9.†††††††† Oecumenische orde op liturgische zaken (1962 - 1966)

 

 

Terwijl in het in de jaren vijftig in Nederland in veel op≠zichten nog geleken had of het patroon van de vooroorlogse samenleving zich ongewijzigd zou voortzetten, werd aan het begin van de jaren zestig toch wel duidelijk, dat er grote veranderin≠gen op komst waren. Als sommigen in de Gereformeerde Kerken al dach≠ten dat deze veranderingen aan deze voorbij zouden kunnen gaan, dan maakte het rapport Veranderend getij van het Gereformeerd Sociologisch Instituut in 1961-62 wel duidelijk, dat dat geenszins het geval zou zijn. De structurele veranderingen die zich in de Nederlandse samenleving voltrokken, zouden ook voor de positie en het functioneren van de kerken verstrekkende gevolgen hebben. Hiermee zij nog eens onderstreept, dat de bezinning op de liturgie in de Gereformeerde Kerken in de eerste helft van de jaren zestig in het kader stond van een kritisch benaderen van de eigen tot dan toe vaak zo vanzelfsprekende traditie met het oog op de veran≠derende samenleving. De liturgische bezinning op synodaal niveau droeg daarmee het karakter van een zelfonderzoek, dat uit de aard der zaak in eerste instantie sterk naar binnen was gekeerd. OfficiŽle contacten met andere kerkgenootschappen over de liturgische vormgeving kwamen mede daarom slechts moeizaam van de grond en hadden zo goed als geen invloed op de besluitvorming. Wat betreft de contacten met vertegenwoordigers van de Nederlandse Hervormde Kerk moet daarbij bovendien vermeld worden, dat die om verscheidene, nog aan te duiden redenen ook van hun kant een afwachtende houding aannamen.[1]

We beschrijven in dit hoofdstuk de periode tussen de synode van Apeldoorn 1961-62 en die van Middelburg 1965-66. De eerstgenoemde had aan een vijftal deputaten de opdracht gegeven advies uit te brengen over de orde van dienst en hen daarvoor de tijd gegeven tot de synode die in 1965 zou samenkomen. We volgen de lotgevallen van deze deputaten op de voet, maar eerst schetsen we het brede kerkelijke kader waarin deze geplaatst moeten worden en geven we een overzicht van enkele aspecten die hun werkzaamheden direct hebben beÔnvloed. Hoewel ontwikkelingen in de Rooms-Katholieke Kerk ten gevolge van het Tweede Vaticaans Concilie en in de Hervormde Kerk geen directe gevolgen hebben gehad voor de besluitvorming in de Gereformeerde Kerken, hebben ze wel de sfeer waarin die plaatsvond mee bepaald. Daarom beginnen we met een korte beschrij≠ving van hetgeen daar gebeurde.

 

 

9.1†††††††† Liturgi≠sche vernieuwing in andere kerkge≠nootschappen

 

9.1.1De Rooms-Katholieke Kerk

 


Het Tweede Vaticaans Concilie luidde op tal van terreinen van het Rooms-Katholieke leven grote veranderingen in, zo ook op dat van de liturgie. Op 4 december 1963 keurde het concilie de Constitutio de sacra liturgia goed.[2] De omstandigheden waaronder de liturgische vernieuwing van start ging en haar effecten, waren in de Rooms-Katholieke Kerk en in het bijzonder in de Nederlandse kerkprovincie vergelijkbaar met die in de Gereformeerde Kerken. De kerkelijke betrokkenheid en daarmee de kerkgang was ≠hoog, maar dreigde te verminderen. In beide kerkgenootschappen bediende men zich voor de liturgie in hoofdzaak van orden en formulieren die aan het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw waren vastge≠legd, al waren in de loop van het laatste decennium wel enkele kleinere wijzigingen aange≠bracht. De Gereformeerde Kerken gebruikten dan wel de lands≠taal, maar de bewoordin≠gen van de klas≠sieke formulieren klon≠ken zeker de jongere generatie archaÔsch en soms zelfs onbe≠grijpe≠lijk in de oren. Aanpassing en moder≠nisering werd in beide gevallen als harde noodzaak gevoeld. Advent 1964 gingen vele parochies in Nederland over tot de mis in de landstaal. Zowel de Gereformeerde Kerken als de Katholieke Kerk hadden de een≠heid van liturgie hoog in het vaandel staan, zij het dat de laatste verder gegaan was en gestreefd had naar uniformiteit. Onder druk van de basis ontstond er in beide kerkgenootschappen enige ruimte voor pluri≠formiteit. In beide kerken begon≠nen in de loop van de jaren vijftig verande≠r(en)de opvat≠tingen over de kerkzang baan te breken, die in de Katholieke Kerk door het conci≠lie nog eens krachtig werden gestimu≠leerd. Terwijl in veel parochies de volkszang aan populariteit won, probeerden sommige Gereformeerde kerken het eens met een koor. Op het moment, dat in de Gereformeerde Kerken vragen waren ge≠steld over het avond≠maal en de (lage) frequen≠tie daarvan, nam in de Rooms-Katholieke Kerk de aandacht voor het Woord toe. De beide tradities bewogen zich in el≠kaars richting.


Weder≠zijdse beÔnvloeding op concrete punten is, ook als de blik beperkt wordt tot de Nederlandse kerkpro≠vincie van de Katholieke Kerk, in deze jaren nog niet aantoonbaar. Wel ontstond een gevoel van herkenning over en weer. Lammens signaleerde dat begin 1965 in Jong Gereformeerd en vatte de ontwikkelin≠gen samen met de titel: "Worden de roomsen protes≠tant en de protestanten rooms? Naar aanleiding van 'de mis in het Nederlands'"[3]. Lammens merkt op, dat zowel in protestantse kerken - en hij heeft ongetwijfeld in het bijzonder aan de Gereformeer≠de Kerken gedacht - als in de Katholieke Kerk velen zich door de liturgievernieu≠wing ontheemd en vervreemd voelen, hetgeen tot onrust en verontrusting leidt. "Volgens růůmsen is die onrust echter aan protestŠntse en volgens průtestanten aan roomse invloed te wijten! Vandaar dat alle klagers tenslotte elkaar bijvallen in de topklacht, dat alles tegenwoordig zo onduidelijk is."[4] Lammens probeert de verwarring positief te duiden door te wijzen op het groeiend besef, dat "we dientengevolge met elkŠŠr voor de problematiek van het zoeken naar eigentijdse en toch verantwoorde vormen voor de eredienst staan." Hij attendeert daarbij op de gezamenlijke bron, de vroeg-christelijke kerk. Hij acht het winst, dat achter de vormen die een scherp zicht vaak belemmerden, nu de werkelijke verschilpunten tussen Rome en Reformatie beter uitkomen. Als voorbeeld noemt hij de offertermi≠nologie in de Romeinse canon, die zijns inziens onmiskenbaar een representa≠tie van het offer van Christus suggereert.

Echter niet alleen in de Gereformeerde Kerken en de Katholieke Kerk, maar ook in andere kerkformaties wees een deel van de gelovigen in de jaren zestig en zeventig vernieuwingen in de eredienst af. Dit deed het bewustzijn groeien, dat in het liturgiewe≠tenschappelijk onderzoek naast de traditionele theologische en historische benadering ruimte moest worden gemaakt voor een anthropologische, psychologi≠sche en sociologische aanpak van het verschijnsel eredienst.

 

9.1.2De Nederlandse Hervormde Kerk

 

De Hervormde gezangencommissie werkte gestaag door aan de samenstelling van een nieuwe liedbundel. Ze legde in 1965 een concept van 713 oude en nieuwe gezangen aan de Hervormde synode voor, die een begin maakte met de bespreking daarvan.[5]


De commissie vormde in deze jaren naar de Gereformeerden toe een gesloten blok. De in 1962 benoemde Gereformeerde deputaten slaagden er niet in nader met haar in contact te treden≠.[6] Eerst in 1967 wijzigde de commissie onder druk van de Hervormde synode haar hou≠ding.[7] Waar was de blokkade van de gezangencommis≠sie aan te wijten? Haar secretaris Lazonder verdedigde de houding van de commissie met argumenten van formele en procedurele aard. Steenhuis wijst er in zijn al eerder aangehaalde onderzoek "De Gerefor≠meerden en het Liedboek" op, dat er meer aan de hand was. De gezangencommis≠sie beschouwde de eerdere samenwerking met de Gereformeerde deputa≠ten als door het moderamen van de Hervorm≠de synode opgelegd. Deze samenwerking had tot gevolg gehad, dat er vertraging was opgetreden in de uitvoe≠ring van de oorspronkelijke opdracht. Dat argument kan de commissie niet ont≠streden worden. Datzelfde geldt voor de bewe≠ring, dat de vertraging vervolgens weer leidde tot druk van het≠zelf≠de moderamen om desondanks tijdig de nodige resultaten te presen≠teren. Maar in dit licht bezien is het dan wel vreemd, dat de banden met Doopsgezin≠den, Remon≠stranten en Neder≠landse Protes≠tanten Bond werden aange≠haald, terwijl de Gerefor≠meerden op af≠stand werden gehou≠den.[8] Enigszins verhuld ver≠bindt Overbosch in zijn over≠zichtsartikel over de totstand≠ko≠ming van het Liedboek voor de kerken de afwijzing van de Gereformeerden met de persoon van de voorzit≠ter van de commis≠sie, E.L. Sme≠lik.[9] Steenhuis heeft zwart op wit van Smelik bevestigd gekregen, dat hij van het begin af aan bang geweest is, dat de commissie haar vrijheid zou ver≠lie≠zen, in het bijzonder in de omgang met de Schrift.[10] Hij was zijn teleurstellende ervaringen met de Gereformeerde Kerken bij zijn afzet≠ting als Gereformeerd predikant in 1926 nog niet verge≠ten. Een nadere analyse van Rijnsdorp, opgenomen in Steenhuis' onderzoeksverslag, over de verschillen tussen de Gereformeerde deputa≠ten en met name de niet-dichters onder de Hervormde commissie≠leden, laat zien waarom die angst in de loop der jaren niet benoemd en weggenomen kon worden.[11] Rijns≠dorp wijst erop, dat de Gerefor≠meerden zich theologisch supe≠rieur voelden en betoon≠den. De Hervormden deden bewust en onbewust hetzelfde op het culturele vlak. Beide groepen, maar zeker de Gerefor≠meerden, hadden nog steeds een sterk vooroorlogse mentali≠teit. Hervormden verdis≠conteerden onvoldoen≠de, dat er een nieuwe generatie Gerefor≠meerden opgroeide, die ondanks een zelfbewus≠te houding een veel grotere openheid naar anderen betrachtte dan voorheen. De Gereformeer≠den hielden van hun kant onvoldoende rekening met de wijze waarop zij en hun ouders met andersden≠kenden waren omgegaan ≠en welke indruk dit had achtergela≠ten.


De herziening van het Hervormde Dienstboek verliep wat betreft de relatie tot de Gereformeerde Kerken aanvankelijk heel anders. We zagen al, dat de Raad voor de Eredienst, net als de commissie voor de gezangen nu, bevreesd was geweest, dat de Gere≠formeerde inbreng vertragend zou kunnen werken.[12] Toch bestond in 1962 aan beide zijden een welwillende houding ten aanzien van samenwerking. Op verzoek van het moderamen van de Gerefor≠meerde synode initieerde het moderamen van de Her≠vormde synode het con≠tact en vond daarvoor in het bij≠zonder bij de voorzit≠ter van zowel de Raad voor de Eredienst als de commissie dienstboek, verenigd in de persoon van de Groninger kerkelijk hoogleraar Lekker≠kerker, een gewillig oor.[13] Aan Gereformeerde zijde waren de lijnen kort, doordat H.W.H. van Andel zowel lid van het moderamen van de synode was, als samenroeper van de deputaten voor de herzie≠ning van de liturgische formu≠lieren. Op 28 maart 1962 vond een oriŽnterend gesprek plaats tussen Lekkerkerker en Van Andel.[14] Lekkerker≠ker wist als voorzitter zijn positieve houding over te brengen op de Raad voor de Ere≠dienst, die in zijn vergade≠ring van 9 mei 1962 nader over≠leg "zeer gewenst" achtte.[15] Alleen de vrijzinnige predikant A. de Wilde riep op tot voorzichtig≠heid. Een eerste terrein≠ver≠ken≠ning vond plaats op 30 november 1962 en betrof de doop≠li≠tur≠gie. De Gereformeerden brachten hun nieuwe verkorte formu≠lier in, de Hervormden de ontwerpen uit het Dienstboek en een proeve van Barnard met een "liturgische didachŤ".[16] Van de resultaten is helaas weinig bekend. Uit de stukken valt alleen op te maken, dat het overleg in de loop van 1963 verzand moet zijn. Van de zijde van de Hervormde synode en door de raad zelf werd het bezwaar naar voren ge≠bracht, dat een overleg als dit vertra≠ging kon opleveren voor het werk in de Hervormde Kerk.[17] Vermoed kan worden dat er zeker aan Hervorm≠de, maar mogelijk aan beide zijden, nog steeds grote onzekerheid bestond over de zin en het doel van deze samenwerking. De Gereformeerde deputaten kregen gerichte opdrachten van hun synode en hadden derhalve slechts een beperkte ruimte om de resultaten van enig gesprek te verwer≠ken. In de loop der jaren was aan Gereformeerde zijde wel een behoorlijke verzame≠ling gebeden en formulie≠ren ontstaan, maar voor de uitgave daarvan bestond afgezien van de term 'kerkboek' nog geen vast≠omlijnd plan. Een praktisch pro≠bleem vormde verder het feit, dat er drie Gereformeerde deputaat≠schappen bestonden, voor de bestudering van de orde van dienst, een frequentere viering van het avondmaal en de herziening van liturgische formulieren en gebeden. Deze opereerden min of meer onaf≠hankelijk van elkaar, terwijl aan Hervorm≠de zijde de commissie dienstboek namens de raad het enige aan≠spreek≠punt vormde. Daarom stelden de Hervormden als voorwaarde voor verder overleg, dat de Gereformeerden hun verschillende deputaat≠schappen betref≠fende de eredienst zouden samenvoegen. Toen dat eenmaal een feit was, werd het gesprek op 30 oktober 1964 heropend.[18] Op de agenda stond het rap≠port, dat het ≠ene deputaat≠schap voor de eredienst aan de synode van Middel≠burg 1965-66 zou uitbrengen en vertrou≠welijk ter inzage was gegeven. De Hervormden, vertegenwoordigd door de leden van de raad, Lazonder, Lekkerkerker en W.G. Overbosch, beoordeelden dit als een "degelijk werkstuk" en plaatsten enkele kritische kanttekenin≠gen.[19] Deze waren echter margi≠naal van aard en zouden nauwe≠lijks van invloed blijken te zijn op het rapport, zoals dat aan de Gerefor≠meerde synode werd aangeboden.

 


In een vorig hoofdstuk stipten we al even de problematiek van de tweede dienst aan.[20] Het moderamen van de Hervormde synode vroeg in de herfst van 1962 aan de Raad voor de Eredienst, de bezinning hierop voort te zetten.[21] Het lukte de raad ondanks een funda≠men≠tele herziening van een eerste concept niet tot een eenstem≠mig advies te komen.[22] Overbosch, die de revisie verzorgd had, publiceerde het daarom op persoonlijke titel als "De tweede kerkgang" in het Jaarboek voor de ere≠dienst 1965-66.[23] Met de keuze van dit opschrift wilde Overbosch aange≠ven, dat bepalend voor het nadenken over de tweede dienst moest zijn de vraag, hoe deze dienst voor mensen die twee maal per zondag ter kerke gingen zinvol kon worden ingevuld. Hij werkte zo het eerdere standpunt van de raad uit, dat de tweede dienst duidelijk onderscheiden diende te zijn van de eer≠ste. Overbosch wees bijvoor≠beeld op de mogelijkheid van een leer-, gebeds-, jeugd- of zangdienst.

 


Het tempo van de toenadering tussen Hervormden en Gereformeer≠den in liturgische zaken weerspiegelde zich in de verhouding tussen de Liturgische Kring en de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. De Liturgische Kring had zijn studie van het Dienstboek in februari 1961 afgerond met een kritisch rapport.[24] De kring van actieve leden die in staat waren zelfstandig een bijdrage te leveren was klein geworden. Toen een van hen in december 1961 aangaf zich terug te willen trekken, wilde de kring de basis verbreden door betrekkingen te onderhouden met enerzijds de werkgroep en ander≠zijds de studiecommissie voor de eredienst van de vrijzinni≠gen.[25] Dientengevolge zond de kring vijf jaar na zijn enigszins afstandelijke reactie op de oprichting van de werkgroep deze nu een uitnodiging. Op 21 mei 1962 ontmoetten de studiegroepen elkaar.[26] 's Morgens leidde de Hervormde R. Boon een discussie in over de dienst bij zieken en stervenden, terwijl 's middags de ons reeds bekende Ingwersen vanuit de werkgroep sprak over het litur≠gisch centrum in de kerkbouw. De discussie over dit referaat laat zien, waar het verschil tussen beide groepen lag. In tegenstelling tot Ingwersen en een meerderheid van de werk≠groep meende de kring, dat de verhoogde opstelling van de tafel in de kerk niet alleen praktisch gewenst was, maar ook principieel. Gelet op de centrale plaats van de voorganger in het hiervoor genoemde rapport en op basis van deze reactie op Ingwersens referaat menen we te kunnen stellen, dat het accent voor de Liturgische Kring minder lag bij de dienst van de gemeente in zijn geheel en meer bij de dienst die de voorgan≠ger achter de tafel voor de gemeente verrichtte. Hoewel bij het afscheid vriendelijke en welwillende woorden werden gewis≠seld, zou het negen jaar duren eer de beide groepen weer samen zouden vergaderen.[27] In de tussenliggende jaren komt de naam van de werkgroep nog wel eens een enkele keer voor in de notulen van de Liturgische Kring, maar werd geen toenadering tot haar gezocht. Dat gebeurde evenmin in omgekeerde richting. Blijk≠baar voelde men aan beide zijden aan, dat het ver≠schil in sfeer en opvattingen te groot was om op korte termijn vrucht≠baar te kunnen samenwerken. Overigens kwam het in het geheel niet tot contact tussen de Liturgische Kring en de vrijzinnige studiecommissie.

 

 

9.2†††††††† Studie en experiment in de Gereformeerde Kerken

 

De deputaten die in opdracht van de synode van Apeldoorn 1961-62 studie verrichtten naar de orde van dienst beperkten zich in de activiteiten ten behoeve van deze studie niet alleen tot hun eigen kring. Ze stelden zich open voor de bevindingen van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, al zou die haar voorsprong op het deputaatschap al spoedig verliezen. Verder zouden de deputaten gebruik maken van de bezinning op de tweede dienst in de classis Zutphen en de reacties die binnenkwamen op de experimentele televisiediensten uit Heemstede. Tenslotte was er nog de synode van Groningen 1963-64, die met haar oordeel over de studie inzake de frequentie van de avondmaalsviering het kader waarbinnen de deputaten moesten werken, nader markeerde. We volgen elk van deze ontwikkelin≠gen op de voet.

 

De invloed van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie


De bescheiden van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie laten zien dat er, nog voor de synode van Apeldoorn 1961-62 een deputaatschap voor de bestudering van de orde van dienst had ingesteld en daarbij werkgroepleden had betrokken, binnen de werkgroep plannen bestonden om nadere invulling te geven aan de in 1959 opgestelde orde voor de zondagmorgen≠dienst.[28] Men wilde daar ook de zondagmiddag- of avonddienst bij betrekken, evenzo diensten met avondmaalsvie≠ring, doopbediening, enzovoort. Hiertoe werden orden van dienst uit een veertiental gemeenten, voornamelijk met een lid uit de werkgroep als voorganger, in een overzicht samengebracht.[29] De bespreking daarvan vond plaats, nadat de synode had besloten de orde van dienst in onderzoek te nemen. De vergadering van de werkgroep over dit ineens zeer actuele thema op 24 april 1962 mocht zich verheu≠gen in de belangstelling van 21 aanwezigen en was daarmee een van de best bezochte in het bestaan van de werkgroep.[30] De werk≠groep koos de orde van dienst uit Heemstede als uitgangs≠punt, omdat deze het dichtst stond bij haar orde uit 1959.[31] D≠eze orde uit Heemstede die al inhet vorige hoofdstuk besproken is, bevatte de ru≠brieken introÔtus, veroot≠moediging, dienst des Woords, dankzeg≠ging en voor≠beden, inzameling der gaven, en sluiting.[32]

In Heemstede begon de dienst na een gezamenlijk stil gebed met een votum. Dit was in overeenstemming met de vroegere Gerefor≠meerde orden. De werkgroep wilde het votum net als in de mis-litur≠gie, laten functioneren als inlei≠ding op de schuldbe≠lijdenis en daarom direct daaraan vooraf laten gaan. De (eerste) psalm kwam dan voor votum en schuldbelijdenis. We merken hierbij op, dat de werkgroep hiermee het spoor van Kuyper verliet. Die wilde met het votum als duidelijk begin van de dienst de gemeente bewust maken van de ernst van de eredienst in al zijn onderdelen.[33] Een wezen≠lijk element als de Schriftlezing kon volgens Kuyper niet, zoals men in veel (Hervormde) gemeenten in de 19e eeuw nog gewend was, aan de dienst zelf voorafgaan en door slechts een deel van de kerkgangers worden aangehoord. De werkgroep plaatste zich in haar omgang met het votum bewust in de middeleeuwse tradi≠tie van de mis. Ze deed dat overigens ook weer niet conse≠quent, want de groet bleef volgen op het votum, net als in de Gereformeer≠de orde van bijvoorbeeld 1952, en verbrak daarmee toch weer de directe overgang van votum naar schuldbelijdenis.


In de rubriek veroot≠moediging wilde de werkgroep alle accent leggen op het gebed van de schuldbelij≠denis. Ze volgde hierin Bakker, die kort tevoren in een artikel bezwaar had gemaakt tegen de genadever≠kondi≠ging. Bakker achtte het noodzakelijk dat de genadeverkondiging kon volgen op een doorleefd en oprecht berouw van de gelovigen. Hij wees op het gevaar dat de gemeente door de wekelijks herhaling de genadeverkondiging onverschillig over zich heen zou laten komen. Hij pleitte daarom voor een versterking van het gebedskarakter van dit element.[34] Bakkers strijd tegen ingesleten gewoonten en voor een zowel bijbels gefundeerde als beleefbare eredienst vond in de werkgroep ook navolging inzake de wetslezing. De werkgroep beoordeelde de functie en daarmee de plaats van de wetslezing als problematisch.[35] Als de wetsle≠zing al zou moeten worden opgeno≠men - en dat was nog geen jaar tevoren in Heemstede vanzelfsprekend geweest - dan na de schuldbe≠lij≠denis en de faculta≠tieve genade≠verkondiging, even≠tueel als geheel zelfstandig element. De werkgroep lijkt hiermee impliciet een voorkeur uit te spreken voor het lezen van de wet als regel der dankbaarheid. In de overwegingen bij deze volgorde kan echter ook een rol gespeeld hebben, dat de wetslezing zelfstandig functionerend als Schriftlezing gezien moest worden. In dat geval moest de wetslezing zo dicht mogelijk bij de dienst des Woords geplaatst worden, dus aan het slot van de rubriek verootmoediging.[36]In de vormgeving van de dienst des Woords werden geen wijzi≠gingen aangebracht. De geloofsbelijdenis, in Heemstede aan het slot geplaatst, moest volgens de werkgroep na de prediking komen.

Een wezenlijk deel van de orde uit 1959 bleef hiermee nog buiten het gezichtsveld, namelijk de viering van het avond≠maal. De Jong en Lammens kondigden aan op de volgende vergade≠ring, te houden op 17 september 1962, daarover enkele prealabele vragen te behande≠len.[37] Helaas zijn alleen de vragen bewaard gebleven en bevin≠den zich over de gedachtenwisseling geen aantekeningen in het archief.[38] Onoverkome≠lijk is dit niet, aangezien de vragen zo suggestief zijn, dat er duidelijk uit valt op te maken, welke kant men op wilde. De eerste vraag betrof het formulier: wat de zin ervan is, of het nodig is, en wat er inhoudelijk van bewaard zou moeten worden bij een verkorting. Men zocht met andere woorden naar mogelijkheden om het leerstel-lig formulier (grotendeels) op te geven. In de tweede vraag wilden beide predikan≠ten ingaan op de werkwij≠ze. Ze stelden zich voor het klassiek-gereformeerde materiaal te confronteren met het liturgisch overgeleverde, terwijl beide beoordeeld zouden moeten worden vanuit Schrift en belijdenis. In het bij≠zonder vroegen Lammens en De Jong in dit verband de werkgroep om argumenten die het gebruik van elementen als prefatie, Sanctus en Benedic≠tus zouden kunnen ondersteunen. Dat deze elementen geheel of gedeeltelijk aan de Schrift ontleend waren, was blijkbaar onvoldoende om ze in de avondmaalsorde op te nemen. Uit de vraag kan verder worden afgeleid, dat Lammens en De Jong ze zelf wel wilden gebruiken. Het tweetal informeerde in de derde plaats, of er naast aan Schrift en confessie ontleende normen, nog andere motieven, zoals esthetische, gebruikt mochten worden bij de ontwikkeling van een avondmaalsliturgie.


Welke de inbreng van de werkgroep is geweest in het vervolg van het wordingspro≠ces van de orde van dienst, valt niet precies te traceren, afgezien nog van de vraag, of de werk≠groep wel als een eenheid kan worden beschouwd. De werkgroepleden die in deputaatschappen inzake de frequentie van het avondmaal, inzake de orde van dienst of de herziening van liturgische gebeden en formulieren zijn benoemd, hebben daar weliswaar hun sporen achtergelaten, maar het is bij gebrek aan notulen van de werkgroep-vergaderingen niet na te gaan in hoeverre hun standpunten door de werkgroep gedekt werden. Wel wordt uit de agenda's duidelijk, dat het karak≠ter van de werkzaam≠heden van de werkgroep veranderde. De werkgroep verloor haar voorsprong en haar bezinning kwam in dienst te staan van de werkzaamheden van deputaten. De omslag vond ergens in 1963 plaats. De frequentie van de werkgroep-vergaderingen begon af te nemen. Tot en met 1963 waren er minstens drie per jaar, in 1964 en 1965 was het er steeds maar ťťn.[39] Sporadisch treffen we in de archivalia van de deputaten aanvullingen of kritiek vanuit de werkgroep aan. Waar nodig zullen we deze in het vervolg bij de beschrijving van de activiteiten van de deputaten opnemen.[40]

 

Een vergelijkbare verschuiving van werkgroep naar deputaat≠schap vinden we bij het onderwerp kerkbouw. Op 22 november 1962 keurde de werkgroep met enkele wijzigingen het tweede concept "Rapport richtlij≠nen voor kerkbouw" goed.[41] We consta≠teerden reeds, dat de be≠trokken werkgroepleden onder druk van de synode van Apeldoorn 1961-62 naar de kerken toe samen dienden te werken met de synodale deputaten.[42] Met ingang van 27 maart 1962 was de sectie bouwzaken van het deputaatschap kerkopbouw samen met een groepje architecten en de werk≠groepleden Heemskerk, Ingwersen en Langedijk gaan vergaderen om advie≠zen op te stellen voor concrete plaatse≠lijke kerkbouwplannen.[43] Uit de notu≠len van deze vergaderingen kunnen we opmaken, dat de werkgroepleden goed in de gelederen van de adviesgroep werden opgeno≠men. In de adviezen werd het liturgisch gebruik van de kerk≠zaal steeds duidelijk verdiscon≠teerd, hetgeen voorheen in mindere mate het geval was geweest. In enkele gevallen konden de werkgroepleden zich profile-ren, bijvoorbeeld als het ging om de plaats en functie van een vaste (avond≠maals)tafel. De uitgave van het werkgroep-rapport Richtlijnen voor kerkbouw - in de loop van 1963 onder medever≠antwoordelijkheid van het depu≠taatschap tot stand gekomen - bevestigt de indruk, dat de werkgroepleden en hun deskundig≠heid in de adviesgroep in verregaande mate waren geaccepteerd. Nadat dit rapport was samengesteld, besteedde de werk≠groep als zodanig lange tijd geen aandacht meer aan de kerkbouw. Die taak behartigden de werkgroepleden in de adviesgroep.

 

De tweede dienst in de classis Zutphen


Voor wat betreft de tweede dienst zouden de deputaten voor de orde van dienst zich veel gelegen laten liggen aan een rapport dat in de classis Zutphen diende. Het stond in nauw verband met de rapportage van classicale deputaten inzake de frequentie van de avondmaalsviering, waarover het reeds in het vorige hoofdstuk ging. Bij de bespreking daarvan was de vraag naar een alternatieve invulling van de tweede dienst nog open blijven staan. De classicale deputaten presenteerden op 13 september 1962 een voorstel, waarin leerdienst en avondgebed konden worden samengevoegd.[44] Het bor≠duurt voort op de gedachte, dat de tweede dienst qua vorm en inhoud onderscheiden moet zijn van de eerste. Het valt op, dat de vooronder≠stellingen dogma≠tisch - "onderricht in haar belijdenis is van levensbelang voor de kerk" - en litur≠gie-historisch - "de leerpreek (...) stond in het kader van een werkelijke 'dienst'" - van karakter zijn.[45] In het rapport wordt nauwelijks gereflecteerd op de receptie van een nieuwe orde in de gemeente. Eerst in de praktijk zou moeten "blijken, dat de gemeente van Jezus Christus een be≠paalde orde een goede uitdrukking vindt van haar ontmoeting met de Heer."[46] Verwijzend naar de ontwikkeling die in de loop van de 16e eeuw te Straatsburg had plaatsgevonden - waar een vesper met een leerpreek erin op den duur verworden was tot een leer≠dienst waarin niets meer van het karakter van een vesper te ontdekken was - stelden de deputaten voor leer≠dienst en getij≠dedienst niet te vermen≠gen, maar slechts te combine≠ren.[47] Dit leidde tot het volgende voor≠stel voor een orde:

 

A†† Leerdienst

Votum

Lied

Gebed om verlichting met de Heilige Geest

Catechismus- (of andere leer-)preek

Lied (eventueel collecte)

B†† Getijdedienst

Schuldbelijdenis

Gebed van vergeving

Psalterium:

Versikel

Berijmde psalm (zo mogelijk helemaal)

Onberijmde psalm (gelezen of gezongen door koor en ge≠meente)

Klein gloria (Gloria Patri)

Lezing van de Heilige Schrift:

Schriftlezing

Credo en/of canticum

Gebeden

Inleidende woorden (Heer, ontferm U ...)

Onze Vader, voorbeden, eventueel avondgebed

Gebed van Chrysostomus

Hymne

Zegen(bede)

 


De voorgestelde opzet doet wat het tweede deel betreft denken aan de orde voor een getijdedienst die in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie was opgesteld. De klassieke termen zijn er grotendeels uit verdwe≠nen. Hier en daar zijn enkele vereenvoudigingen aangebracht. De ingressus ("Het behage U, o God") is bijvoor-beeld als versikel bij het psalterium ondergebracht. De geloofsbelijdenis kwam in de orde van de werkgroep niet voor, in deze orde wel, waarschijnlijk ingege≠ven door het Hervorm≠de Dienst≠boek of mogelijk ook door het Angli≠caanse Book of Common Prayer. De volgorde is evenals de invulling van enkele gebeden namelijk gelijk aan de Evening Prayer in deze potentiŽle bron. De combi≠natie van een getijde≠dienst met een daarvan min of meer losstaande preek was en is ook in de Engelse traditie bekend, zij het dat deze dan meest≠al op de getijdedienst volgt. Helaas leggen de depu≠taten in hun rapport geen verantwoording af van de keuzen die gemaakt zijn in de orde zelf.

Dit voorstel trof hetzelfde lot als dat over de frequentie van het avondmaal. De classis kwam er niet uit. Ze wilde op voor≠hand uitmaken, wat volgens haar deputaten pas in de prak≠tijk naar voren zou kunnen komen: of de voorgestelde opzet een oplos≠sing bood. Uiteinde≠lijk besloot de classis het rap≠port aan de lande≠lij≠ke deputa≠ten eredienst toe te zenden. Wel sprak ze uit de kerken in de classis vrij te laten de orde te be≠proeven. Dit tekent de relatief open en welwillende sfeer, die in de classis bestond. Ze ging met dit besluit immers voorbij aan de orde die door de generale synode van Rotterdam 1952-53 en haar opvolgsters was aanbe≠volen.


Al eerder is opgemerkt, dat men in verschillende classes het vraagstuk van de tweede dienst in studie nam. Maar in hoeverre waren de rapporten en conclusies vergelijkbaar met die van de classis Zutphen? Men stemde overeen in de overtui≠ging, dat de tweede dienst noodzakelijk was, maar wezenlijk anders moest zijn dan de eerste.[48] Dit zou dan wel beter aan de kerkgangers duidelijk gemaakt moeten worden, al betwijfelden sommigen of hiermee de oorzaak van de teruggang zou worden weggenomen; zulks werd in het rapport van de classis Zutphen wel gesuggereerd. Vrij alge≠meen wilde men verder in een of andere vorm de tweede dienst als leer≠dienst handhaven. De classis 's-Herto≠genbosch volgde daarbij een koers, die vergelijkbaar was met die in de Achterhoek.[49] Anderen wensten inhoudelijk minder gebonden te zijn aan de Hei≠delbergse Cate≠chismus, zoals de kerkorde dat voor≠schreef en de synode van Apeldoorn 1961-62 nog eens bevestigd had.[50] Tegelijk wilde men, zoals eerder in de classis Zutphen, de kwaliteit van de preek verho≠gen door het onderling ruilen van predikanten te bevorderen. Inciden≠teel werd wel eens de mogelijkheid van een gespreks≠dienst geopperd, onder meer in het kader van jeugddiensten. Van verschillende kanten klonk ook de roep om meer varia≠tie. De classis Almelo ging in dat verband een experiment aan met "een zoge≠naamde lofdienst, waarin de ele≠menten van lied, aanbidding, lofzang, gebed en voorbede meer tot hun recht komen."[51] De voorstellen in de classis Zutphen blijken aan te sluiten bij hetgeen er elders in het land gaande was. Dat de classis enigszins verlegen was met de voorstellen verbaast niet, als bedacht wordt, dat andere kerken en classes voor dezelfde problematiek andere oplossin≠gen vonden en invoerden. De classis Zutphen was echter voor≠zo≠ver bekend de enige die zich tot de landelijke deputaten of de generale synode wendde.[52]

 

De televisiediensten vanuit Heemstede

Naast de classis Zutphen bleef ook de kerk van Heemstede betrokken bij het liturgische vernieuwingsproces. De veranderingen daar kregen vanaf 1962 landelijke bekendheid door een serie kerkdiensten op televi≠sie. Lammens was vrijwel vanaf het begin in 1957 bij de Gereformeerde diensten via dit medium betrokken geweest. De Gereformeerden werden door deze serie en door eerdere tele≠visie≠dien≠sten uit Heem≠stede directer dan ooit, gecon≠fron≠teerd met de liturgische beweging in hun eigen kerken. Tevens konden ze door de televisie kennismaken met de liturgi≠sche praktijk in andere kerkgenootschappen. Dat verruimde hun blik.

In 1963 regisseerde Lam≠mens een reeks dien≠sten, waarop de kijkers commen≠taar konden leveren. Aangezien hij in zijn kerkblad telkens kort ver≠slag deed van de reacties die hij ontving, stelt dit ons in de gelegenheid na te gaan, hoe men in met name de Gereformeerde Kerken stond tegenover de keuzen die er in de liturgische vernieuwing gemaakt waren. De eerste dienst was een gewone Woorddienst en werd door het Convent van Kerken uitgezon≠den op 27 januari.[53] De orde van dienst kennen we al uit het vorige hoofdstuk. Twee≠derde ≠van de reacties was posi≠tief getoonzet.[54] Eťnderde deel van de brief≠schrij≠vers uitte zich kriti≠sch over de gang van zaken in Heemstede. Het groot≠ste deel van hen wilde het liefst vasthou≠den aan het oude ver≠trouwde. Maar onder deze groep bevonden zich ook kijkers, die vonden dat het in Heem≠stede niet ver genoeg ging. Zij zouden zich beter thuisvoe≠len in diensten die de sfeer ademden van de Anglicaanse kerk of het Leger des Heils, om maar twee uiter≠sten te noemen. De positie≠ve respon≠denten waren gechar-meerd van de frisse aanpak in Heemstede en gaven bijvoor≠beeld aan, dat zij de kinde≠ren misten die in vorige diensten meer op de voorgrond waren getre≠den.


In de volgende televisiedienst, op 21 april, werd de doop bediend; daarbij werd een plaats ingeruimd voor de geloofsbelij≠denis.[55] De mogelijkheid daartoe was op dat moment alleen nog maar in studie gegeven door de synode. Verder werkte aan deze dienst een kinderkoor mee, dat een keervers bij de introÔtus-psalm zong en een lied dat niet in de synodaal vastgestelde gezangbundel voorkwam. Ook dat was in de meeste Gereformeer≠de kerken in die tijd buiten de orde. Helaas legde Lammens geen verantwoording af van de reacties die hij op deze dienst kreeg. Dat gebeurde weer wel na de dienst op 16 juni.[56] Daarin volgde men de orde van het avondge≠bed, zoals die aan de clas≠sis Zutphen was voorge≠steld, maar zonder leerdienst vooraf. Psalmen werden in deze dienst zowel berijmd gezongen op de Geneefse melodie als onberijmd in een zetting van Ignace de Sutter. Een koor ondersteunde de gemeentezang. Ruim viervijf≠de van degenen die reageerden, hadden een positief oordeel over deze dienst.[57] De afwijzende reacties hadden vooral be≠trek≠king op de manier van zingen, die te rooms werd geacht. In zijn nabeschouwing in het kerkblad meende Lammens persoonlijk, dat de preek in het avondgebed zelf een storend element was. Hij pleitte ervoor deze aan het avondgebed zelf vooraf te laten gaan. We mogen aannemen, dat deze opmerking ingegeven werd door het rapport in de classis Zutphen, dat eveneens voor deze oplossing opteerde.

De vierde en laatste dienst in de reeks werd op zondag 15 september uitgezonden.[58] Daarin werd het avondmaal gevierd. Zowel in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie als in de Heemsteedse kerkeraad had Lammens de vraag gesteld, of dit verantwoord was.[59] In de kerkeraad was men tot de volgende conclusie gekomen: "Het voornaamste be≠zwaar is wel, dat de 'kijker' niet kan participeren."[60] Dit leidde er echter niet toe van het experiment af te zien. De orde van dienst is helaas enigszins summier in de Radiopreken-serie afgedrukt. De rubriek "Viering van het Heilig Avond≠maal", die volgt op de "Geloofsbelijdenis", bevat de volgende elementen: voorbeden, inzameling der gaven, dank≠zegging, gezang 42: 2 en 3 ("Heilig, heilig, hei≠lig"), instel≠lingswoor≠den, avondmaals≠gebed, Onze Vader, "Christus, heilig Godslam", nodiging, psalm 43: 4 en 5 ("Dan ga ik op tot Gods altaren"), commu≠nie, Schriftlezing, gezang 9: 1, 4 en 7 ("O, grote Chris≠tus, eeuwig licht"). Hierop volgt een nieuwe ru≠briek met het opschrift "Lofprijzing", inhoudende de lezing van een aantal verzen uit Psalm 103. We zien voor het eerst, hoe een lid van de werkgroep, Lammens in dit geval, de orde voor de viering van het avond≠maal, zoals die door de werkgroep in 1959 was uitgedacht, wilde invullen. Het geheel wordt gekenmerkt door soberheid en wat de tek≠sten betreft door aansluiting bij bestaande voorbeelden. Alleen de herkomst van de "dankzeg≠ging" blijft onduidelijk. Het avond≠maalsgebed zal afkomstig zijn geweest uit de bestaande formu≠lieren. Het gezang "Christus, heilig Godslam" is vermoe≠delijk als enig element uit een andere traditie afkomstig, namelijk de lutherse. J. Pasveer, die als musicus werkzaam was in de kerk van Heemstede en met wie Lammens in de werkgroep en het jeugdwerk optrok, fungeerde als cantor. Er reageerden dit keer minder kijkers dan bij vorige diensten.[61] Lammens vermoedt zelf, dat het mooie weer de kijkcijfers heeft gedrukt. Toch zou ook de aankondi≠ging, dat het ging om een dienst met de viering van het avondmaal mensen van kijken hebben kunnen afhouden. De meeste respon≠denten gaven toe eerst tijdens de dienst over hun gevoelsbe≠zwaren te zijn heengestapt. Slechts enkelen waren uitge≠spro≠ken negatief in hun oordeel, maar reikten hiervoor geen con≠crete argumenten aan. Lammens conclu≠deert: "'k Dacht, dat we met deze reacties in onze schik mochten zijn."[62]


We zien dat de invulling van de diensten in hoge mate representatief is voor hetgeen in de kring van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie leefde. In hoeverre dat ook voor het lande≠lijke deputaatschap eredienst gold, valt bij gebrek aan gege≠vens nauwelijks te bepalen. Wel zou het deputaatschap uiteindelijk op hoofdlijnen instemmen met modellen die te vergelijken zijn met de orden die in de Heemsteedse kerkdiensten gevolgd werden.[63] Het eigen accent dat Lammens in de diensten aanbracht, betrof de bijzondere aan≠dacht voor de kinderen, hetgeen in het verlengde lag van zijn activiteiten in het jeugdwerk.[64] Het is vervolgens de vraag, of de reacties uit het land ≠representatief geacht kunnen worden voor de houding van Gere≠formeer≠den ten opzichte van de getoonde≠ liturgievernieu≠wing. De landelijke deputaten voor radio- en televisie≠dien≠sten meenden dat ze in de loop der jaren steeds sober waren gehouden, "met af en toe een kleine aanvul≠ling van het litur≠gisch deel door een koor≠zang."[65] Dat moet in zoverre worden gecorri≠geerd, dat zeker de televisiediensten onderling nogal verschilden en doorgaans afweken van het geijkte pa≠troon van een Gereformeerde eredienst.[66] Dat kan de samenstelling van het kijkerspu≠bliek en zijn oordeel hebben be≠Ônvloed. Ook de indruk dat de praktijk in de eigen plaatselijke kerk niet direct op het spel stond, kan de oorzaak zijn van een tegemoetkomende houding. Lammens zelf relati≠veert in zijn nabeschou≠wing op de eerste dienst het resultaat al door vast te stel≠len, dat Zee≠land, de Zuid-Holland≠se eilanden en de Betuwe in de reacties onderver≠te≠gen≠woordigd waren. Keek men daar (op zondag) minder televisie? We voegen aan Lammens' constatering nog toe, dat juist meer traditioneel inge≠stel≠de Gereformeerden twee keer ter kerke gingen en, afhanke≠lijk van het aanvangs≠tijdstip van de dienst in hun plaatselij≠ke kerk, aan het begin van de avond daarom niet in de gelegen≠heid waren de televisie≠dienst te volgen. Zo zouden er meer overwegingen te noemen zijn. Alleen reeds op basis van de genoemde menen we echter te kunnen conclude≠ren, dat de door Lammens ontvangen reacties niet representatief geacht kunnen worden voor het Gereformeerde volksdeel. Ze geven een te positief beeld van de Gerefor-meerde opinie over de liturgische vernieu≠wing. Op termijn zouden behoudend ingestelde Gereformeerden zich dan ook nog heel wat kritischer uiten.[67]

 

De synode van Groningen 1963-64 en de frequentie van de avondmaalsviering


Nog voordat de reeks televisiediensten vanuit Heemstede was afgerond, kwam op 2 mei 1963 de synode van Groningen in eerste zitting bijeen. Ze liet al spoedig merken de voortgaande bezinning op de eredienst en in dat verband de samenwer≠king met de Hervormden van belang te achten. Op verzoek van de betrokken deputaten, die op hun beurt daarmee een wens van de Hervormde Raad voor de Eredienst verwoordden, besloot ze op 10 september 1963 tot de instelling van ťťn deputaatschap voor de eredienst, waarin samenvloeiden a) het deputaatschap voor de herziening van de liturgische gebeden en formulieren, b) het deputaatschap voor advies inzake de frequentie van het avondmaal en c) het deputaatschap voor advies inzake de orde van dienst. Het eerste was ingesteld door de synode van Rotterdam 1952-53, de twee laatste hadden hun opdracht ontvangen van de synode van Apeldoorn 1961-62. Aangezien het deputaatschap betreffende de frequentie van de avondmaalsviering nog op de Groningse synode tot een afronding van zijn opdracht kwam, had de samenvoeging in de praktijk daarvoor geen gevolgen.[68] Het nieuwe deputaatschap eredienst ging vijf≠tien leden tellen en koos in de eerste vergadering, gehouden op 7 april 1964, Bakker tot voorzitter. Een van de aanwezigen merkte toen op, dat ook de deputaten voor de gezangen en de psalmen in het ene deputaat≠schap moes≠ten worden opgenomen, al was het maar om taalkundig tot een een≠duidige benadering te komen.[69] Deze wens zou ge≠deeltelijk door de eerstvolgen≠de synode worden ver≠vuld.[70]

Van meer inhoudelijk belang was het rapport van de depu≠taten die de fre≠quentie van het avondmaal in studie hadden genomen; het werd overeenkomstig de opdracht aan de Groninger synode voorgelegd. In een lijvig en genuan≠ceerd rapport deden de betrok≠ken deputaten, met Hartvelt als rapporteur, verslag van hun bevindingen.[71] Ze hadden de desbetreffende gegevens in Schrift en traditie onderzocht en bij de plaatselijke kerken een enquÍte ingesteld naar de behoefte aan een fre≠quentere viering van het avond≠maal. De deputaten conclude≠ren, dat een grotere frequentie van de viering van het avond≠maal ondersteund werd door gegevens uit de Schrift en van belang zou zijn voor het kerkelijk leven. Ze constateren daarbij echter wel, dat het verlan≠gen naar een veelvuldiger avondmaals≠viering≠ niet groot is en dringen erop aan, dat de bezinning op het thema in de kerken gestimu≠leerd zal worden. Ze stellen voor, dat kerken die het avondmaal vaker willen vieren of geen gebruik meer willen maken van de be≠staande formulie≠ren, dat kunnen doen op de door hen aangegeven wijze, zonder leerstel≠lig formulier, maar dan wel in afwisse≠ling met de tot dan toe gebruikelijke wijze mŤt zo'n formulier. De deputaten orde van dienst zouden een orde moeten ontwerpen, waarin de bediening van het Woord en van het avondmaal beide zijn opgenomen.


De commissie (III) die de behandeling van het rapport op de synode voorbereidde, uitte in meerderheid scherpe kritiek.[72] Ze was niet overtuigd van de conclusie, dat de Schrift een frequente≠re viering gebiedt. Op basis van diens optreden op de synode achten we de veronderstelling gewettigd, dat het aan de com≠missie toegevoegd preadviserend lid W.H. Gispen, hoogleraar Oude Testament aan de VU, in het verzet het voortouw nam.[73] In het vooroverleg konden de deputaten en commissie III elkaar wel vinden in de stelling, dat "het Nieuwe Testament gegevens bevat, die wijzen in de richting van een grotere frequen≠tie".[74] Dit was een versmalling - van de gehele Schrift naar alleen het Nieuwe Testament - en een verzwakking - van gebod naar aanwijzing - van de oorspronkelijke conclusie van de deputa≠ten. De commissie wilde verder, anders dan deputaten, nog geen ruimte bieden voor een viering van het avondmaal zonder een van de synodaal vastgestelde formulieren. Op de plenaire synodezitting van 8 januari 1964 verliep de ont≠vangst van het deputaten≠rapport aanvanke≠lijk heel anders. Dat kreeg daar veel bijval, terwijl de kritiek zich met name op het commissierap≠port richtte.[75] De druk om nader tot elkaar te komen was groot, al was dat gezien de grote meningsverschillen niet gemakkelijk. De behandeling werd herhaalde≠lijk onderbroken voor nader overleg tussen deputaten en com≠missie. De synode raakte in de discussie gaande≠weg onder de indruk van het principieel getoonzette betoog van Gispen. Ze neigde ertoe, de bestaande praktijk met de formulieren tenminste voor vier maal per jaar te handhaven. In het uiteindelijk besluit kwam men de bezwaar≠de commissie- en synodeleden, in het bijzonder hun woord≠voerder Gispen, verregaand tegemoet. De principiŽle beslissin≠gen werden onder≠gebracht in overwegingen. De synode erkende vervolgens welis≠waar, dat van een frequente≠re avondmaalsvie≠ring "een grote zegen kan uitgaan", maar waarschuwde tevens voor het gevaar van "gevaarlijke verstar≠ring en veruitwendi≠ging".[76] De kerken die vaker dan vier maal per jaar het avond≠maal wilden vieren kregen voor het meerdere de volgende prak≠tische handreiking aangeboden (de liederen zijn niet opgeno≠men)[77]:

 

Votum, groet

Verootmoediging

gebed om vergeving van schuld en zonde

genadeverkondiging

wet des Heren of samenvatting van de wet

Opening van het Woord

gebed om verlichting met de Heilige Geest

Schriftlezing(en)

Prediking

Gebeden

Collecte, toebereiding van de avondmaalstafel

Viering Heilig Avondmaal

inzettingswoorden, avondmaalsgebed uit het formulier

geloofsbelijdenis

terugwijzing en nodiging

communie (met uitdelingswoorden uit het formulier)

dankzegging†††††††

Zegen

 


Bij vergelijking van dit model met dat van de deputaten valt ťťn verandering met name op.[78] Aan de nodiging gaat nu een terug≠wijzing der onboetvaardigen vooraf. Met deze drempel kwam men tegemoet aan het bezwaar, dat een verhoging van de fre≠quentie van het avondmaal en in het verlengde daarvan een grotere deelname geen verbetering zou zijn, tenzij het verbonden was met een verdieping van het geeste≠lijk leven.

Deze orde voor een dienst met avondmaalsviering draagt het karakter van een overgangs≠orde. Ze wijkt wat betreft de Woord≠dienst af van hetgeen in 1952 door de synode was aanbevolen en in vele kerken gebruikelijk was. Ze grijpt vooruit op hetgeen de synode van Middelburg 1965-66 naar aanleiding van de rapportage over de orde van dienst zou bepalen. In de structuur van de avond≠maalsviering zelf gaat de orde terug op het klassieke formu≠lier. Alleen de onderwijzing vervalt. De deputaten voor de bestudering van de frequentie van de avondmaalsviering zullen hierbij deels teruggevallen zijn op het materiaal, dat reeds in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie was ontwikkeld. Haar rapport Het gebed in de eredienst bood een nieuwe structuur met concrete handreikingen voor de opbouw van onder meer de verootmoediging en de dienst des Woords.[79] De invulling van het avondmaalsgedeelte lag wat betreft de tekst ook in de werkgroep nog niet zo vast. De televisiedienst uit Heemstede toont dat aan. Het is vermoedelijk alleen al daarom, dat de deputaten voor het avondmaalsgedeelte gebruik maakten van de structuur die het desbetreffende klassiek-gereformeerde formulier bood. De deputaten voor de bestudering van de frequentie van het avondmaal maakten de weg vrij voor een verdere uitbouw van de orde van dienst. Ze stelden de synode voor de reeds gegeven opdracht aan de deputaten voor de bezinning op de orde van dienst aan te scherpen door hen op te dragen "een orde van dienst aan te bieden voor de morgen- en middagdienst, waarin de bediening van het Woord en de viering van het avondmaal zijn opgenomen"[80]. De synode nam dat voor wat betreft de morgendienst over.††

 

 

9.3†††††††† Oecumenische orde op liturgische zaken: naar de synode van Middel-burg 1965-66

 


Deze paragraaf is grotendeels gewijd aan de deputaten die een advies moesten opstellen inzake de orde van dienst. Zij werden daartoe benoemd door de synode van Apeldoorn 1961-62. Aangezien zij na het ontstaan van het ene deputaatschap voor de eredienst in 1963 in een aparte sectie werden ondergebracht, zijn hun werkzaamheden ook na deze organisatorische ingreep goed van de andere activiteiten in dat deputaatschap te onderscheiden. We richten ons in dit overzicht van hun omvangrijke werkzaamheden in het bijzonder op hun verhou≠ding tot de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. We gaan na, in hoe≠verre zij in hun visie op de liturgie afhan≠kelijk zijn van de werkgroep en welke nieuwe elementen zij zelf hebben ingebracht. Ten opzichte van de vorige paragraaf doen we om te beginnen een stapje in de tijd terug. De deputaten kwamen voor het eerst op 15 mei 1962 bij elkaar.[81] Zij namen op voorstel van Lammens hun uitgangspunt in de orde van 1952. Deze zou aan de hand van gegevens uit de Schrift aan een kritische revisie onderworpen moeten worden. We zagen in een vorig hoofdstuk, dat Lammens bij de presen≠tatie van zijn orde in Heemstede, eenzelf≠de benadering propageerde.[82] Het te produ≠ceren rapport zou drie onderdelen moeten bevatten: een algeme≠ne inleiding, een bespre≠king van de ele≠menten en een of meer orden van dienst. Afgesproken werd, dat Hartvelt en Lammens voorstellen zouden doen voor de prole≠gomena, terwijl De Jong en Luiks aanzetten zouden geven voor de bespreking van de elementen. De vijfde deputaat, Rietveld, kreeg de functie van secretaris-notulist. Deze taakverdeling had tot gevolg, dat de invloed van de drie werkgroepleden, Hartvelt, De Jong en Lammens, in de voorbereidingen maximaal was, te meer daar Luiks ten gevolge van ziekte pas in 1964 weer acte de prťsence kon geven.

Een half jaar later, op 16 november 1962, kreeg de opdracht van De Jong (en Luiks) en daarmee de directe basis van de nieuwe orde een sterk historisch karakter. De Jong, die zich in de werkgroep steeds sterk had gemaakt voor een historische benadering van de liturgie, nam de taak op zich om met gebruik van de rapporten van de werkgroep, "uitgaan≠de van de orde van dienst van Rotterdam 1952, teruggaande op Calvijn en memore≠rend wat er tussen beide polen geschied is en zich ontwikkeld heeft, een gereformeerde litur≠giegeschiedenis te geven."[83] Van hieruit zouden de elementen in de orde hun plaats krijgen. Uiteindelijk echter ging het historisch overzicht de gehele kerkgeschiedenis omvatten, waarbij Luiks de beschrijving van de eerste zes eeuwen kreeg toebedeeld.

 


De prolegomena die op 16 november gepresenteerd en besproken werden, dragen de sporen van Lammens' hand. Het is op basis van de tekst aannemelijk, dat Lammens zijn uitgangspunt heeft genomen in "De Hervormde kerkdienst. Proeve van omschrijving" uit 1950 - veel keert letterlijk terug, maar is in een nieuw verband geplaatst - en zich tevens heeft laten leiden door Bakkers interpre≠tatie van deze proeve in diens conclusies over de zin der litur≠gie.[84] De termino≠logie en wijze van formu≠leren in Lammens' stellingen is eenvoudi≠ger en directer dan in de beide voor≠beelden, nauwelijks meer gestem≠peld door de discussie met Van der Leeuw en in sterke mate bepaald door het prakti≠sche doel dat ze moeten dienen: een orde van dienst. Het apostolai≠re perspectief dat de vernieuwingen in de Hervormde Kerk indertijd sterk had gestempeld en in de eerste regel van de proeve al naar voren kwam is niet geheel verdwenen, maar wel duidelijk secun≠dair.[85] Net als bij Bakker ligt bij Lammens meer accent op het verzoenend handelen in Christus, waarmee de kern van de belijdenis werd veiliggesteld.[86] Voluit gehonoreerd daaren≠te≠gen is de keuze van de Hervormde proeve voor de term samen≠komst, maar binnen het nieuw gegeven kader refe≠reert hij vooral aan het gedachten≠goed van A. Kuy≠per: de eredienst is "een ambtelijk geleide samen≠komst van de gemeen≠te".[87] Maar Lammens heeft zich in dit opzicht meer gelegen laten liggen aan de beschouwingen van Dijk, die de samenkomst der gemeente zonder meer op de voorgrond had geplaatst.[88] Dat wordt dan ook de terminus tech≠nicus voor het begrip litur≠gie. Het ambt is daaraan onder≠ge≠schikt en dient functio≠neel te worden opge≠vat.

Behalve de conclusies van Bakker is ook ander gedachtengoed uit de werkgroep verwerkt. In de zevende en achtste stelling is de discussie over het karakter van de orde van dienst uitgekristalliseerd. Eenheid van liturgie is het doel en het karakter van die eenheid bepaalt de vrijheid en de gebondenheid in het samenkomen van de gemeente. De structuur van de orde van dienst dient vast te staan. In de vormge≠ving van de ver≠schillende elementen zijn de plaatselijke kerken en hun voorgangers "zoveel moge≠lijk" vrij.[89] De aspecten van vrijheid en verscheidenheid hadden in de Hervormde proeve ten gevolge van de tere verhoudingen waar ze in de Hervormde Kerk rekening mee te houden had, meer accent gekre≠gen.[90] Bepa≠lend voor een orde was daar, of ze in een concrete situa≠tie vruchtbaar kon functio≠neren.[91] Dat verklaart, waarom in de Hervormde proeve het ambt de garantie vormde voor de orde en het ambt niet ondergeschikt werd gemaakt aan de kerkelijk vastgestelde orde, zoals in Lammens' stellingen.[92]


Aparte vermelding verdient de tiende stelling van Lammens: "Uit het Nieuwe Testament blijkt, dat de apostolische kerk de rubrieken voor haar samen≠komsten ontleend heeft aan de joods-synagogale diensten en aan Christus' handelingen bij de in≠stelling van het heilig avond≠maal."[93] De joods-synago≠ga≠le achtergrond van de christelijke eredienst werden in de meeste litur≠gi≠sche handboe≠ken niet of slechts marginaal behan≠deld. Van der Leeuw ontkende het bestaan van deze wortel niet, maar gaf prioriteit aan de andere wortel, de in≠stelling van het avondmaal, een stand≠punt dat praktisch door een groot deel van de litur≠gische beweging werd ingeno≠men.[94] E. van der Schoot corri≠geerde dit in zijn proef≠schrift over de liturgi≠sche ontwikkelingen in de Hervormde Kerk in zoverre, dat hij beide elementen naast elkaar plaatste, ter≠wijl Dijk opkwam voor het primaat van de Woord≠dienst met zijn synagogale wortels.[95] Dijk meende, dat Jezus ook bij de instelling van het avondmaal de verkondiging van het Woord vooraf had laten gaan. Het is Van der Schoots middenpositie die in de tiende stelling verwoord is, zonder dat evenwel nadrukkelijk stelling wordt genomen tegen Dijks visie. In het gedachtengoed van de werkgroep zijn we geen verwijzing naar de joods-synagogale eredienst tegenge≠komen. De belang≠stelling richtte zich daar in eerste instantie dan ook op Cal≠vijns interpreta≠tie van de vroeg-chris≠telijke eredienst en vervol≠gens op de herwaardering van het avondmaal als een van de brandpunten in de zondagmor≠gen≠dienst. Maar niet alleen binnen de liturgische bewe≠ging is de joods-synagogale eredienst uit de nieuwtesta≠menti≠sche tijd een onderbelichte, zo niet onbekende wortel van de christelijke eredienst. In de meeste protestantse kerken, waaronder de Gereformeer≠de Kerken, was dat het geval. In de strijd tegen de liturgische beweging, zoals die bijvoorbeeld in de Hervormde Kerk gestalte had gekre≠gen, hadden Gereformeerden zich bovendien met kracht afgezet tegen de oudtestamentische joodse offerdienst. Er vond daarbij een concen≠tratie plaats op het (vermeend) nieuwe in de nieuwtesta≠menti≠sche eredienst. Uit de voorhanden zijnde gegevens valt niet op te maken, of de depu≠taten zich bewust zijn geweest van de verstrek≠kende betekenis die de tiende stelling had. Duidelijk is wel, dat zij past in een theologi≠sche ontwikkeling, waarin de joodse wortels van het christendom in toenemende mate gewaardeerd zouden wor≠den.[96] Deze ontwikkeling zou ook op verschillende terreinen in de Gereformeer≠de Kerken gestalte gaan krij≠gen.


In de twaalfde en laatste stelling wordt bij wijze van conclusie opgesomd, welke invloeden bij het vaststellen van de liturgie gehono≠reerd dienen te worden en in welke verhouding de litur≠gie tot deze staat. Hoewel ze zo niet bij elkaar geplaatst zijn als hier, kende de Hervormde proeve ze al wel.[97] Ze stonden deels ook in artikel X van de nieuwe Her≠vorm≠de kerkorde.[98] Ze waren in de discus≠sies van de werkgroep en in het bijzon≠der in eerdere bijdragen van Lammens weer boven komen drijven: de Schrift ("in gehoorzaam≠heid aan"), de gere≠formeer≠de belij≠denis ("in over≠eenstemming met"), het gemeen≠schappe≠lijke in de grote christe≠lijke tradities ("in aanslui≠ting aan") en het eigen≠tijdse levensgevoel ("in verant≠woorde≠lijk≠heid ten opzich≠te van").[99] Als we deze aspecten plaat≠sen in de Gereformeerde traditie, dan is opvallend, hoezeer de litur≠gie als een prak≠tisch gegeven, als een zelfstan≠dige grootheid wordt be≠schouwd. Haar bestaan is niet volledig afhankelijk gemaakt van de Schrift, zoals in vroegere beschouwingen gesug≠ge≠reerd werd, hoewel daar de norm nog wel gevonden wordt. De binding aan de belij≠denis is veel minder direct dan bijvoorbeeld bij A. Kuyper, waar de ene liturgie in het verlengde lag van de ene belijde≠nis. De exclu≠sieve binding aan de gereformeerde tradi≠tie, zoals die ook door Dijk nog verde≠digd was, maakt nu ruimte voor aanslui≠ting bij het gemeen≠schappe≠lijke in alle grote christe≠lijke tradities. De plaats van de histo-risch-gerefor≠meerde oriŽnta≠tie is in navol≠ging van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie ingenomen door een historisch-oecumeni≠sche. Dit ge≠beurde op een moment dat in de Gereformeerde Kerken nog geen eenstemmigheid bestond over het oecume≠nisch vraagstuk. Wel past de richting van deze heroriŽntatie, die overigens sterker historisch dan oecumenisch bepaald was, in de koers die opeen-volgende syno≠den in deze jaren uitzet≠ten.[100] Bij de laatste component, het "eigentijdse levensgevoel" zijn de gren≠zen eveneens verlegd. Dat is in de plaats gekomen van het gevoelen van de ge≠meente, zoals dat in discus≠sies over de haalbaar≠heid van liturgische ver≠nieuwing in het verle≠den steeds naar voren kwam. Maar dit levensgevoel is in de stelling niet zozeer een gemeentelijke als wel een maat≠schappelijke categorie. Het is een element dat we al aan≠troffen bij A. Kuyper, die van mening was dat elk volk, elk land, elke cul≠tuur een eigen invulling van de litur≠gie vereis≠te. Het "eigen≠tijdse" kreeg bij Kuyper in de prak≠tijk veel minder accent, hoewel de revisie van belijdenis en Litur≠gie voor hem welhaast principieel noodzakelijk was. Hoewel het vierde motief aldus oude papieren heeft, krijgen we de indruk, dat de formulering van en keuze voor dit motief representa≠tief is voor een groei≠ende betrokkenheid van de kerk op het maatschappelijk leven in de volle breedte.[101]

Als we nagaan, hoe de verschil≠len≠de componenten in de prole≠gomena zelf doorwerken, blijken het schriftuurlijke en het oecumeni≠sche motief door≠slaggevend te zijn. Het Nieuwe Testa≠ment biedt de elementen voor een orde, in het bijzonder voor "de twee brand≠punten", prediking en avondmaal.[102] De kerk der eeu≠wen biedt de struc≠tuur. Elke tijd opnieuw geeft de kerk vorm en invulling aan deze struc≠tuur en haar elemen≠ten. De gerefor≠meerde tradi≠tie, zoals zij is neer≠gelegd in de gereformeerde belijdenis, is daarbij niet meer zoals voorheen allesbepalend, maar slechts een randvoor≠waarde. In de Hervormde proeve was gezocht naar een gelijkwaardige inbreng van het oecumenische en het confessionele motief. Daar kon dan ook niet zo scherp worden geconcludeerd tot twee brandpun≠ten, laat staan tot (de noodzaak van) ťťn orde of meerdere orden met een verge≠lijkbare structuur.


In volgende vergaderingen, op 25 januari en 16 mei 1963, kreeg de beschrijving van de historie, grotendeels voorbereid door De Jong, nader vorm.[103] Nadrukkelijk werd vastgesteld, dat de studie van het deputaatschap inzake het advies over de frequentie van de avondmaalsviering, die inmiddels in het stadium van afronding gekomen was, zich liturgisch gezien beperkte tot de vraag of een avondmaalsvie≠ring zonder leerstellig formulier kon.[104] Het ontwerpen van een avond≠maalsliturgie werd opgedragen aan De Jong. Uit het mate≠riaal van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie komt naar voren, dat De Jong een belangrijke rol had in het vast≠stellen van de structuur, maar dat Lammens hem terzijde stond en de bewoordingen voor zijn rekening nam.[105]

De werkgroep besprak de grote lijn van de nieuwe orden voor het eerst op 2 september 1963 - dus nog voor de televisiedienst met avondmaal uit Heemstede.[106] De orde voor de zondagmorgen ging principieel uit van een dienst met bediening van Woord en avond≠maal, zo blijkt uit een formulering aan het slot van het gedeelte van de Woorddienst: "Wanneer het Avond≠maal niet gevierd wordt (...)"[107]. Dat het wŤl gevierd werd, was dus de norm. Alleen van het vervolg op 3 januari 1964 bestaat een verslag.[108] Dat maakt duidelijk, dat de puntjes nog eens op de i werden gezet en geen fundamentele wijzigingen meer werden aangebracht in het materiaal dat uit voorgaan≠de jaren bekend is. Lammens kreeg van enkele werkgroepleden een aanbod van steun bij zijn studie naar de avondmaalslitur≠gie.[109] Uit de ter be≠schikking staande gegevens valt niet op te maken, of hij hier ooit gebruik van gemaakt heeft.

 


Toen het deputaatschap orde van dienst samenkwam op 23 januari 1964, was het voor het eerst na de start in mei 1962 weer compleet.[110] De kaders waarbinnen gewerkt moest worden, waren nu geheel helder. De synode had immers in de loop van de maand januari het rapport over de frequentie van de avondmaalsviering besproken en op grond daarvan de bekende besluiten genomen.[111] Het hoofddoel van de te produce≠ren rappor≠tage zou moeten bestaan uit een orde voor de zondagmor≠gendienst, met bedie≠ning van Woord en sacrament. De Jong en Lammens hadden blijkens de voorbereidingen in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie al met een dergelijke invulling van de opdracht gerekend. Hoewel het deputaatschap in een eerder stadium afgesproken had, voor de tweede dienst terug te vallen op het rapport uit de classis Zutphen, ontspon zich nu een pittige discussie over het karak≠ter van de tweede dienst.[112] Met name Hartvelt protes≠teerde "tegen een spreken over de morgen≠dienst als hoofddienst en tegen een doen aanleunen van de middag≠dienst tegen de getijde-diensten." Hij wilde de twee als princi≠pieel gelijkwaar≠dig beschouwen. Men kon zich vereni≠gen op het spreken over een "accentverschil". "De mor≠gendienst heeft het feestelijke van de ochtendstond (...). Er is iets (...) van het ingaan in de rust, van het aanvangen van de eeuwige sab≠bath." De middag≠dienst legt een ander ac≠cent, ze "wordt reeds enigermate beheerst door de naderende weekdagen. De aarde en het heden vragen weer alle aandacht."

In het vervolg - het synodebesluit was inmiddels geŽffectueerd en het deputaatschap omgevormd tot sectie van het ene deputaatschap voor de eredienst[113] - op 28 april, 21 mei en 9 juni 1964 groeiden lang≠zaam de verschillende onderdelen van het rap≠port.[114] Uit de summiere notulen volgt, dat de orde voor de zondagmorgendienst in grote lijnen dezelfde bleef als die welke de werkgroep aan het begin van het jaar tot de hare had gemaakt. De interventie van Hartvelt over de tweede dienst resulteerde in het toevoegen van een sobere orde voor de tweede dienst met een catechismus≠preek. In het oorspronke≠lijk concept van De Jong dat gebaseerd was op het rapport uit de classis Zutphen zou die te allen tijde de vorm van een avondgebed dienen te hebben, eventueel (!) voorafgegaan door catechismusprediking.[115]


Lam≠mens en Hartvelt herzagen de oorspronkelijke prolegomena en compri≠meerden≠ de twaalf stellingen tot zeven en voorzagen deze van een toelich≠ting. We herkennen nog steeds de invloed van de werkgroep, bijvoor≠beeld in de polemisch getoon≠zette zin: "Bepalend voor de inhoud van de eredienst zijn niet allerlei behoeften van psychologische, catechetische of artis≠tieke aard".[116] Hier en daar werden nuancerin≠gen aangebracht. De zin "Prediking en avondmaal vormen de twee brandpunten van de samen≠komst der gemeente" was uit de stellingen verdwenen en kwam slechts in de toelichting voor en dan alleen nog in bedekte termen. Wel zou de zin terugko≠men in het historisch deel van het uiteinde≠lijke rapport.[117] Hij zou daarmee een minder principi≠Žle lading krijgen en moge≠lijk minder weerstand oproepen. De meest opval≠lende wijzi≠ging in deze nieuwe redactie van de stellingen is de plaatsing van het oecume≠nisch motief vůůr het con≠fessio≠nele. Dit berustte op een bewuste keuze. In het uitein≠delijke rap≠port gaven deputa≠ten onver≠bloemd aan, "dat zij in aller≠lei beslis≠singen waarbij verschillende oplossingen moge≠lijk zijn, prioriteit zullen verlenen aan het oecumenische motief."[118] Het was niet meer dan consequent en eerlijk, dat de deputaten dat nu toegaven. We zagen al, dat het confessio≠nele element in het geheel van het oorspron≠kelijke twaalftal stellingen een marginale positie innam. Een tweede verandering die de moeite van het opmerken waard is, heeft betrek≠king op de formulering van het laatste motief. Het "eigentijdse levensge≠voel" maakte plaats voor "eigentijdse levensvormen"[119]. Daarmee verschoof - be≠doeld? - het accent van inhoud naar vorm. De invloed van de niet-christe≠lijke inhoud die aan het eigentijdse levensgevoel gelieerd kon zijn, werd hierdoor ingeperkt. Tegelijk wijzigde ook de formu≠lering die de relatie van dit motief tot de liturgie aanvankelijk beschreven had≠: "in verantwoordelijk≠heid ten opzichte van". Via de uit≠druk≠king "ten overstaan van" kwam de formule≠ring in het uiteindelijke deputa≠tenrapport op "met inachtne≠ming van", hetgeen een iets directere relatie uitdrukt dan de oorspronkelijke bewoordin≠gen.[120] Het lijkt verder niet geheel zonder toeval, dat het vierde, pastoraal-esthetisch motief nu alleen nog maar als "pasto≠raal" is gekwa≠lifi≠ceerd.[121] De concept-toelichting bij de stellingen geeft geen uit≠sluitsel over de reden, het uiteindelijke rapport aan de synode doet dat wel. Het esthetische is een historische in plaats van een actueel-pastorale catego≠rie, te verbin≠den met "de onweer≠staanba≠re schoon≠heid en kracht van het klassieke litur≠gische materi≠aal."[122]


In de zomer van 1964 moest hard worden gewerkt om naast de prolegomena ook de rest van het rapport tijdig voor de vergadering van het deputaatschap eredienst gereed te krijgen. Omwille van de leesbaarheid werd de verantwoording van en toelichting op de orden van dienst losgemaakt van het historisch exposť waarbij het eerst was ondergebracht en in een zelfstandig derde hoofdstuk ondergebracht. Over de teksten van de orden van dienst, het vierde deel, was het laatste woord nog niet gezegd. Lammens voerde de eindredactie van het rapport. Het zicht op de laatste bewerkingen van het rapport met het oog op de behandeling in het volledige deputaatschap eredienst is ons bij gebrek aan relevante stukken ontnomen.[123] De deputaten van de sectie overlegden nog een keer met de voorzitter van het deputaatschap, Bakker, op 28 oktober 1964, waarna op 3 november de laatste hand aan het rap≠port werd gelegd.[124] Een van de meest ingrijpende wijzigingen van vermoede≠lijk het laatste moment betreft het constitutieve karakter van het avondmaal in de orde voor de zondagmorgen≠dienst zelf. De aanwijzing bij de zegen, die overgenomen was uit de voorstel≠len van De Jong - "Wanneer het avondmaal niet wordt gevierd (...)" - werd zoda≠nig geredi≠geerd, dat de vie≠ring van het avondmaal in iedere zondagmorgen≠dienst geen regel meer was, maar uitzonde≠ring.[125] Dit was in het licht van de eerdere afzwak≠king van het stand≠punt over de principiŽle twee-eenheid van prediking en avond≠maal in de eredienst niet anders dan conse≠quent.

Op 14 en 15 novem≠ber besprak het deputaat≠schap ere≠dienst, waarvan de sectie orde van dienst een onderdeel vormde, zijn rapportage aan de synode.[126] De sectie orde van dienst leverde het leeuwedeel voor het rapport dat de titel Rapport eredienst Generale Synode Middelburg 1965 (verder: Rapport eredienst 1965) kreeg. Dat omvatte de besproken vooronderstellingen van de eredienst, een historisch overzicht, een beschrijvend deel dat direct betrekking had op de orden: een voor de zondagmorgen en een voor de zondagmiddag- of avond - met daarin opgenomen een opmerking over de plaats van de geloofsbelijdenis in de doopbediening - alsmede voor een morgen- en avondgebed. Een schets met de contouren van het nieuwe kerkboek en enkele aanwijzingen voor het gebruik van de aangeboden orden completeerden de inbreng van de sectie. Tot besluit werden nog enkele pagina's gewijd aan de rapportage van enkele andere zaken. Daarvan is alleen het voorstel om het verkorte doopformulier definitief vast te stellen, voor ons onderzoek van belang. Op 15 november werd de orde voor de zondag≠morgen met de viering van het avondmaal in aanwezigheid van het deputaatschap beproefd in de kerk van Laren.[127] Aanwezig waren de hoogleraren Bakker, W.J.H. Caron en Koole, de predikanten Van Andel, De Bruijn, J. van Buuren, Hartvelt, De Jong, Lam≠mens, E. Pijlman, Rietveld, Scheeres en G. Zeyl.[128] De afrondende bespreking van het rapport vond plaats op 12 en 13 maart.[129] Afwezig waren toen Van Buur≠en, De Bruijn en Pijlman. Van den Berg kwam later, terwijl Rietveld een deel van de verga≠de≠ring niet kon bijwo≠nen.


In het geheel genomen kregen de voorstellen van de sectie orde van dienst in de beide vergaderingen de goedkeuring van het deputaatschap. De reacties op de proef met de orde in Laren waren zowel van de zijde van de gemeente als van de deputaten positief. Nieuwe gezichtspunten kwamen niet aan de orde, tenminste niet ten opzichte van hetgeen voorheen in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie en de sectie orde van dienst was besproken. Op enkele ondergeschikte punten werd het rapport van de sectie orde van dienst bijgesteld, zodat het beter aansloot op de bestaande opvattingen en praktijk. Spraken de deputaten van de sectie bijvoorbeeld in meerderheid vrij stellig over het leiden van de dienst vanachter de avondmaalsta≠fel, in de uiteindelijke formulering werd wat meer ruimte gelaten voor andere visies. ≠≠Het deputaatschap eredienst was er al met al zo van overtuigd, dat het rapport een uitgebalanceerd en consistent voorstel bevatte, dat het afsprak zich terug te trekken bij "meer belangrijke wijzigingen" en pogingen "rubrieken in de orde van dienst van plaats [te] laten veranderen".[130]

Als we het gehele wordingsproces van het rapport nog eens overzien, dan kunnen we vaststellen, dat het gedachtengoed van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie er in hoofdzaak in verwerkt is, maar dat de daar ontwikkelde formulerin≠gen met het oog op de aanvaardbaarheid ervan voor de synode in een aantal gevallen minder prin≠cipieel zijn opgevat of afgezwakt.

 

Zoals te doen gebruikelijk, opende de synode van Middelburg 1965-66 haar zittingen met een kerk≠dienst.[131] Het feit, dat in deze dienst op 10 mei 1965 ook het avondmaal gevierd werd en een van de deputaten, Lam≠mens, als liturg optrad, hield een belofte in voor de behande≠ling van de rapportage van het deputaatschap voor de eredienst. In de openingsrede van de pastor loci P. van Til proeven we iets van de sfeer die op deze synode hing. Hij signaleerde "de noodzaak voor een nieuwere oriŽntatie op vele terreinen" en riep daarbij op alles te toetsen aan het Woord Gods.[132] Dan zou er zegen op het werk van de synode kunnen rusten. Hij gaf daarmee stem aan de verontrusting die wortelde in de onze≠kerheid die de vele veranderingen met zich meebrach≠ten.


De besluitvorming over de Honderdnegentien gezangen op 22 en 23 september 1965 gaf, evenals de gebeurtenissen rond de opening van de synode, aanleiding tot een hoopvolle stemming over de wijze waarop de synode met de voorstellen van het deputaat≠schap eredienst zou omgaan. Dat betekent niet, dat er geen problemen waren. De deputaten voor de uitgave van de gezangbundel spraken weliswaar van een "levendige belang≠stelling", maar konden niet ontkennen dat de melodieŽn nogal wat onvrede opleverden.[133] Noch de synode van Apeldoorn 1961-62, noch die van Groningen 1963-64 had die onder ogen gehad en er een oordeel over kunnen uitspreken. In de Acta wordt het gevoelen van de synode van Middelburg 1965-66 als volgt verwoord: "De aange≠brachte veranderingen liggen de mensen niet best. Wel heeft de disci≠pline van het kerkvolk op vele plaat≠sen het van het gemopper gewonnen, maar de gang van zaken is toch aller≠minst plezierig geweest."[134] De onder≠steunende activi≠teiten bij de invoering van de bundel van de direct betrokken musicologen en de GOV hadden daar weinig aan kunnen verande≠ren. Een pro≠bleem voor onder meer de christelij≠ke scholen vormde verder nog de ongelijk≠tijdigheid tussen de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk. De Hervorm≠den zongen in afwachting van een nieuw gezangboek nog steeds de oude melo≠dieŽn. Hoewel op de synode een enkeling pleitte voor het terugdraaien van de melodiewijzigin≠gen, schikte de synode er zich zonder noemens≠waardig verzet in en besloot ze de Honderdnegentien gezangen "te aanvaarden als gezangboek".[135] Kort tevoren had de synode het door haar voorgangster te Apeldoorn 1961-62 ingestelde deputaatschap voor advies inzake de ontwikkeling voor het kerklied laten voortbestaan, zij het op verzoek van dat deputaatschap als sectie van het deputaatschap eredienst. Dat wijst er op, dat de synode zich bewust was van het voorlopige karakter van de Honderdnegentien gezangen.††

De bespreking van het Rapport eredienst 1965 en de daarin vastge≠legde orden verliep ruim een half jaar later eigenlijk net zo posi≠tief als bij de Honderdnegentien gezangen. Commis≠sie III gaf bij monde van haar rappor≠teur en preadvise≠rend lid, de Kamper hoogleraar G.Th. Rothui≠zen, in het voor≠berei≠dende advies het commentaar: "Het geheel is een gŠŠf ge≠heel."[136] De commissie stelde een enkele kleine veran≠dering voor, maar relativeerde de waarde daarvan ook weer met de zin: "Zo zal de een dit hebben, de ander dat."[137] Tijdens de be≠spre≠king, die begon op 14 januari 1966 hadden de leden van de synode inder≠daad uiteenlo≠pende vragen en wensen.[138] Zij maak≠ten opmerkin≠gen over uitdruk≠kingen als 'intocht' en 'offe≠randen', 'dienst des Woords' en derge≠lijke. Zij wensten ver≠heldering over de inhoud van onder≠delen als de verootmoedi≠ging en de wetslezing. Naast deze kleinig≠heden was ťťn punt van kritiek in sectie noch deputaat≠schap aan de orde gesteld, terwijl het wel fundamenteel was. De aange≠reikte vormen zouden "de mens van van≠daag" niet aan≠spre≠ken. Conform de in het rapport neer≠geleg≠de opvattingen was het antwoord, dat er volop ruimte was "aan elk onderdeel een eigen≠tijdse vulling te geven."[139] Hoewel deze kritiek geen gevol≠gen had voor de besluitvor≠ming, is ze van belang, omdat er een onbeha≠gen in verwoord is dat breder leefde.[140] Het antwoord roept (evenals het rapport zelf) in het licht van de Gereformeerde gewoonte, de eenheid in de liturgie te accentueren, nog een andere vraag op, namelijk in hoeverre kerken en voorgangers gebonden waren aan de voorgestel≠de teksten. Of was het voldoende als ze zich bewogen binnen de aangereikte struc≠tuur?[141] Deze onduidelijkheid zou in volgende jaren nog wel eens aanleiding geven tot misverstan≠den. De grens tussen vrijheid en gebondenheid werd minder strak getrokken dan voorheen.


In de afsluiten≠de fase van de bespreking, op 18 janua≠ri, dreigde door procedure≠le problemen de goedkeuring van de besluitvor≠ming te worden vertraagd. Commissie III achtte het gewenst, ook over een aantal vooron≠derstellingen een uitspraak te doen en wilde alleen de orde voor de zondagmorgendienst doen vaststel≠len, omdat ze, zo bleek voor het deputaatschap geheel onver≠wacht, de overige orden, onder meer die voor een morgen- en avondgebed, nog niet had kunnen be≠spreken.[142] Nader over≠leg leidde ertoe, dat de synode in haar besluit geen overwe≠gingen opnam en zodoende in het geheel geen uit≠spraak deed over de vooronder≠stellingen van het rap≠port.[143] Wel gaf ze alle voorge≠stelde orden voorlopig voor gebruik vrij, naast de orden uit 1952. Bij het avond≠maal kon gebruik gemaakt worden van de bekende formulie≠ren of het desbetreffen≠de gedeelte uit de orde voor de zondag≠morgen. In zowel het oude doopformulier als het nieuwe verkorte, dat tegelijk definitief werd vastgesteld, werd de geloofsbelijdenis facultatief opgenomen na het doopgebed en voor de overigens ongewijzigde vragen. De deputaten kregen het verzoek een toelichting op de vrijgegeven orden te schrijven.[144] De belangrijkste opdracht die de synode verder aan het deputaatschap eredienst meegaf was "een herzien kerkboek samen te stellen (...) en zo mogelijk dit kerkboek aan de volgende synode aan te bieden"[145]. De samenstelling van het deputaatschap veran≠der≠de door de uitbreiding met een sectie kerklied, waarin het voor≠malig deputaatschap voor advies inzake de ontwikkeling van het kerklied werd opgenomen.[146] Dat had door de afwijzende houding van de Hervormde gezangencommissie verder geen concre≠te resul≠taten of voorstellen kunnen aanbie≠den.

 

In de zomer van 1966 verscheen een op de gemeente gerichte bewerking van de synodale besluiten onder de titel Orden voor de eredienst van de Gerefor≠meerde Kerken in Nederland. Met toelich≠ting, dat tevens een dundruk-bijlage met orden bevatte.[147] De orde voor de zondagmorgen≠dienst zag er zo uit (facultatieve elementen zijn aangeduid met een *, behalve de (eerste) psalm en het 'Lam Gods' zijn de liederen weggelaten):


Intocht

psalm* met klein gloria (Gloria Patri)

stil gebed

'onze hulp' en groet

Verootmoediging

verootmoedigingsgebed

woord van vergeving*

wetslezing

DIENST VAN HET WOORD

gebed van de dag of gebed om verlichting met de H. Geest

Schriftlezingen

tekstlezing en prediking

Dienst der offeranden

geloofsbelijdenis*

dankzegging en voorbeden††††††††††††††

inzameling der gaven

slotlied

Zegen

 

Wanneer het avondmaal gevierd wordt, wordt tijdens de inzame≠ling der gaven de tafel

toebereid en de dienst als volgt voortgezet:

AVONDMAALSVIERING

dankzegging

inzettingswoorden - gedachtenis

avondmaalsgebed - Onze Vader

Lam Gods

nodiging - communie

dankpsalm

Zegen

 


Wij staan vooral stil bij de gestalte die de viering van het avondmaal gekregen heeft. Een opmerking van Lammens, vele jaren later, wijst erop, dat de opstellers het voorbeeld van Barnards avondmaalsliturgie in het Gelderse Rozendaal gekend en gebruikt hebben.[148] De avondmaalsviering vertoont in de door de synode vrijgegeven opzet zowel oecumenische als Gerefor≠meerde trekken≠. Het oecumeni≠sche krijgt gestalte in de struc≠tuur. Het Gerefor≠meerde blijkt in enkele kleine correcties op die struc≠tuur en de wijze waarop de structuur praktisch vorm heeft gekregen. In grote lijnen past de orde in die van een avond≠maalsviering zonder formulier van de synode van Groningen 1963-64. Ver≠schil≠lende elemen≠ten en bewoordingen uit de be≠staande avond≠maals≠formu≠lieren zijn in deze vorm≠geving terugge≠keerd. Het Sursum Corda is anders geformu≠leerd en heeft een plaats gekregen aan het begin van de viering. Het opheffen van de harten heeft niet alleen betrekking op de communie, maar op het geheel, inclusief het tafelgebed. Het avondmaalsgebed uit het verkorte formulier van de synode van Leeuwarden 1955-56 heeft zijn oorspronkelijke tekst geheel behouden en is op dezelfde plaats blijven staan als in het formulier. De nodi≠ging vlak voor de communie verwijst inhoude≠lijk naar het eerste, tot inkeer en berouw oproepende, gedeelte van de formulieren. De door de vorige synode gewenste retentie zit in de formule opgesloten, aangezien diegenen worden geno≠digd die zich ver≠ootmoedigen, van God barmhartigheid verwach≠ten en bereid zijn in vrede met God en de naaste te leven. Niet typisch Gerefor≠meerd, maar voor de gemiddelde kerkganger wel duide≠lijk herkenbaar, zijn de vrijwel letter≠lijke citaten uit de bijbel in prefatie, Sanctus en inzet≠tingswoorden. Aan de andere kant zijn elemen≠ten die als ty≠pisch 'rooms' ervaren konden worden op een enkele uit≠zondering na vermeden. Uit de prefatie is in een van de laatste besprekingen met opzet de zin "met allen die ons zijn voorge≠gaan" verwijderd. Het Benedictus is evenmin als in het Her≠vormde Dienstboek opgeno≠men.[149] Bewust zijn de inzet≠tings≠woorden zelfstandig opgenomen, dus zonder inleidend post-sanctus, dat er een consecratorische lading aan zou kunnen geven. De bronnen geven over de reden hiervan geen uitsluit≠sel. Is hier sprake van lutherse invloeden? Het kan zijn, te meer daar de begeleidende handeling, de heffing van brood en wijn, eveneens in sommige lutherse kerken behouden is.

 

De nieuwe orde voor de zondagmiddagdienst was eenvoudig en had de volgende opzet (de geloofsbelijdenis is facultatief en is daarom aangeduid met een *; behalve de (eerste) psalm zijn de liederen weggelaten):

 

Intocht

psalm, gevolgd door stil gebed

'onze hulp' en groet

DIENST VAN HET WOORD

gebed om verlichting met de H. Geest

Schriftlezing(en)

lezing van de catechismus en prediking

Dienst der offeranden

geloofsbelijdenis*

gebeden

inzameling der gaven

Zegen

 

Verder gaf Orden voor de eredienst nog een handreiking voor het houden van een morgen- of avondgebed. De structuur van deze gebedsdiensten had veel weg van hetgeen in het eerder samengevatte rapport uit de classis Zutphen was voorgesteld. Het avondgebed kon, net als in dat rapport, worden voorafgegaan door een korte leerdienst en fungeerde daarmee als volwaardig alternatief voor de gewone orde voor de zondagmiddagdienst.[150] Een gebedsdienst alleen zou niet volstaan, omdat de kerkorde voorschreef, dat eenmaal per zondag uit de catechismus gepreekt diende te worden.

 

Eenheid van liturgie was een van de trefwoorden geweest in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Met de Orden voor de eredienst was die eenheid er in zoverre, dat in de liturgische structuren en soms ook in de bewoordingen aansluiting gevonden was bij de grote christelijke tradities. Tegelijk nam binnen de Gereformeerde Kerken de variatie toe, zowel door de verschillende orden die nieuw werden aangeboden, als door het handhaven van de eerder vastgestelde orden.

 


9.4†††††††† Conclusies

 

De Jong omschrijft de besluiten van de synode van Middelburg op 18 januari 1966 in De strijdende Kerk enkele maanden later als een "his≠torisch moment".[151] Hij haast zich daar een paar regels verder aan toe te voegen "tegen de achtergrond van de Neder≠landse geschiede≠nis van de litur≠gie". Hij geeft daarmee ongetwijfeld ook het gevoelen weer van anderen die bij de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie betrokken waren. In nog geen tien jaar tijd had de oecumenisch-historische oriŽntatie die de werkgroep voorstond concreet gestalte gekregen in de besluitvor≠ming van de Gereformeerde Kerken. Leden van de werkgroep kregen met name in de periode die dit hoofdstuk beschrijft, 1962 - 1966, centrale posities in deputaat≠schappen met betrekking tot de eredienst. Tevens werden de kerken door bijvoorbeeld het Gereformeerd Weekblad en het Ouderlingenblad, maar vooral door uitzendingen op de televisie voorbereid op de veranderingen die op til waren en konden de eerste reacties op de liturgievernieuwing verwerkt worden aleer de generale synode zich erover uitsprak. Dat was in het verleden ondenkbaar, al was de synode van Leeuwarden 1955-56 als eerste Gereformeerde synode begonnen een aantal liturgische teksten ter beproeving vrij te geven, voordat ze definitief werden vastgesteld. Deputaten (en kerken) konden in de eerste helft van de jaren zestig zonder uitdrukkelijke toestemming van de synode experimenteren. Ze werden er in ieder geval niet voor op de vingers getikt.

Het besluit van de Middelburgse synode betekende overigens niet, dat alle wensen van de werkgroep inzake de orde van dienst vervuld waren. In het Rapport eredienst 1965 mochten prediking en sacramentsbediening dan de beide brandpun≠ten van de orde worden genoemd, in de orde was dit niet consequent tot uitdruk≠king gebracht. Regel bleef een dienst, waarin de prediking centraal stond. Daarin kwam in het eerste deel nog steeds de vertrouwde wetslezing voor. Elementen als Kyrie en Gloria ontbraken. Het avondmaalsgedeelte in de nieuwe orde voor de zondagmorgendienst droeg het karakter van een compromis. In de structuur is het oecumenisch van karakter, terwijl voor de bewoordingen vrij consequent ofwel citaten uit de Schrift ofwel zinsneden uit de reformatorische traditie overgenomen zijn. Langs deze weg zochten de opstellers van de orde en met hen de Gerefor≠meerde synode net als vroeger aansluiting bij de bestaande situatie en creŽerden ze daarmee een basis voor het gebruik van de orde.


De liturgische praktijk in de Gereformeerde Kerken was in de jaren vijftig al steeds meer gaan lijken op die in de Hervormde Kerk. Die tendens versterkte zich na de synode van Middelburg. Het was in de Gereformeerde Kerken weliswaar nog steeds de plaatselijke kerkeraad die in principe de inrichting van de eredienst bepaalde - in de Hervormde Kerk lag de verantwoordelijkheid daarvoor bij de voorganger - maar de kerkeraad kon nu een keuze maken uit een uiteenlopend aanbod van door de synode vrijgegeven orden en formulieren. De kerkeraad kon daarbij binnen de gereformeerde traditie blijven, maar ook zijn voorkeur voor een oecumenische oriŽntatie tot uitdrukking brengen. Hoewel de synode zich niet heeft willen uitspreken over de vooronderstellingen van het Rapport eredienst 1965, wijzen deze prolegomena erop dat in de Gereformeerde Kerken het verlangen naar een oecumenisch georiŽnteerde vormgeving van de eredienst groeide. De betrokken deputaten hebben daarbij aansluiting gezocht bij wat de voorhoede van de liturgische beweging in de Hervormde Kerk genoemd kan worden: de kring van het Nocturnen-project en zijn opvolgers. Dat aansluiting gevonden werd, was niet alleen het gevolg van een nieuwe oriŽntatie aan Gereformeerde zijde. In de Hervormde liturgische beweging had de aandacht zich intussen ook verlegd en was met name Barnard begonnen de relatie tussen Schrift en liturgie nieuw te doordenken. Dat nu hadden Gereformeerden in het verleden in Hervormde kring zo gemist.

De benadering van het verschijnsel eredienst was in het Rapport eredienst 1965, evenals in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, sterk historisch van karakter. Daarin verschilde het rapport niet wezenlijk van vroegere beschouwingen ter synode, al had het oecumenische motief ten opzichte van het confessionele een veel sterker accent gekregen. Vanuit de overwegend historische aanpak dringt de vraag zich op, of de herbronning van de Gereformeerde liturgie een antwoord bood dat aansloot op het veranderend getij van de Nederlandse samenleving, waarvan ook de Gereformeerde Kerken deel uitmaakten. De weg die het deputatenrapport wees, was onmiskenbaar in het verlangen naar oecumene en verbreding van de eigen horizon een belangrijke stap vooruit. Hoewel het rapport wel refereerde aan de problematiek die daarachter lag, de verhouding van de liturgie tot het eigentijd≠se, was men aan de reflectie daarop nog nauwelijks toegekomen. Dat mocht in dit stadium van bezinning ook niet verwacht worden. Maar de vraag lag er, ze lag er eigenlijk al sinds de oprichting van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. De roep om een antwoord zou in de komende jaren steeds sterker worden.

 



†††† [1]††††††† Zie hieronder blz. 235 - 239.

 

†††† [2]††††††† Constitutie over de heilige liturgie, in de plechtige zitting van het tweede Vaticaans oecumenisch concilie van 4 december 1963 goedgekeurd en afgekondigd (in: Ecclesia Docens), Hilversum 1964.

†††† [3]†††††††††† G.N. Lammens, "Worden de roomsen protestant en de protestanten rooms? Naar aanleiding van 'de mis in het Nederlands'", in: Jong Gereformeerd 8 (1964-65), 591 - 593 en 619 - 623.

†††† [4]†††††††††† Ibidem, 593 (citaat deze regel), ibidem, 622 (citaat volgende regel).

†††† [5]†††††††††† Hand. Syn. Herv. Kerk 1965, 243 - 256. Vgl. Overbosch, "Hoe de 491 gezangen", 1305vv.

†††† [6]†††††††††† Steenhuis, "De Gereformeerden", 28 - 38. Vgl. hierboven blz. 226.

†††† [7]†††††††††† Ibidem, 37v.

†††† [8]†††††††††† Overbosch, "Hoe de 491 gezangen", 1303vv.; Steenhuis, "De Gereformeerden", 30.

†††† [9]†††††††††† Overbosch, "Hoe de 491 gezangen", 1309. E.L. Smelik (1900 - 1985) stud. theol. VU, dr. theol. Leiden 1943, Geref. pred. Tienhoven 1925, Geref. pred. in H.V. 1926, Rotterdam 1928, Hilversum 1937, Amsterdam-Zuid 1939, hoogl. Amsterdam (GU) 1949 - 1967 (emer.) (Compendium Liedboek, 1244 - 1247).

†††† [10]†† Steenhuis, "De Gereformeerden", 70v en 75.

†††† [11]†† Steenhuis, "De Gereformeerden", bijlage 1, 2 - 5.

†††† [12]†† Zie hierboven blz. 195.

†††† [13]Notulen moderamen synode d.d. 5 februari 1962 - Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 956. De invloed van Lekkerkerker op de liturgische ontwikkelingen op zowel synodaal als wetenschappelijk niveau in de NHK was zeker in deze jaren nog groot. Mede door zijn toedoen werd op 1 maart 1963 het Instituut voor Liturgiewetenschap opgericht aan de Rijksuniversiteit te Groningen. De belangstelling van het instituut ging in eerste instantie uit naar de liturgiegeschiedenis. Al spoedig kwamen daar hymnologie en kerkbouw bij. Vgl. hiervoor verder: A.C. Honders, R. Steensma en J. Wit, "Tien jaren Instituut voor Liturgiewetenschap", in: Mededelingen van het Instituut voor Liturgieweten≠schap 8 (1973), 4 - 11.

†††† [14]†† H.W.H. van Andel aan de RvE d.d. 14 maart 1962 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 3. Agenda voor het moderamen van de synode d.d. 28 maart 1962 - Archief Synodale Vergaderingen GKN, nr. 956.

†††† [15]†† Notulen RvE d.d. 9 mei 1962; vgl. notulen RvE d.d. 27 september 1962 - beide: ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 3.

†††† [16]†† Voor de opzet en de datum: A.W. Lazonder aan J.L. Koole d.d. 4 oktober 1962 en dezelfde aan A. de Wilde d.d. 9 november 1962 - beide in doorslag: ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 2. Voor wat betreft Barnards bijdrage: vgl. W. Barnard, "Liturgische DidachŤ", in: Jaarb. Eredienst 1963-64, 88 - 95, en "Dienstformulieren", in: Jaarb. Eredienst 1963-64, 96 - 108, met name 100 - 102.

†††† [17]†† Notulen RvE d.d. 11 december 1963; vgl. de commissie van rapport van de generale synode aan de RvE d.d. 19 november 1963 - beide: ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 3. Het betrof hier opmerkingen van de commissie van rapport van de synode bij het jaarverslag over 1962. Jaarver≠slag noch rapport zijn in een plenaire synodezitting besproken.

†††† [18]†† Notulen RvE d.d. 11 december 1964 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 3. Vgl. voor het besluit van de Gereformeerde synode hieronder blz. 247v.

†††† [19]†† Notulen RvE d.d. 24 februari 1965 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 3. W.G. Overbosch (geb. 1919), stud. theol. Leiden, Herv. pred. Ressen 1944, directeur 'Ruimzicht' Doetinchem 1948, Amsterdam (evangelisa≠tie 'Groot-Zuid') 1949 - 1984 (emer.). Hij was van het begin in 1954 af betrokken bij het werk van de Van der Leeuwstichting, vanaf 1960 lid van de RvE en vanaf haar start in 1966 lid van de commissie dienstboek (zie verder: "Enkele nodige woorden vooraf", in: Den Besten, Het nodige, 9 - 11).

†††† [20]Zie hierboven blz. 193.

†††† [21]†† Breed moderamen generale synode aan de RvE d.d. 11 september 1962 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 2.

†††† [22]†† Notulen RvE d.d. 27 september en 19 december 1962, 24 april 1963, 19 februari en 13 mei 1964 - ARA II, Archief NHK, nr. 3. In latere vergaderingen kwam een nieuw concept aan de orde, dat geschikter diende te zijn om aan plaatselijke gemeenten te worden toegezonden. Omdat dat concept weer te weinig nieuws bevatte, werd het niet verzonden.

†††† [23]†† W.G. Overbosch, "De tweede kerkgang", in: Jaarb. Eredienst 1965-66,146 - 166.

†††† [24]†† Vgl. hierboven blz. 191.

†††† [25]†† Notulen Liturgische Kring d.d. 18 december 1961 en 5 maart 1962 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 69.

†††† [26]†† Agenda gezamenlijke vergadering van de GWvL en de Liturgische Kring d.d. 21 mei 1962 - RAU, Archief GWvL, nr. 288; notulen Liturgische Kring d.d. 21 mei 1962 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 69.

†††† [27]†† Zie hieronder blz. 318.

†††† [28]†† Op de vergadering van 18 november 1961 werd de leden verzocht de bij hen gebruikelijke orde van dienst toe te sturen aan De Jong (vgl. G.N. Lammens aan Fr. de Jong d.d. 6 april 1962 - RAU, Archief GWvL, nr. 301).

†††† [29]†† "Orden van diensten" (d.d. 13 april 1962) - RAU, Archief GWvL, nr. 301.

†††† [30]†† Vgl. notulen werkgroep d.d. 24 april 1962 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

†††† [31]†† G.N. Lammens aan Fr. de Jong d.d. 6 april 1962 (RAU, Archief GWvL, nr. 301) bevat een bijlage met een gedrukte versie van de orde die in Heemstede in het najaar van 1961 in gebruik was genomen.

†††† [32]Zie hierboven blz. 222vv.

†††† [33]†† Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 176.

†††† [34]†† Bakker, "Vragen", 32v. In Heemstede heette het betrokken onderdeel nog wel genadeverkon≠diging, maar Bakkers artikel was toen nog maar net gepubliceerd. Vgl. hierboven blz. 150vv, 158 en 222vv.

†††† [35]Vgl. voor Bakkers standpunt in dezen hierboven blz. 224.

†††† [36]Vgl. Rapport over de orde van de eredienst Generale Synode Middelburg 1965, z.p. z.j. (verder: Rapport eredienst 1965), 30v.

†††† [37]†† Notulen werkgroep d.d. 24 april 1962 - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Vgl. agenda vergadering d.d. 17 september 1962, RAU, Archief GWvL, nr. 288.

†††† [38]†† "Praealabele vragen betr. Avm. liturgie" - RAU, Archief GWvL, nr. 300.

†††† [39]†† Vergaderingen werden in de periode 1963-65 gehouden op 14 januari, 16 april en 1 september 1963, 3 januari 1964 en 5 januari 1965.

†††† [40]Zie hieronder blz. 255. Vgl. tevens de conclusie hieronder op blz. 264v.

†††† [41]†† Agenda vergadering d.d. 22 november 1962 - RAU, Archief GWvL, nr. 288; "Rapport richtlijnen voor kerkbouw" (gestencild, met aantekenin≠gen) - RAU, Archief GWvL, nr. 303. Vgl. tevens Richtlijnen voor kerkbouw (uitgave deputaten kerkopbouw), z.p. 1963.

†††† [42]†† Vgl. hierboven blz. 215 en 224v.

†††† [43]†† Notulen sectie bouwzaken deputaten kerkopbouw d.d. 27 maart, 25 juni 1962, enzovoort - Archiefdienst GKN Leusden, Archief deputaatschap kerkopbouw.

†††† [44]†† Voor de voorgeschiedenis, zie hierboven blz. 220v. Notulen classis Zutphen d.d. 13 september 1962; "Rapport inzake de tweede kerkdienst" - beide: GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN. Deputaat J.E. Hendriks was vanwege zijn vertrek uit de classis vervangen door J. Rinzema, predikant te Aalten.

†††† [45]†† "Rapport inzake de tweede kerkdienst" - GA Aalten, Archief classis Zutphen GKN.

†††† [46]†† Ibidem.

†††† [47]†† Aangezien in een aantal kerken de tweede dienst in de loop van de middag gehouden werd, stelden de deputaten voor niet te spreken van een avondgebed, maar van een getijdedienst.

†††† [48]†† Voor het overzicht in deze alinea is gebruik gemaakt van: CW 9 (1961), 343 (kerk van Muider≠berg) en 436 (classis Almelo); CW 12 (1964), nr. 42, 9 (classis Groningen); CW 13 (1965), nr. 10, 9 (classis 's-Herto≠genbosch); ibidem, nr. 19, 12 (kerk van Overveen); ibidem, nr. 24, 9 (kerk van Amsterdam); ibidem, nr. 43, 6 (classis Zuidoost Drenthe); ibidem, nr. 43, 10 (kerk van Maastricht); GW 20 (1964-65), 189 (beschouwing van G.Th. Rothui≠zen) en 205 (jeugddiensten in Rotterdam); StrK 21 (1965), nr. 2, 5; ibidem, nr. 4, 1v (classis Almelo); ibidem, nr. 10, 4v (idem).

†††† [49]†† De Bossche predikant J. Wessel was lid van de GWvL en lid van het deputaatschap dat in deze classis de problematiek onderzocht. Het kan zijn dat hij via De Jong bekend is geworden met het rapport van de classis Zutphen. Is dat niet het geval, dan lijkt het toch zeer waarschijnlijk, dat dit deputaatschap het rapport op een andere wijze kende, aangezien het tot vrijwel identieke conclusies en voorstellen kwam.

†††† [50]†† Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), art. 34.

†††† [51]CW 9 (1961), 436 (citaat).

†††† [52]Zie voor het vervolg hieronder blz. 245v, 256, 263.

†††† [53]Radiopreken-serie nr. 159 (Convent van Kerken, 27 januari 1963 - televisie-uitzending).

†††† [54]†† Kerkblad voor de Gereformeerde Kerken van: Bennebroek (...) Zandvoort 22 (1963), nr. 6. Vgl. voor de orde van dienst in Heemstede hierboven blz. 222vv.

†††† [55]†† Radiopreken-serie nr. 168 (Convent van Kerken, 21 april 1963 - televisie-uitzending).

†††† [56]†† Radiopreken-serie nr. 176 (Convent van Kerken, 16 juni 1963 - televisiedienst).††

†††† [57]†† Kerkblad voor de Gereformeerde Kerken van: Bennebroek (...) Zandvoort 22 (1963), nr. 29.

†††† [58]†† Radiopreken-serie nr. 186 (Convent van Kerken, 15 september 1963 - televisiedienst).

†††† [59]†† Vgl. voor de GWvL: agenda vergadering d.d. 16 april 1963 - RAU, Archief GWvL, nr. 288.

†††† [60]†† Notulen kerkeraad d.d. 14 mei 1963 - Archief Gerefor≠meerde Kerk Heemstede.

†††† [61]†† Kerkblad voor de Gereformeerde Kerken van: Bennebroek (...) Zandvoort 22 (1963), nr. 40.

†††† [62]†† Ibidem (citaat).

†††† [63]Zie hieronder blz. 261vv.

†††† [64]†† Vgl. ook GW 18 (1962-63), 134.

†††† [65]†† Rapport van de deputaten voor de radio- en televisieuitzending van kerkdiensten, z.p. z.j. (synode van Apeldoorn 1961-62), 2.

†††† [66]†† Vgl. bijvoorbeeld CW 5 (1957), 67, 93 en 101; CW 6 (1958), 37 en 125; CW 7 (1959), 113; CW 8 (1960), 304.

†††† [67]†† GW 20 (1964-65), 45v, 84, 99v en 245v.

†††† [68]†† Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1963-64 (Groningen), art. 190 en bijlage XXXIX. Vgl. voor het ontstaan het deputaatschap frequentie avondmaalsviering blz. 220vv en 227.

†††† [69]†† Notulen deputaatschap eredienst (afgekort met: DE) d.d. 7 april 1964 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

†††† [70]†† Zie hieronder blz. 261.

†††† [71]†† Rapport frequentie viering H. Avondmaal Generale Synode Groningen 1963, z.p. z.j.

†††† [72]†† Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1963-64 (Groningen), bijlage LXXVIIIb.

†††† [73]†† W.H. Gispen (1900 - 1986) stud. theol. VU, dr. theol. 1928, Geref. pred. Hazerswoude 1925, Delft 1928, hoogl. VU 1945 - 1970 (emer.) (M.J. Mulder, "In memoriam prof. dr. W.H. Gispen", in: GTT 86 (1986), 230 - 232). Gispen vervulde onder een groot aantal andere functies die betrekking hadden op zijn vakgebied, ook vele jaren die van deputaat voor de psalmberijming (vgl. hierboven blz. 144vv).

†††† [74]†† Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1963-64 (Groningen), bijlage LXXVIIIb.

†††† [75]†† Ibidem, art. 327, 328, 331 (onderbroken voor overleg) en 333 (behandeling uitgesteld vanwege overleg). Vervolg: ibidem, art. 393 (onder≠broken voor overleg), 400 (onderbroken voor overleg) en 402. Het tweede deel van de behandeling vond plaats op 16 januari 1964.

†††† [76]†† Ibidem, art. 402.

†††† [77]†† Ibidem, bijlage LXXVIIIc.

†††† [78]†† Zie voor het voorstel van deputaten: Rapport frequentie, 64v.

†††† [79]†† Vgl. GW 17 (1961-62), 309.

†††† [80]†† Rapport frequentie, 79 (citaat). Besluit: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1963-64 (Groningen), art. 402.

†††† [81]Notulen deputaatschap orde van dienst d.d. 15 mei 1962 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 154.

†††† [82]†† Zie hierboven blz. 224.

†††† [83]†† Notulen deputaatschap orde van dienst d.d. 16 november 1962 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 154.

†††† [84]†† Besproken prolegomena (opgenomen in bijlage C): Enkele stellingen - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 154 (in deze en volgende alinea's aangeduid met het woord stelling en een Arabisch cijfer). Voor "De Hervormde kerkdienst", zie: "Omschrijving Hervormde kerkdienst" (in deze en volgende alinea's aangeduid met het woord stelling en een Romeins cijfer). Voor Bakkers conclusies: zie RAU, Archief GWvL, nr 299. Vgl. voor de Hervormde proeve hierboven blz. 137v en voor Bakkers bevindingen blz. 196vv.

†††† [85]†† Stelling I: "De gemeente van Jezus Christus, vergaderd in den Naam van haar Heer, is uit de wereld geroepen tot Zijn dienst." Deze notie is in stelling 7 opgenomen. De gemeente is daar "geroepen (...) gedachtenis te stichten" en wordt van daaruit "toege≠rust tot dienstbetoon in de wereld".

†††† [86]†† Vgl. stelling 2 ("verzoenend handelen Gods"), 4 ("offer van Christus") en 5 ("heilsgebeuren (...) goddelijke heilseconomie").

†††† [87]†† Stelling 1 (citaat; vgl. 2, 5, 7, 8 en 11). Vgl. verder stellingen I, II, IV, VIII en X. Vgl. Kuyper, Onze Eeredienst, 16 - 20.

†††† [88]†† Vgl. Dijk, "Woord".

†††† [89]†† Stelling 9 (citaat).

††† [90]†† Stelling IX.

†††† [91]†† Stelling IV.

†††† [92]†† Vgl. stelling V en IX.

†††† [93]†† Stelling 10.

†††† [94]†† Vgl. Van der Leeuw, Liturgiek, 134v.

†††† [95]†† Vgl. E. van der Schoot, Hervormde eredienst. De liturgische ontwikkeling van de Ned. Herv. Kerk, 's-Gravenhage 1950, 21; Dijk, "Woord", 194 - 196. Van der Schoot grijpt onder meer terug op G. Dix, The shape of liturgy, die een vergelijkbaar standpunt innam. Het werk van Dix was in de GWvL goed bekend (zie hierboven met name blz. 171 en 183v).

†††† [96]†† Een van de beste voorbeelden in het Nederlandse taalgebied op het terrein van de liturgie is: R. Boon, De joodse wortels van de christe≠lijke eredienst (= Mededelingen van de prof.dr. G. van der Leeuw-stichting 40), Amsterdam 1970.

†††† [97]†† In stelling IV wordt gesproken over "de Heilige Schrift", het "catholiek-apostolisch karakter" van de gemeente, haar "historische bestaansvorm", alsmede "haar huidige levensstrijd". In stelling IX zijn het tweede en derde element als volgt onderscheiden: "het catholiek karakter onzer Kerk en haar reformatorische belijdenis".

†††† [98]†† Vgl. G.N. Lammens, Syllabus liturgiek, 1e dr. z.p. 1973, 19.

†††† [99]†† Stelling 12 (citaten). Vooral het schriftuurlijk en het oecumenisch motief waren in de GWvL gehanteerd, bijvoorbeeld in de uiteenzettingen over de orde van dienst (zie hierboven met name paragraaf 8.2). Voor de bijdrage van Lammens moet vooral gedacht worden aan zijn rapport voor de kerkeraad in Heemstede (zie hierboven blz. 222vv).

†††† [100] Vgl. Plomp, Een kerk, 30 - 33.

†††† [101] Vgl. ibidem, 86; Dekker, De stille revolutie, 161 - 167; Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1965-66 (Middelburg 1965-66), art. 2: "Wij stellen het op hoge prijs dat van onze kerken gezegd kan worden dat zij ook open vensters naar de wereld heeft [hebben]." (P. van Til in de openingsrede).

†††† [102] Stelling 5 (citaat).

†††† [103] Notulen deputaatschap orde van dienst d.d. 25 januari en 16 mei 1963 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 154.

†††† [104] Vgl. hierboven blz. 247 - 250.

†††† [105] Notulen werkgroep d.d. 3 januari 1964 - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Vgl. tevens: Fr. de Jong aan de leden van de werkgroep d.d. augustus 1963 - RAU, Archief GWvL, nr. 301.

†††† [106] Agenda vergadering d.d. 2 september 1963 - RAU, Archief GWvL, nr. 288.

†††† [107] "Orden voor de eredienst" (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 301. De formulering gaat terug op een beoordeling van het Hervormde Dienstboek: W.F. Golter≠man, "Een oordeel uit de doopsgezinde broeder≠schap" in: KE 10 (1955), 178 - 180, 179 (citaat): "Men had m.i. beter gedaan voorop te plaatsen enkele orden voor een volledige dienst en dan te zeggen: mocht er geen viering van het Heilig Avondmaal plaats vinden". De Jong had er reeds jaren tevoren kennis van genomen ("De orde van de zondagmorgendienst" - RAU, Archief GWvL, nr. 309). Vgl. hieronder blz. 258.

†††† [108] Notulen werkgroep d.d. 3 januari 1964 - Archief GWvL, nr. 287.

†††† [109] Vgl. de namen hierboven genoemd op blz. 205.

†††† [110] Notulen deputaatschap orde van dienst d.d. 23 januari 1964 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 154.

†††† [111] Zie hierboven blz. 247 - 250.

†††† [112] Vgl. voor het eerdere stadium: notulen deputaatschap orde van dienst d.d. 16 mei 1963 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 154. Zie voor het rapport in de classis Zutphen hierboven blz. 242 - 245.

†††† [113] Notulen DE d.d. 7 april 1964 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

†††† [114] Notulen sectie orde van dienst DE d.d. 28 april, 21 mei en 9 juni 1964 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 167.

†††† [115] "Orden voor de eredienst" - RAU, Archief GWvL, nr. 301.

†††† [116] "Bij de uitwerking ..." (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 167. Vgl. Rapport over de orde van de eredienst Generale Synode Middelburg 1965 (afgekort: Rapport eredienst 1965), 7. Vgl. bijlage C, stelling 4.

†††† [117] "Bij de uitwerking ..." (citaat) - zie vorige noot. Vgl. bijlage C, stelling 5.

†††† [118] "Bij de uitwerking ..." (citaat) - zie hierboven noot 116. Vgl. Rapport eredienst 1965, 7.

†††† [119] Resp. bijlage C, stelling 12 (citaat); "Bij de uitwerking ..." (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 167. Vgl. Rapport eredienst 1965, 6v.

†††† [120] Van het Rapport eredienst 1965 bestaan drie ontwerp-versies. De eerste, aan te duiden als Rapport eredienst 19651 werd besproken op 3 november 1964. Dit resulteerde tot een tweede concept, Rapport eredienst 19652, dat voorlag op de vergadering van het deputaatschap eredienst op 14 en 15 november 1964. De daar voorgestel≠de wijzigingen werden verwerkt in Rapport eredienst 19653, dat op 12 en 13 maart besproken werd (RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 167 (19651), en 156 (19652-3). Vgl. voor de citaten in bovenstaande tekst resp.: bijlage C, stelling 12; Rapport eredienst 19653, 6 (= Rapport eredienst 1965, 6).

†††† [121] "Bij de uitwerking ..." (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 167.

†††† [122] Rapport eredienst 1965, 7.

†††† [123] Vgl. ook notulen sectie orde van dienst DE d.d. 22 september 1964 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 167.

†††† [124] Vgl. voor de bijeenkomst op 28 oktober: ibidem. Voor de laatste correcties op 3 november: aantekening van De Jong op Rapport eredienst 19652.

†††† [125] Vgl. hierboven blz. 255. Vgl. verder: Rapport eredienst 19651, 40 en 53, met resp. Rapport ere≠dienst 19652, 40 en 53. In de begeleidende tekst bleven vergelijkbare zinnen wel in de oorspronke≠lijke redactie staan (vgl. Rapport eredienst 19652 (= in dit geval Rapport eredienst 1965), 21 en 40).

†††† [126] Notulen DE d.d. 14 en 15 november 1964 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

†††† [127] Vgl. "Orde van dienst op zondagmorgen 15 november 1964 in de gereformeerde kerk te Laren" - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156. Voor Bakker benoemd werd tot hoogleraar te Kampen was hij predikant geweest te Laren (1954 - 1956).

†††† [128] Vgl. ledenlijst februari 1965 - RAU, Archief GWvL, nr. 295. Afwezig waren Van den Berg en Luiks. De leden van de GWvL zijn in deze alinea cursief weergegeven. Totaal waren dus zeven van de vijftien deputaten lid of adviseur van de GWvL. Wijzigingen in de tekst van de avondmaalsviering uit de orde voor de zondagmorgendienst zijn verwerkt in bijlage F.

†††† [129] Notulen DE d.d. 12 en 13 maart 1965 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

†††† [130] Ibidem.

†††† [131] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1965-66 (Middelburg 1965-66), art. 1.

†††† [132] Ibidem, art. 2.

†††† [133] Ibidem, bijlage XXXVIIIb.

†††† [134] Ibidem, art. 209. Vgl. ibidem, bijlage XXXVIIIb (rapport commissie III).

†††† [135] Ibidem, art. 220.

†††† [136] Ibidem, bijlage LXVI.

†††† [137] Ibidem.

†††† [138] Ibidem, art. 360 en 361.

†††† [139] Ibidem, art. 360 (citaten).

†††† [140] Vgl. hieronder blz. 273 - 276.

†††† [141] Vgl. Rapport eredienst 1965, 63v.

†††† [142] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1965-66 (Middelburg), art. 371.

†††† [143] Ibidem, art. 379.

†††† [144] Al in een vroeg stadium hadden deputaten het idee een dergelij≠ke toelichting te doen verschijnen (notulen deputaatschap orde van dienst d.d. 15 mei 1962 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 154). Er werd wisselend gedacht over de mogelijkheid/noodzaak de GWvL hierbij te betrekken. Uiteindelijk verzocht de synode aan de deputaten een toelichting te schrijven.

†††† [145] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1965-66 (Middelburg), art. 379.

†††† [146] Ibidem, art. 71 en bijlage Xa en b.

†††† [147] Orden voor de eredienst. De opzet met steeds op de linker pagina de orde en op de rechter de toelich≠ting is overgenomen uit: W. Vos, Wij gaan op, Rotterdam z.j. (vgl. Verslag van de vergadering d.d. 3 januari 1964 - Archief GWvL, nr. 287). Orden voor de eredienst blijkt geschreven te zijn door J.T. Bakker, G.P. Hartvelt, Fr. de Jong, G.N. Lammens, A.G. Luiks en B. Rietveld (notulen DE d.d. 23 juni 1966 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155). Aparte besprekingen verschenen voor jeugdwerk (Zijn schone dienst [I/II], Amersfoort z.j.) en catechese (serie: Handleiding voor de catecheet).

†††† [148] Notulen sectie eredienst Raad van Kerken (RvK) d.d. 16 mei 1975 - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief. Vgl. Barnard, "Dienstformulieren", met name 98v. Zie voor deze alinea ook bijlage F.

†††† [149] Vgl. Rapport eredienst 1965, 46v.

†††† [150] Vgl. hierboven blz. 242vv (vgl. ook blz. 256).

†††† [151] StrK 22 (1966), nr. 5, 3 (citaat in deze en volgende zin).