8.         Groeiende steun voor heroriëntatie (1957 - 1962)

 

 

De synode van Assen mocht dan in het najaar van 1957 positief hebben gereageerd op de oprichting van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, dit betekende nog niet, dat de werkgroep daarmee ook direct invloed verworven had op de synodale besluitvorming. De gedachtenvorming in de werkgroep zelf was daarvoor ook nog onvoldoende uitgekristalli­seerd. We gaan wat betreft de Gereformeerde Kerken daarom vóór alles eerst na, hoe de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie haar historisch-oecumenische oriëntatie uitwerkte. Daarna proberen we zicht te krijgen op de resultaten die de werkgroep met haar werkzaamheden behaalde op de synode van Utrecht 1959-60.

Vervolgens stuiten we op het jaartal 1961, dat op synodaal niveau in menig opzicht een keerpunt is geweest in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken.[1] De synode van Apeldoorn 1961-62 werd geconfronteerd met uiteenlopende vraagstuk­ken, die om een fundamentele herbezin­ning vroegen: de verhou­ding tot het eigen verle­den, met name de uitspraken van de Asser synode in 1926, en de verhou­ding tot andere kerkge­noot­schap­pen. De synode ging deze vragen niet uit de weg. De kerkelijke oriëntatie begon al spoedig te verschuiven. De contacten met Vrijgemaak­ten en Chris­te­lijke Gere­for­meerden stokten. De banden met de Hervorm­den konden voor­zichtig worden aangehaald, nadat in een eerder stadium de contacten tussen de moderamina van de beide synoden al waren geïntensiveerd. De Wereldraad van Kerken werd met meer welwil­lendheid beje­gend dan voorheen. Ook in de kerken zelf groeide de oecumeni­sche gezindheid. Kort voor de eerste zitting van de Apeldoornse synode, Pinksteren 1961, hadden acht­tien Hervormde en Gere­for­meer­de predikanten een oproep het land ingestuurd, waarin zij pleitten voor een spoedige hereniging van de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk. Een verge­lijk­bare verschuiving in oriënta­tie van de Gerefor­meerde synode nemen we ook waar in de benadering van liturgi­sche vraag­stukken. Het ge­bruik van de klassiek-gereformeerde Litur­gie, dat de Gereformeerde Kerken ondanks kleine veranderingen nog steeds met andere kleinere ­kerkge­nootschap­pen van gereformeer­de signatuur en met een deel van de Hervormde Kerk verbond, verminderde gestaag. Iedere nieuwe synode, te beginnen met die van Leeuwarden 1955-56, voegde nieuwe formulieren en gebeden toe en deed in dit opzicht de afstand tot de genoemden groeien. De synode van Apeldoorn bevestigde de reeds ingezet­te koers van liturgische heroriëntatie. Ze liet de benadering van de liturgie nog eens princi­pieel in studie nemen.


In verband met de heroriëntatie die zich in de Gereformeerde Kerken voordeed, moet ook iets gezegd worden over de verhouding tot de Hervormde Kerk als geheel. In hoofdstuk 6 zagen we, dat er na de oorlog inci­denteel contact was tussen beide kerkgenootschappen, steeds met een bepaald praktisch doel. Hoewel de Gereformeerde Kerken zich gereserveerd op­stel­den, bestond er een duide­lijke interesse in en tot op zekere hoogte ook ontvankelijk­heid voor hetgeen zich op het Hervorm­de erf ontwikkelde. Maar het enthousiasme, waarmee de naoor­logse verande­ringsprocessen in de Hervormde Kerk gepaard gingen, ebde weg. Er gingen nauwelijks nieuwe impulsen meer van uit op de Gereformeerde Kerken. De bestaande samenwerkingsverbanden voor de samen­stelling van een nieuwe psalm- en gezangbun­del werden geconti­nueerd. Voor het overige tastte men over en weer voor­zichtig de gren­zen af.

In de verhouding van de Gereformeerde Kerken tot de Rooms-Katholieke Kerk veranderde vooralsnog weinig. De aankondiging van een tweede Vaticaans concilie door paus Johannes XXIII op 25 januari 1959 trok weliswaar wereldwijd grote aandacht, maar niemand kon op dat moment nog de reikwijdte van dit besluit bepalen. Evenmin kon men vermoeden welke verstrekkende gevolgen dit concilie zou hebben voor de vormgeving van de Rooms-Katholieke liturgie. Wel hadden zich in de voorafgaande jaren kleinere veranderingen, met name vereenvoudigin­gen, in de liturgische praktijk voorgedaan.

 

 

8.1         Heroriëntatie in de Nederlandse Hervormde Kerk

 


Na de verschijning van het Dienstboek in 1955 en de reacties die dat opriep, was niet direct duidelijk hoe het proces van liturgische vernieuwing in de Hervormde Kerk zich verder zou ontwikkelen. Van der Leeuw en zijn Liturgische Kring hadden vele jaren het initiatief gehad, maar die tijd was eigenlijk al voorbij toen de Hervormde synode de voorbereidingen voor het Dienstboek in gang zette. De Liturgische Kring begon weliswaar na een onderbreking van tweeëneenhalf jaar vanaf het voorjaar van 1957 weer geregeld bij elkaar te komen, maar ze zocht eerst in 1961 de publiciteit met een kritisch rapport over het Dienstboek.[2] Nieuwe gezichtspunten leverde dit niet op. De Prof.dr. G. van der Leeuwstichting had intussen de leiding overgenomen. Zij startte in januari 1957 het oecumenische, op de Romeinse traditie geënte, experiment met de zogenaamde 'Nocturnen' in de Maranathakerk te Amsterdam. Daaraan was in het bijzonder de naam van de dichter-predikant W. Barnard verbonden.[3] Samen met andere medewerkers, onder wie de musicus F. Mehrtens, liet hij zich in het dichten van liederen en het schrijven van nieuwe liturgische teksten inspireren door zowel het ordinarium als het proprium van het Missale Romanum.[4] Regelmatig publiceerden hij en anderen hun bijdragen aan de Nocturnen in de zogenaamde Mededelingen van de Van der Leeuwstichting. In dat kader verscheen in het voorjaar van 1962 De adem van het jaar - paaskring. Dit geschrift, dat het kerke­lijk jaar bewust met Pasen en de voorbereiding daarop liet beginnen, bevatte een lees­rooster, liturgische liederen en teksten en zou later nog met twee deeltjes over de zomertijd en de kerst­tijd worden uitge­breid. In de zomer van 1962 verhuisde Barnard naar het Gelderse Rozendaal, hetgeen tot gevolg had dat het creatieve centrum van het experiment zich daarheen verplaatste. Het Nocturnen-project onderscheidde zich op enkele punten van voorgaande pogingen tot vernieuwing die de liturgische beweging had ondernomen. De bijbel stond in onderbouwing en praktijk veel centraler dan voorheen. Kunstzinnige aspecten, literatuur en muziek, kwamen rijker tot ontplooiing. De uitstraling van de Nocturnen was groter, doordat het daar ontwikkelde gedachten­goed niet alleen door schriftelijke publikaties, maar ook door voordrachten van Mehrtens voor de radio bekendheid verkreeg. De Nocturnen deden de belangstel­ling voor een oecumenisch georiënteerde vernieuwing van de eredienst snel groeien. Aanvankelijk richtte de aandacht zich sterk op het kerkelijk jaar en de daarmee verbonden onderdelen van de eredienst. Eerst later zou het ordinarium meer in het centrum van de belangstelling komen te staan. 

 

Op het Hervormde synodaal niveau werkte het Amsterdamse experiment in eerste instantie slechts in beperkte mate door. Velen zagen het Dienstboek als een (voorlopig) eindpunt van een lange reeks van liturgische ontwikkelingen in hun kerk. Een dergelijke visie werd versterkt door de opheffing van de commissie dienstboek van de Raad voor de Eredienst, al werd er dan tegelijk een nieuwe commissie met dezelfde naam ingesteld die onder leiding van Lekkerkerker studie en documentatie tot taak kreeg.[5] Alleen al uit het aantal leden van de commissie - drie - kan worden afgeleid, dat op korte termijn weinig van haar werd verwacht. Een enquête uit 1960 naar het gebruik van het Dienstboek in de liturgische praktijk en experimenten als dat van de Nocturnen maakten duidelijk, dat een periode van beproeven niet afgesloten, maar juist pas begonnen was. Een logisch gevolg van deze uitslag was, dat de commissie aarzelde om het werk aan een definitieve versie van het Dienstboek ter hand te nemen. Dat werd versterkt door de matige waardering voor een juridische binding van voorgangers en gemeenten aan het Dienstboek. De secretaris van de commissie, A.W. Lazonder, stelde: "Litur­gie is toch geen eens voorgoed afgesloten zaak, maar een levende en mits­dien bewege­lijke levens­functie van de kerk."[6]


De aard van de werkzaamheden voor een nieuwe gezangbundel begon zich mede ten gevolge van het Nocturnen-project te wijzigen. De aandacht verlegde zich van bestaande naar nieuwe liederen. De gezangencommissie was namelijk in 1956 en volgende jaren aangevuld met dichters, onder wie ook Barnard, die het einde van de werkzaamheden aan de nieuwe psalmberijming in zicht zagen komen. In december 1958 zou onder auspiciën van de daartoe in het leven geroepen Interkerkelijke Stichting voor de Psalmberijming een proefbundel met 110 psalmen verschijnen, in 1961 gevolgd door een proeve van het volledige psalter. Maar de dichters drukten niet alleen met de produktie van nieuwe liederen hun stempel op de gezangencommissie. Tevens gingen zij, met hun vaak hoge waardering van de oorspronkelijke teksten van bepaalde gezangen, en met hun sterk poëtisch ontwikkeld taalgevoel, in snel toenemende mate ook de besluitvorming over de bestaande gezangen beheersen. Toen in 1961 de contouren zichtbaar werden van de nieuwe bundel die de Hervormde commissie voor ogen stond, werd duidelijk, dat de gezangen uit de 'bundel '38' daar maar een klein deel van zouden uitmaken en dan nog in sterk gewijzigde vorm. Het werk van de com­mis­sie kan verder grotendeels buiten beschou­wing blijven, omdat er elders reeds uitge­breid over is gepubli­ceerd.­[7]

 

In de loop van de jaren vijftig kregen de Hervormden en de Gereformeerden in de eredienst in toenemende mate met dezelfde onderwerpen te maken. We zagen in hoofdstuk 6 al, dat dat op synodaal niveau het geval was met de psalmberijming en de gezangbundel. Het kwam aan het einde van de jaren vijftig ook tot uiting in de zorg die beide koesterden over de verminderende belangstelling voor de tweede dienst. Dit punt werd onderwerp van bespreking in de Raad voor de Eredienst.[8] In het verschijnsel dat de middag- of avonddienst een doublure van de morgendienst werd, zag de raad een "degradatie" van de tweede dienst, die niet bevorderlijk was voor het bezoek aan die dienst. In de Hervormde kerkorde werd niet over een tweede dienst gesproken. Wel was er een verwijzing te vinden naar de leerdienst, maar die hoefde niet per se een tweede dienst te zijn: "in de leerdiensten kan ook gehandeld worden over de belijdenisgeschriften, in het bijzonder de Heidelbergse catechismus."[9] De situatie in de Gereformeerde Kerken verschilde in zoverre, dat in elke kerk twee diensten gehouden moesten worden en dat het karakter van de beide diensten onderling verschilde door de verplichte catechismusprediking eenmaal per zondag. Maar ondanks het onderscheid tussen beide zondagse diensten openbaarden zich ook daar juist in de tweede dienst de eerste tekenen van een teruglopende belangstelling. Zowel in de Gereformeerde Kerken als in de Hervormde Kerk zou de specifieke vormgeving van de tweede dienst eerst in de loop van de jaren zestig een onderwerp van nadere bezinning vormen en verder worden uitgewerkt.[10] Op de punten waar het contact in de tweede helft van de jaren vijftig al wel concreet gestalte kreeg, was de onderlinge verhouding welwillend, maar onwennig. Een drietal voorbeelden kan dat illustreren.


Het eerste voorbeeld betreft de samenwerking tussen de Hervormde commissie voor de gezangen en het Gereformeerde deputaatschap voor de herziening en uitbreiding van de 'Enige Gezangen', die zoals we reeds zagen in 1954 geïnitieerd was.[11] Samen kwamen ze tot de conclusie, dat er veel meer tijd voor het samenstellen van een verantwoorde nieuwe bundel nodig zou zijn, dan aanvankelijk was voorzien. Toch konden beide instanties hun synoden reeds in 1959 een gelijkluidende verzameling liederen voorleggen.[12] Deze verzameling bestond voornamelijk uit gerevideerde gezangen uit de 'bundel '38'. Het ideaal dat zowel de commissie als het deputaatschap voor ogen had, verschilde echter van de wens van vooral de Gereformeerde synode om te komen tot een bundel met een beperkte omvang. Haar moderamen wist het moderamen van de Hervormde synode bij herhaling te bewegen, de gezangencommissie tot spoed te manen bij het afronden van de revisie-werkzaamheden. Dit deed de weerzin onder met name de Hervormde dichters groeien. Zij wilden voldoende gelegenheid hebben om goede teksten te kunnen afleveren. De contacten verliepen steeds stroever en zouden uiteindelijk van Hervormde zijde in 1962 volledig worden afgehouden.[13]


Het tweede voorbeeld heeft betrekking op het Dienstboek en dateert uit de jaren 1956 tot 1958. Hoewel de Hervormde Raad voor de Eredienst bij gerucht wist van de ontwikkeling van nieuwe formulieren aan Gereformeerde zijde, besloot hij op aanwijzing van het moderamen van de synode niet te reageren, maar af te wachten.[14] De Gerefor­meer­de deputa­ten voor de herziening van de liturgi­sche formulieren wendden zich conform hun op­dracht onder meer tot de synode van de Hervormde Kerk.[15] Ze vroegen daar­bij, of er de be­reid­heid bestond "samen te werken om onder Gods zegen te komen tot één kerkboek voor de Kerken van gere­formeerde belij­denis".[16] De Hervormde synode mach­tig­de in de zomer van 1957 de Raad voor de Eredienst­ om hiertoe con­tact te onderhou­den met de Gerefor­meerde deputaten, zij het dat ze zich het recht voorbehield aan dit dienstboek ook eigen formu­lieren toe te voegen. Intus­sen was het verzoek van de Gereformeerde deputa­ten om een kritisch oordeel over hun ontwerpen door het modera­men van de Her­vormde synode al door­ge­speeld aan de Raad voor de Eredienst­.[17] Het was uiteinde­lijk de commis­sie dienst­boek, die het commen­taar verzorgde. Uit het jaar­over­zicht van de Raad voor de Eredienst over 1958 blijkt, dat het com­mentaar de ontwerpen niet spaarde, maar toch wel­wil­lend van toon was.[18] Een belang­rijk be­zwaar betrof de over­heersende rol die de didac­tiek in de Gerefor­meerde formu­lieren speelde. Nu was het Dienstboek daar beslist ook niet vrij van, maar de leerstellige formulieren waren daar steeds onderdeel van een orde van dienst. Geen van de vol­gende rappor­ten van de Gere­formeerde deputaten maakt mel­ding van de Her­vormde reac­ties. Omge­keerd was in de latere stukken van de Hervormde Raad voor de Eredienst evenmin iets te bespeuren van een inbreng van Gereformeerde zijde.

Het derde voorbeeld dat de Hervormd-Gereformeerde verhoudingen tekent, stamt uit 1961 en heeft opnieuw betrekking op het Dienstboek. In een overleg op 24 april 1961 tussen de moderamina van de Hervormde en de formeel al gesloten Gereformeerde synode (Utrecht 1959-60) vroegen de Gereformeerden toestemming om teksten uit het Dienstboek over te nemen.[19] Die toestemming kregen ze en afgesproken werd, dat de betrokken Gereformeerde deputaten het initiatief zouden nemen voor nader overleg. De reactie in de Hervormde Raad voor de Eredienst laat zien, hoe men in de Hervormde Kerk op dat moment tegen de ontwikkelingen aan Gereformeerde kring aan keek en hoe gebrekkig de communicatie toen nog was. Lekkerkerker meende op 3 mei 1961 namelijk: "Aan te nemen valt dat de Gereformeerde Kerken nog niet toe zullen zijn aan een vernieuwde orde III voor de viering van het Heilig Avondmaal (een liturgisch formulier)".[20] Toch was op dat moment in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, die in de Gereformeerde Kerken snel aan invloed won, in principe al een orde aangenomen die sterke gelijkenis vertoonde met avondmaalsorde III uit het Dienstboek, ja zelfs nog verder ging, doordat elke vorm van onderwijzing eruit weggelaten was. Vanwege de mogelijke vertraging in de herziening van het Dienstboek besloot de raad een formeel verzoek tot overleg en samenwerking af te wachten. Met de daadwerkelijke herziening van het Dienstboek was overigens nog nauwelijks een begin gemaakt. Evenals in de twee voorgaande voorbeelden was ook inzake het Dienstboek in 1961 onduidelijk welk belang vooral de Hervormde Kerk bij de samenwerking had. Zij had in de 'bundel '38' al een belangrijke basisverzameling met gezangen en in het Dienstboek een indrukwekkende hoeveelheid orden en formulieren voor verschillen­de gelegenheden. Aan Gereformeerde zijde moest men met de ontwikkeling daarvan nog bijna van voren af aan beginnen. Onduidelijk was bovendien, in welke richting de Gereformeerde Kerken zich zouden ontwikkelen en of de tendens van vernieuwing zou doorzetten. Een en ander laat echter onverlet, dat de basis voor een gezamenlijk optrekken in uiteenlopende liturgische zaken reeds in het midden van de jaren vijftig werd gelegd.

 

 

8.2         De historisch-oecumenische oriëntatie van de Gereformeerde Werk­groep voor Liturgie

 


Van groter belang dan de Hervormde ontwikkelingen, zeker voor hetgeen de Gereformeer­de synode op korte termijn zou beslui­ten, was de bezinning die in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie plaats­vond. Het is niet zo eenvou­dig, een goed beeld te krijgen van hetgeen na het eerste half jaar van haar bestaan in de werk­groep gebeurde. De correspon­dentie van enkele werkgroeple­den maakte het mogelijk de voor­bereidingen en de start van de werkgroep te beschrijven. Voor het vervolg biedt deze bron minder moge­lijkheden. Van een groot aantal bijeenkomsten is geen enkel verslag bekend. Hier en daar zijn persoonlijke aanteke­nin­gen gemaakt, maar die zijn voor derden achteraf niet altijd goed te inter­preteren. Ondui­delijk is bijvoorbeeld, wie na verloop van tijd lid waren van de werkgroep. Gestencilde leden­lijsten bestonden nog niet, terwijl de financiële admini­stratie van de werk­groep met een over­zicht van de contributies bij de laatste pen­ning­meester is zoekge­raakt. Naar bepaalde gebeurte­nissen en zeker naar de achter­gronden daarvan valt zodoende slechts te gissen.

 

Visie op de liturgie

Uit enkele mededelingen van het bestuur blijkt, dat in de tweede helft van 1957 het werk geconcentreerd werd in de secties, met name de historische en de dogmati­sche.[21] Dat was ook nodig, omdat de werkgroep zich ten opzichte van de liturgische situatie in de Gereformeerde Kerken wel duidelijk had geprofileerd, maar haar grenzen tot bijvoor­beeld de liturgi­sche beweging in de Hervormde Kerk nog niet duidelijk had vastgesteld.


Bakker presenteerde de bevin­dingen van de dogma­tische sectie op een plenaire vergadering van de werkgroep op 6 januari 1958.[22] Bij de totstandkoming hiervan was ook Ber­kouwer be­trokken ge­weest, die adviseur van de werkgroep werd en mogelijk ook op de 6e januari aanwe­zig was.[23] Verder bezoch­ten in ieder geval Dijk, De Jong, Koole, Lammens, Lange­dijk, Nauta, Schee­res en De Vries de vergadering op deze dag geheel of gedeelte­lijk. Als gast was de Hervormde Vos aanwe­zig. De eerste stel­ling die Bakker onder de titel "de zin der litur­gie" naar voren bracht, luidde: "Als verbi­zonde­ring van het leven met God is de ambte­lijk geleide litur­gie de corpora­tieve acte, waarin voor de gemeente van Christus de gemeen­schap met haar Heer [zich] realiseert en als het geschenk van zijn genadige tegenwoordigheid beleefd wordt."[24] In deze en volgende stellingen wordt de eigen posi­tie ten opzich­te van de door Van der Leeuw vertolkte opvattin­gen gemarkeerd, zij het dat die dichter worden genaderd dan door Dijk enkele jaren tevoren. Zo krijgt bijvoorbeeld het ambt een bescheiden, maar eigen plaats in de beschou-wingen. Dijks term "actus populi Dei"[25] wordt inge­ruild voor "corpo­ra­tieve acte". Gelet op het tweede deel van de stelling zal het predikaat corporatief betekenen, dat in de handeling van de liturgie God en mens organisch met elkaar verbonden zijn. Dijk had in zijn beschouwingen gesteld, dat de gemeente subject van de eredienst is. Dat sluit de dogmatische sectie duide­lijk uit: voor de gemeente­ reali­seert zich de gemeenschap met haar Heer. Zij kan Zijn tegen­woordigheid op geen enkele wijze oproepen of claimen. Die is een geschenk, genade. Tegelijk vult de sectie hetgeen Van der Leeuw voor het principe van alle liturgie hield, de "Vleeswording des Woords", op eigen wijze in. De vleeswor­ding bestaat uit "het aannemen en ver­zoenen van de menselijke schuld door de barm­hartigheid Gods."[26] Zij wordt derhalve niet zozeer verbonden met de schepping, zoals bij Van der Leeuw, als wel ingevuld vanuit het begrip her­schep­ping. Op grond van deze invulling kan dan ook gesteld worden: "Het komen Gods in de litur­gie rust in het komen Gods in de Vlees­wording des Woords". De sacramenten krijgen in de visie van de dogmatische sectie een eigen functie. Ze verzege­len het Woord en vormen "de grendel (...) tegen de spirituali­se­ring, indivi­dua­lisering en collec­tivering van het heil." Het samen-zijn van Woord en sacrament behoort in de liturgie "als in Gods heilsoeco­nomie gefundeerd tot zijn recht te ko­men." In deze benadering wordt in de liturgie "het geloof zicht­baar als het wezen van de nieuwe mens." Om "het alles-omvat­tende karak­ter van dit nieuwe leven" tot uitdruk­king te kunnen brengen is in de eredienst meer aandacht nodig voor lofverhef­fing, aan­bid­ding en gemeenschaps­oefening.[27]

Een tweede serie stellingen betrof de verhouding tussen predi­king en sacrament, die Bakker als persoonlijke "conclusies" presen­teer­de en waarmee hij een brug sloeg naar de liturgische praktijk.[28] Deze conclusies vertonen eveneens verwantschap met het gedach­ten­goed van Berkouwer, zoals hij dat in zijn studie De sacramenten had neergelegd. Bakkers eerste conclusie zette de toon: "Predi­king en Sacra­ment kunnen vol­waardig naast elkaar functi­one­ren." Maar hij voegde daar direct aan toe: "Met de onder­linge relatie tussen die beide zijn we nog niet klaar." Voor Bakker ging het niet om Woord en sacrament, maar om prediking en sacra­ment, net als indertijd bij een van de meer gematigde leden van de Liturgische Kring, Bakhuizen van den Brink. In de liturgiehistorische lezingen van De Jong over Cal­vijn uit maart en mei 1957, waarin vooral aansluiting werd gezocht bij diens prak­tijk, waren dezelfde termen gebruikt.[29] Bakker nuanceerde op deze wijze Berkouwer enigszins, die enkele jaren tevoren de verhou­ding tussen Woord en sacra­ment in de ere­dienst had behandeld en dáárover had geconclu­deerd: "In het tweevoudige worden we gesteld voor het éénvou­dige en enkel­voudige van het zekere heil Gods."[30] Hoewel Bakker over de onderlinge relatie nog verder van gedachten wilde wisselen, durfde hij nu toch al een voor­zet te geven: "Predi­king en Sacrament houden elkaar op de been. De predi­king betuigt de waarheid van het Sacrament. Het sacrament betuigt de werke­lijkheid van de prediking." Op basis hiervan meent hij tot slot: "De 'hoofd­dienst' kan niet volle­dig ge­noemd worden, als niet beide worden bediend."


De teneur van beide reeksen stellingen vertoont sterke gelij­kenis met "De Hervormde kerkdienst. Proeve van een omschrijving" uit 1950. Maar de formule­ringen zijn scherper, directer en dwingender dan in de Hervormde proeve. Dat komt in het bijzon­der tot uiting in Bakkers laatste conclusie. Een dienst zonder avondmaal is "niet volledig". De Her­vormde proeve formuleerde voorzichtig: "Het zou (...) een zegen zijn, wan­neer het ge­bruik van het heilig sacrament des Avondmaals weer haar recht­matige plaats in de samenkomst der gemeente zoude inne­men".[31] Nu moest de Hervormde proeve acceptabel zijn voor de Hervormde Kerk in al zijn geledingen, terwijl de werkgroep in haar bezin­ning een derge­lijke directe verantwoordelijkheid ten aanzien van de Gereformeerde Kerken niet had. Toch laat een vergelijking met de stevige kritiek die Dijk enkele jaren eerder had geuit, andermaal zien, hoezeer de theologi­sche bezinning op de eredienst in de Gereformeerde Kerken fundamen­teel aan het veranderen was. De afwerende, apologetische benadering had plaatsgemaakt voor een welwillende, zij het kritische verwer­king van elders ontwikkelde denkbeelden. Het is onbekend, hoe de aanwe­zigen op Bakkers presentatie van de dogmatische sectie reageerden. Veel tijd was er voor dit punt in ieder geval niet vrijge­maakt op de agenda. Enkele maanden later dook het thema ineens weer op, hetgeen erop wijst dat er nog onduide­lijkheden bestonden en dat niet iedereen was over­tuigd.

Na de inleiding van Bakker en de behandeling daarvan kon de werkgroep een begin maken met een meer praktische benadering van de liturgie. In dat kader stond het overleg, dat in de­zelfde vergadering plaats vond met Dijk en Koole, de werk­groepleden die in het depu­taatschap voor de herziening van de liturgische formu­lieren zitting hadden. Dijk wilde de werkgroep werkzaamheden laten verrichten ten behoeve van het deputaatschap.[32] Ze zou studie kunnen doen naar zaken, waar het deputaatschap niet aan toegekomen was. De werkgroep reageerde echter afhoudend en be­sloot verder te gaan op de door haar zelf gekozen en inge­slagen weg.

 


Een vergelijkbare onafhankelijke houding nam de werkgroep op deze eerste vergadering in 1958 ook aan inzake de medewerking aan Kerk en Eredienst. Dat kan met behulp van gegevens uit het archief van het tijdschrift worden vastgesteld.[33] ­Redactiesecretaris Vos had, vanwege de noodzaak om de basis van het blad te verbreden, al ver­schillende pogingen ondernomen om de werkgroep over te halen nauwere banden aan te gaan met Kerk en Eredienst.[34] Naar zijn zeggen be­stond er bij de werkgroep aanvanke­lijk "zeer veel enthousias­me" voor "medewerking aan of samen­werking met" het tijd­schrift. Vos' aanwezigheid op de vergadering onderstreepte nog eens de wens van de redactie om de werkgroep aan zich te binden. De vergadering verliep voor hem teleur­stel­lend. Hij meende onder "de jonge­ren" sterk verlangen naar nauwer contact te bespeu­ren, terwijl de "oudere garde" daar "zeer gereserveerd" tegen­over stond. Praktisch voegt Vos daar in zijn verslag voor de redactie de opmerking aan toe, dat van hen toch in eerste instantie de artikelen zouden moeten komen. Vos meldt dat er voor de werk­groep drie redenen waren om niet aan het verzoek van de redac­tie tegemoet te komen. De werk­groep achtte zich "in het huidi­ge stadium in het geheel niet capabel". Verder geeft hij een argu­ment door, dat vanuit de werkgroep in een eerder stadium ook al eens naar Kerk en Eredienst toe was ge­bruikt, "dat men zich niet wilde compro­mitteren".[35] Het vertrou­wen moest eerst in eigen kring gewonnen wor­den. In de derde plaats wilde de werk­groep nader overleg met de redactie van het op oecumenische vraagstukken gerichte Uitzicht afwachten. In de praktijk zou dit besluit gaan bete­kenen, dat de werkgroep zich aan geen enkel tijd­schrift bond, ook niet aan Kerk en Eredienst, al bleef de redac­tie van dit periodiek hopen, dat de incidente­le medewer­king van enkele leden van de werkgroep op termijn zou kunnen worden omgezet in permanente samenwerking.[36] Ondanks het gebrek aan een eigen blad, wist de werkgroep zich bekendheid te verwerven, en wel door enkele voorstellen aan de synode, onder meer inzake de nieuwe gezangbundel. Voor het overige profileerde ze zich maar in beperkte mate als groep, al kreeg ze daartoe wel de nodige kansen.[37] Haar ge­dachten­goed vond even­wel brede versprei­ding, doordat de leden op per­soonlij­ke titel over de bevindin­gen van hun eigen onder­zoek en dat van de werk­groep publiceerden. Naast Kerk en Ere­dienst en het daarop volgende Jaarboek voor de Eredienst plaats­te Uit­zicht enkele bijdragen van een werk­groep­lid. De Jong en Schee­res werden uitge­nodigd voor onder meer De strij­dende Kerk te schrij­ven. Bakker had bij­voor­beeld het Gerefor­meerd Week­blad tot zijn beschik­king. Met Nauta ver­zorg­de hij litur­gische artikel­tjes voor het Ouderlin­gen­blad. Daarnaast kon Bakker op zijn colleges liturgiek in Kampen zijn denkbeel­den over de eredienst een bredere bekendheid geven. De vragen rond de incarnatie, die hij in de werkgroep aan de orde stelde, besprak hij vrijwel gelijktijdig op college. Hetzelfde zou later gelden voor de problematiek van schuldbelijdenis en genadeverkondiging, een historisch overzicht van de belangrijkste orden van dienst, alsmede de bezinning die met het oog op een nieuwe Gereformeerde orde plaatsvond.[38] De aanstaande predikanten zullen wellicht een deel van deze stof in bewerkte vorm later weer aan hun gemeenten hebben doorgegeven. In ieder geval werden zij in Kampen goed voorbereid op de liturgische vernieuwing die op komst was.

Verder moet in verband met de publiciteit nog Lammens genoemd worden. Door pakkende inleidingen wist hij op bijeenkomsten van de mannenbond, ouderlingenconferenties en de predikantenvereniging belangstelling te wekken voor de ideeën van de werkgroep.

Tot slot verdient nog een punt uit deze volle januari-vergadering de aandacht: het meningsver­schil over de getijdediensten in de werk­groepverga­deringen.[39] Veronder-steld mag worden, dat zich hier ongeveer dezelfde fronten vormden als bij de discus­sie over de medewerking aan Kerk en Eredienst, namelijk tussen jongeren en ouderen, studenten en anderen. ­Het conflict werd niet opgelost. De bestaande prak­tijk met de getij­de­dien­sten werd gehand­haafd. Achter deze con­tro­verse tussen doen en denken als bronnen voor litur­gische bezin­ning doemde al spoe­dig een nieuwe con­fronta­tie op: over de mate waarin histori­sche en actuele gege­vens de gang van de ere­dienst zouden moeten bepa­len. Het waren dezelf­de groepen die daarbij tegen-over elkaar kwamen te staan.

De initiatiefnemers van de werkgroep hadden al in een vroeg stadium de orde van dienst in eigen kring ter sprake willen brengen. Anderen hadden toen gewezen op de noodzaak eerst de voorvragen te bespreken; die hadden dan ook de agenda beheerst. Het was Lammens die er op de vergadering van de 6e januari 1958, een van de eerste bijeenkomsten waarop hij aanwezig was, in slaagde de gehele werkgroep achter zijn voorstel te krijgen, nu verder te gaan werken aan de orde van dienst.[40] Het bleef niet bij deze ene keer, dat Lammens de leden van de werkgroep overtuigde. Heemskerk zegt over hem: "Dat was een geweldig stimu­lerende fi­guur. Lammens wist de dingen te verkopen." Hij "kon ook goed bemid­delen."[41] Deze eigenschappen, die Lammens ook in zijn activiteiten voor het jeugdwerk goed van pas kwamen, zouden later nog meer­malen sterk naar voren ko­men.[42]

 

Visie op de orde van dienst


Al op 25 februari 1958 kwamen de dogmatische en historische sectie bij elkaar om op basis van de besproken stellingen en conclusies te gaan werken aan de orde van dienst.[43] Het onder­werp werd inge­leid door De Jong. Geheel in overeenstemming met de traditie van de Gereformeerde Kerken houdt hij een pleidooi om de eenheid in de liturgie te bevorderen. Dit zou in het bijzonder tot uiting moeten komen in een algemeen aanvaarde en verantwoorde orde van dienst. Eerst daarmee kan liturgische wanorde en willekeur daadwerke­lijk bestreden worden. Het uitgangspunt daarvoor vindt hij in 1 Corinthe 14: 33 en 40. De Jong meent in de liturgiege­schiedenis een grondstruc­tuur voor een verantwoorde orde op het spoor te kunnen komen. In de veelheid en verscheidenheid van liturgieën door de eeuwen heen valt steeds weer eenheid van opbouw te ontdekken. Een derge­lijke eenheid overstijgt de mening en de keuze van een indivi­du, of zelfs van een groep individuen. In de be­schrijving van de orde begint De Jong bij hetgeen hij als het hart van de eredienst be­schouwt, de bedie­ning van het Woord en de bedie­ning van het avondmaal. Deze twee brandpunten - een term die hij ontleend zal hebben aan vertegenwoordigers van de Hervormde liturgische beweging[44] - zijn voor de structuur van de orde princi­pieel onop­geef­baar en te herleiden tot het Nieuwe Testament. Ver­volgens noemt hij twee andere wezenlijke, even­eens bijbelse, maar aan de twee brand­punten onderge­schikte ele­menten: gebed en offe­rande. Het zwaartepunt van deze twee ligt tussen de beide brandpun­ten, maar wat betreft het gebed dient er nog een nader onder­scheid gemaakt te wor­den. Sommige gebe­den horen specifiek bij de Woorddienst thuis, andere bij het avondmaal. Het ideaal van De Jong is: één orde op papier te krijgen, die al naar gelang de wens van de be­trokkenen in uitgebreide en in sobere vorm gevolgd kan worden. Eerst zal het erom moeten gaan op papier de "twee-eenheid van de Ere­dienst" te herstel­len en een orde voor de dienst van het Woord en van het avond­maal te ontwerpen. Daarvanuit kan worden overgegaan tot het her­stel van de "eenheid van de Woord­dienst". In het betoog moeten de vele varianten op de Gereformeerde orde uit 1952, maar ook de vele orden in het Hervormde Dienstboek het bij herhaling ontgelden. Waardering daarentegen is er voor de keuze van de Evangelisch-Lutherse Kerk om de beide varianten van de hoofddienst in haar Dienstboek te baseren op dezelfde structuur.[45] Omdat zijn betoog zich richt op de een­heid van de structuur, laat De Jong zich nauwelijks uit over de mate waarin de invulling van de structuur aan bepaalde grenzen gebonden is. Wel merkt hij op: "Met de éne vorm hebben we de Liturgie direkt al doodge­maakt." Op basis hiervan mag vermoed worden, dat hij binnen de ene structuur variatie in vormen en in de inhoudelijke vulling daarvan gewenst achtte.


In de bespreking werd volgens het verslag een groot vraagte­ken geplaatst bij de noodzaak om tot eenheid in de liturgie te geraken.[46] Voor de eenheid van de kerk is de belijdenis pri­mair, zo meende een deel van de aanwezigen. De eenheid van liturgie is daaraan onderge­schikt. Hiermee verwoordde men de hoofdlijn van Kuypers argumentatie in zijn Tractaat, maar ging men voorbij aan diens conclusie dat de eenheid van belijde­nis juist ook in de eenheid van liturgie tot uiting zou moeten komen.[47] Ook De Jong week van Kuypers redenering af. Hij legde alle accent op de eenheid van liturgie, maar ruilde de daarachter liggende eenheid van belijdenis in voor de eenheid van liturgische structuur in de kerk door de eeuwen heen. Achter het meningsverschil over de eenheid van liturgie lag derhalve een verschil van inzicht over de norm voor kerk en eredienst. Een ander bezwaar dat in de bespreking naar voren werd gebracht is de beperk­te rol, die de bijbelse gegevens in de benade­ring van De Jong innamen. Sommigen meenden dat daar veel meer mee te doen zou zijn ­en pleitten op basis van gegevens uit de Schrift voor een terugkeer naar de huisge­meente. Een groot deel van de discus­sie werd gewijd aan het eerste deel van de zondagmorgendienst, vooraf­gaande aan de eigenlijke dienst van het Woord. Een aantal aanwezigen wilde zich beslist niet vastleggen op een vaste plaats voor bepaalde gebeden. Zij voerden bij bijvoor­beeld het interces­siegebed aan, dat "gezien de inhoud van de preek het gebed nu eens beter volgen kan, dan weer beter kan voorafgaan." Het zou volgens hen soms ook een plaats in het eerste deel van de dienst kunnen krijgen. Uit dit gedeelte van de bespreking wordt andermaal duidelijk, dat een deel van de werkgroep zich sterk verzette tegen een keurs­lijf van al dan niet door de historie vast­gelegde elementen.


Over het verslag van de gezamenlijke sectievergadering waren Heemskerk en De Jong nogal teleurgesteld, zo blijkt uit enkele brieven.[48] Mogelijk waren ook de reacties op de vergade­ring zelf hen tegengevallen. Volgens Heemskerk nemen in het ver­slag de opvattin­gen van J.H. Bavinck een overheersende plaats in. Die wil, volgens hem, "met behulp van Bijbelse en psychologi­sche gege­vens nieuwbouw beproeven, zonder zich gebonden te voelen aan de continuïteit der ge­schiedenis."[49] Dit klopt in zoverre, dat Bavinck vooral oog had voor de discontinuïteit van de geschiedenis, en uitgaande van bijbelse gegevens een belangrijk deel van die geschiedenis als deformatie beschouwde.[50] Gelet op zijn uitlatingen in het Gereformeerd Weekblad enkele maan­den eerder, zocht Bavinck de eenheid, "eenstemmigheid", slechts in de eredienst zelf van "de oudste Christelijke Kerk", de nieuwtestamentische gemeente.[51] Zij krijgt daar gestalte in Woord en sacra­ment. "En deze twee zijn een." Over dit laatste leek men het in de werkgroep wel eens te worden. Over de verdere op­bouw, de orde, al dan niet vast­ te leggen door kerkelijke vergaderin­gen, liepen de meningen uiteen. Een en ander laat daarom het verde­re commentaar van Heemskerk op Bavincks op­stelling onver­let: "hiermee is dan de deur openge­zet voor een tomeloos individua­lisme".[52] Van een benade­ring als die van Bavinck wilde ook De Jong niets weten, zo blijkt uit een nadere analy­se van zijn inlei­ding. De Jong maakt twee belang­rijke, met elkaar samen­hangen­de keuzen. Hij meent, dat de liturgiege­schiedenis de elementen kan bieden voor de verde­re ontwikke­ling van de ere­dienst in de Gereformeerde Kerken. Vervolgens stelt hij, dat uit de histori­sche gegevens één duidelijke grond­structuur voor de orde van dienst gedistil­leerd moet worden. Wat be­treft het eerste ver­wijst De Jong naar Lekkerkerker. Die acht voor verdere ontwik­keling kennis van de litur­giegeschie­denis van groot belang, ook als daarbij de grens van de Refor­matie overschreden wordt.[53] De Jong noemt niet het tweede aspect, dat volgens Lekkerkerker in een schriftuurlijk verant­woorde bezin­ning op de eredienst in acht genomen moet worden: "de verant­woor­de­lijkheid voor het he­den".[54] Lekkerkerker wijst daarbij in het bijzon­der op de verstaanbaar­heid "voor de mens van van­daag, d.i. kort en modern."[55] Ver­moe­delijk vrees­de de Jong bij het honoreren van deze benade­ring naast de histo­rische met de werkgroep in een oeverloze discus­sie over de liturgische orde te belanden. Dit vermoeden wordt bevestigd door de tweede keuze die De Jong maakt, name­lijk het willen vinden en gebrui­ken van de princi­pi­ële een­heid die achter de uiteenlo­pen­de histo­risch gegroeide orden gelegen zou zijn. Hij citeert daarvoor met instem­ming uit enkele artike­len van J.M. Gerrit­sen in Kerk en Ere­dienst.[56] Deze had over ver­schillende litur­gie­ën in de loop der eeuwen geconclu­deerd: "het is alles in de grond van de zaak eén vorm van eere­dienst". Als de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie dat uitgangspunt tot het hare zou maken, zou in de werkgroep slechts een zakelijke discussie met historische argumenten gevoerd hoeven te worden.

 

Het model van een orde voor de zondagmorgendienst

In twee volgende sectievergaderingen, op 6 mei en 24 november­ 1958, verdiepte de werkgroep zich in de verhouding tussen prediking en sacrament en ging ze na, hoe Gods genade gestalte krijgt in de liturgie. De eerste vergadering werd ingeleid door Bakker, de tweede door de Kamper hoogleraar A.D.R. Polman.[57] Van Bak­kers inlei­ding is een verslag bewaard gebleven, van Polmans rede slechts de titel: "Het genade-begrip in de Oude Kerk". Men krijgt de indruk, dat de vergaderingen een sterk dogmati­sche inslag droegen. Bakker bijvoorbeeld voerde de onderscheiden wijzen waarop protestanten en katholieken de sacramenten benaderden, terug op verschil in inzicht in de verhou­ding tussen geloof en genade. Hij waarschuwde daarbij tegen een devaluatie enerzijds van de prediking en anderzijds van de sacramenten. Hoewel deze bijeenkomsten geen direct praktisch liturgisch nut hadden voor de werkgroep, had zij ze wel degelijk nodig, evenals eerdere reflectie op vergelijkbare onderwerpen.[58] De Jong mocht de vergaderingen dan achteraf typeren als een afwijking van de gewenste koers, een "ronddwalen", juist het voortgaande gesprek over de genoemde thema's wijst erop, dat over de grondslagen en de principiële benadering van de liturgie binnen de werkgroep nog onvoldoende overeenstemming bestond.


De vergaderingen versterk­ten onder de werk­groeple­den de overtuiging, dat predi­king en sacra­ment beide onder­deel dienen uit te maken van de zon­dag­morgen­dienst. Dat blijkt wel in het bijzonder uit de aanteke­ningen en brieven die een reconstruc­tie mogelijk maken van de plenaire vergade­ring op 14 januari 1959.[59] Er vond toen een nabespre­king van De Jongs inleiding over de orde van dienst plaats. De werk­groep slaagde er ver­volgens in, tot over­eenstem­ming te komen over een op te stellen con­cept-orde. Nauta en Koole zouden de werkgroep van de noodzaak van een orde hebben weten te over­tuigen. De vast­ge­stelde orde zag er als volgt uit:[60]

 

Introïtus

Verootmoediging

DIENST DES WOORDS                                  Gebed om verlichting

Schriftlezingen

Prediking

Geloofsbelijdenis

Dienst der offerande

Dienst der gebeden (voorbeden)

VIERING VAN HET HEILIG AVONDMAAL               Sursum Corda

Eucharistisch gebed

Inzettingswoorden

Anamnese

Epiclese

Onze Vader

Communie

Postcommunie

Zegen

 

De structuur die dit overzicht biedt komt in belangrijke mate overeen met De Jongs overzicht van Calvijns orde uit Straats­burg 1542 (en 1545).[61] Wat betreft de posi­tie van de ge­loofs­belijde­nis en de nadere invulling van het avondmaalsge­deelte heeft de werkgroep teruggegre­pen op andere, deels voor-reformatori­sche, tradities. Het is onduidelijk, hoe en waarom de werkgroep tot precies deze, vanuit Gereformeerde optiek sterk afwijken­de invulling van het avondmaalsgedeelte kon komen. Er kan gebruik gemaakt zijn van het vergelijkend over­zicht in Lekker­kerkers Kantteke­ningen bij het Hervormde Dienstboek III.[62] Daarin komen alle gebezigde termen voor, zij het niet in één en dezelfde orde.  


Toen de orde eenmaal was vastgesteld, werden, op voorstel van Lammens, de dogmatische en historische sectie vervangen door een sectie die zich met name zou bezig houden met het eerste deel van de orde (tot en met de dienst der gebeden), en een sectie die zich zou con­centreren op de elementen van het tweede gedeelte.[63] In de zo genoemde 'sectie I' namen de volgende leden zitting (tus­sen haakjes staat vermeld welk onderdeel van de dienst de betrok­kene nader moest bestuderen, voorzover be­kend):[64] Bavinck, Bel (offerande), Van den Berg, Fennema (Cre­do), Heemskerk (offeran­de), Koole (groet, zegen), Lange­dijk en De Vries (gebeden). In sectie II waren dat: Bakker (prefa­tie), Bis­schop (communie, postcommunie), Van Egmond (Onze Vader), G.P. Hart­velt, De Jong (gebeden, zelfonder­zoek/Sur­sum Cor­da), Lammens (anamnese), Schee­res (epicle­se) en J. Wes­sel.[65] De taak zich te bezinnen op de anamnese in de avondmaalsliturgie zou voor Lammens wel eens een belangrijke aanzet geweest kunnen zijn voor zijn proefschrift Tot Zijn gedachte­nis.[66] In een overzicht van de door de werkgroep aanvaarde orde noteerde hij bij zijn naam en onderdeel: "vanwaar formulieren?". Deze vraag zou in het bijzonder in de vijftiende stelling bij zijn proefschrift worden beantwoord. Die stelling luidde: "De voorlezing van een breedvoerig didaktisch formulier bij de avondmaalsviering is in strijd met de intentie van het nieuwtestamentisch anamnesewoord."[67]

Gelet op de invloed die de besluiten van deze plenaire verga­dering van de werkgroep op langere termijn zouden uitoefenen, is het nodig er nog even langer bij stil te staan. Hoe heeft men diegenen meegekregen die aandacht vroegen voor de ver­staanbaar­heid van de eredienst voor de moderne mens? De samenbindende persoonlijkheid van Lammens is een belangrijke factor.[68] Maar ook de terughouden­de opstelling en afwezigheid van sommige leden zal van invloed zijn geweest. De samenstelling van de secties I en II wijst daarop. Deze secties bestonden voor het overgrote deel uit mensen, die in de eerste maanden van haar be­staan bij de werkgroep betrokken waren geraakt en zich mede daar­door het meest met het ideaal van de initiatiefnemers verwant voelden. Dege­nen die qua opvat­ting verder van hen af stonden, verdwe­nen lang­zaam uit zicht. De naam van Bavinck bij­voorbeeld werd in het vervolg nog maar een enkele keer ge­noemd. Ande­ren, als Bakker, Van den Berg en Scheeres, lieten niet na hun zorg te uiten over de houdbaarheid van de liturgie in een geseculariseerde samenleving, maar waren er tevens van over­tuigd, dat eerst de structurerende elementen uit de histo­rie moesten worden opge­diept.[69]

 


Het model van een orde voor een gebedsdienst

De structuur voor de zondagmorgendienst doet vermoeden, dat degenen die in de werkgroep een historisch-oecumenisch verantwoorde vormgeving van de eredienst voorstonden, de dienst gingen uitmaken. Dit vermoeden wordt ondersteund door een andere keuze die de werkgroep in de loop van 1959 of 1960 maakte: de orde voor de eigen getijdediensten.[70] Deze orde bevatte de volgende elemen­ten:[71]

 

Invitatorium (alleen in morgengebed)

"Heer, open mijne lippen ... ."

"Komt, laat ons jubelen ter ere des Heren ... ."

Verootmoediging (alleen in avondgebed)

"Onze hulp is in de naam van de Here ... ."

Schuldbelijdenis

Gebed van vergeving

Ingressus

"Het behage U, o God, mij te redden ... ."

"Ere zij de Vader ... ."

Psalterium

Berijmde psalm

Onberijmde psalm

Klein gloria (Gloria Patri)

Lectio

Hymne

Canticum

Oratio

"De Heer zij met u ... ."

"Kyrie eleison ... ."

Morgen- of avondgebed

Gebed van de week

Voorbeden

Stil gebed

Laatste gebed (eventueel gevolgd door Onze Vader)

Zegenbede

 


Over het wordingsproces van deze gedetailleerde orde is zo goed als niets bewaard geble­ven. Wel is het mogelijk de be­lang­rijkste wortels van deze orde op te sporen. In de struc­tuur en de benaming van de onderdelen is deze orde sterk afhankelijk van die in het Gezang­boek der Evange­lisch-Lutherse Kerk. Morgen- en avondlied uit dit model zijn verval­len, evenals het Benedi­ca­mus voor de zegen en een typisch Luthers element als "het graduale­lied van de voorafgaande Zondag."[72] Terwijl de groet in de oratio in het Luther­se ontwerp na de gebeden een plaats kreeg, plaatste de werkgroep deze ervoor. Verder is invloed merkbaar van de orden voor het morgen- en avondge­bed in het Hervormde Dienstboek, die voor­heen op de vergade­ringen van de werkgroep geregeld werden gebruikt. De bewoor­dingen van de ingressus zijn daaruit afkom­stig, maar de toon­zet­ting en het toegevoegde klein gloria (Gloria Patri) is weer ontleend aan de Lutherse orden. De rubriek verootmoe­di­ging, met niet alleen schuldbe­lijdenis, maar ook een element van vergeving, is genomen uit het Dienst­boek. Een derde bron van inspiratie kan de uitgave Das Stunden­gebet van de Michaelsbru­derschaft geweest zijn. Die bevat namelijk het invitatiorium, dat noch in het Hervorm­de Dienstboek, noch in het Lutherse Gezangboek voorkomt.[73] Ook de ongebruike­lijke term "Gebed van de week" in de oratio vindt waarschijnlijk hier zijn oor­sprong.[74]   

Gezien de eerdere bezwaren tegen de getijdediensten die binnen de werkgroep bestonden, is deze orde opvallend uitvoerig. Ze is aan­zienlijk uitgebreider dan die uit het Dienstboek, zij het dat de daarin aanwezige apostolische geloofsbelijdenis juist niet is opgenomen. Ze vertoont zelfs bijzondere verwantschap met een van de gebedsdiensten op 11 maart 1957, die aanleiding had gegeven tot een heftige discussie over de noodzaak en het nut van de eigen getijdediensten. Met deze opzet van de getijden koos de werkgroep voor een liturgische vormge­ving die ver afstond van hetgeen in de Gereformeerde Kerken op dat moment gebruikelijk was, en die verge­lijkbare diensten in de lutherse, Anglicaanse en zelfs Rooms-Katholieke Kerk dicht naderde. Deze orde voor de getijde­dienst zou langs nog te be­schrijven wegen doorwer­ken in de orde voor een morgen- en avondgebed, die aan de synode van Middelburg 1965-66 werd voorgelegd.[75]

 

Verdere activiteiten


Toen op 14 januari 1959 de structuur van de zondagmorgendienst helder geworden was, kon de vraag naar de plaats en inhoud van de gebeden in de orde van dienst worden aangevat, die het deputaatschap voor de herziening van de litur­gische formulie­ren en gebeden een jaar eerder al eens gesteld had. Met Ba­vinck als adviseur gingen De Jong en De Vries met dit vraag­stuk aan de slag. Zij rappor­teerden uitge­breid op de volgende vergade­ring van de werk­groep, die van 7 april 1959.[76] Het rapport kreeg als titel Het gebed in de eredienst. Na een uitvoerig his­to­risch exposé geven de twee werkgroeple­den in hun verslag een voor­stel voor de plaats van de gebeden in de orde van dienst.[77] Zij onderbou­wen en beves­ti­gen daarmee de eerder vastge­stel­de orde van de werkgroep, die dan ook als bijlage opgeno­men is. Direct na de intrede-psalm krijgt het gebed van schuldbelijdenis een plaats. Voor de Schriftlezing dient een gebed om verlichting met de Heilige Geest te worden gebeden. Het intercessiegebed wordt uitgesproken na de preek en voor de viering van het avond­maal. Vervolgens verlegt de interesse van de Jong en De Vries voor de structuur van de orde van dienst zich naar de struc­tuur van de gebeden zelf. Dat is hun belangrijkste argument voor het aanleggen van een verzameling formuliergebeden. Omdat deze struc­tuur in de bestaande, veelal vrije gebeden niet goed tot uiting komt, moet hun aantal worden uitgebreid met voor­beelden van Calvijn, van andere kerken van het gerefor­meerde type en eventueel ook van de 'oude kerk'. Het Onze Vader zou onder verwijzing naar Kuyper het model dienen te zijn voor elk gebed en in de ere­dienst vooral tot besluit van de voorbeden gezegd dienen te worden.

 

Op de bijeenkomst van 7 april 1959 stelde de werkgroep ook nog een brief aan de synode over de gezangenkwestie vast. Het rapport van de betrokken synodale deputaten, van wie er geen lid was van de werkgroep, was op dat moment nog niet verschenen. De werk­groep mengde zich met onge­meen felle bewoordin­gen in de dis­cussie.[78] De aanhef zet de toon: "Zij wijst op de volgende feilen in het Synodebe­leid". Een funda­menteel pro­bleem ligt volgens de werkgroep in de op­dracht uit 1952, waarin de term "schriftuur­lijk verantwoord" niet nader werd uitge­werkt. De werkgroep meent, dat in het deputaat­schap ter zake kundigen op het gebied van de kerkmu­ziek en de Neder­landse taal pijnlijk worden gemist. "De synode bleek zich in genen dele bewust te zijn van de omvang van het noodzake­lijk vooron­derzoek". Ook acht de werkgroep de selectie van de synode zelf uit 1956 van een bedenkelijk allooi, waarbij geen rekening is gehouden met het gehalte van de melodieën. Ze "verraadt een volkomen tekort aan muzikaal inzicht". De werkgroep onder­steunt het toenmalige nadere rapport van deputa­ten, dat, hoewel het "veel onverant­woorde beslissin­gen" bevatte, "een stap in de goede richting was, namelijk naar een bijbels, liturgisch en aesthetisch verant­woorde bundel". In alles laakt de werkgroep vooral de onver­antwoorde haast. Concluderend meent ze dan ook, dat de synode geen defini­tief besluit moet nemen over de uitbreiding van de gezang­bundel en de Hervormde besluit­vorming zal moeten afwachten. Deze conclusie vertoont opvallend veel overeenkomst met de wens die in de Hervormde commissie en het Gerefor­meerde deputaatschap leefde.[79] Wellicht is dit het gevolg van een gesprek dat leden van de werkgroep vol­gens de brief met het deputaatschap hebben gehad. Op verzoek van deputaten gaf ze in dat gesprek haar inzichten weer over de principes van kerk­lied en kerkmuziek.

 


Een derde element dat in het werk van de werkgroep nu meer aandacht kon krijgen, was dat van de kerkbouw. De werkgroep wijdde op 9 juni 1959 in de Hilversumse Wester­kerk een eerste plenaire bijeenkomst aan dit thema.[80] Daarin gaf de architect van het gebouw, D. Eg­berts, een introductie. Uit een kranteverslag valt op te maken, dat een belangrijk deel van de discussie zich toespitste op de thematiek van de vooraf­gaande jaren, de verhouding tussen prediking en sacra­ment, maar dan in de ruimtelijke uitwerking daarvan. Naar aanleiding van de vaste, maar in de praktijk nooit als zodanig gebruikte avondmaals­tafel in de Hilversumse Westerkerk, ontwikkelde zich een gesprek over de functie van de tafel in het kerkge­bouw. Men kwam tot de con­clusie, dat de Woordbedie­ning om praktische redenen vanaf een kansel zou moeten blijven plaats­vinden. Dit zou, als de om­standig­heden het toelieten, ook best van achter de tafel kun­nen. "De tafel ver­enigt Woord en Sacra­ment."[81] Bakker relati­veerde dit eind­punt, dat tegelijk als uitgangspunt voor verder nadenken zou kunnen dienen, ruim een maand later in het Gere­formeerd Week­blad.[82] Hij wil het belang van de tafel als "heen­­wijzing naar" niet onder-, maar beslist ook niet over­schat­ten. Hij waar­schuwt, dat het gebruik van een kerkgebouw "nooit uniform" kan worden gere­geld. Hij bepleit derhalve "aan de ene kant diep­gaande bezin­ning", maar "aan de andere kant toch ook (...) de naieve louterheid van het kind". Bakker bleef vanuit zijn oorspronkelijke zorg over de koers van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie enigszins rem­mend, maar vooral corrigerend optreden.

 

 

8.3         De houding van de synode van Utrecht 1959-60 met betrekking tot de veranderingen in de kerken

 


Op 30 juni 1959 kwam de Gereformeerde synode van Utrecht 1959-60 voor het eerst samen. Aangezien het deputaat­schap voor de herziening van de formu­lieren zijn rapport tijdig voor die datum diende af te ronden en in te zenden, had het nauwelijks gelegenheid gehad, kennis te nemen van de studie van de werkgroep over de plaats van de gebeden, die het in enkelvoud was toegestuurd.[83] Anders dan de werkgroep leggen de deputaten in hun rap­port alle nadruk op de bestaande situatie, die in belang­rij­ke mate af­wijkt van de situatie waarin de klassieke litur­gische gebeden zijn ontstaan, en daarmee van de plaats die de opschrif­ten boven die gebeden suggereren. Maar tevens laten zij in principe ruimte voor een historische benadering, door aan te geven over­tuigd te zijn "van het grote belang van een nader historisch onderzoek t.a.v. de plaats van het gebed in de eredienst en van de noodzaak om ook de gege­vens der historie tot hun recht te laten komen."[84] Dat de deputaten dit laatste desalniettemin van onder­geschikt belang achten, blijkt uit het verzoek aan de synode om een uitspraak over de herziening van de gebeden: of zij "ook bedoelt deze meer in overeen­stemming te brengen met de prak­tijk van onze liturgie"[85]. De synode ging bij de behan­de­ling in augustus 1959 niet expliciet op deze vraag in. Wel stelde R. Schippers voor, uit te sluiten dat het gebed voor de nood der christen­heid, de voorbeden, verbonden zou kunnen worden met het klas­sieke gebed voor de prediking.[86] Hoe en waar het dan wel een plaats moest krijgen, bleef open, net als bij diens eerdere voorstel­len voor de orde van 1952.[87] Op voorstel van de depu­ta­ten besloot de synode wel een selectie te doen maken uit de bestaande klassieke gebeden en deze kritisch te laten her­zien.[88] Tevens zouden de gebeden voor kerke­lijk gebruik met enkele uit het Hervormde Dienstboek moeten worden uitge­breid. Hoewel drie van de zeven deputa­ten - Van den Berg, Dijk en Koole - betrokken waren bij de werkgroep, drong het daar ontwikkelde gedachten­goed nog nauwelijks door op de synode van Utrecht 1959-60. Wel benoemde deze synode Lammens tot deputaat in plaats van Dijk, die te kennen had gegeven zich uit het actie­ve kerkelijk leven te willen terugtrekken.

De discussie op de synode over de gezangenkwestie leek aanvankelijk positief te verlopen voor de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Naast het rapport van deputaten ter zake waren vele reacties uit de kerken binnengekomen, met stevige kritiek op het werk van de vorige synode en dat van de deputaten. De brief van de werkgroep werd al kort samengevat. In het deputatenrapport zijn vooral de passages die handelen over de maatstaven voor het beoordelen van oude en nieuwe gezangen de moeite van het vermelden waard.[89] In voorgaande jaren hadden de deputaten namelijk geen verantwoording gegeven van de criteria, die zij hanteerden bij het kiezen van nieuwe liederen. Het bleken nu de volgende te zijn: niet in strijd met bijbel en belijde­nis, eenvoudig en begrijpelijk, taalkundig en poëtisch verant­woord, met voor massa-zang ge­schikte melo­dieën. De deputaten, van wie de voorzitter, P.D. Kuiper, geko­zen werd in het modera­men van de synode, deden een voorstel voor in totaal 134 gezan­gen.[90] Enke­le gezangen met een tekst of melo­die van inferieure kwaliteit hebben ze naar eigen zeggen toch opgenomen, om aan de wensen van de kerkleden tegemoet te komen.

In de eerste weken van januari 1960 boog de synode zich uitvoerig over de plannen voor een nieuwe gezangbundel.[91] Toen bleek, dat een belangrijk deel van de bezwaren uit de werkgroep ook daarbuiten leefde. Sommigen onderstreep­ten op de synode nog eens hetgeen de werkgroep te berde had gebracht. Maar ook andere aspecten werden genoemd. In veel reac­ties klonk de angst door, dat een te groot aantal gezangen het primaat van de psalmen zou kunnen aantasten. De kritieken liepen echter zo uiteen, dat de synode uiteindelijk besloot, dat de deputaten voort moesten gaan op de ingeslagen weg.[92] Dijk speelde in het be­sluitvormingsproces als rapporteur van de voorbereidende commissie een belangrijke bemiddelende rol. Het voor­stel van de commis­sie van rapport om naast het bestaande overleg met de Hervorm­den ook contact op te nemen met Christelijke Gereformeerden en Vrijge­maak­ten kwam in de definitie­ve be­sluitvor­ming niet meer voor. Maar ook voorstel­len van anderen om deskun­dig advies in te winnen bij onder meer de Gereformeer-de Werkgroep voor Liturgie gingen van tafel, met het formele argument dat de werkgroep geen kerkelijke instan­tie was. Zij was immers niet door een kerkelijke vergadering ingesteld. De samen­stelling van het depu­taatschap bleef de­zelfde.

 


Enkele weken voordat de synode zich zette aan de behandeling van de uitbreiding van de gezangbundel, had de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie besloten een poging te wagen om subsidie van de synode te verkrij­gen. De synode willigde op 13 januari 1960 het ver­zoek in en besloot de werkgroep zowel in 1960 als in 1961 met fl. 500 te ondersteu­nen.[93] Daardoor stem­de de synode indirect in met hetgeen er in de werkgroep gebeurde. Een eerder verzoek van de Van der Leeuwstichting had ze namelijk mede op inhoude­lijke gronden afgewe­zen.[94] Tot en met de ophef­fing van de werkgroep zou de Gere­formeerde synode er financieel bij be­trokken blijven.

 

Een van de meest besproken stukken van de synode van Utrecht 1959-60 was het Rapport stand geestelijk leven.[95] Dit rapport zou al spoedig een nadere bezinning in de Gereformeerde Kerken stimule­ren. Het liet zien hoe het Gere­formeerde leven ervoor stond. De samen­stellers maakten duide­lijk, dat normen en waarden aan het ver­schuiven waren, al formuleerden zij nog voorzichtig, dat "de kerkleden gevaar lopen, van den Here, Zijn Woord en zich­zelf te vervreemden."[96] In dat kader passen ook de bevindingen van het deputaatschap met betrekking tot de eredienst. Het signa­leerde vooral in de grote steden teruggang in de kerk­gang, in het bijzonder in de tweede dienst. Het vernam veel klachten over de prediking, maar meende tevens dat die vaak "te veel vrij­blijvend en niet als met goddelijk gezag bekleed, aange­hoord" werd.[97] Het ontdekte, dat het avond­maal hoog ge­waar­deerd werd, hoewel de meeste Gereformeerden niet naar een frequente­re viering verlang­den. Verder kwam het erachter, dat in grote­re kerken de veelvul­dige lezing van het doopformu­lier de beleving van de doopbedie­ning belemmerde en dat de voorbe­den doorgaans veel te overladen waren. In het verlengde van het voorgaande deed het deputaatschap ook een aantal aanbeve­lin­gen. Opvallend daaronder is vooral de aansporing, dat kerkeraden alles in het werk zullen stellen om het avondmaal veelvuldiger te vieren. De synode besprak het rapport, maar gaf geen oordeel over de gegeven adviezen. Ze zond het in juni 1960 aan de kerkeraden toe met het verzoek het op hun vergade­ringen en op wijkavonden te bespre­ken.


De conclusies en aanbevelingen over de eredienst hadden zeker bij de verspreiding van het rapport in de kerken al aan actua­liteit ingeboet. De inhoud en vormgeving van de tweede dienst was in 1959 al in de kerkelijke pers aan de orde gesteld.[98] De terugloop van het bezoek aan de tweede dienst was al gesignaleerd. Ongeveer 48 % van de gemeenteleden bezocht die in 1959, ten opzichte van vijf jaar eerder een daling van slechts 1 %, maar plaatselijk was de achteruitgang soms forser (vgl. 1964: 42 %). Al spoedig zou echter ook het bezoek aan de morgendienst verminde-ren (1954 en 1959: 54 %; 1964: 50 %).[99] Enkele classes stelden een onderzoek in naar de oorzaak van de teruglopende belangstelling in de middagdienst en probeerden daartegen een remedie te vinden.[100] Elders was de frequen­tie van de avond­maalsvie­ring al voor de verschijning van het rapport ter sprake ge­bracht, evenals de viering ervan op de Goede Vrij­dag.[101] In het voor­jaar van 1959 was in het Gereformeerd Weekblad van de hand van P.D. Kuiper een proeve van een ver­kort doopformulier versche­nen.[102] Verschil­len­de kerkelijke vergaderin­gen verzoch­ten daar­op de synode van Utrecht 1959-60, werk te maken van een derge­lijk verkort formu­lier. Hoewel er in de loop der jaren ver­schillend over een verkort doopfor­mu­lier gedacht werd en de adviserende commissie het afraadde, besloot deze synode aan deputa­ten de opdracht te geven een verkort of nieuw doopformu­lier op te stellen.[103]


Er lijkt in liturgisch opzicht aan het einde van de jaren vijftig een zekere twee­slachtigheid te bestaan in de Gereformeerde Kerken. In de plaatselijke kerken kwamen tal van vragen en problemen op, die om een oplossing vroegen. De synode reageerde daar steeds voor­zichtig, zo niet afhoudend op. Ze wilde bij­voor­beeld geen standpunt innemen over de aanbevelingen die in het Rapport stand geestelijk leven werden gedaan. Maar ze liet de deputa­ten voor de herziening van de liturgische formulieren verder werken aan hun opdrach­ten, zonder hun een strobreed in de weg te leggen. Alleen op het punt van een verkort doopformulier week ze af van de eenmaal ingeslagen wegen. De commissie van advies was er weliswaar niet voor, maar een aantal concrete verzoe­ken, mogelijk in combinatie met de desbetreffende con­clusie van het Rapport stand geestelijk leven, gaven de door­slag. Nieuwe beslissingen vielen er evenmin in de gezangenkwestie, hoewel van verschillende kanten zwaarwegende argumen­ten werden aangedragen om van koers te veranderen. De synode voorkwam hiermee enerzijds dat aan behoudende krachten werd toegegeven, die weinig of niets zagen in een substan­tiële uitbreiding van de 'enige gezangen', maar anderzijds ook, dat een veel grondi­ger herziening zou plaatsvinden. Deze voorzichtige middenkoers kwam ook tot uiting in de beslissing om de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie te subsi­dië­ren. In diverse besluiten liet de synode blijken zelf geen liturgische vraagstukken fundamenteel in studie te willen nemen, maar met de toekenning van de subsidie aan de werkgroep gaf ze indirect aan dat daar wel degelijk aanleiding toe bestond.

 

Het is niet zo eenvoudig vat te krijgen op de veranderende waardering van de eredienst in de Gereformeerde Kerken aan het einde van de jaren vijftig, een verschuiving die zich overigens deels ook in de Hervormde Kerk voordeed. De houding van de kerkgan­gers ten op­zichte van de preek wijzigde zich en deed de belangstelling voor andere elementen van de eredienst groeien. Het aloude reforma­tori­sche adagium 'praedi­ca­tio verbi Dei verbum Dei est' begon voor predikanten, maar vooral voor kerkgangers aan vanzelf­spre­kendheid te verliezen.[104] De laatsten werden zelf voorwerp van bezin­ning. Typerend voor de toenemende aan­dacht voor de plaats van de kerkgangers is een boekti­tel uit 1959: Hoe vindt u dat er gepreekt moet wor­den?[105] De veranderende houding ten opzichte van de prediking zou mede de toegenomen belangstelling voor het avondmaal kunnen verkla­ren. In de stabiele of zelfs licht stijgende deelname aan het avondmaal tussen 1954 en 1959 lijkt deze verandering tot uiting te komen, zeker als de cijfers afgezet worden tegen het enigszins dalende kerk­bezoek in het algemeen.[106] Maar op af­stand van enkele jaren zou de deelname aan het avondmaal eenzelfde beeld gaan verto­nen als de kerkgang in het algemeen. Toch stelden slechts enkelen op dit moment het verschijnsel kerk­dienst ter discussie. "Van Kerkdienst tot Dienstkerk" stond er uitdagend boven een ver­slag van een conferentie van de Werkge­meenschap Gerefor­meerde Jongeren in 1958.[107] Voor het overgrote deel van de Gerefor­meer­den echter stond niet alleen de centrale plaats van het preken, maar ook van de kerkdienst in zijn geheel vooralsnog buiten kijf.

 

 

8.4         Nadere uitwer­king van de historisch-oecumenische oriëntatie door de Gerefor­meerde Werkgroep voor Liturgie

 


De invloed van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie op de synodale besluitvorming was tot in het begin van de jaren zestig vooral indirect. De synode had de waarde van haar activiteiten erkend door het toekennen van subsidie en door het benoemen van enkele leden uit haar midden tot deputaat. Maar het was nog niet duidelijk, in hoeverre die deputaten gehoor zouden vinden voor de ideeën van de werkgroep. De concrete voorstellen die de werkgroep had gedaan, waren door de synode niet gehonoreerd. Het weerhield de werkgroep er niet van verder te werken. Ze doordacht de eerder bereikte resultaten aangaande de orde van dienst in hun consequenties voor de kerkbouw en voor de omgang met het kerkelijk jaar. In veel gevallen was de werkgroep met haar denkbeelden weinig oorspronkelijk. Het onderstaande laat vooral zien, hoe de werkgroepleden vanuit hun Gereformeerde achtergrond de confrontatie aangingen met hetgeen buiten de grenzen van de eigen kerken was ontwikkeld en hoe zij die confrontatie verwerkten.

 

Kerkbouw

In de werkgroep stond in 1960 en 1961 in het bijzonder de kerkbouw centraal. Na de eerste verkenning in juni 1959 waren Heemskerk en Langedijk aan de slag gegaan met het daar geformuleerde principe, dat de tafel Woord en sacrament verenigt. Zij werkten dit uit en legden hun bevindingen neer in een notitie "Tafel en kansel in de kerkbouw". Deze notitie werd op 4 oktober 1960 ter bespreking aan de werkgroep voorge­legd.[108] Heemskerk en Langedijk nemen hun uitgangspunt in de nieuwtestamentische huis­dienst, die rond een tafel zou hebben plaatsgevonden. Ze bestrijden het stand­punt van A.G. Luiks in diens proefschrift Cathedra en Mensa uit 1955. Luiks mengde zich met zijn onderzoek in de discussie uit de voorgaande decennia over de verhouding tussen Woord (prediking) en sacrament. Hij stelde dat uit de plaats van cathedra en mensa in de Westerse kerkge­bouwen van Noord-Afrika af te leiden zou zijn, dat de predi­king in de vroeg-christe­lijke eredienst het primaat had.[109] Luiks vertaalde dit voor nieuw te bouwen of in te richten kerkgebouwen zo, dat de tafel centraal, voor de kansel diende te staan, maar duidelijk lager ge­plaatst. Van de Gereformeerde Stichting Steun Kerkbouw kreeg hij in 1961 door de brochure Wij bouwen kerken voor God en mensen gelegenheid aan zijn ideeën brede verspreiding te geven. Aangezien in de Gereformeerde Kerken op dit terrein maar weinig verscheen, moet zijn invloed op de praktijk niet worden onder­schat.[110] Hoewel diens naam niet valt, nemen Heemskerk en Langedijk tevens enige afstand van iemand als J. Plooij, die in 1955 - het jaar dat Luiks promo­veerde - in Kerk en Eredienst gepleit had voor de centra­le positie van de tafel vanuit het inzicht "dat het Avondmaal de alles beheer­sende centrale cultische hande­ling van de gemeente is"[111].


Uit het gespreksverslag van 4 oktober 1960 blijkt, dat de inleiders in hun opvattingen voor het gevoel van de aanwezige werkgroepleden teveel uitgingen van het avondmaal als het enige brandpunt.[112] Heemskerk en Langedijk hadden het ondanks hun voorzichtige aanpak namelijk toch gewaagd te schrijven, dat "het Avondmaal het gemeente-zijn van de gemeen­te bepaalt."[113] De vergadering kon zich, zij het deels met de nodige aarze­lingen, vinden in de conclusie van Lammens, dat enerzijds de tafel als het gemeen­schapsvormen­de meubel be­schouwd kan wor­den, maar ander­zijds de preek­stoel alleen al om praktische redenen zijn plaats moet behouden. Behalve voor het avondmaal is de tafel de plaats voor schuldbelijdenis, gebeden en offeran­de.

De discussie over de kerkbouw in de werkgroep vond een voorlopig eind­punt op 10 januari 1961 in een positiebepaling van de archi­tect W. Ingwersen onder de titel "Hedendaagse archi­tek­tuur en prot.chr. kerkbouw".[114] Hij weet in zijn inleiding de principieel-litur­gi­sche bevindingen van de werkgroep in bouwkundige termen om te zetten. Hij erkent, evenals in een eerder stadium de dogmatische sectie, dat het ongrijpbare van de eredienst - de ontmoeting met God, die zich aan de gemeente vol­trekt - zich in de ruimte van het kerkgebouw moet kunnen ontwikkelen. Hij meent zelfs, dat dit geheim in het kerkgebouw weerspiegeld dient te worden. Maar tegelijk wil hij in de inrich­ting en in het ruimtege­bruik de gemeente volop uitdagen mee te doen. In de praktijk bevordert hij dit door het litur­gisch centrum geen aparte, verhoogde plaats meer te geven in de kerkzaal. Heel de ruimte moet liturgisch centrum zijn. Kansel, doopvont en tafel zijn daarom gelijkvloers geplaatst. Met de principiële keuze voor de gemeente als het subject van de eredienst is de vraag naar het primaat van kansel of tafel van ondergeschikt belang geworden.[115]

De sectie kerkbouw werkte vervolgens enthousiast en actief verder. Op een eerstvolgende vergadering kon al een uitwerking van de gevonden principia worden aangeboden in een aantal richtlijnen voor kerkbouw.[116] Het lag in de bedoe­ling, dat de sectie haar adviezen zou aanbieden aan kerken, die met kerk­bouw te maken hadden.[117] Ze berichtte hierover ook aan de depu­taten kerk(op)bouw, maar haar ijver op dit punt zou bij de subsidie-aanvrage van de werkgroep door de synode voorzichtig worden inge­toomd.[118]


De weerslag die Ingwersens inbreng heeft gehad op het denken over de liturgie in de werkgroep, moet niet onderschat worden. Zijn optreden in de werkgroep was niet alleen een hoogtepunt in de bezinning op de kerkbouw, maar tevens een keerpunt in het denken over de liturgie, zij het dat dit eerst op langere termijn duidelijk zou worden. Door de aard van het onderwerp en onder invloed van recente discussies betreffende de architectuur in het algemeen en de kerkbouw in het bijzon­der zag Ingwersen zich gedwongen na te denken over de plaats van de kerk in de samen­leving, en over de plaats van de kerkdienst in het kerkelijk leven. De werkgroep had zich tot dan toe bewust van dit soort vragen afgekeerd en was steeds zonder meer uitgegaan van het bestaan van de eredienst. Ingwersen meent, dat het kerkge­bouw ana­loog aan een huis gemeenschapsbevorderend moet werken. Hij acht het daartoe een voorwaarde, dat een mens zichzelf kan zijn. Hij wil daarom drempels inbouwen om de overgang van buiten naar binnen te markeren. De nevenruimten, waar kerk en wereld elkaar kunnen ontmoeten, dienen een open karakter te hebben, duidelijk te onderscheiden van de kerk­zaal, die een gesloten karakter draagt. Tussen beide bestaat gemeenschap, maar geen gemeen­zaamheid. Als men dan eenmaal de kerkzaal is binnengegaan, dan moet deze door zijn eigen karakter uitdagen tot de ontmoe­ting met God. De relaties tussen de vormen en het mate­riaal oefenen daarin hun eigen invloed uit en spreken hun eigen taal. Een samenvatting van deze inzichten publiceerde Ingwersen in het themanummer van het tijdschrift Bezinning ter gelegenheid van het eerste lustrum van de werkgroep in november 1961.[119] Zijn nadruk op het eigene van de ere­dienst in kerk en samen­leving zou tien jaar later door Lammens nader worden uitge­werkt in een artikel met de titel: "Het eigene van de litur­gie".[120] Eerst toen, in 1971, zou de eigen plaats van de kerk in de wereld een harde vraag geworden zijn in de Gereformeerde Kerken. Ook in de bezinning op de eredienst kon men toen niet meer om die vraag heen.

 

Kerkelijk jaar


Een tweede thema dat de werkgroep al in 1960 en 1961 bezig hield, was dat van het kerkelijk jaar. De behande­ling van de Schrift­lezing als onderdeel van de orde van dienst vormde in sectie I van de werkgroep de concrete aanlei­ding. Het was De Vries, die op 3 okto­ber 1960 voor deze sectie een inleiding over het kerke­lijk jaar hield.[121] Hij mar­keert zijn positie vooral langs de via negativa.[122] De invals­hoek van De Vries is een liturgi­sche. Hij verzet zich tegen de opvatting, die bijvoorbeeld Dijk (in navol­ging van Koopmans)verwoordde, dat de prediking de Schriftle­zing en het kerkelijk jaar zou bepa­len.[123] Maar tevens maakt hij bezwaar tegen de opvatting van de liturgische bewe­ging in de Hervormde Kerk, dat het kerkelijk jaar een sacramentele groot­heid is, een voortzet­ting van Gods incarna­tie in de tijd.[124] Ten opzichte van de luther­se waarde­ring van de Schriftle­zing als zelfstan­dige grootheid stelt hij: "Een­heid van gelezen en uitgelegde Schrift moet op de voorgrond staan!"[125] Dit was voor­heen in de Gereformeerde tra­di­tie wel­is­waar ge­wenst, maar geen verplich­ting. In de prak­tijk wil De Vries predikanten verplichten zich bij de keuze van Schriftle­zing en preektekst "rekening te houden met de gang van ... de Jaar­kring, zoals die gestempeld wordt door het grote heilsge­beu­ren!" Dit bete­kent, dat zij zich van Advent tot en met Trini­tatis zouden moeten laten leiden door de kleur en het klimaat van de zonda­gen, zoals die af te lezen zijn uit het klassieke samenstel van de lezingen. De herziene kerkorde wees met een verwijzing naar de thematiek van advent, lijdens­tijd en grote feesten al in deze richting. De Vries scherpt de bepa­ling aan door aanslui­ting bij de klassie­ke lezingen te bepleiten.[126] Analoog aan de lutherse traditie geeft hij aan Trinitatis een zelfstandige plaats.


Het referaat van De Vries kreeg ruim een jaar later een ver­volg in het al aangehaal­de themanummer van Bezinning, dat de viering van het lustrum van de werkgroep begeleid­de. Met de keuze van het lied "Laetare II" uit de Amster­damse Nocturnen als motto aan het begin van het thema­nummer, bekende de werkgroep zich ver­want te voelen met dit project. Dat kwam nog eens in het bijzonder tot uiting in een bijdrage van Bisschop onder de titel "Liturgische jaarorde".[127] Het is niet duidelijk, of en in hoeverre Bisschop daarbij kennis heeft gehad van de inlei­ding van De Vries. Hij behoorde namelijk, anders dan De Vries, tot sectie II. Het betoog van Bisschop is strakker en princi­piëler van opzet dan dat van De Vries. Drie randvoor­waarden begrenzen bij Bisschop de moge­lijkheden van het ver­schijnsel kerkelijk jaar. Uit­gangspunt vormt, in over­eenstem­ming met de Schrift en de gereformeerde traditie, de zondag als wekelijkse gedenk­dag.[128] Daarnaast heeft het gebruik van de periode van een jaar en de "drievou­dige litur­gische viering van Christus' verhoging" zijns in­ziens eveneens schriftuurlij­ke gronden.[129] Koopmans en Dijk hadden dat als bijbels argu­ment afgewezen, zij het dat ze op praktische gronden kozen voor een eenjarige cyclus.[130] In een jaar wordt volgens Bis­schop op ordelijke wijze de Schrift in haar ver­schei­denheid en eenheid uiteenge­legd. Op basis van het voor­gaande geeft Bis­schop de voorkeur aan de term "liturgische jaar-orde" boven kerkelijk jaar.[131] Dit bete­kent niet, dat het klassieke kerke­lijk jaar geen betekenis heeft. Integendeel. Aangezien het een zekere gelij­kenis ver­toont met de oecumeni­sche symbo­len kan er een zeker gezag aan worden toegekend. Beide zijn immers tege­lijk "werk van de Geest èn mensen­werk".[132] Voor Bisschop komt met de tra­di­tie van het kerkelijk jaar niet alleen een bepaal­de ordening in de lezing van de Schrift mee, maar ook een reeks van psal­men en (collec­ta-)gebe­den.[133] Het kerkelijk jaar ver­dient het in al zijn onderdelen bestudeerd te worden en door te klinken in de heden­daagse eredienst. Het is duidelijk, dat Bisschop hierin veel verder gaat dan Gerefor­meerden voorheen gewend waren. De aanpak en de vele verwijzingen naar de Heidelbergse Catechismus blijven echter nog Gereformeerd aandoen.

Was het kerkelijk jaar in de Gereformeerde theologie tot dan toe een homiletisch onderwerp geweest, voor zowel Bisschop als De Vries is het uit de aard van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie een liturgisch thema. Bisschop is hierin vergaander en consequenter dan De Vries. Maar de laatste zet dan ook in bij de Schriftlezing als onderdeel van de dienst en beperkt zich tot de behan­deling van dit onderdeel van de eredienst. De aansluiting op de Gereformeerde traditie is het sterkst bij Bisschop, die de zondag als een instelling van God als uit­gangspunt neemt. Dit combineert hij met zijn waardering voor het kerkelijk jaar als "een uiteen­legging van het evange­lie van elke zondag over alle zondagen van de jaareenheid".[134] Hierin is voor hem voor een belangrijk deel sprake van mensen­werk. "De norm der beoordeling is: hoe groot de afstand is van de gebeurtenissen en personen die herdacht worden tot het cen­trum, het sterven en de opstanding van Jezus Christus".

Op nog een andere wijze blijkt Bisschop zich verbonden te weten met zijn eigen traditie. De praktische "uiteenlegging van het evangelie" over alle zondagen van het kerkelijk jaar vertoont nauwe verwantschap met het pleidooi van Dijk c.s. voor orde in de predi­king.[135] Bisschop brengt dit tot uiting in zijn keuze voor de term "liturgische jaar-orde". Deze leunt aan tegen het gedachtengoed van Barnard, waarin hij wat terloops en zonder enige nadruk wordt gehanteerd. De term is vermoede­lijk geïnspireerd door Van der Leeuw, maar dan wat Bisschop betreft prak­tisch gehan­teerd, niet meer princi­pieel, als zou de tijd als zodanig door de incarnatie van het eeuwig Woord zijn gehei­ligd.[136] Toch is er een belangrijk verschil tussen Bis­schop en Dijk c.s. De door Bisschop voorgestane ordening van de liturgie en daarmee ook van de preek is in veel mindere mate bepaald door de plaatselijke predikant en zijn gemeente dan voorheen. In 1970 zou Lammens bij de voorbereidingen voor zijn inaugurele rede Liturgische jaarorde en kerkelijke kalender dankbaar gebruik maken van met name Bisschops bevindingen.[137]

 


Overige terreinen

De Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie kon bij de viering van haar eerste lustrum op 18 november 1961 constateren, dat ze op heel wat deelgebieden van de liturgie in de loop der jaren aanzienlijke resultaten had geboekt. De belangrijkste thema's van de liturgie waren in eigen kring in studie genomen. Het themanummer van Bezinning getuigde ervan, hoezeer de werkgroep, zoals Bakker het formu­leerde, was "overweldigd door al de vraagstukken".[138] Naast de bijdragen over kerkbouw en kerke­lijk jaar, bevat­te het nummer artike­len over de bezin­ning op het wezen van de Gere­formeerde ere­dienst (Bakker), de orde van dienst (De Jong), esthe­tiek (Scheeres) en kerkmuziek (J. Pasveer).[139] Op de lustrumverga­de­ring hield Scheeres bovendien nog eens een inleiding over het onderwerp liturgie en leke­spel, een onderwerp dat in voorgaan­de jaren door Barnard en de Van der Leeuwstichting voor het voetlicht was gebracht.[140] Het was een thema, dat voor zowel Bakker als Scheeres aangelegen was, omdat het "zich expliciet bezighoudt met een van de terreinen, waar de con­frontatie met de moderne uitingsvormen van de liturgie zicht­baar wordt."[141] Toch zouden de eigen kerken en de verwezen­lij­king van de eigen idealen in het forum van de synode voor­als­nog alle aandacht opeisen. De synode van Utrecht 1959-60 had de werk­groep ruimte van werken gegeven, maar eerst haar opvolgster, de synode Apeldoorn 1961-62 zou ook voor haar gedachten­goed gevoelig blijken te zijn.

 

 

8.5         De vragen uit de kerken en de reactie van de syno­de van Apeldoorn 1961-62

 

"Willen wij een orde van dienst bepalen, dan moet eerst de vraag naar de frequentie van de avondmaalsviering beantwoord zijn", zo stelt Scheeres in een artikel over de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie in het voorjaar van 1959 in Uitzicht.[142] Het begon inderdaad met de avondmaalsfre­quen­tie. Twee kerkelijke vergaderingen stelden de synode van Apeldoorn vragen over de gewenste frequentie.[143] Het waren de classis Zutphen en de kerke­raad van de kerk te Heem­stede. We zullen ontdekken, dat twee leden van de werkgroep in deze twee kerkelijke vergaderingen hun invloed optimaal wisten aan te wenden. Zo zou het vraagstuk langs de kerkelijke weg onder de aandacht van de synode worden gebracht.


De classis Zutphen

De classis Zutphen was omstreeks 1960 met haar achttien kerken relatief groot. De meeste kerken bezaten een behoorlijke om­vang en hadden predikanten met ervaring in dienst, drie konden zich financieel meer dan één voorganger veroorloven. Een gemoedelijke en open sfeer karakteri­seerde de vergaderingen van de classis. Aan de vraag aan de synode over de frequen­tie van het avondmaal ging een gedegen en intensieve bezinning binnen de classis vooraf. Het was begonnen met een instructie van de kerk van Winterswijk, een van de grotere kerken. Daar was de kerke­raad op 21 januari 1960 om onbe­kende redenen komen te spreken over de "ver­meerde­ring van het aantal avond­maalsdiensten van vier tot vijf per jaar".[144] Op basis van de mededeling, dat een van de predikanten, J.E. Hendriks, er later nog eens op terug zou komen, valt aan te nemen, dat hij het thema heeft aangesneden, of daarbij een belangrijke in­breng heeft gehad. Pre­cies drie maanden later maken de notulen weer mel­ding van het onder­werp. Nu ging het om het voorstel "het huidige aantal (...) van vier te verhogen tot vijf of zes". De "thans gebrui­kelijke wijze" van vieren en het "onver­kort gebruik van de daartoe gestelde formu­lieren" bracht de meer­derheid van de kerkeraad ertoe, hierover geen besluit te nemen, maar de zaak wel op de classis aan de orde te stellen. Aan de afgevaardig­den werd de instruc­tie gegeven "voor te stellen, dat de Clas­sis zich beraden [zal] op de vraag, hoe te komen tot een veelvuldiger viering van het H. Avond­maal."[145] In de creden­tie­brief kwam het net even anders, dwingender te staan, name­lijk "of het niet noodza­kelijk is om te komen tot een fre­quentere avond­maalsvie­ring in onze kerken".[146] De aanvanke­lijk praktisch getoonzette vraag was daarmee een princi­piële gewor­den. De classis benoem­de op 16 juni 1960 uit haar midden enkele depu­taten: de predi­kanten Hendriks uit Win­ters­wijk, Fr. de Jong, die net begonnen was in Lichten­voor­de, en B. Scholten uit Zutphen, benevens twee ouderlingen.[147] Deze zou­den zich niet alleen moeten be­zin­nen op de frequen­tie van de avond­maalsviering, maar ook op de functie en invul­ling van de tweede dienst.


De classicale deputaten rapporteerden op 22 december 1960.[148] Hun aanbevelingen gingen in de richting van een vie­ring van het avondmaal, die frequenter zou zijn dan doorgaans gebruike­lijk: zo spoedig mogelijk een tweemaandelijkse vie­ring, later een maandelijkse. Zij wezen daarbij op gegevens uit de Schrift, de praktijk van de vroeg-christelijke kerk, de ideeën van Calvijn en de kerkor­delijke bepa­lingen uit de Nederlandse Reformatie ter zake. Zij waren van mening, dat de bestaande praktijk op gespannen voet stond met de opdracht van Jezus het avondmaal dikwijls te vieren. De deputaten wezen de behoefte van de gemeente als een te subjectieve maatstaf af. Zij zetten zich hiermee af tegen Dijk, hoewel diens naam niet genoemd werd. In juli 1960 had hij de opvatting geventileerd, dat de behoefte en de mogelijkheden van de gemeente bij de bepaling van de frequentie zouden moeten prevaleren.[149] De classis be­steedde uitvoe­rig aandacht aan de problema­tiek en wijdde er zelfs nog een extra vergade­ring aan.[150] Het lukte haar echter niet om een eenparig be­sluit te nemen over de vraag, of een wekelijkse bediening van het avondmaal schrif­tuurlijk geboden is. Ze besloot daarom op 8 juni 1961 deze vraag aan de synode voor te leggen. Daaraan koppelde ze het verzoek, bij een bevestigend antwoord de voorgeschreven formulieren aan te passen.[151]

 

Over de tweede dienst lieten de classicale deputaten zich in dit stadium van hun rapportage slechts in beperkte mate uit. Ook deze problematiek was door de kerk van Winterswijk naar voren ge­bracht, nog voordat de frequentie van het avondmaal aan de orde kwam, op 10 december 1959.[152] Een van de latere deputaten, Schol­ten, had vervolgens naar aan­leiding hiervan in een inlei­ding op een buitenge­wone verga­de­ring van de classis al gesug­ge­reerd, dat de tweede dienst een leer­dienst met een sober karakter diende te zijn.[153] In de rapportage over het avond­maal onderschrij­ven de classicale deputaten deze gedachte. Een frequentere viering van het avondmaal in de morgendienst doet het didactisch element van de eredienst verschuiven naar de tweede dienst. Als beide diensten zo een eigen karakter krij­gen, wordt tegelijk inzichtelijk waarom het zinvol en zelfs noodzakelijk is 's zondags beide diensten mee te maken. De deputaten opperen de leer­dienst te verbinden met een avond­gebed en naar een dergelijke combinatie een nader onder­zoek in te stellen. Dat laatste gebeurde, zij het dat pas op 14 sep­tem­ber 1962 rapport aan de classis zou worden uitge­bracht.[154] Dit zal in het volgende hoofdstuk kort worden be­schre­ven in het kader van de totstandkoming van een synodaal vastgestelde orde voor een morgen- en avondgebed.[155]

 

De kerk van Heemstede


De kerkeraad van de Gereformeerde kerk van Heemstede was de tweede instantie die de synode om een uitspraak vroeg inzake de frequentie van het avondmaal. Deze kerk was in 1917 geïnstitueerd. Haar groei werd in de loop der jaren in het bijzonder bevor­derd door beter gesitueerden met een vaak behoorlij­ke oplei­ding, die uit Haarlem naar de omliggende dorpen trok­ken. Heemstede was daarmee al vroeg een typische forensenplaats. De notulen van de kerkeraad geven het beeld van een gemeente, waarin men een open oog had voor ontwikkelingen en vernieuwingen binnen en buiten het eigen kerkgenootschap. Op 22 november 1960 besprak de kerkeraad het Rapport stand geestelijk le­ven.[156] De raad wilde op basis van de conclusies en aanbeve­lin­gen in het rapport de frequen­tie van de avond­maalsviering en de vorm­geving van de doopbe­diening plaatselijk nader bestu­deren. Na enig beraad besloot de kerke­raad te wachten op Lammens, die een beroep naar Heemstede had aangenomen. Zodra hij als predi­kant beves­tigd was, zou ook hij hierover zijn gedachten naar voren kunnen brengen. In juni 1961 bracht Lammens een aantal voor­stel­len over de eredienst onder de aandacht van de kerke­raad.[157] Deze besloot "dat er fre­quenter dan tot nu toe H.A. gevierd dient te wor­den."[158] In een volgende vergade­ring over­woog de kerke­raad de consequen­ties van dit besluit nog eens. Ze kwam toen tot de conclusie, dat verhoging van de frequen­tie be­moeilijkt werd door de kerkorde­lijke ver­plichting, ge­bruik te maken van de voorge­schreven formulieren. Zelfs het verkorte formulier uit 1955 had nog een behoorlij­ke lengte. De kerke­raad vroeg de synode daarom in een brief d.d. 29 juni 1961 een frequentere avond­maals­viering vooral prak­tisch moge­lijk te maken.[159]

Zowel bij de gebeurtenissen in de classis Zutphen als in de kerk van Heemstede was een lid van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie betrokken. In beide geval­len blijkt niet bij hen de directe oorzaak van de aan de synode gestelde vragen te liggen. In beide kerkelijke vergade­rin­gen bestond ook bij andere aanwezigen het verlangen zich op de frequen­tie van de avond­maals­vie­ring te bezinnen. Op basis van de bevindingen die zijn neergelegd in het Rapport stand geestelijk leven mag worden vermoed, dat ook elders dergelijke verlangens leefden. Aange­zien er ­zowel in de classis Zutphen als in de kerk van Heemstede heel wat tijd over­heen ging voor de bespre­kingen konden worden afge­rond, is het waar­schijn­lijk dat De Jong en Lammens tussen­tijds op de werkgroep gegevens hebben uitgewis­seld. Ze hebben de problema­tiek weliswaar niet persoonlijk aange­sneden, maar door het aanscher­pen van opko­mende vragen de gang naar de synode gestimuleerd.

 


Lammens' komst naar Heemstede had ook effect op de daar ge­brui­kte orde van dienst. De bespreking van de avondmaals­vie­ring stond in het kader van een rapport van zijn hand over de eredienst.[160] Hij kon daarbij terugvallen op een orde van dienst uit zijn vorige gemeente, Kralingen.[161] De kerke­raad besloot op 27 juni 1961 meer afwisse­ling in de kerk­diensten te brengen door het aan­stellen van voorlezers, het activeren van de gemeente in de gebeden en het zingen van de geloofsbelijdenis en van het amen na de zegen.[162] De orde die in prin­ci­pe werd aanvaard was in het kort de volgende:

 

Introïtus

Verootmoediging

Dienst des Woords

Inzameling der gaven

Dankzegging en voorbeden

Sluiting

 


De orde lijkt op die van de werkgroep uit januari 1959, zij het dat de viering van het avondmaal is weggelaten. Ze past in het streven van de werkgroep om na het vaststellen van de principia voor een volledige dienst met bediening van Woord en sacrament eerst praktisch de dienst van het Woord te herstellen. Ten opzichte van de orde van de werkgroep zijn de verschil­lende onder­delen nader ingevuld. Onder de verootmoediging vallen bijvoor­beeld achtereen­volgens schuldbelij­denis, gemeen-te­zang, eventu­eel genadeverkondi­ging gevolgd door ge­meentezang, wet des Heren in oud- en eventu­eel ook nieuwtestamentische bewoordin­gen en gemeente­zang. Deze praktisch en principieel ingrijpende verschuivingen - de wet niet meer gezien als kenbron der ellende, zoals in de bestaande orde het geval was, maar als regel der dankbaarheid - èn de variatie in de bewoordingen, kende Lammens al in Kralingen. In het Ouderlingenblad waren ze een jaar tevoren geopperd en verdedigd door Bak­ker, die daarvoor kon terugvallen op de studie van De Jong naar de liturgie bij Calvijn.[163] In de orde van Heemstede begint de dienst des Woords met een gebed om de opening van het Woord. Verder zijn in principe twee Schriftle­zingen opge­nomen, een uit het Oude en een uit het Nieuwe Testament. Op de tweede Schriftle­zing volgt een "dia­loog" tussen voorganger en gemeen­te. Dat was in ook in Lammens' vorige gemeente, Kralingen, een mogelijkheid. Vóór de gebeden is de "herden­king der overledenen" opgeno­men, eveneens bekend in Kralingen. De geloofsbelijdenis krijgt, in afwijking van de orde van de werkgroep en mogelijk aansluitend bij Calvijn, een plaats aan het slot van de (Woord)dienst. Voor de invoe­ring op 8 oktober 1961 onderging de orde nog een opmer­kelijke wijzi­ging.[164] De inza­meling der gaven kwam toen te volgen op dank­zeg­ging en voor­be­den en ging daar niet meer aan vooraf.[165] De orde kwam hiermee wat dichter te staan bij vroeg-christelijke model­len, maar gelet op de afwijkende plek die de geloofsbe­lijdenis nog steeds had, is het onwaar­schijn­lijk, dat dit als argument meegespeeld heeft. Helaas geven de kerke­raadsnotulen geen uit­sluitsel over de motiva­tie.[166]

Met de nieuwe orde week de kerk van Heemstede af van de syno­daal vastgestelde en aanbevolen orde uit 1952. Dat hoeft op zichzelf niet te bevreemden. In vele plaatselijke kerken werd deze orde op eigen wijze geïnterpreteerd en op uiteenlo­pende manie­ren inge­vuld. Lammens nam deze orde weliswaar als uitgangs­punt, maar koos vervol­gens - en dat is nieuw - bewust voor het "(serieuze!) experiment".[167] Hij beargu­men­teerde dit met een zinspeling op de ge­loofsbe­lijde­nis van Nicea met de woor­den: "Liturgie groeit nu eenmaal en wordt niet gecon­stru­eerd, zij is geboren, niet ge­maakt!" De grens voor het experi­ment lag voor Lammens hier­in, dat de betrok­kenen "zich niet al te ver buiten de synoda­le kaders bewegen". Hij volgde hiermee de kaders voor het experiment die Bakker enkele jaren tevoren al eens in het Ouderlingenblad had aangegeven.[168] In hetzelfde blad had Bakker ook al een aantal concrete handreikingen voor liturgische vernieuwing gedaan.[169] Lam­mens hoopte met het experiment te berei­ken, dat op termijn langs kerkelij­ke weg verantwoorde voor­stellen zouden kunnen worden gedaan. Dat zou al spoedig niet meer nodig blijken te zijn. Enkele maanden later zou de synode het geheel van de orde van dienst in studie nemen. De orde uit Heemstede zou bij die studie nog wel een rol gaan spelen.

 

De synode van Apeldoorn 1961-62


Het was aan de synode van Apeldoorn 1961-62 om te antwoorden op de liturgische vragen die haar onder meer uit de classis Zutphen en de kerk van Heemstede gesteld waren. Als op een van de synoden de invloed van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie direct en indirect groot is geweest, dan wel op deze. Dat had de werkgroep met name te danken aan haar voorzitter Bakker, die nu voor het eerst als preadviserend lid op de synode aanwezig was. Hij werd ingedeeld bij commissie III, die de bespre­king van de litur­gische zaken voorbereidde. Het eerste agenda­punt dat betrekking had op de werkzaamhe­den van de werkgroep, betrof op 29 augustus 1961 een nieuwe subsi­die-aanvrage van de werkgroep, ditmaal voor de jaren 1962 en 1963.[170] Commissie III was ge­val­len over een zinsnede waarin melding ge­maakt werd van het plan om desge­wenst aan kerken adviezen te geven over kerkbouw.[171] De synode sprak daarop uit, dat voorlich­ting op dit punt door één in­stan­tie gegeven moest worden en "een goede samen­werking" tussen de werkgroep en de deputaten kerkopbouw een eerste vereiste was.[172] Deze deputaten hadden de zorg voor de voorlichting over kerkbouw door de synode van Leeuwar­den 1955-56 in hun opdracht meege­kregen, maar zich blijkens hun rappor­tage maar een enkele keer reken­schap gege­ven van de liturgi­sche vragen die hiermee samenhingen.[173] Vreemd genoeg legde de synode het primaat voor de voorlichting over kerkbouwzaken niet bij haar eigen deputaten. Die stelde ze met het uitspreken van haar wens zelfs min of meer voor het voldongen feit van samen­werking met de sectie kerk­bouw van de werkgroep. Een en ander onder­streept nog eens het grote vertrouwen dat de synode kennelijk stelde in de activitei­ten van de werkgroep. 


De waardering voor de deskundigheid van de werkgroep kwam enkele weken later opnieuw naar voren in de besluitvorming over de nieuwe gezangbundel. Na een intensieve discussie had de synode net de belang­rijkste knopen doorgehakt om de proeve van een nieuwe psalmbe­rijming vrij te geven voor ge­bruik in de eredienst.[174] De betrokken deputaten hadden een concept-gezangbundel met 124 nummers ingediend en daar een beknopte verantwoording bijgevoegd. Dat de discussie over de gezangen in een wat rustiger vaarwater gekomen was, kan worden afgeleid uit het gegeven, dat naast het deputatenrapport slechts twee stukken over dit thema bij de synode waren binnengekomen, waarvan één van de werkgroep.[175] Toch verwachtte men, dat ook nu weer een moeizame en langdurige bespreking zou moeten plaatsvinden, zo meldt een van de toenmalige moderamenleden, P.G. Kunst.[176] De brief van de werkgroep kreeg in het rapport van de voorbereidende commissie III uitgebreid aan­dacht. Hij was aanzienlijk milder van toon dan die aan de synode van Utrecht 1959-60 over dit onderwerp. De werkgroep begon haar "grote waardering" uit te spreken voor het werk van de deputa­ten.[177] Ze uitte weliswaar kritiek op de beperkte aan­dacht voor de liturgische functie van het kerk­lied, de negen­tiende-eeuwse taal en de keuze van bepaalde melodieën, maar ze wist daar iets tegenover te stellen. Dat was commissie III opgevallen en ze waardeerde dan ook in het bijzonder "de positieve gedachten, in dit stuk ontwik­keld".[178] Zelfs onder de betrokken deputaten die zich de kritiek konden aantrekken, bestond er "gro­tendeels instem­ming". Een van de belangrijkste wensen van de werkgroep was, dat men met het aannemen van de aangeboden bundel een verdere ontwik­keling van het kerklied in de Gereformeerde Kerken niet zou blok­keren. Nu spitste de discussie in de synode zich toe op het al dan niet opnemen van bepaalde, meest oude, bekende gezangen met een bepaalde tekst­variant en een bepaalde melo­die, hetgeen resulteerde in de aanvaarding van een bundel met 119 gezangen. Toch hono­reerde de synode ook het door de werkgroep uitge­sproken verlangen. Ze besloot op 20 september 1961 een nieuw deputaatschap te benoemen, dat in het bijzon­der tot taak had "zich op de hoogte te stellen van de verdere ontwik­keling van het kerklied in ons land" en daarvoor "een zo nauw mogelijk contact" diende te zoeken met de Hervormde commissie voor de gezan­gen.[179] In het deputaat­schap zouden ook "enige leden" van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie zitting moeten krijgen. Hoewel in het moderamen van de synode wel namen uit de kring van de werk­groep werden genoemd, droeg het uiteinde­lijk geen van hen voor als deputaat.[180] Wel benoemde de synode O. Jager, K. de Jong Ozn., C. Rijnsdorp, B. Smilde en M. Voorberg. Het is gissen naar de motieven om juist hen te benoemen, maar elk van dit vijftal bezat de nodige kwaliteiten. De nieuw­komer Jager was een bekend predikant en dichter. Rijnsdorp kon als oud-gezan­gendeputaat voor de continuïteit zorgdragen. De Jong had zowel musico­logische als taalkundige kwali­teiten - hij zou in een later stadium lid worden van de werkgroep.[181] Smilde, predikant met ken­nis van de kerk­mu­ziek, had ervaring opgedaan als depu­taat voor de psalm­berij­ming en kon de contacten met het be­tref­fende deputaatschap onderhouden.[182] De musicus Voorberg was eerder al eens als secundus benoemd in dat deputaatschap, maar kreeg nu de kans actief te parti­ciperen. Het aldus samengestelde deputaatschap, waarin predikanten de minderheid vormden, zou er met veel inspanning uiteindelijk in slagen de komst van een opvolger van de bundel met 119 gezangen mee voor te bereiden.


Met de afrondende besprekingen in de synode konden de voorbe­reidingen voor de uitgave van het nieuwe gezangboek in gang worden gezet. Voor een aantal gezangen moest tezamen met de Hervormden nog de juiste melodie worden vastge-steld, hetgeen soms tot lastige gesprekken leidde. Verder kostte het nog de nodige moeite de auteursrechten veilig te stellen.[183] Een en ander leidde er toe, dat eerst ruim drie jaar na het besluit van de synode, in november 1964, de Honderdnegen­tien gezangen zouden kunnen ver­schijnen.

 

De synode was intussen in september 1961 begonnen aan een reeks van grotere en klei­nere vragen die te maken hadden of konden hebben met de orde van dienst. In reactie op een van de eerste vragen die ter sprake kwam, sanctio­neerde ze het nu en dan lezen van passende nieuwtestamentische gedeel­ten in plaats van de wet der tien gebo­den uit Exodus of Deute­ronomi­um.[184] We stelden hiervoor al vast, dat men in Heemstede die variatie reeds had aangebracht. Nog geen twee weken later, op 19 september 1961, volgde de behandeling van de brie­ven over de frequen­tie van het avondmaal, waarvan een uit Heemste­de afkomstig was. Zonder enige discussie besloot de synode op voorstel van de voorbe­rei­dende commissie met Bakker als rap­por­teur het volgende. Ze meende, dat er alle aanleiding be­stond om door deputaten te laten bestuderen, of een frequentere avondmaalsviering "bijbels en kerkelijk geboden of gewenst is".[185] Bij een bevestigend antwoord moest onderzocht worden, welke factoren een frequentere viering ­in de weg stonden en hoe daarmee moest worden omgegaan. Daar­bij werd uitdrukkelijk vermeld, dat via de classes het oordeel van de kerken over deze zaak gevraagd moest worden. Over eventuele wijzigingen in de bestaande praktijk en de voorlig­gende formu­lieren zou door deputaten overleg gepleegd moeten worden met de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Tegen deze benadering van de problematiek kon in de synode weinig bezwaar bestaan, omdat het in dit stadium slechts ging om een onderzoek. Bovendien zou bij dat onderzoek gekeken worden naar zowel de behoefte in de kerken als de noodzaak volgens de Schrift. Verder paste deze studie in een sinds enkele jaren aantoonbaar groeiende belang­stelling voor het avondmaal. Als deputaten benoemde de synode uit de gelede­ren van de werkgroep de al eerder genoemde Hartvelt - die in 1960 gepromo­veerd was op een proefschrift over een aspect van de avondmaalsleer bij Calvijn geti­teld Verum Corpus - en verder de predi­kanten P. Heinen en J. Overduin.

 


In korte tijd gebeurde er nog meer wat de werkgroep met instemming kon begroeten. Twee dagen na het besluit over het avondmaal, op 21 september 1961, besprak de synode het rapport over de herzie­ning van de litur­gische formulieren.[186] Bij deze bespreking was Lammens direct betrokken, als een van de drie rapporteurs namens het depu­taatschap. De vorige synode had de deputaten - op hun verzoek - weliswaar op­dracht gegeven, de gebeden in overeen­stemming te brengen met de bestaande prak­tijk van de liturgie, echter in het rapport uitten zij op tactische wijze hierover hun twij­fels.[187] Zij leggen reken­schap af van de klas­sie­ke op­schrif­ten boven de gebeden, die doorgaans een plaats­aandui­ding bevat­ten welke niet in overeenstemming is met de be­staande praktijk. Ondanks hun vragen bij die praktijk, stellen ze inhou­delijke opschrif­ten voor, zodat over de plaats van de gebeden nog niets hoeft te worden vastge­legd. Zo wordt het "Gebed voor allen nood der christen­heid: om gebruikt te worden op den rustdag na de eerste predi­ka­tie" omgezet in "Voor­be­den".[188] In een enkel geval verwij­zen de deputaten min of meer direct naar het onder­zoek van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie aangaande de plaats van de gebeden. In de gekozen gebeden valt op, dat deze alle afkom­stig zijn uit kerken van de Reformatie.

Een substantieel deel van de toelichting in het deputatenrapport betreft het nieuwe concept doopformulier.[189] De vorige synode had dan wel in eerste instantie gevraagd om een verkort formulier, de deputaten bleken meer aspecten in hun overwegingen betrokken te hebben. In de verantwoording geven ze aan, een doopbediening zonder leerstellige uiteenzetting bewust buiten beschouwing te hebben gelaten. Bij het opstellen van het formulier hebben ze niet de lengte, maar de inhoud laten prevaleren. Ze hebben er in het voorliggende concept naar gestreefd, gegevens uit Schrift en belijdenis aangaande de doop duidelijker te doen uitkomen dan in het klassiek-gereformeerde formulier. De deputaten zijn voor hun ontwerp te rade gegaan bij ontwerpen van Gereformeerde Kerken in Frankrijk en Indonesië. Analoog aan het avondmaalsformulier zet het nieuwe formulier in met instellingswoorden, die voor de doop gevonden zijn in het slot van Mattheüs 28. Met een dergelijke inzet was men in Nederland al bekend door het Hervormde Dienstboek, dat overigens in de verantwoording ongenoemd blijft. Het leerstellig gedeelte is opnieuw geformuleerd. Het zogenaamde zondvloedgebed dat erop volgde, is vervangen door een nieuw, aanzienlijk korter gebed, dat wat deputaten betreft een facultatief karakter draagt. De klassieke eerste en tweede doopvraag zijn met het oog op een volgens deputaten evenwichtiger opbouw van de vragen van plaats gewisseld. Nu komt eerst de vraag naar het geloof van de ouders, dan de vraag of zij binnen dat kader geloven dat hun kind behoort gedoopt te worden. Aan de derde vraag over het onderwijzen en doen onderwijzen is naast het Woord nu ook het voorbeeld van de ouders in de christelijke levenswandel toegevoegd. Op de vragen volgt de mogelijkheid een vers uit het zogenaamde kinderevangelie te lezen (Marcus 10: 14).


In het ontwerp en de daarbij gevoegde verantwoording zijn enkele interessante vernieuwingen te ontdekken. De deputaten hebben gepoogd het formulier in zijn geheel principieel te doordenken. Dat komt tot uiting in de herschikking van de vragen en in een opmerking als dat "het Credo van huis uit een doopssymbool is".[190] Ze zijn daarom van mening, dat het gebruik ervan bij de doopbediening in overweging moet worden genomen. In het leerstellig gedeelte en in het gebed vindt een veel sterkere concentratie plaats op de kruisdood van Christus en de daarin betoonde barmhartigheid en vergevingsgezindheid van God dan in het klassiek-gereformeerde formulier. De opstellers wilden hiermee naar alle waarschijnlijkheid een tegenwicht bieden aan de overmatige waardering van "de voortgang in de kerk van Gods genadewerk", die in het Rapport stand geestelijk leven was gesigna-leerd.[191] Ook kunnen zij zich hebben willen afzetten tegen de Vrijgemaakten, waar juist deze voortgang van Gods genadewerk een centrale rol speelde. Het is in dit verband opmerkelijk, dat het verband tussen besnijdenis en doop voorzichtiger wordt geformuleerd: 'evenals' in het Oude Testament kinderen besneden werden, zo worden nu de kinderen gedoopt. In het klassiek-gereformeerde formulier kwam de doop nog 'in plaats van'. De nieuwe manier van uitdrukken wijst tevens op een veranderende houding ten opzichte van de joodse wortels van het christelijk geloof. 

In beide delen van hun rapport trachten deputaten op een indirec­te manier een principiële discussie te starten. Bij de gebeden doen zij dat door de plaats van de gebeden in het midden te laten. Bij het doopformulier noemen zij uitdrukke­lijk de niet door hen gekozen mogelijkheid van een doopbediening zonder leerstellig gedeelte, hoewel dat door de opdracht van de vorige synode eigenlijk al zo goed als uitge­sloten was. Ze laten verder merken, dat over de plaats van de verschillende elementen in het geheel van het formulier aan de hand van de traditie nog eens moet worden nagedacht en doen daarvoor zelf enkele suggesties. Vorige rapporten hadden op dit soort punten vooral aansluiting gezocht bij de bestaande situa­tie. De enigszins terughou­dende benadering van deputaten bleek in de synode van Apeldoorn inderdaad vragen op te roepen. Men stelde bijvoorbeeld vragen naar de plaats van de gebeden, de plaats van de doopbediening en de plaats van de geloofsbelijdenis.[192] De synode zou de prakti­sche voor­stellen van deputaten in grote lijnen goedkeu­ren en de samen­stelling van het deputaat­schap dezelfde laten.[193] Maar voor ze definitief haar goedkeuring hechtte aan het voornemen van de deputaten hun werkzaamheden af te gaan ronden, moest eerst een aanzet worden gegeven om te kunnen antwoorden op de meer princi­pieel getinte vragen. In het Gereformeerd Weekblad van 29 septem­ber 1961 gaf Bakker daartoe al een voorzet. Hij stelt daar, "dat de 'orde van dienst' van Rotterdam wel eens kritisch bekeken mag wor­den."[194] Dat was een van de weinige wensen op het verlanglijst­je van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie dat op 18 november, toen zij haar eerste lus­trum vierde, nog niet was vervuld.


Sprak Lammens in juni 1961 in de Heemsteedse kerkeraad nog uit, dat het er niet naar uitzag, dat de Gereformeerde synode zich "binnen afzienbare tijd" met de orde van dienst zou bezighouden, het zou ruim een half jaar later toch gebeuren.[195] Gewezen werd reeds op de lustrumuitgave van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie die in deze periode verscheen, waarin ook een artikel over de orde van dienst was opgenomen.[196] Op de synode nam commis­sie III het initiatief om de orde van dienst nader te onder­zoeken. Ze meende dat een aantal zeer uiteen­lo­pende vragen die aan de synode gesteld waren, niet beant­woord kon worden "zonder een nadere bezin­ning op de zaak van de orde van dienst in zijn geheel".[197] Ze wees op het rapport van de depu­ta­ten herziening litur­gische formulieren. Andere brie­ven die ze ter bespreking had gekre­gen, vermelden de moge­lijkheid van het zingen van de geloofsbelijdenis en de problemen die dat met zich mee­bracht en op het zingen van klein en groot gloria, ele­menten die de Gere­for­meerde liturgie van dat moment onbekend waren. Ook betrok commis­sie III de al eerder behan­delde zaak over de deca­loog in haar overwe­gin­gen, evenals de binnengeko­men brieven over de fre­quentie van de avondmaals­vie­ring. Terwijl de commissie in haar voorstel voor een nadere bezin­ning nog primair de te beantwoor­den vragen op het oog had, draaide de synode, over­tuigd als ze was van de noodzaak van de voorgestelde bezinning, de zaak om. Ze besloot op 10 januari 1962, dat de orde van dienst opnieuw onder­zocht diende te worden en dat "daar­bij" duide­lijk moest worden gemaakt, of, en zo ja, waar het Credo een plaats kon krijgen in de doopbedie­ning en hoe de gebeden verantwoord in de dienst konden worden opgenomen.[198] Criteria gaf de synode niet. De deputaten zouden bij voorkeur gevonden moeten wor­den in de kring van de reeds ingestelde depu­taat­schap­pen voor het onderzoek naar de frequen­tie van het avond­maal en voor de herziening van de litur­gische formulie­ren, en van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Het werden Hart­velt (avond­maal en werk­groep), De Jong (werk­groep), Lammens (formu­lie­ren en werk­groep), Luiks en B. Riet­veld.[199] Bak­ker bleef buiten dit deputaatschap, evenals buiten dat voor de her­ziening van de liturgi­sche formulieren, het onder­zoek naar de frequen­tie van het avond­maal en de ontwikke­ling van het kerk­lied. Uit de synodale archivalia blijkt, dat dit op uitdrukke­lijk verzoek van hem­zelf gebeur­de.[200] In zijn activi­teiten, voor de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, voor de synode en voor zijn arti­kelen in diverse periodieken, was Bakker met de inzet van zijn kennis en posi­tie vooral bezig de voorwaarden voor liturgische veran­dering te scheppen.


8.6         Conclusies

 

Aan het einde van de jaren vijftig begonnen de wensen voor verbetering van de liturgische praktijk in de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in veel opzichten steeds meer parallel te lopen. Van de mogelijkheid tot overleg en samenwerking werd gebruik gemaakt op het terrein van de psalmberijming en de gezangbundel. Toch ging inzake de herziening en uitbreiding van de gezangbundel het doel in beide kerkge­nootschappen steeds sterker verschillen. In de Gereformeerde Kerken lag het accent op een kritisch bijstellen van reeds bestaande gezangen, terwijl men zich in de Hervormde Kerk in toenemende mate toelegde op het dichten van nieuwe gezangen. Gevolg van dit verschil in koers was een beëindiging van de samenwerking aan het begin van de jaren zestig. Bij gebrek aan een gezamenlijk doel waren ook herhaalde pogingen om inzake de liturgische formulieren nader tot elkaar te komen, gedoemd te mislukken. Daar kwam bij, dat beide kerkformaties zich in een fase van liturgische heroriëntatie bevonden, waarvan de uitkomsten nog onduidelijk waren.

De besluitvorming van de Gereformeerde synode van Utrecht 1959-60 geeft wat betreft de eredienst aan, hoe onzeker de Gereformeerde Kerken waren over de te volgen koers. Zij namen kennis van de vele wensen die er op het gebied van de eredienst in hun midden leefden, maar durfden geen knopen door te hakken. Ontevredenheid met de gang van zaken was weliswaar geen nieuw verschijnsel, maar ze had steeds een marginaal karakter gehad. Nu werd de roep om verandering snel sterker. Het ontbrak echter nog aan duidelijke alternatieven. Hoewel de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie zich met een enkel voorstel over de gezangen en de plaats van de gebeden gericht had tot de synode, respectievelijk tot synodale deputaten, waren haar standpunten nauwelijks uitgekristalliseerd. Boven-dien was de steun die ze kreeg uit de kerken en uit het deputaatschap voor de herziening van liturgische formulieren onvoldoende.


De Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie kon krachtiger optreden, toen ze in de loop van 1959 intern tot overeenstemming kwam en steeds consequenter koos voor de koers die de oprichters voor ogen had gestaan: een historisch-oecumenisch georiënteerde vernieuwing van de Gereformeerde liturgie, dat wil zeggen naar het model van de vroeg-christelijke kerk. De leden die sociaal-maatschappelijke veranderingen sterker in de vernieuwing wilden verdisconteren, verdwenen vrijwel geruisloos, of probeerden van tijd tot tijd met kritische kanttekeningen bij te sturen. Een kleine minderheid, die een sterker sacramentele benadering in de lijn van Van der Leeuw voorstond, kon leven met de gemaakte keuzen. Het evenwicht in de koers van de werkgroep blijkt ook uit de wijze, waarop ze zich in de kerkelijke discussies mengde en kritiek oefende. De toon was minder hoog en constructiever. Dit maakte de werkgroep, die geen concurrentie van andere groepen te duchten had, tot een aanvaardbare en geschikte gesprekspartner voor de synode van Apeldoorn 1961-62. Maar ook op andere punten wist de werkgroep haar positie op deze synode te versterken. De kerken plaatsten enkele urgente liturgische vragen indringender dan voorheen op de synodale agenda. Leden van de werkgroep hadden bij enkele hiervan als katalysator gewerkt. In het deputaatschap voor de herziening van de liturgische formulieren hadden leden van de werkgroep hun invloed op de rapportage zo kunnen aanwenden, dat de synode niet anders kon dan om nadere bezinning te vragen in de door de werkgroep gewenste richting. Op de synode zelf kreeg Bakker - voorzitter van de werkgroep - in zijn functie als preadviserend lid de gelegenheid zijn stempel te drukken op de adviezen en voorstellen van de voor liturgische zaken zo belangrijke commissie van advies III. Op de synode van Utrecht 1959-60 had de liturgisch veel behoudender ingestelde Dijk deze plaats nog ingenomen. Door de genoemde factoren zag de werkgroep op de synode van Apeldoorn 1961-62 haar deskundigheid erkend op het gebied van de gezangen, de orde van dienst, de vragen rond de frequentie van het avondmaal en de kerkbouw.

Nog geen tien jaar tevoren werd het liturgisch vraagstuk in de Gereformeerde Kerken beheerst door de tegenstelling tussen Van der Leeuw en Noordmans. In de liturgische vernieuwing hadden de Gereformeerde Kerken zich voorzichtig en terughoudend opgesteld. Door veranderende opvattingen in aanvankelijk vooral de exegese en de dogmatiek, en later ook in de liturgiek, leek de vroegere tegenstelling plaats te maken voor een nieuwe consensus, waarin plaats was voor verandering en vernieuwing van de eredienst.[201]



     [1]           Plomp, Een kerk, 84.

     [2]           Notulen Liturgische Kring - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 69. De titel van het rapport luidt: Rapport over het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk in ontwerp, z.p. 1961.

     [3]        W. Barnard (geb. 1920) stud. theol. RU Utrecht 1940, dr. theol. h.c. 1966, Herv. pred. Hardenberg 1946, Nijmegen 1950, studiesecr. Van der Leeuw-stichting 1954, tevens pred. te Rozendaal (Gld.) 1962 - 1975 (emer.) en docent Brussel 1969 - 1972 (A. den Besten, J. Doelman, L.-J. Parlevliet (red.), Leven in zinsverband. Over het werk van Willem Barnard Guillaume van der Graft. Hem aangeboden ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, Voorburg z.j. [1990]).

     [4]        Fr. Mehrtens (1922 - 1975) stud. geneeskunde en conservatorium Amsterdam. Mehrtens was onder meer betrokken bij muziekafdelingen van NCRV (vanaf 1951) en IKOR (vanaf 1955), en tevens docent aan verscheidene instituten en cantor-organist in verschillende kerken (Compendium Liedboek, 1211 - 1214).

     [5]        A.W. Lazonder, "Kroniek van de raad voor de eredienst", in: KE 11 (1956), 66 - 80, met name 67v.

     [6]           A.W. Lazonder, "Het dienstboek en richtlijnen voor zijn revisie", in: Jaarb. Eredienst 1961-62, 24 - 42, 42 (citaat).

     [7]           A.W. Lazonder e.a., Uit de werkplaats voor het Liedboek, 's-Gravenhage z.j. [1974]; W.G. Overbosch, "Hoe de 491 gezangen bijeengebracht zijn", in: Een compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de Kerken, Amsterdam 1977 (verder: Compendium Liedboek), 1291 - 1324, voor de jaren 1957 - 1962 met name: 1294 - 1301.

     [8]           Raad voor de Eredienst (= RvE) aan breed moderamen Hervormde synode d.d. 5 februari 1959 (citaat volgende regel) - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 2.

     [9]        Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk, 7 (art. XI, lid 3).

     [10]  Zie hieronder bijvoorbeeld blz. 211v, 221, 238, 242 - 245.

     [11]  Zie hierboven blz. 155. Gegevens in deze alinea over de samenwerking zijn ontleend aan: Kunst, Kerkzang, 157v; Steenhuis, "De Gereformeerden", 15 - 27.

     [12]  Hand. Syn. Herv. Kerk 1959, 198 - 208. Voor de Gereformeerde synode, zie hieronder blz. 210.

     [13]   Zie hieronder blz. 235v.

     [14]   De Hervormde RvE besprak het gerucht, dat ook de Gerefor­meerden aan een dienstboek zouden werken en vroegen het moderamen van de synode contact te zoeken (RvE aan het Moderamen van de Synode d.d. 23 juli 1956 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 2). Het moderamen voelde daar niets voor, waarop de raad zich er bij neerlegde, dat een eventueel initiatief dan door Gereformeerden genomen moest worden (notulen RvE d.d. 22 oktober 1956 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 2).

     [15]   Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 226 en 475 (resp. 27 september 1955 en 25 april 1956).

     [16]   Hand. Syn. Herv. Kerk 1957, 120 (citaat; vgl. ibidem, 117 - 120). In de redactie van de brief, die de Gerefor­meerde deputaten ter kennisname aan de Gerefor­meerde synode van Assen stuurde, heetten "de Kerken van gereformeerde belijdenis" overigens "de gereformeerde kerken" (Rapport herziening 1957, bijlage II, 2).

     [17]   Notulen RvE d.d. 1 april 1957 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 2.

     [18]   A.W. Lazonder, "Kroniek van de Raad voor de Eredienst", in: Jaarb. Eredienst 1959, 131 - 143, 133. Het commentaar zelf is helaas niet in de archieven terug te vinden.

     [19]   Notulen gezamenlijke vergadering van de Gereformeerde en Hervormde synodale moderamina d.d. 24 april 1961 - RAU, Archieven Synodale Vergaderin­gen GKN, nr. 870.

     [20]   Notulen RvE d.d. 3 mei 1961 (citaat) - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 3.

     [21]   Circulaire van A. van Egmond (namens het bestuur) aan de leden van de GWvL d.d. oktober 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [22]   Agenda vergadering d.d. 6 januari 1958 - RAU, Archief GWvL, nr. 288.

     [23]   Over de betrokkenheid van G.C. Berkouwer: Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk d.d. 30 september 1957; A. van Egmond aan N.N. d.d. 8 oktober 1957 - beide: RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [24]   Stellingen "de zin der liturgie" (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 299. Citaten in het vervolg van deze alinea zijn eveneens afkomstig uit dit stuk, tenzij anders aangegeven.

     [25]   Dijk, "Woord", 203.

     [26]   Voor term "Vleeswording des Woords", zie: G. van der Leeuw, Liturgiek, 2e dr. Nijkerk 1946, 14 - 18 (passim).

     [27]   Vgl. een bijdrage van Bakker onder de titel "Liturgie en gemeenschap" in: GW 13 (1957-58), 222 (10 januari 1958).

     [28]   "Conclusies prof. Bakker" - RAU, Archief GWvL, nr. 299. De citaten van Bakkers conclusies in het vervolg van deze alinea zijn afkom­stig uit dit stuk.

     [29]  Zie hierboven blz. 181 - 184.

     [30]   Berkouwer, De sacramenten, 64 (vgl. ibidem, 49 - 65).

     [31]   "Omschrijving", 117 (citaat). Vgl. voor de Hervormde proeve hierboven blz. 137v.

     [32]   J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. [eerste helft januari] 1958; vgl. Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 7 januari 1958 - beide: RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [33]   Circulaire van W. Vos aan de redactieleden van KE d.d. februari 1958 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 30. Citaten in het vervolg van deze alinea zijn uit dit stuk afkomstig.

     [34]  Zie voor de rol van Vos in de GWvL hierboven onder meer blz. 170, 172, 178 en 183. De redactie van KE kampte met twee problemen: onvoldoende aanbod van gekwalificeerde artikelen en een te klein aantal abonnees om op termijn een gezonde exploitatie te kunnen verzekeren. Al met ingang van 1952 was de frequentie terug gebracht van twee- naar driemaandelijks. In 1957 begon het tijdschrift onregelmatig te verschijnen.

     [35]   Vgl. hierboven blz. 177vv.

     [36]   Notulen brede redactie KE d.d. 17 februari 1958 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 30.

     [37]   Verzoek van de redactie van het nieuwe Jaarb. Eredienst aan de secretaris GWvL "een verslag te willen geven van de werkzaamheden en enige mededelin­gen over de stand van zaken in de Geref. Kerken t.a.v. ere­dienst en kerkbouw." (notulen RvE d.d. 20 april 1959 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 2)

     [38]  Vgl. bijlage A1.

     [39]   Vgl. hierboven blz. 186v. In het late najaar van 1957 werd al duidelijk, dat een nieuwe confrontatie niet uit kon blijven (zie bijvoorbeeld: Fr. de Jong aan J.Th. Heemskerk en J.D. de Vries d.d. 3 december 1957). Vgl. ook inleidende woorden van J.Th. Heemskerk op de vergadering van 6 januari 1958 (beide stukken: RAU, Archief GWvL, resp. nr. 292 en nr. 311).

     [40]   Zo in een terugblik: Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 15 januari 1959 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [41]   J.Th. Heemskerk in gesprek met K.W. de Jong d.d. 9 november 1989 (citaten).

     [42]   Dat komt in het bijzonder naar voren in de discussie over de kerkbouw (notulen werkgroep d.d. 4 oktober 1960 - RAU, Archief GWvL, nr. 287). Later, in de besprekingen over de orde van dienst en het kerkelijk jaar, zou Lammens er een meester in blijken te zijn verschillende verwachtingen en opvattingen met elkaar in één overtuigend concept onder te brengen.

     [43]   "De orde van de eredienst" (manuscript); "de orde van de eredienst" (stencil) - RAU, Archief GWvL, nr. 300. De citaten in deze alinea zijn afkomstig uit het manuscript.

     [44]   Het gebruik van de term "brandpunt" in deze problematiek is te vinden bij J.N. Bakhuizen van den Brink, "Het Heilig Avondmaal", in: Handboek, 143 - 162, 145. Het avondmaal is dan voor hem hèt brandpunt. Overigens hanteert hij in dit verband ook de term middelpunt (ibidem), net als Wensinck (De Nederlandsch-Hervormde Kerk, 30v) en Van der Leeuw (Liturgiek, 34). De term "brandpunt" wordt opgepakt door W.H. Beekenkamp, "Prediking en sacrament", in: KE 2 (1947), 199 - 206, passim, die prediking en sacrament beide brandpunt noemt.

     [45]  Vgl. hierboven blz. 139v.

     [46]   Notulen historische en dogmatische sectie d.d. 25 februari 1958 - RAU, Archief GWvL, nr. 299. Het citaat in het vervolg van deze alinea is uit dit verslag afkomstig.

     [47]   Zie hierboven blz. 48.

     [48]   Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 23 april 1958; J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 25 april 1958 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [49]   J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 25 april 1958 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [50]   GW 13 (1957-58), 217 en 225.

     [51]   GW 13 (1957-58), 241 (citaat; vgl. ibidem, 241v). Bavinck stelde dit pas in de vijfde en laatste plaats aan de orde.

     [52]   J.Th. Heemskerk aan Fr. de Jong d.d. 25 april 1958 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [53]   Lekkerkerker, Kanttekeningen I, 18v (vgl. 22).

     [54]   Ibidem, 19 (citaat).

     [55]   Ibidem, 20 (citaat).

     [56]   Namelijk: J.M. Gerritsen, "Gebondenheid en vrijheid in de liturgie", in: KE 2 (1947), 193 - 198; "Het dienstboek voor de Ned. Herv. Kerk (in ontwerp)", in: KE 5 (1950), 263 - 273, en: KE 6 (1951), 2 - 23. Citaat in de volgende zin: Gerritsen, "Gebondenheid", 195v.

     [57]   Notulen dogmatische sectie d.d. 6 mei 1958 - RAU, Archief GWvL, nr. 299. Dat Polman ook een referaat gehouden moet hebben, kan worden afgeleid uit een uitnodiging daarvoor, alsmede uit enkele notities van de hand van J.Th. Heemskerk (circulaire van Fr. de Jong aan de leden van de historische sectie d.d. 6 november 1958 (citaat volgende regel); notities van J.Th. Heemskerk op de agenda's van plenaire werkgroepvergaderingen d.d. 25 juni 1958 en 14 januari 1959 - resp. RAU, Archief GWvL, nrs. 300 en 311).

     [58]  Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 15 januari 1959 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 292. Vgl. hierboven blz. 196vv.

     [59]   Agenda vergadering d.d. 14 januari 1959 (met aantekeningen J.Th. Heemskerk) - RAU, Archief GWvL, nr. 311; Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 15 januari 1959 en J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. 25 mei 1959 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [60]   Fr. de Jong en J.D. de Vries, Het gebed in de eredienst, Dokkum 1959, 35.

     [61]   Vgl. hierboven blz. 181 - 184. De offerande had De Jong in de orde van Calvijn zelf een plaats gegeven op basis van gegevens uit Calvijns inleiding bij die orde. Vgl. verder: M. Jenny, Die Einheit des Abend­mahlsgottesdienstes bei den elsässischen und schweize­rischen Reformatoren, Zürich-Stuttgart z.j. [1968], 112 - 124, met name 116v.

     [62]  Lekkerkerker, Kanttekeningen III, 69 - 75. Vgl. ibidem, 76 - 96, waar Lekkerkerker de avondmaalsviering in de vroeg-christelijke kerk bespreekt.

     [63]   Aantekeningen van J.Th. Heemskerk (op agenda voor de vergade­ring d.d. 14 januari 1959) - RAU, Archief GWvL, nr. 311. Vgl. Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 15 januari 1959 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [64]   Aantekeningen van J.Th. Heemskerk (op en bij agenda voor de vergade­ring d.d. 14 januari 1959) - RAU, Archief GWvL, nr. 311. Vgl. aanteke­ningen van verschillende personen (G.N. Lammens en Fr. de Jong?) op "Schema van de Orde van de Eredienst" - RAU, Archief GWvL, nr. 301.

     [65]   G.P. Hartvelt (geb. 1921), stud. theol. VU, dr. theol. 1960, Geref. pred. Ooster-Nijkerk 1947, Bodegraven 1950, Assen 1953, Delft 1959, Hilversum 1964, hoogl. Kampen 1966 - 1986 (emer.).

     [66]   G.N. Lammens, Tot Zijn gedachtenis. Het commemoratieve aspect van de avondmaalsvie­ring, Kampen 1968. Vgl. hieronder blz. 280. Wellicht vindt Koole's rede Het laatste woord. De aäronitische zegen Numeri 6: 23 - 27 ((= Kamper Cahier 5), Kampen 1967) eveneens haar oorsprong in het sectiewerk dat in deze werkgroepvergadering werd afgesproken (vgl. hoofdtekst).

     [67]  Vgl. Lammens, Tot Zijn gedachtenis, met name 235.

     [68]   "Lammens heeft toen deze richting gewezen - hij heeft het nu weer gedaan." (Fr. de Jong aan J.D. de Vries d.d. 15 januari 1959 - RAU, Archief GWvL, nr. 292).

     [69]   Bakker bijvoorbeeld in: GW 14 (1958-59), 359v; Van den Berg: GW 15 (1959-60), 62v; Scheeres al weer enkele jaren later in: StrK 19 (1962-63), nr. 431. Bakker en Scheeres vroegen ook in de werkgroep regelmatig aandacht voor het probleem, onder meer tijdens het lustrum in 1961. 

     [70]   Op basis van aantekeningen voor het morgengebed op 11 maart 1957 en dat op 14 januari 1959 kan worden vastgesteld, dat de hier beschreven orde in de praktijk in grote lijnen toen wel werd gebruikt, maar nog niet was gestencild. Een volledig, gestencild avondgebed voor het lustrum op 18 november 1961 doet vermoe­den, dat dat toen wel het geval was (zie: RAU, Archief GWvL, nr. 308).

     [71]   "Orde voor een morgen- en avondgebed" - RAU, Archief GWvL, nr. 308.

     [72]   Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk, 373, 375 (citaat). Vgl. hierboven blz. 139v.

     [73]   Das Stundengebet. Als Entwurf herausgegeben vom Liturgischen Ausschuß der Evangelischen Michaelsbruderschaft, 4e Aufl. Kassel 1956, 17.

     [74]   Vgl. "Gebet der Woche" (ibidem, 19 en 29).

     [75]   Zie hieronder blz. 221 en 242 - 245.

     [76]   Agenda voor de vergadering d.d. 7 april 1957 - RAU, Archief GWvL, nr. 288.

     [77]   De Jong, Het gebed.

     [78]   De brief ontbreekt in het synodale archief (RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 877). Het archief van de werkgroep bevat een concept ([Concept GWvL aan synode GKN] d.d. 4 april 1959 - RAU, Archief GWvL, nr. 302). De citaten in het vervolg van deze alinea zijn uit dit concept afkomstig.

     [79]  Vgl. Steenhuis, "De Gereformeerden", 17v.

     [80]   Een verslag is te vinden in: Trouw d.d. 13 juni 1959.

     [81]   Ibidem (citaat).

     [82]   GW 15 (1959-60), 30v (24 juli 1959). De citaten in de volgende regels zijn hieruit afkomstig.

     [83]   Zie de correspondentie tussen Fr. de Jong, namens de GWvL, en H.W.H. van Andel, namens de deputaten - RAU, Archief GWvL, nr. 290 en 291. Het rapport kon eerst in de loop van december 1959 worden gestencild (vgl. H.W.H. van Andel aan Fr. de Jong d.d. 30 december 1959 - RAU, Archief GWvL, nr. 290).

     [84]   Rapport herziening liturgische formulieren Generale Synode Utrecht 1959, z.p. z.j., 2 (citaat).

     [85]   Ibidem (citaat).

     [86]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1959-60 (Utrecht), art. 57, 58 en 251.

     [87]   Zie hierboven blz. 153.

     [88]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1959-60 (Utrecht), art. 251.

     [89]   Rapport revisie/uitbreiding Enige Gezangen Generale Synode Utrecht 1959, z.p. z.j..

     [90]   De separaat gedrukte bijlage bij het rapport draagt de titel: Bijlage bij het rapport inzake uitbreiding en herziening van de gezangenbundel aangeboden aan de Generale Synode van Utrecht 1959.

     [91]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1959-60 (Utrecht), art. 333, 334 en 339 (5 januari 1960), 375 en 376 (12 januari 1960), bijlage LXIII.

     [92]   Ibidem, art. 375 en 376.

     [93]   Ibidem, art. 380 (13 januari 1960). Vgl. GWvL aan de synode d.d. 18 december 1959 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 889 (P 18).

     [94]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1959-60 (Utrecht), art. 250 (24 september 1959). P.N. Kruyswijk, lid van het presidium van de synode, merkte toen op, dat hij een dergelijke bijdrage liever aan de GWvL zou gunnen (Kerknieuws 17 (1959-60), 272). Dit zou voor de GWvL wel eens de aanleiding kunnen zijn geweest een subsidie-aanvrage in te dienen.

     [95]   Rapport geestelijk leven. Voor de behandeling en verdere besluitvorming, zie: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1959-60 (Utrecht), art. 239 (23 september 1959), 385, 390 en 391 (13 januari 1960), 496 en 497 (3 mei 1960).

     [96]   Rapport geestelijk leven, 43 (citaat).

     [97]   Ibidem, 43 (citaat). Voor het vervolg van de alinea: ibidem, 43v.

     [98]   CW 7 (1959), 389 en CW 8 (1960), 331; GW 15 (1959-60), 100, 124 en 196.

     [99]   Kerkbezoek. De ontwikkeling in het kerkbezoek en de deelname aan het avondmaal in de Gereformeerde Kerken (= I.P.T. rapport 2), z.p. [Amsterdam] 1971, 4 (vgl. ibidem, 4 - 9, 12v).

     [100] Vgl. voor de classis Almelo CW 9 (1961), 436. Voor de classis Zutphen, zie hieronder blz. 221 en 242 - 245.

     [101] CW 5 (1957), 293 (Amsterdam-Zuid gaat van tweemaandelijks naar zeswekelijkse viering); CW 6 (1958), 341 (Beverwijk overweegt van driemaan­delijks naar tweemaandelijks te gaan); CW 7 (1959), 231 (bezinning in Gronin­gen-Oost op de avondmaalsviering); GW 14 (1958-59), 60 (Bakker over tucht en frequentie avondmaal), 158v (Bakker over maatstaf voor vaststellen frequen­tie); OB 35 (1957-58), 161vv (Nauta over tucht en avondmaal), OB 36 (1958-59), 73v (Nauta over viering avondmaal op Goede Vrijdag); OB 37 (1959-60), 109vv (Bakker met opmer­kingen die in nauw verband staan met de conclusies van de GWvL).

     [102] GW 14 (1958-59), 332v.

     [103] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1959-60 (Utrecht), art. 127, 128, 130, 131 en 132 (besluit), bijlage XXVII (advies commissie IV). Vgl. over de synode van Rotterdam 1952-53 hierboven blz. 154. Vgl. verder Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwar­den), bijlage LIX, waarin juist de commissie voorstelde om een verkort doopformulier op te stellen, maar de synode hier niet op inging.

     [104] Zie ook: J.D. te Winkel, Het wordt nooit meer als vroeger. Wat is er aan de hand met geloof en kerk, Franeker 1985, met name 57 - 61.

     [105] A.G. Barkey Wolf e.a., Hoe vindt u dat er gepreekt moet worden?, Zwolle 1959.

     [106] Kerkbezoek, 10 (vgl. ibidem, 10vv).

     [107] StrK 12 (1956-58), nr. 329, 6 (citaat).

     [108] "Tafel en kansel in de kerkbouw" - RAU, Archief GWvL, nr. 309.

     [109] A.G. Luiks, Cathedra en Mensa. De plaats van preekstoel en avondmaalstafel in het oudchristelijk kerkgebouw volgens de opgravingen in Noord-Afrika, Franeker 1955. A.G. Luiks (1912 - 1990) stud. theol. VU, Geref. pred. Hemelum 1938, Zuidwolde 1942 (legerpred. 1946), Rotterdam-Kralingen 1948, Diever 1951, Amsterdam 1957, Roden 1964, Rinsumageest 1974 - 1976 (emer.) (Jaarb. Geref. Kerken 1991, 472v).

     [110] A.G. Luiks, Wij bouwen voor God en mensen, Franeker z.j. [1961]. Vgl. C.A. van Peursen e.a., Aspecten van kerkbouw, Aalten z.j. [1961].

     [111] J. Plooij, "De reformatorische eredienst en de plattegrond van het kerkgebouw", in: KE 10 (1955), 224 - 233, 233 (citaat).

     [112] Notulen werkgroep d.d. 4 oktober 1960 - RAU, Archief GWvL­, nr. 287.

     [113] "Tafel en kansel in de kerkbouw" (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 309.

     [114] "Hedendaagse architektuur en prot.chr. kerkbouw" en "Vervolg referaat hedendaagse architektuur en kerkbouw" - RAU, Archief GWvL, nr. 309. Het is niet duidelijk, of het vervolg-referaat ook op een vergade­ring is uitgesproken, of alleen maar op schrift gesteld en aan de leden uitge­deeld. Vgl. Trouw d.d. 14 januari 1961.

     [115] Voor het overige wat be­treft Ingwer­sens visie kan in het kader van deze studie verwezen wor­den naar: R. Steensma, "Kerkbouw in de jaren zestig. Op zoek naar nieuwe uitdrukkingskracht", in: Steensma en Van Swigchem, Honderdvijftig jaar, 100 - 119, met name 100 - 107.

     [116] Agenda vergadering d.d. 4 april 1961 - RAU, Archief GWvL, nr. 288.

     [117] Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), art. 37 en bijlage VI.

     [118] Zie voor de handelwijze van de synode hieronder blz. 224v. Vgl. notulen deputaten kerkopbouw d.d. 14 juli 1961 - Archiefdienst GKN Leusden, Archief deputaatschap kerkopbouw.

     [119] W. Ingwersen, "Kerkbouw", in: Bezinning 16 (1961), 275 - 284.

     [120] G.N. Lammens, "Het eigene van de liturgie", in: G. Dekker e.a., Wat vindt u van de kerkdienst?, Wageningen 1971, 88 - 100. Zie hieronder blz. 311vv.

     [121] Notulen sectie I d.d. 3 oktober 1960 - RAU, Archief GWvL, nr. 299 (citaten in deze alinea zijn zonder nadere bronvermelding uit dit verslag afkomstig). Vgl. ook hierboven blz. 156v.

     [122] Uit het stuk valt op te maken, dat De Vries afgezien van de in het vervolg aan te geven literatuur kennis heeft genomen van: H. Asmussen, Das Kirchenjahr, München 1936; Kuyper, Onze Eeredienst, 269vv; Lekkerker­ker, Kanttekeningen I, met name 82; P. Parsch, Het jaar des Heren III, Utrecht z.j., met name 6.

     [123] Vgl. Dijk, De dienst der prediking (hieronder in dit hoofdstuk steeds: De dienst), 312 (vgl. ibidem, 309) en Koopmans, Het kerkelijk jaar, 52.

     [124] Vgl. bijvoorbeeld: Van der Leeuw, Liturgiek (2e dr.), 95; Oberman, De gang, 21vv; L. Brink, "Het kerkelijk jaar", in: KE 13 (1958-59), 203 - 221, met name 206vv.

     [125] Vermoedelijk behoorde W.J. Kooiman, De schriftlezing in den eeredienst, Assen 1946, tot de bronnen van De Vries' referaat. De structuur van het referaat lijkt geënt op Kooimans vragen "naar het wie, het waar en het hoe" van de Schriftlezing (ibidem, 12v). Vgl. verder ibidem, 7 - 10, waar Kooiman ingaat op het verschil in waardering van Schriftlezing en preek in de calvinistische en lutherse traditie (vgl. verder Kuyper Onze Eeredienst, 162).

     [126] Een dergelijk gebruik van het klassieke kerkelijk jaar werd nog streng afgewezen door Koopmans (Het kerkelijk jaar, 56v). Het subjectieve van Kuyper, die met name op esthetische gronden een keuze wilde maken uit de klassieke pericopen (Onze Eeredienst, 268v), wordt hier vervangen door een objectievere maat, hoewel geen absolute. Er blijft ook bij De Vries immers nog ruimte voor een persoonlijke keuze. Vgl. voor de Gereformeerde kerkorde hierboven blz. 157.

     [127] K. Bisschop, "Liturgische jaarorde", in: Bezinning 16 (1961), 240 - 255.

     [128] Ibidem, 241v. Vgl. Dijk, De dienst, 311; Hoekstra, Gereformeerde homiletiek, 257.

     [129] Bisschop, "Liturgische jaarorde", 243 (citaat).

     [130] Vgl. Dijk, De dienst, 311v; Koopmans, Het kerkelijk jaar, 50v. J.H. Bavinck nam een tussenposi­tie in. Hij kan het jaar als eenheid niet als absoluut principe terugvinden in de Schrift, maar meent dat er voldoen­de mogelijkheden zijn om het met gegevens uit de Schrift te verbinden (GW 14 (1957-58), 234v).

     [131] Bisschop, "Liturgische jaarorde", 242 (citaat).

     [132] Ibidem, 253 (citaat).

     [133] Ibidem, 254v.

     [134] Ibidem, 242 (citaat). Laatste regel van deze alinea: ibidem, 250 (citaat; vgl. 254v).

     [135] Vgl. hierboven blz. 156v.

     [136] Vgl. voor deze samengestelde term: De adem van het jaar - paaskring, onder verantwoorde­lijkheid van de Prof.Dr. G. van der Leeuw-stichting samengesteld in overleg met de 'Liturgische Kring' en 'Het Jaar Onzes Heren', z.p. z.j. [1962], VII; Van der Leeuw, Liturgiek, 95 en 171.

     [137] Zie hieronder vanaf blz. 288.

     [138] Openingsrede van J.T. Bakker (bandopname van de viering van het eerste lustrum van de GWvL op 18 november 1961; citaat) - Archiefdienst GKN Leusden, collectie geluidsbanden.

     [139] J. Pasveer (geb. 1933), organist, staatsexamens koordirectie 1959 en schoolmuziek 1960, directeur Muziekschool Zaanstreek 1962, vervulde daarnaast diverse andere functies op het gebied van de muziek, onder andere ten behoeve van het Liedboek voor de kerken (Compendium Liedboek, 271). Pasveer kwam in de loop van 1957 in aanraking met de werkgroep.

     [140] Vgl. de bewerking van deze rede die zich bevindt in: RAU, Archief GWvL, nr. 322.

     [141] Zie voor de bron van het citaat hierboven noot 138.

     [142] W.G. Scheeres, "Dienst aan de Kerk", in: Uitzicht 5 (1959), 45 - 49, 49 (citaat).

     [143] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), art. 202 (19 september 1961).

     [144] Notulen brede kerkeraad d.d. 21 januari 1960 (citaat) - Archief Gereformeerde Kerk Winterswijk, nr. K 518-15.

     [145] Notulen brede kerkeraad d.d. 21 april 1960 (citaten) - Archief Gereformeerde Kerk Winterswijk, nr. K 518-15.

     [146] Credentiebrief voor de afgevaardigden van de Gereformeerde Kerk Winterswijk d.d. 9 juni 1960 (citaat; curs. KWdJ) - GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN. Vgl. het standpunt van de Winterswijkse kerkeraad in het vervolg. Men is wel "in beginsel" en "in principe" voor een veelvuldi­ger avondmaalsvie­ring, maar in het algemeen, praktisch, blijkt er "weinig enthousiasme te zijn" (notulen brede kerkeraad resp. d.d. 19 en 26 januari 1961, en 24 januari 1963 - resp. Archief Gereformeerde Kerk Winterswijk, K 518-15 en K 519-16).

     [147] Notulen classis d.d. 16 juni 1960 - GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN.

     [148] Notulen classis (voortgezet) d.d. 22 december 1960 (rapport van deputaten bijgevoegd) - GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN.

     [149] CW 8 (1960), 213 en 221). Dijk haakte daarbij in op het Rapport geestelijk leven.

     [150] Notulen classis (voortgezet) d.d. 27 april 1961 - GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN.

     [151] Notulen classis d.d. 8 juni 1961 (brief van de classis aan de generale synode d.d. 16 juni 1961 bijgevoegd) - GA Aalten, Archief classis Zutphen.

     [152] Notulen classis d.d. 10 december 1959 - GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN.

     [153] "De tweede kerkdienst" (B. Scholten te Zutphen) - particulier bezit K.W. de Jong (nalatenschap Fr. de Jong). Uit het archief van de classis valt niet op te maken, wanneer deze inleiding gehouden is (vgl. notulen classis d.d. 16 juni 1960 - GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN).

     [154] Notulen classis d.d. 13 september 1962; "Rap­port tweede kerkdienst classis Zutphen" - beide: GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN.

     [155] Zie hieronder blz. 242 - 245.

     [156] Notulen kerkeraad d.d. 22 november 1960 - Archief Gereformeerde Kerk Heemstede.

     [157] Notulen kerkeraad d.d. 13, 20 en 27 juni 1961 - Archief Gereformeerde Kerk Heemstede.

     [158] Notulen kerkeraad d.d. 20 juni 1960 (citaat) - Archief Gereformeerde Kerk Heemstede.

     [159] Notulen kerkeraad d.d. 27 juni 1961 - Archief Gereformeerde Kerk Heemstede.

     [160] Notulen kerkeraad d.d. 13 juni 1961 (rapport ingeplakt) - Archief Gereformeer­de Kerk Heemstede. Citaten in deze alinea zijn uit dit rapport afkomstig, tenzij anders aangegeven.

     [161] G.N. Lammens aan Fr. de Jong d.d. 6 april 1962 (RAU, Archief GWvL, nr. 301) bevat een bijlage met deze orde uit Kralingen die dateert uit de periode 1956 - 1960. In afwijking van de Gerefor­meerde orde uit 1952 volgt daar de wetslezing op de genadeverkondiging.

     [162] Notulen kerkeraad d.d. 27 juni 1961 - Archief Gereformeerde Kerk Heemstede.

     [163] OB 37 (1959-60), 175vv en OB 38 (1960-61), 7vv. Ook opgenomen in: GW 16 (1960-61), 60 en 94. Voor De Jongs studie: "De liturgie bij Calvijn. Deel II: Zijn Zondagmorgendienst", 4vv (RAU, Archief GWvL, nr. 309).

     [164] Notulen kerkeraad d.d. 5 september 1961 - Archief Gereformeerde Kerk Heemstede.

     [165] De gedachte om de gebeden te laten volgen op de collecte is mogelijkerwijs ingegeven door de praktijk in Kralingen om over de ontvangen gaven een kort gebed uit te spreken. Vgl. hierboven noot 161.

     [166] Vgl. Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 358 - 362. Lammens geeft daar evenmin aan, waarom de collecte, het offertorium, moet volgen op de voorbeden. Vgl. voor de eigen plaats die Lammens in Heemstede aan het Credo geeft ten opzichte van de orde van de GWvL: ibidem, 362. Hij vraagt zich daar af, of het Credo maar niet beter geheel weggelaten kan worden.

     [167] Notulen kerkeraad d.d. 13 juni 1961 (rapport ingeplakt, citaten uit deze en volgende regels daaruit afkomstig) - Archief Gereformeerde Kerk Heemste­de.

     [168] OB 37 (1959-60), nr. 433, met name 8.

     [169] Het eerste artikel van de reeks "De liturgie der kerk" werd gepubliceerd in: OB 36 (1958-59), 166vv. Het laatste verscheen in: OB 38 (1960-61), 36vv. Daarna volgden nog een aantal van elkaar losstaande bijdragen van Bakkers hand over liturgische onderwerpen.

     [170] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), art. 37 en bijlage VI. Vgl. GWvL aan de generale synode d.d. 13 april 1961; verslag van de werkzaamheden van de GWvL in 1960 en 1961 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 918 (resp. B III 7 en B III 8).

     [171] Zie hierboven blz. 215.

     [172] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), art. 37 (citaat).

     [173] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 117. Vgl. Rapport kerkbouw Generale Synode Utrecht 1959, z.p. z.j., 2.

     [174] Psalmberijming (vgl. ook hierboven de paragrafen 6.2.2 en 8.1): Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), art. 174, 175, 176 en 177. Vgl. verder ibidem, art. 227 en 228, evenals bijlage La en Lb. Gezangbundel: ibidem, art. 178, 179 en 180. Vgl. eveneens ibidem, art. 224, 225 en 226, evenals bijlage LIa en LIb. De synode besteedde op 13 september een hele dag met drie zittingen aan de psalmbe­rijming en de gezangbundel. Beide zaken kwamen op 20 september tot een afronding.

     [175] GWvL aan de generale synode GKN d.d. ? [1961] - RAU, Archieven Synodale Vergaderin­gen GKN, nr. 918.

     [176] Kunst, Kerkzang, 160vv.

     [177] Zie voor de bron van het citaat noot 175.

     [178] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), bijlage LIb (citaat in deze en volgende zin).

     [179] Ibidem, art. 226 (citaat in deze en volgende zin).

     [180] Het initiatief voor de voordracht lag bij de praeses van de synode, P.D. Kuiper, die als deputaat direct betrokken was geweest bij de uitbreiding van de 'enige gezangen'. De volgende namen zijn vermoedelijk door hem aan het moderamen voorgelegd. Het is de vraag, of hem en het moderamen bekend was, wie lid was van de GWvL en wie niet. Met behulp van de ledenlijst uit 1961 (RAU, Archief GWvL, nr. 295) kan nu worden vastgesteld, dat dat waren: A. Westera, R. Bakker en J. Pasveer (alle voorgedragen musici), D.M. Bakker (neerlandicus), J.T. Bakker en W.G. Scheeres (theologen) (agenda moderamen synode d.d. 2 maart 1962 (bijlage)). Bakker wilde niet. De overigen kwamen om onduidelijke redenen niet aan bod (notulen moderamen synode d.d. 28 maart 1962 - agenda en notulen: RAU, Archieven Synodale Vergade­ringen GKN, nr. 912). Kan hierin een rol hebben gespeeld, dat de deputaten voor de uitbreiding van de 'enige gezangen' tot twee keer toe (1959, 1961) onaangenaam getroffen waren door de kritiek van de GWvL? Vgl. de rapportage van commissie III, waar overigens ook duidelijk waardering voor de GWvL uit spreekt (Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), bijlage LIb).

     [181] Vgl. A. van Egmond aan Fr. de Jong d.d. 31 juli 1963 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [182] B. Smilde (geb. 1922) stud. theol. VU 1941, dr. theol. Groningen 1986, Geref. pred. Achlum 1947, Garijp 1953, Grootegast 1958, Gorredijk en Kortezwaag 1964, redactiesecr. Friese Bijbelvertaling 1967, Geref. pred. Burgum 1977, secr. cie. dienstboek 1985 - 1987 (emer.). Smilde studeerde tevens muziekgeschiedenis en doceerde vanaf 1963 onder meer hymnologie en liturgiek aan verschillende instellingen (Compendium Liedboek, 1247 - 1251).

     [183] Vgl. bijvoorbeeld: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1963-64 (Groningen), art. 425 sub 5.

     [184] Ibidem 1961-62 (Apeldoorn), art. 50 en 141 (7 september 1961), bijlage X en XCVIII.

     [185] Ibidem, art. 202 (19 september 1961; citaat). Vgl. hierboven blz. 220vv.

     [186] Ibidem, art. 237 en 238 (21 september 1961).

     [187] Rapport herziening liturg. formulieren Generale Synode Apel­doorn 1961, z.p. z.j.. Verwezen wordt naar het verkort rapport: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1960-61 (Apeldoorn), bijlage LXXa. Hierin zijn de door deputaten aanvankelijk voorgestelde teksten weggelaten.

     [188] De berijmde psalmen (ed. Rutgers), 68 (eerste citaat); en Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), bijlage LXXa (tweede citaat).

     [189] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), bijlage LXXa. Vgl. voor dit doopformu­lier ook: T.C. Wolters, "'Van geslacht tot geslacht'. Een onderzoek vanuit de praktische theologie en binnen de gereformeerde traditie naar de verhouding tussen de liturgische vormgeving van de doopbediening en de motivatie en beleving van doopouders" (niet uitgegeven doctoraalscriptie Theologische Universiteit Kampen, 1989), met name 28 - 30. Vgl. voor de structuur en de vragen in deze studie bijlage D.

     [190] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), bijlage LXXa (citaat).

     [191] Rapport geestelijk leven, 17 (citaat). Een van de rapporteurs van dit rapport, E.D. Kraan, was tevens een van de rapporteurs van het Rapport herziening 1961.

     [192] Ibidem, art. 237 en 238 (vgl. het commentaar van commissie III: bijlage LXXb en c).

     [193] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), art. 291, 297, 301, 308 en 310 (tekst in bijlage LXXd en e). Wat het nieuwe doopformulier betreft werd het facultatieve karakter aan het gebed voor de doop ontnomen en kreeg het dankgebed na de doop uit het klassiek-gereformeerde formulier alsnog een plaats.

     [194] GW 17 (1961-62), 101 (citaat).

     [195] Notulen kerkeraad d.d. 13 juni 1961 (citaat afkomstig uit ingeplakt rapport) - Archief Gereformeerde Kerk Heemstede.

     [196] Vgl. Fr. de Jong, "De orde van de zondagmorgendienst", in: Bezin­ning 16 (1961), 222 - 239.

     [197] Initiatiefvoorstel van commissie III (citaat) - RAU, Archieven Synodale Vergade­ringen GKN, nr. 947. Het voorstel zal nog in 1961 ontwikkeld zijn, aange­zien het reeds op de moderamenvergadering van 3 januari 1962 bekend was (aanteke­ningen moderamen synode d.d. 3 januari 1962 - Archief Synodale Vergaderingen GKN, nr. 912).

     [198] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), art. 309 (citaat; vgl. ibidem, 290).

     [199] Aanvankelijk benoemde de synode Koole (formulieren en werk­groep), die echter bedankte. In zijn plaats wees het moderamen De Jong aan (Aanteke­ningen moderamen synode d.d. 27 april 1962 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 956).

     [200] Notulen moderamen synode d.d. 2 maart 1962; agenda moderamen synode d.d. 28 maart 1962 (bijlage II) - respectievelijk: RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 912 en 956.

     [201] Vgl. J.T. Bakker, "Ter inleiding", in: Bezinning 16 (1961), 213 - 221, met name 216; R. Boon, "De voortzetting van het liturgisch beraad op oecumenisch vlak", in: VT 31 (1960-61), 12 - 21.