan op de hoogte te stellen en haar diensten aan te bieden. De synode van Assen 1957-58 stelde zich in haar zitting van 1 oktober 1957 welwil­lend op.[148] Het bleef niet bij woorden. Ze vroeg enkele leden van de werkgroep haar als deputaten behulp­zaam te zijn bij een onder­zoek naar de moge­lijkheden van Gerefor­meerde deelname aan een interkerke­lijke kerkmuziek­school.[149] Trouw proefde de sfeer op de synode en ty­peerde die met de kop "Ge­ref. Werk­groep voor Litur­gie door geref. synode blij be­groet".[150] Meer dan het genoemde kon en wilde de synode niet doen. Er kwamen wel andere liturgische zaken aan de orde als de gezang­bundel en de liturgische formulieren, waarbij ze de werkgroep had kunnen betrek­ken, maar dit had door in voorgaande jaren be­noemde deputaten kunnen worden opgevat als een motie van wantrou­wen. Bovendien waren twee van de zeven deputaten voor de herziening van de liturgische formulieren bij de werk­groep betrokken: Dijk en Koole. Toen in de loop van het vol­gende jaar een van de andere deputaten vervangen moest worden, benoem­de de synode het werk­groeplid Van den Berg in diens plaats. In de oriënterende schets van dit hoofdstuk signaleer­den we al, dat de synode van Assen nog eens bevestigde hetgeen in 1952 te Rotterdam over de orde van dienst was vastgesteld, en kerkeraden maande zich hieraan te houden.[151] Op één punt bleek een kleine variatie evenwel mogelijk. Bij de geloofsbelijdenis mocht die van Nicea gebruikt worden in plaats van het per traditie gelezen Apostolicum.

 

 

7.5         Conclusies

 


Terwijl in het midden van de jaren vijftig op synodaal niveau wezenlijke verander­ingen in de Gereformeerde eredienst op zich lieten wachten, groeide in de kerken het besef, dat een herwaardering van de bestaande Gereformeerde eredienst noodza­kelijk was. Plaatselijk begon men vanuit een pastorale invalshoek sommige gebrui­ken en gewoonten kritisch te bezien. In de praktijk verminderde de afstand tot de midden-orthodoxe kerkdienst in de Hervormde Kerk. Zo wonnen bijvoorbeeld de gezangen aan populariteit en nam het aantal predikanten dat een toga droeg toe. Over norm en doel van deze vernieuwingen liepen de meningen uiteen. Een grote groep, vermoedelijk de grootste, met als woordvoerder Dijk, wilde vasthouden aan wat zij als het Gereformeerde erfgoed beschouwde, en veranderingen niet dan in een langzaam tempo doorvoeren. Twee kleinere groepen stond een radicalere aanpak voor ogen: ze plaatsten de eredienst in een andere, bredere context dan het tot dan toe gehanteerde kader van de gereformeerde traditie. Zij die zich op enigerlei wijze verbonden voelden met de zogenaamde Woudschoten-conferenties, achtten aansluiting van de Gereformeerde wereld en daarmee ook van de Gerefor­meerde eredienst bij moderne levensvormen een eerste prioriteit. Hun aandacht bleef doorgaans beperkt tot de preek en tot een zelfstandige bezinning op de liturgie kwam het onder hen dan ook niet. De andere vernieuwers, die een zekere bewon­dering koesterden voor de Hervormde liturgische beweging, plaatsten de eredienst in een breder kerkelijk, oecumenisch kader, en zochten daartoe in de liturgiege­schiedenis naar elementen die de verschillende kerkelijke tradities met elkaar zouden kunnen verbinden. Een aantal van hen richtte de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie op.

Deze werkgroep wist zich binnen een jaar een zeker draagvlak in het Gerefor­meerde kerkelijk leven te ver­wer­ven. De studenten die het initiatief namen, waren zich ervan bewust geweest, dat veel Gereformeerden hun liturgi­sche in­zichten niet deelden. Zij probeerden tot aan de oprichtings­vergade­ring in hun keuze van aspi­rant-leden hun onderlinge eensge­zindheid ook in de werkgroep gestalte te geven. Om voor een bredere groep belangstellenden aanvaardbaar te zijn, moesten ze al vrij spoedig het ideaal van de oude kerk uit hun uit­gangspunten verwijderen. Ook op andere punten moesten zij inleveren, om het ledenbestand van de werkgroep met predikanten en hoogleraren te kunnen uitbreiden en zodoende in de kerken een stevige basis te verschaffen. Van de nieuwe leden bleek lang niet iedereen even overtuigd van de weg die de oprichters wilden inslaan. In de bijeenkomsten stelden zij de vraag naar de zin en nood­zaak van eigen getijdediensten, een liturgische vorm uit de kerkelijke traditie. Daarachter sluimerde de principiële vraag, in hoeverre de historische gegevens een plaats moesten krijgen in de bezinning op de Gereformeerde eredienst. De Jong had als een van de initiatiefnemers in zijn referaat over Calvijn een duidelijke voorzet gegeven; de discussie hierover moest nog gevoerd worden. Maar terwijl Dijk zijn pijlen vooral had gericht op de liturgi­sche beweging die zich buiten de Gereformeerde Kerken liet gelden, plaatste De Jong met behulp van gegevens uit de door hen gekoesterde traditie de situatie in die kerken zelf onder scherpe kritiek. De centrale rol die de synode in de liturgische regelgeving bezat, bleef daarbij onverlet.

Het erfgoed van Kuyper speelde in de oprichting van de werk­groep nauwelijks een rol. Hij werd in de eerste bijeenkomst wel genoemd, maar slechts om het bestaan van de werkgroep te legitimeren. Na de oprichtingsvergadering kwam Kuyper nauwelijks meer ter sprake. De werkgroep past daarmee in een ontwikkeling binnen de Gereformeerde Kerken, die H. Berkhof in het midden van de jaren vijftig met de volgende woorden beschrijft: "Er is een terugkeer van het neocalvinistische naar het klassiek-gereformeerde en daarach­ter naar het algemeen-christelij­ke."[152]



     [1]           Plomp, Een Kerk, 84 (citaat).

     [2]           G. Dekker, De stille revolutie. De ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in Nederland tussen 1950 en 1990, Kampen 1992, 41 - 44.

     [3]           Th. Booy, Een stille omwenteling. Het gereformeerde leven in onze jeugd, Amsterdam 1956.

     [4]          Ibidem, 216 (citaat).

     [5]        Zie paragraaf 6.2.1.

     [6]           Voor wat betreft de eredienst, zie: Booy, Een stille omwente­ling, 216 - 252. De beschrijving van de volgende alinea's gaat wat betreft Booy op deze pagina's terug. Alleen van citaten wordt een nadere plaatsaan­duiding gegeven. 

     [7]          Ibidem, 233 (citaat; vgl. ibidem, 251).

     [8]           Vgl. Rapport stand geestelijk leven Generale Synode Utrecht 1959, z.p. z.j. (verder: Rapport geestelijk leven), 13 - 16, 32vv, 43.

     [9]          Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1957-58 (Assen), art. 287 en bijlage LXXII. Vgl. ook ibidem 1959-60 (Utrecht), art. 132.

     [10]  Zie hierboven blz. 158.

     [11]  Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1957-58 (Assen), art. 446 (citaat). Vgl. ibidem 1955-56 (Leeuwarden), art. 378, waar dit nog niet het geval was.

     [12]   Rapport eredienst Generale Synode Amsterdam 1967 (= Rapport eredienst 1967), z.p. z.j., 45 (betreft een brief van de classis Alkmaar d.d. 8 februari 1958). De synode van Rotterdam 1952-53 had al opdracht gegeven te zoeken naar een geschikte toonzetting van het Apostolicum (Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 269). Vgl. verder: CW 7 (1959), 167; CW 8 (1960), 143; CW 9 (1961), 95; CW 10 (1962), nr. 15, 10.

     [13]   Vgl. CW 3 (1955), 117. Een interessante parallel met de opkomst van de toga in de NHK een eeuw eerder dringt zich op. De toga diende toen mede om het afbrokkelend prestige van de NHK te compenseren (Aalders, "De hervormde discussie", 232). In de GKN zou de invoering van de toga door een deel van de voorgangers, waarmee zij en de preek een extra accent kregen, wel eens een reactie kunnen zijn op de verminderende waardering van de preek.

     [14]   Vgl. CW 2 (1954), 237 (een pleidooi voor het behoud van de voorlezer). Dijk vond overigens dat de voorlezer best kon verdwijnen en hanteerde daarbij argumenten die al op de synode van Middelburg 1933 gewisseld werden (CW 5 (1957), 354).

     [15]   Vgl. Gereformeerd Weekblad (= GW) 10 (1954-55), 231 en GW 12 (1956-57), 384 en 403.

     [16]   Vgl. CW 3 (1955), 172; GW 14 (1958-59), 116, 125 en 141.

     [17]   Vgl. resp. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 179 en 261.

     [18]   Ibidem 1955-56 (Leeuwarden), art. met name art. 495. Vgl. de voor definitieve kerkorde: ibidem 1957-58 (Assen, art. 347 en 348. In de nieuwe kerkorde betreft het art. 70 (lid 3).

     [19]   Ibidem 1955-56 (Leeuwarden), art. 377 en 495. Vgl. voor de definitieve kerkorde: ibidem 1957-58 (Assen), art. 347 en 348. In de nieuwe kerkorde betreft het art. 70, lid 1.

     [20]   Zie hierboven blz. 156v.

     [21]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 495 (citaat). Vgl. voor de definitieve vaststelling: ibidem 1957-58 (Assen), art. 348. In de herziene kerkorde betreft het art. 70, lid 2.

     [22]   Booy, Een stille omwenteling, 242 (citaat).

     [23]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 377, 378 en 495. Vaststelling definitieve tekst: ibidem 1957-58 (Assen), art. 349 en 350. In de herziene kerkorde betreft het art. 70, lid 1.

     [24]   Ibidem 1955-56 (Leeuwarden), art. 377.

     [25]   Vgl. CW 2 (1954), 338; GW 11 (1955-56), 55.

     [26]  Vgl. Rapport van de Deputaten voor de Herziening van de Kerkorde (...) generale synode (...) Leeuwarden (...) 1955, z.p. z.j.

     [27]   Booy, Een stille omwenteling, 235 (citaat).

     [28]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1952-53 (Rotterdam), art. 252 (citaat).

     [29]   Booy, Een stille omwenteling, 280 (citaat).

     [30]   Ibidem, 251 (citaat).

     [31]   Ibidem, 232 (citaat).

     [32]   Zie bijvoorbeeld een verslag van de conferentie in 1956: De strijdende Kerk (= StrK) 11 (1956), nr. 276, 6.

     [33]   Ibidem 9 (1952-54), nr. 219-220, 1 - 7. ­Ibidem 12 (1956-57), nr. 290, 2v; nr. 295, 2v; nr. 296, 2v; nr. 300, 1v.

     [34]  G. Julius, "Jongerendiensten in de rotterdamse schouwburg", in: Jeugd en Evangelie 14 (1958-59), nr. 12, 6v.

     [35]   CW 5 (1957), 93, 101; CW 6 (1958), 37, 125; CW 7 (1959), 113; StrK 14 (1958-59), nr. 345, 7v en nr. 347, 5.

     [36]   Booy, Een stille omwenteling, 227 (citaat).

     [37]   Dijk, "Liturgische vragen", 210.

     [38]   Respectievelijk: CW 5 (1957), 281 en De Bazuin 99 (1956), nr. 24; CW 2 (1954), 338.

     [39]   Vgl. bijvoorbeeld: CW 4 (1956), 194 en 354.

     [40]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 228.

     [41]   Zie bijvoorbeeld: CW 3 (1955), 169 (pinksterfeest in de oud-christelijke kerk), 166 (liturgie der kerk in Zuid-India), 206 (Bachs hoogmis); CW 4 (1956), 397 (gedenkdag onnozele kinderen); GW 9 (1953-54), 125v (gebeden en liederen op papyri), GW 11 (1955-56), 91 (gebedstijden bij Hippolytus), 116 (avond­maalslied uit de tijd van de Reformatie), 125 (doopbediening bij Hippolytus) en 195 (datum van het kerstfeest). In dit kader past bijvoorbeeld ook een artikel als: J.H. Bavinck, "Liturgie", in: Horizon 18 (1955), 35 - 40 (over de Oosters-Orthodoxe liturgie).

     [42]   J.H. van Halsema, "Oecumene en liturgie", in: Uitzicht 3 (1956), nummer 5, 1 - 4. J.H. van Halsema (1922 - 1992), stud. theol. Kampen 1945, Geref. pred. Tholen en Poortvliet 1950, Pernis 1954, Gorinchem 1962, Sneek 1969 - 1986 (VUT). Van Halsema had een veelzijdige belangstelling: geschiede­nis en muziek, en in de theologie voor onder meer de exegese en oecumenische vraagstukken. Verbindend voor deze thema's is wellicht de typering: "Ten diepste was hij mysticus" (Jaarb. Geref. Kerken 1993, 497v; vgl. ook J.Th. Heemskerk aan J.D. de Vries d.d. 15 oktober 1956 - particulier bezit J.D. de Vries).

     [43]   Van Halsema, "Oecumene", 2 (citaat).

     [44]   Dijk, "Liturgische vragen", 205 (citaat; curs. tweede woord: KWdJ). Zo grenst Dijk zijn positie af tegenover de overwegend Hervormde lezers van KE. Enkele jaren tevoren had hij tegenover Gereformeerde lezers juist erkend, "dat in onze eigen kring meer dan eens te eenzijdig het zwaartepunt gelegd is in de Woorddienst" (CW 1 (1953), 66).

     [45]   Het Archief van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie (= Archief GWvL) is onder-gebracht bij de Archieven GKN eredienst: nr. 287 - 325.

Fr. de Jong (1930 - 1981) stud. theol. Kampen 1953, Geref. pred. Lichtenvoorde 1960, Maasland 1963, Alphen a/d Rijn 1967, leraar g.o. Doetinchem 1974 (De Haas, Voorgangers IV, 293). W. Vos (geb. 1921) stud. theol. Groningen, Oxford en Straats­burg, Herv. pred. Mensingeweer 1950, Rotterdam-Delfshaven 1958 - 1986 (emer.). Vos was niet alleen redactiesecr. van KE, hij initieerde ook het oecumenische en interna­tionale Studia Liturgica, dat in 1962 begon te verschijnen en waarvan hij de redacteur-uitgever werd (vgl. ibidem 17 (1987), 273 - 275 en 299). J.D. de Vries (geb. 1930) stud. theol. VU 1949, Geref. pred. Aardenburg 1959, Hoofddorp 1964, ziekenhuispred. Utrecht 1969 - 1995 (emer.).

     [46]   J.Th. Heemskerk (geb. 1929) stud. theol. VU 1948, Geref. pred. Oldemarkt 1959, Axel 1964, Oestgeest 1969 - 1985 (emer.).

     [47]  Voor een korte beschrijving van de gemeente en verdere literatuur, zie: Lescrauwaet, De liturgische beweging, 82 - 85. Zie ook een enkele opmerking hierboven op blz. 113.

     [48]   J.Th. Heemskerk in gesprek met K.W. de Jong d.d. 9 november 1989 (citaat).

     [49]  A.C. Langedijk (geb. 1924) stud. theol. VU, Geref. pred. Knijpe 1960, Scheemda 1965, Waarder 1971, ziekenhuispred. Amsterdam 1977 - 1987 (emer.).

     [50]   J.D. de Vries in gesprek met K.W. de Jong d.d. 9 november 1989 (citaat).

     [51]   Bron: noten 48 en 50. Het bleef wat de literatuur betreft aanvankelijk in hoofdzaak binnen de kring van de Reformatie. Eerst in de loop der jaren werd het blikveld verbreed in de richting van de Romana en de vroeg-christelijke kerk.

     [52]   "Onze orde van de eredienst. Inleiding te houden op de Voorzittersconferentie op Ameland 1950" - particulier bezit K.W. de Jong.

     [53]   De Jong sprak op zaterdag 6 juni 1953 (Organist en Eredienst (= OE) 19 (1953), 1179. Vgl. diens "Gere­formeer­de Eredienst" - particulier bezit van K.W. de Jong). Dit referaat kan niet anders tot stand gekomen zijn dan na een gedegen studie van de materie.

     [54]   Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 28 juli 1956 (citaat). Gelet op het antwoord is de datering onjuist (J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. 23 juli 1956 (poststempel d.d. 24 juli 1956)). Beide stukken: Archief GWvL, nr. 289).  

     [55]   Vgl. aantekeningen van De Jong op een brief, waarin gesteld wordt dat praktische ervaring met de liturgie de basis is voor het verstaan ervan: "Het moet mogelijk zijn de liturgie langs noëtische weg te benade­ren. Zelf voorbeeld." (A. Langedijk aan Fr. de Jong d.d. 8 januari 1958 - RAU, Archief GWvL, nr. 292).

     [56]   Vgl. de aankondiging in OE 22 (1956), 74. Het referaat "Psalmen en Cultus" is in particulier bezit van K.W. de Jong.

     [57]   Vgl. terugblik van De Jong: notulen werkgroep d.d. 17 januari 1976 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [58]   Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 28 juli 1956 (citaat; zie voor de datering noot 54) - RAU, Archief GWvL, nr. 289.

     [59]   Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 29 augustus 1956; J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. ? augustus 1956; J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 25 september 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [60]   Joannis Calvini opera selecta II, ed. P. Barth, G. Niesel, München 1952, 11 (citaat). Naar welke liturgie van Straatsburg wilde men terug? De geciteerde intentie van Calvijn is opgenomen in de Geneefse uitgave van 1542, niet in die van Straatsburg uit hetzelfde jaar, maar wel weer in de Straats­burgse uitgave van 1545, die samengesteld is uit elementen van de beide voornoemde edities.  

     [61]   J.D. de Vries in gesprek met K.W. de Jong d.d. 9 november 1989 (citaat).

     [62]  J. van den Berg (geb. 1922) stud. theol. Kampen 1941, dr. theol. 1956, Geref. pred. Ottoland 1947, Zutphen 1953, lector VU 1959, hoogl. VU 1961, hoogl. Leiden 1976 - 1987 (emer.). Zie voor zijn vader, Joh. van den Berg, hierboven met name paragraaf 5.2.

     [63]   Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk d.d. 1 oktober 1956; Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk en J.D. de Vries d.d. 9 oktober 1956; J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 30 december 1956; vgl. de zinsnede: "wij oordelen namelijk anders dan de enthou­siasten over zijn liturgische aspiraties!" (postscrip­tum van J.S. van der Linden in: W. Vos aan J.D. de Vries d.d. 26 november 1956 - RAU, Archief GWvL­, nr. 292 (eerste brieven), nr. 290 (laatste brief)). G.N. Lammens (1923 - 1985) stud. theol. Kampen 1942, dr. theol. VU 1968, Geref. pred. Heinkenszand 1949, Rotterdam-Kralingen 1952, Heemste­de 1960, dir. Convent van Kerken 1969, tegelijk buitengew. hoogl. VU 1969, tevens Kampen 1972, hoogl. VU 1976 - 1981 (emer.) (De Haas, Voorgangers V, 14v).

     [64]   J.Th. Heemskerk aan J.D. de Vries d.d. 15 oktober 1956 (citaat) - particulier bezit van J.D. de Vries. Uit latere stukken blijkt overigens, dat er een zekere twijfel bleef bestaan over Lammens (J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 30 november 1956 en J.Th. Heemskerk aan J.D. de Vries d.d. 30 december 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292).

     [65]   G.N. Lammens deed doctoraal examen op 19 oktober 1956. De titel van Lammens scriptie luidde: "Plaats en betekenis van het Avondmaal bij Van der Leeuw". Helaas is dit werkstuk onvindbaar.

     [66]   J. van den Berg aan Fr. de Jong d.d. 7 november 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292. J. Firet (1923 - 1994) stud. theol. Kampen 1942, Geref. pred. Zuid-Beijerland 1948, Rotterdam-Charlois 1953, dir. Ned. Geref. Jeugdraad 1957, wetensch. medew. VU 1963/1965, hoogl. prakt. theol. VU 1968 - 1986 (emer.) (Jaarb. Geref. Kerken 1995, 551v). W.G. Scheeres (1913 - 1989) stud. theol. VU, Geref. pred. Sens/Parijs 1947, Eefde-Gorssel 1950, Weesp 1955, Gorinchem 1961, Amstelveen-Noord/Buitenveldert 1965 - 1974 (emer.) (Jaarb. Geref. Kerken 1990, 495v).

     [67]   J. Firet aan Fr. de Jong d.d. 8 januari 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [68]   Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk d.d. 1 oktober 1956 (citaat; vgl. J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 25 september 1956) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [69]  Vgl. de waarschuwende woorden van De Jong om te spreken van een oud-kerkelijk streven in: Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk d.d. 1 oktober 1956. In De Jongs openingsrede kwam alle accent op Calvijn te liggen (zie ook hieronder blz. 175vv).

     [70]  Zie hierboven de in noot 59 genoemde brieven. Verder: J.D. de Vries in gesprek met K.W. de Jong d.d. 9 november 1989. De keuze voor Oosterbeek hield dus geen verband met het feit, dat daar op 'De Pietersberg' al enkele jaren dichters werkten aan een nieuwe psalmberijming. A. van Egmond (1911 - 1987) stud. theol. Kampen 1930, Yerseke 1936, Ouderkerk a/d Amstel 1946, Oosterbeek 1949 - 1972 (emer.) (Jaarb. Geref. Kerken 1988, 501v).

     [71]   J.D. de Vries in gesprek met K.W. de Jong d.d. 9 november 1989 (citaat).

     [72]   J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 4 oktober 1956 en Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk en J.D. de Vries d.d. 9 oktober 1956 (beide: citaat); vgl. ook: Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk d.d. 23 januari 1956 - alle brieven: Archief GWvL, nr. 292.

     [73]   Notulen werkgroep d.d. 12 november 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [74]   Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk en J.D. de Vries d.d. ? - RAU, Archief GWvL, nr. 292. In het archief van het corps F.Q.I. (GA Kampen) is over een dergelijk besluit niets terug te vinden.

     [75]   Zie in vorige noot vermelde brief. 's Morgens gingen deze eerste keer De Jong en De Vries voor, 's avonds Van Egmond en Heemskerk.

     [76]   Vgl. Agenda vergadering d.d. 12 november 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 288.

     [77]  Vgl. J.Th. Heemskerk aan E. van Egmond d.d. 27 oktober 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [78]   "Waarom een Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie" (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 309. Tenzij anders aangegeven, zijn de citaten in het vervolg van deze alinea uit dit stuk afkomstig.

     [79]   Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 28 juli 1956 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 289.

     [80]   Bakhuizen van den Brink, "Ter inleiding", 1 (citaat; zie ook hierboven blz. 125). Vgl. Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 28 juli 1956 - RAU, Archief GWvL­, nr. 289. De maatstaf was in deze brief nog "de Kerk der eeuwen", "de liturgie van Calvijn in Straatsburg" een aanzet daartoe. 

     [81]   Oorspronkelijk typoscript van het openingswoord op 12 november 1956 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 310.

     [82]   Ibidem (citaat).

     [83]   Notulen werkgroep d.d. 12 november 1956 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [84]  Strikt genomen heette de raad toen nog Raad voor Kerk en Eredienst. In het Dienstboek was dit orde V (27- 34), voor de avondmaalsviering orde III (98 - 111).

     [85]   Zie bijvoorbeeld: Persbericht z.d. [februari 1957] (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 289; A. van Egmond aan Generale Synode GKN d.d. 4 juli 1957 (citaat) - RAU, Archieven Synodale Vergade­ringen GKN, nr. 839 (B III 37).

     [86]   Vgl. "beleidsaangelegenheden" en "werkprogram" (agenda voor de vergade­ring d.d. resp. 14 januari 1957 en 11 maart 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 288).

     [87]   J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 25 september 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292. Vgl. hierboven blz. 172v.

     [88]   Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk d.d. 1 oktober 1956; J.D. de Vries aan J.Th. Heemskerk en Fr. de Jong d.d. 7 oktober 1956; Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk en J.D. de Vries d.d. 9 oktober 1956 - alle: RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [89]   Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk d.d. 1 oktober 1956 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [90]   Notulen werkgroep d.d. 12 november 1956 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Vgl. J.M. van Minnen aan J.Th. Heemskerk d.d. 7 november 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [91]   Vgl. de Hervormde synodale instructie "Aanwijzingen bij kerkbouw", in: Documenten, 43 - 45, die in 1947 werd vastgesteld en het uitvoerige rapport "Kerkbouw", in: Documenten, 329 - 439, dat in 1954 gereed kwam.

     [92]   Vgl. CW 5 (1957), 125 en 129.

     [93]   Heemskerk had een van de leden, J.M. van Minnen geschreven, dat de werkgroepleden "contact vruchtbaar achten en op prijs stellen." (J.Th. Heemskerk aan J.D. de Vries d.d. 30 december 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292). In de groep Kerk en Kunst bestond er eveneens een positieve houding ten aanzien van dit contact, zo blijkt uit Trouw van 12 april 1957. Het contact is nooit geconcretiseerd: "van een relatie tot een gereformeerde werkgroep liturgie herinner ik mij niet veel (niets)" (J.M. van Minnen aan K.W. de Jong d.d. 9 januari 1988 - particulier bezit K.W. de Jong). Dit wordt door een ander lid bevestigd, die eraan toevoegt, dat er "alleen enkele individuele gesprekken oa met Prof Lammens" hebben plaats gevonden (C.A. van Peursen aan K.W. de Jong d.d. 3 februari 1988 - particu­lier bezit K.W. de Jong).

     [94]   J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. 21 november 1956 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [95]   J.D. de Vries, "Gereformeerde werkgroep voor liturgie", in: KE 12 (1957), 60v.

     [96]   Notulen werkgroep d.d. 14 januari 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Dit stuk is aangevuld met gegevens uit diverse brieven uit de maanden december 1956, januari en februari 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [97]   Beide hoogleraren waren uitgenodigd voor de bijeenkomst op de 14e januari, maar zeiden om redenen van tijd en gezondheid af (J.H. Bavinck aan Fr. de Jong d.d. 10 januari 1957; J.T. Bakker aan J.Th. Heemskerk d.d. 12 januari 1957). Bavinck had toen al te kennen gegeven als adviserend lid tot de werkgroep toe te willen treden (vgl. J.D. de Vries aan J.Th. Heemskerk d.d. 9 december 1956). Begin februari werd duidelijk, dat beiden bereid waren gewoon lid te worden (J.D. de Vries aan J.Th. Heemskerk d.d. 6 februari 1957 - net als twee voorgaande brieven: RAU, Archief GWvL, nr. 292).

J.H. Bavinck (1894 - 1964) stud. theol. VU 1912, dr. theol. Erlangen 1919, Geref. pred. Bandoeng (N.O.I.) 1921, Heemstede 1927, Delft (miss. dienst Solo) 1929, docent opleidingsschool Djokjakarta 1934, hoogl. Kampen en VU 1939, VU alleen 1955 (over hem: A. Pos e.a., Christuspredi­king in de wereld. Studieën op het terrein van de zendingswetenschap gewijd aan de nagedachte­nis van de professor dr. Johan Herman Bavinck, Kampen 1965). J.T. Bakker (geb. 1924) stud. theol. VU, dr. theol. 1956, Geref. pred. Oude en Nieuwe Bildtzijl 1950, Laren 1954, hoogl. Kampen 1957 - 1988 (emer.). Zie verder over hem: G. Douma en M. de Zeeuw, "Voor mij blijft de vraag: kan het ook anders?", in: Communiqué 4 (1987-88), 44 - 69.

     [98]   [Persbericht] z.d. z.p. - RAU, Archief GWvL, nr. 289. D. Nauta (1898 - 1994) stud. theol. VU, dr. theol. 1935, Geref. pred. Woubrugge 1927, hoogl. VU 1936 - 1968 (emer.) (J. van den Berg, "In memoriam D. Nauta (1898 - 1994)", in: NedAK 74 (1994), 139 - 142).

     [99]   W.A. Zeydner en A.W. Lazonder aan J.D. de Vries d.d. 14 februari 1957 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 289.

     [100] J.N. Bakhuizen van den Brink aan J.D. de Vries d.d. 22 februari 1957 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 289.

     [101] Vgl. notulen Liturgische Kring d.d. 18 maart 1957 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 69.

     [102] A.J. Wensinck, De Nederlandsch-Hervormde kerk en de Gemeente van Christus. Gedachten naar aanleiding van de Reorganisatiebeweging, Rotterdam z.j. [1939]. A.J. Wensinck (1882 - 1939) stud. Leiden, dr. theol. 1912, hoogl. Leiden 1912 (Hebr., Arab., Syr. en Islam). Wensinck was geen lid van de Liturgische Kring. De suggestie met deze brochure te beginnen werd gedaan door Van Baal (vgl. Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk d.d. 6 december 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292).

     [103] Verslag vergadering d.d. 14 januari 1957 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [104] Notulen werkgroep d.d. 14 januari 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [105] Ibidem (citaat).

     [106] Dijk, "Woord", 204 - 207.

     [107] E. van Egmond aan N.N. [Fr. de Jong?] d.d. 18 februari 1957 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [108] A.F.N. Lekkerkerker, Kanttekeningen bij het Hervormde Dienst­boek, 4 dln., 's-Gravenhage 1952 - 1956: III, 181 - 201. A.F.N. Lekkerkerker (1913 - 1972), stud. theol. Utrecht, dr. theol. 1942, Herv. pred. Noordlaren 1939, Loosduinen 1944, Utrecht 1948, hoogl. Groningen 1959 (Rasker, Ned. Herv. Kerk, 315).

     [109] J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. 17 februari 1957 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [110] Agenda voor de vergadering d.d. 11 maart 1957; "De liturgie bij Calvijn - Deel I: Zijn liturgische beginse­len" (citaat; in het vervolg van deze paragraaf: "Calvijn I") - RAU, Archief GWvL, resp. nr. 288 en 309. Vgl. J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. 24 februari ? [1957] - RAU, Archief GWvL, nr. 292: "I.v.m. de Geref. (welhaast onbewuste) neiging om het Christendom met Calvijn zo ongeveer te laten beginnen, is het hopelijk je bewuste bedoeling ons in je lezing zo veel mo­gelijk de relatie tss. Calvijn en de Oude Kerk, de catholiciteit v. C. te accentue­ren. Iets, wat m.i. Nauta te veel verzwijgt op college."

     [111] "Calvijn I", 7 (citaat), vgl. ibidem, 7v.

     [112] Ibidem, 8.

     [113] Vgl. ibidem, noot 63, waar de volgende verwijzingen gegeven worden: W.D. Maxwell, John Knox's Genevan Service Book, Edinburgh 1931, 33. Andere publikaties van Maxwell die voor het referaat gebruikt zijn: An Outline of Christian Worship. Its Developments and Forms, London z.j. (welbekend in de GWvL: zie hierboven blz. 171); "Het heilig avondmaal als handeling in de gerefor­meerde kerk", in: KE 3 (1948), 256 - 259; "Eredienst in de gereformeerde kerk", in: KE 5 (1950), 5 - 18.

     [114] Vgl. Dijk, "Woord", met name 207.

     [115] "Calvijn I", 9 (citaat).

     [116] Ibidem, 1 (citaat), vgl. ibidem, 9.

     [117] Ibidem, 10. Vgl. Dijk, "Woord", 206.

     [118] "Calvijn I", 10 (citaat).

     [119] Ibidem (citaat).

     [120] Ab-actis GWvL [A. van Egmond] aan [deputaten herziening liturgi­sche formulie­ren] d.d. 11 maart 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [121] J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. 12 juni 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [122] Agenda vergadering d.d. 1 mei 1957; "De liturgie bij Calvijn - Deel II: Zijn Zondagmor­gendienst" (in deze paragraaf af te korten met "Calvijn II") - RAU, Archief GWvL, resp. nr. 288 en 309.

     [123] "Calvijn II", 11 (citaat).

     [124] Ibidem (citaat).

     [125] "Beginnen de hoofdzaak eruit te halen. Van Vos geleerd!" tekent De Jong aan op een brief, waarin De Vries hem verzoekt de orde voor de getijdedienst in de werkgroepvergaderingen niet al te zeer te kortwieken (J.D. de Vries aan Fr. de Jong z.d. [eerste helft januari] 1958 - RAU, Archief GWvL, nr. 292).

     [126] De Jong heeft het boek van deze Anglo-Katholieke liturgist - om tactische redenen? - niet in zijn verantwoording bij de lezing opgenomen, maar het was bij de initiatiefnemers van de werkgroep wel bekend (vgl. hierboven blz. 171).

     [127] "Calvijn I", 2.

     [128] "Calvijn I", 2 (citaat), vgl. ibidem, 1v en 8v.

     [129] Vgl. "Waarom een Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie" - RAU, Archief GWvL, nr. 309.

     [130] Zie hierboven blz. 45.

     [131] J.Th. Heemskerk aan E. van Egmond d.d. 11 en 27 oktober 1956; E. van Egmond aan J.Th. Heemskerk d.d. 16 en 26 oktober 1956 - alle: RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [132] M. Geerink Bakker aan J.D. de Vries d.d. 6 januari 1957 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [133] Trouw d.d. 16 maart 1957 (citaat).

     [134] Vgl. J.B. Looijen aan J.D. de Vries d.d. 12 februari 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292. Vgl. verder voor de gebruikte versie van de lofzang van Simeon: Dienstboek, 418v.

     [135] RAU, Archief GWvL, nr. 316.

     [136] Ph.J. Huijser, "Van rock 'n roll tot karnemelk (Over de secularisatie van de evangeliepredi­king)", in: Waarheid en Eenheid 9 (1957), nr. 22 (citaat).

     [137] Vgl. een vraag aan Dijk in diens vragenrubriek "Wat dunkt u, professor?". Deze "raakt de oprichting van onze liturgische kring, en geeft uiting aan een vrees, dat we met dit soort kringen van de kerkelijke weg afraken en ... verdwalen." Dijk erkent daarop "buitenge­woon veel sympathie" (vetge­drukt!) te hebben voor de werkgroep en verdedigt haar bestaan (CW 6 (1958), 98).

     [138] J.Th. Heemskerk aan E. van Egmond en J.D. de Vries d.d. 5 februari 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [139] Bijvoorbeeld: J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 4 oktober 1956 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [140] J.D. de Vries aan Fr. de Jong z.d. (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292. Bakker verscheen niet op de vergaderingen. Met het oog op zijn aanwezigheid werd de eerst­volgende vergadering na 11 maart 1957 afgesproken voor 1 mei.

     [141] Wat betreft de bemiddelende rol van Van Egmond, zie: J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 22 januari 1957 (contact met Dijk); J.D. de Vries aan Fr. de Jong z.d. (contact met Bakker) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [142] Douma, "Voor mij blijft de vraag", 53 (citaat). Vgl. ook E. van Egmond aan J.Th. Heemskerk d.d. 7 mei 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [143] J.Th. Heemskerk aan J.D. de Vries d.d. 13 mei 1957 - particu­lier bezit J.D. de Vries. J.Th. Heemskerk aan J.T. Bakker (concept) z.d. - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [144] K. Bisschop (geb. 1929) stud. theol. Kampen 1949, secr. studentenwerk NCSV 1956 - 1958, Geref. pred. Warns en Scharl 1959, Steenwijk 1963, Naarden 1969 - 1994 (emer.).

     [145] Vgl. hieronder blz. 199v.

     [146] Agenda vergadering d.d. 1 mei 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 288.

     [147] Tenminste 100 exemplaren werden gestencild en verspreid (vgl. J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. 14 [mei/juni] 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292).

     [148] Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1957-58 (Assen), art. 211. Voor de brief van de werkgroep zie: J.T. Bakker en A. van Egmond (namens de GWvL) aan de generale synode van de GKN d.d. 4 juli 1957 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 839 (B III 7).

     [149] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1957-58 (Assen), art. 212. Deputaten zouden er niet in slagen mogelijkheden te vinden voor Gereformeerde deelname en verzochten daarom na verloop van jaren de synode hen van hun opdracht te ontheffen (ibidem 1965-66 (Middelburg), art. 319).

     [150] Trouw d.d. 3 oktober 1957 (citaat).

     [151] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1957-58 (Assen), art. 287 en bijlage LXXII. Vgl. ook hierboven blz. 164.

     [152] H. Berkhof, "Gereformeerden en hervormden - een ontmoeting", in: Wending 10 (1955-56), 65 - 77, 67 (citaat).