10.       Consolidatie ondanks nieuwe vragen (1966 - 1970)

 

 

J. van den Berg besluit zijn "Jaaroverzicht 1966" in het Jaarboek van de Gereformeerde Kerken in Nederland met de woorden: "De Gereformeerde Kerken hebben ook in 1966 ge­tracht, antwoord te geven op de vele vragen van de moderne samenleving. Het antwoord was gebrekkig, fragmenta­risch. Maar in zoverre het was ingegeven door een eerbiedig luisteren naar het in Jezus Christus gegeven ant­woord op de nood van de wereld had het een waarde die uit­stijgt boven de gebrokenheid van onze menselijke arbeid."[1] Dit fragment tekent de sfeer in de Gereformeerde Kerken in de tweede helft van de jaren zestig. Veel vragen, aarzelende antwoorden. Het gevolg was een toenemende onzeker­heid, die zich uitte in verontrus­ting en teruggrijpen op de traditie aan de ene kant en in een bijna rusteloos zoeken naar nieuwe zingevingskaders aan de andere kant. De zekerheid die de Gereformeerde Kerken in vroeger jaren zo kenmerkte en waarbij voor elke vraag een antwoord leek te bestaan, maakte plaats voor een "eerbiedig luisteren". Het in 1968 vrijwel unaniem genomen besluit van de Gereformeerde synode tot participatie in de Raad van Kerken in Nederland illustreert de bereidheid, ook in de kerkelijke samenwerking over de grenzen van de gereformeerde traditie heen te kijken.

Deze sfeer kenmerkt ook de liturgische besluitvorming in de periode die dit hoofdstuk beschrijft. Had men nog wel eens ge­hoopt de vele liturgi­sche vragen met de aanbieding van een compleet kerkboek te kunnen beantwoorden, nu werd men zich bewust van het voorlopige en fragmenta­rische karakter van de liturgische vernieuwing. Toch kwam het kerk­boek er: het werd op de synode van Sneek 1969-70 aangeboden. Nieuwe perspec­tie­ven openden zich in de ontwikke­ling van het kerklied. Op dat gebied was bij de presenta­tie van de Honderdnegentien gezangen al duidelijk geweest, dat dit gezangboek naar alle waar­schijnlijk­heid geen lang leven beschoren zou zijn. Na een opening van Hervormde zijde en het daaropvol­gende overleg was de synode van Sneek 1969-70 bereid mee te werken aan het samenstellen van een nieu­we, interkerkelij­ke bundel. In de kerken werden bij al de vernieuwingen, die elkaar in hoog tempo opvolgden, door een niet onaanzienlijke minderheid die zichzelf verontrust noemde, kritische vragen gesteld. Dat dwong de synode voorzichtig op te treden om in haar besluitvorming verschillende groepen tevreden te stellen. De synode van Sneek 1969-70 keerde zich bijvoorbeeld zowel tegen een formele als een relativerende binding aan de belijdenis.[2]

In dit hoofdstuk gaan we in het bijzonder na, hoe het besluit van de synode van Middelburg 1965-66 voor het ontwikkelen van een nieuw kerkboek gestalte kreeg. Ook ontdekken we, op welke wijze dit besluit aanleiding gaf tot verdere studie. Tevens zien we, welke voorbereidingen er werden getroffen om te komen tot een nieuwe, interkerkelijke gezangbundel.

 

 


10.1       Liturgische vernieuwing in andere kerkgenootschappen

 

10.1.1    De Rooms-Katholieke Kerk

 

Na de verschijning van de Constitutie over de heilige liturgie ontstond binnen korte tijd ook in de Nederlandse kerkprovincie van de Rooms-Katholieke Kerk een proces van heroriëntatie en vernieu­wing dat alle terreinen van de liturgie omvatte. We lichten er twee aspecten uit die aantoonbaar hebben doorgewerkt in de Gerefor­meerde Kerken. Het eerste betreft de doopli­tur­gie. Voor de hervor­ming van de liturgie voor de kinderdoop waren twee artikelen uit de Con­stitutie van bijzon­der belang. Het eerste droeg een algemeen karakter: "De riten moeten zich kenmerken door een waardige eenvoud, bondig en doorzichtig zijn, nutteloze herha­lingen vermijden, aange­past zijn aan het begrip van de gelovi­gen, en in het algemeen zó zijn, dat ze niet veel uitleg nodig heb­ben."[3] In het bij­zon­der met betrek­king tot de kinderdoop voegde men daaraan toe: "De ritus van de kinder­doop moet worden herzien en aange­past aan de werkelijke situatie van de kinde­ren; ook de rol en de taak van de ouders en de peters moeten in de ritus zelf beter uitko­men." De eerste proeven waarin men probeer­de deze principia praktisch uit te werken, kwamen "slechts tot een opper­vlakkige aanpassing van de kinderdoop uit het Rituale Romanum". Een tweede groep bevatte "nieuwe creaties op basis van de grondstruk­tuur".[4] Tot de laatst genoemde behoorde een ontwerp van de Werkgroep voor Volkstaallitur­gie te Amsterdam uit 1967.[5] Dit model zou de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie tot het ont­wik­kelen van een eigen doopliturgie inspireren. Hoewel de Amsterdamse proeve ervan uitgaat, dat de doop in een zelf­standi­ge viering bediend wordt, geeft ze ook een aanwij­zing om hem aan het begin van een eucha­ristie­vie­ring te plaatsen. De structuur ziet er als volgt uit:

 

Proloog, openingszang

Gebed

Epistellezing (Romeinen 6: 3 - 12), tussenzang

Evangelielezing (Marcus 10: 13 - 16)

Korte toespraak, uitlopend op de vraag aan de ouders:

"Gelooft ge dit, op het woord van Jezus Christus, en wilt ge

dat uw kind zal opgroeien en groot worden in dit geloof?"

Geloofsbelijdenis

Naamgeving      

Doopgebed, met reminiscenties aan effatha-ritus en exorcis­me

Doopvragen aan de ouders, met als kern:

"Belooft ge ook, aan uw kind een christelijke opvoeding te geven (...)?"

Doop

Zalving en tekening met het kruis

Overreiking van de doopkaars

Lied tot besluit (of als overgang naar de eucharistievie­ring)


Van andere proeven of van de officiële versie van de (Rooms-Katholieke) Nederlandse commissie voor Litur­gie uit 1967 is geen directe invloed op de Gereformeerde Kerken aantoonbaar. Wel merken we nog op, dat men zich in de Katholieke Kerk bewust werd van de noodzaak, aan de doop een of meer voorbereidingsgesprekken met de ouders vooraf te laten gaan om de betekenis van het sacrament te verduidelijken.[6] Hoewel de voorwaardelijke herdoop van prinses Irene in 1964 te Rome veel beroering had gewekt, kon dit een snelle toenadering inzake de doop en de doopliturgie tussen het Nederlandse episcopaat en de protestantse kerkgenootschappen in ons land niet voorkomen. De overeenstemming met de Gereformeerde Kerken werd op 23 januari 1968 officieel bevestigd.[7]

 

Een tweede aandachtspunt vormen kerkelijk jaar en lectio­nari­um. De Gereformeer­de Werkgroep voor Liturgie zou, naast anderen in de Gereformeerde Kerken, dit thema al spoedig in studie nemen en zich daarbij mede oriënteren op hetgeen in de Katholieke Kerk geschiedde. De Constitutie heeft naast de algemene principes van eenvoud, bondigheid en door­zichtigheid in dit verband twee belangrijke aanwijzin­gen gegeven, die in de kern ook voor protestanten aanvaardbaar zijn. Met be­trekking tot de zondag bepaalt zij: "De Kerk viert, krachtens de aposto­lische traditie die haar oorsprong heeft in de dag zelf van Christus' verrijzenis, het paasmyste­rie op iedere achtste dag, die terecht de dag des Heren wordt genoemd (...). Daarom is de dag des Heren de meest oorspronke­lijke feestdag".[8] In het verlengde hiervan wordt voorrang gege­ven aan de feesten van de Heer boven die van de heiligen.[9] Met betrekking tot de lezing van de bijbel stelt de Constitutie, dat "in de heilige vieringen een ruimere, meer gevarieerde en beter aangepaste lezing van de heilige Schrift" moet worden ingevoerd.[10] Met ingang van advent 1967 beproefde de Nederlandse kerkprovin­cie een lectio­narium, waarin deze principes waren uitgewerkt. Het accent kwam te liggen op de viering van "heel het Christus-mysterie", ten koste van de heiligenfeesten.[11] Een driejarige lezingency­clus verving de klassieke éénjarige. Aan de klassie­ke twee lezingen uit epistel en evangelie werd een derde gevoegd, uit het Oude Testament. Een definitieve versie voor de gehele Katholieke Kerk verscheen in 1969.

 

 

10.1.2    De Nederlandse Hervormde Kerk

 


Nadat de contacten op het terrein van de eredienst tussen Gereformeerde Kerken en Hervormde Kerk enkele jaren beperkt waren geweest, leek daar in de loop van 1966 ineens verandering in te komen. Het deputaat­schap, dat de ontwikkeling van het kerklied volgde, had aan de synode van Middelburg 1965-66 niet anders kunnen rapporteren, dan dat de Hervormde gezangencom­missie vanwege het stadium waarin haar werkzaamheden zich bevonden "niet op ons verzoek tot een samenspre­king" kon ingaan.[12] In deze zake­lijke medede­ling was omwille van de zo gewenste samenwerking heel wat ergernis en ongeduld gesuppri­meerd.[13] Ook nu weer bleek het overleg tussen de mode­ra­mina van de Hervormde en de Gerefor­meerde synode vruchten af te werpen. Na druk van het moderamen van de Her­vormde synode konden de be­trokken Gereformeerde deputaten op 30 maart 1967 in Ooster­beek de Hervormde dichters ontmoeten. De eerder geconstateerde verschil­len in achtergrond en houding bestonden nog steeds, maar nu met dit onder­scheid, dat de dichters waren geconfronteerd met een zeer kriti­sche commissie van rapport van hun eigen Hervormde syno­de. Zij zochten en vonden onverwacht versterking in de Gere­formeerde delegatie. Er werd door de beide groepen, met de woorden van deputaat B. Smilde, "een streep gezet (...) onder de verdriete­lijkheden van het verle­den."[14] In de praktijk zou de taak van de Gereformeerde deputaten echter meer een beoorde­lende en een selecterende zijn, vergelijkbaar met die van de Hervormde commissie van rapport, dan een producerende, zoals bij de gezangen­commissie. Een hoopvol teken voor de samenwerking vormde de aanvaarding van de nieuwe psalmberijming op 21 juni 1967 door zowel de Hervormde als de Gereformeerde synode, elk in haar eigen vergade­ring.[15] Zij sloten daarmee een pro­ject af van bijna vijftien jaar, waarin zij de belangrijkste part­ners waren. De nieuwe berijming had een wel­haast even moeizame voorgeschiedenis gehad als de gezamenlijke gezangbundel. Aan Hervormde zijde accepteerde de synode op 19 juni 1968 de basis voor een geza­menlijke liedbun­del, waar­bij even­tuele kerkrech­telijke beletselen voor invoering in het eigen kerkge­nootschap werden weggenomen en ruimte werd gecreëerd voor de inbreng van de andere partners in het project.[16] Het hiertoe noodzakelijke overleg zou nog bijna drie jaar in beslag nemen. We komen er in ver­band met de Gerefor­meerde inbreng nog op terug.[17]

 


Ook op het gebied van de herziening van het Dienstboek deed de Hervormde Kerk, na vele jaren waarin nauwelijks vorderingen waren gemaakt, enkele stappen vooruit. Op 21 juni 1966 vernieuwde de synode de commis­sie dienstboek en breidde haar uit van drie tot zeven leden.[18] De commissie kreeg de vrijheid con­tact op te nemen met andere kerken en zo nodig "proefparo­chies" te zoe­ken, waar liturgische teksten in de praktijk beproefd zouden kunnen worden. De ver­nieuwde commissie begon in het najaar van 1966 te verga­deren en werd in de loop van het eerste jaar van haar bestaan aangevuld met waarne­mers op persoonlijke titel uit andere protestantse kerken en de Rooms-Katholieke Kerk, onder meer de reeds voorgestelde Gere­formeerde Scheeres. De commissie had dankzij eerdere bespre­kingen in de Raad voor de Eredienst­ en de vorige commissie dienstboek al spoedig vol­doende materiaal gereed om tot een eerste uitgave te komen. In het najaar van 1967 zag de eerste aflevering van de Liturgische Handrei­king het licht, waarin voor een belangrijk deel de hand van W.G. Over­bosch te herken­nen valt.[19] De onderti­tel, "Een losbla­dig werk­schrift", geeft aan dat het materiaal een voor­lopig karakter draagt en bedoeld is om in de liturgische praktijk be­proefd te worden. Het bleef echter ondanks alle samenwerking met derden - een herzien huwelijksfor­mulier was het produkt van overleg met de Gereformeerde deputaten - een werkschrift van de Hervormde Raad voor de Eredienst.

Het ontwerp voor de Palmzondag met een orde voor het afleggen van openbare geloofsbe­lijdenis en de eventuele bediening van de volwasse­nendoop gaat vergezeld van een uitgebreide theologisch-dogmatische verantwoording.[20] Dat vloeit voort uit de nieuwe opzet, die niet alleen opvalt door het ontbreken van een leerstellig formulier, maar ook door een andere opbouw en invulling van de vragen. Maar het zal ook te maken hebben met de grote verscheidenheid aan opvattingen die in de Hervormde Kerk bestond en het noodzakelijk maakte anderen met theologische argumenten te overtuigen. De orde voor de Palmzondag bevat na de preek de volgende elementen:[21]

 

Lied

Gebed 

Opwekking

Apostolische Geloofsbelijdenis

Vervolg opwekking

Zondvloedgebed

Of: Prefatie  

Vraag, of men gedoopt wil worden

Doopbediening (volwassenen en hun eventuele kinderen)

Acclamatie door gemeentezang

Presentatie der confirmandi

Belijdenisvragen

Bevestiging,

met handoplegging,

besloten met apostolische bemoediging

Lied (en verdere elementen tot besluit van de dienst)

 


In deze opzet zijn ten opzichte van het Dienstboek een groot aantal veranderingen te bespeuren. Direct en indirect heeft een aantal discussies in kerkelijk Nederland zijn weerslag op het model gehad. Zo staat de openbare belijdenis niet meer in het kader van de toegang tot het avondmaal en krijgt ze sterker het karakter van een persoonlijk ge­loofsgetuigenis. Voorheen was het zondvloedgebed ook wel opgenomen geweest in het klassiek-gereformeerde doopformulier en in de dooporden van het Dienstboek, maar nu had net als in Luther's redactie de zogenaamde 'Jordaan-passus' er weer een plaats in gekregen. Barnard had dat enkele jaren tevoren in persoonlijke proeven al gedaan.[22] Nu geeft Overbosch in aanvulling daarop een theologische verantwoording: "Alleen waar Híj in de Jordaan staat, wordt het ons duide­lijk wat voordién reeds 'de wateren' te bete­kenen had­den"[23]. Een van de gevolgen is het tussen haakjes plaat­sen van de verkla­ring die in het klassieke gebed bij de door­tocht door de Rode Zee gegeven werd. Daar stonden woorden als "door hetwelk de doop beduid werd", in de Handreiking iets voorzichtiger en poëtischer weergegeven met "daarmee vooruitlo­pende op het bad der wedergeboor­te", terwijl Barnard deze notie geheel geschrapt had.[24] Een en ander markeert een veranderende visie op de verhouding tussen kerk en synagoge en ten gevolge daarvan op het (oudtestamen­tisch) verbond. Het verbond voor de christe­lijke gemeente wordt conse­quent toege­spitst op en gedacht vanuit Jezus Christus en diens 'wegdra­gen van de zonden dezer we­reld'.[25] Op die acte zijn zowel kinder- als volwasse­nen­doop geënt. Beide achten de opstellers van het ontwerp gelijkwaar­dig. Om zowel het initia­tief van Gods kant als de gelijk­waardig­heid van beide te onder­strepen, gaat de vol­was­senendoop net als de kin­derdoop aan de persoonlijke belijdenis van de dopeling vooraf. Zo wordt met het ontwerp stelling genomen in de discussie over kinder- en volwassenendoop die in 1967 door het ver­schijnen van Band IV/4 van K. Barths Kirchliche Dogmatik over "Die Taufe als Begründung des christlichen Lebens" weer volop actueel geworden was.


Naast de vormgeving van de doopbediening vraagt in het ontwerp vooral de formu­lering van de vragen voor de openbare geloofsbelijdenis de aandacht. De opstellers hebben daarbij geprobeerd strikt te redeneren vanuit het eigen karakter van de openbare geloofs­belijdenis. Ze menen, dat het onjuist is deze acte zo exclusief te binden aan de toelating tot het avondmaal, zoals dat in het Dienstboek het geval was geweest. Tevens hebben ze moeite met de binding aan een kerkgenootschap - c.q. de Neder­landse Hervormde Kerk - zoals die in de oude vragen naar voren kwam. De commissie dienstboek stelde zich achter de bewerking van een serie van vier vragen van de hand van Noordmans, die elk steeds met een werkwoord beginnen. Het belijden uit de nieuw geredigeerde eerste vraag heeft betrekking op de aanvaarding van God de Vader als Schepper.[26] Het erkennen in de tweede loopt uit op het volgen van Jezus, Zijn Zoon. Het vertrouwen uit de derde vraag richt zich op de leiding van de Heilige Geest. Het verlangen van de vierde vraag heeft het leven in de geloofsgemeenschap op het oog.

De reac­ties op dit relatief vèrgaande ontwerp van de com­missie dienst­boek waren scherp. In de Hervormde synode volgde op 18 juni 1968 een kritische bespre­king, waarin het aloude verwijt aan de liturgi­sche bewe­ging viel: eenzij­dig­heid.[27] De taal zou niet verstaanbaar zijn voor jongeren, de proeve in slechts een beperkt deel van de Hervormde Kerk bruikbaar. Het zou de commissie dienstboek er niet van weerhouden op de ingeslagen weg voort te gaan. Ze werkte vanuit dezelfde vooronderstel­lingen aan een nieuwe orde voor de kinderdoop. Hoewel deze al in 1972 zo goed als gereed was, zou ze door tal van technische problemen eerst in 1975 eveneens in de Liturgische Handreiking verschijnen.

Aan Gereformeerde zijde hoefde men zich door het Hervormde model niet direct uitge­daagd te voelen. Wat betreft de toespitsing van het verbond op Chris­tus' kruisdood waren in het verkorte formulier al soortgelijke tendensen waar te nemen als in de Liturgische Handreiking. Het decor was alleen in die zin anders, dat het verbond en een zeker verbondsautomatisme niet zozeer betrok­ken werd op het volk als wel op een bepaald kerkgenootschap. Andere ele­menten, zoals het laten volgen van de belijdenisvragen op de doop bij volwassenen­doop en de combinatie van belijdenis doen op Palmzondag en (voor het eerst) avondmaal vieren op Goede Vrijdag, waren er vol­strekt onbekend. De Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie zou in haar bezinning op de doopli­turgie al spoedig kennis nemen van dit materi­aal, maar zich er weinig aan gelegen laten liggen. Het Gereformeer­de depu­taat­schap ere­dienst zag, om in het volgende hoofd­stuk nader aan te geven redenen, te weinig perspectief in dit mate­riaal om het voor gebruik in de Gereformeerde Kerken voor te dragen.[28]

 


Overbosch stimuleerde in deze jaren ook nog andere projecten dan de uitgave van de Liturgische Handreiking. Als voorzitter van de Van der Leeuwstichting was hij nauw betrok­ken bij de voorberei­dingen voor de Proeve van een oecumenisch ordinarium, die in december 1968 aan de leden van de stichting werd toegezon-den.[29] Anders dan de commissie dienst­boek was de Van der Leeuw­stichting geen verantwoording schul­dig aan enig kerkgenoot­schap en daardoor in de gelegen­heid een onafhanke­lijk oecume­nisch initiatief als dit te lanceren. Het was voor haar een logisch vervolg op De adem van het jaar, dat een proprium bood. In samenspel met een aantal proefparochies hadden voor­gangers van Hervormde en Rooms-Katholie-ke huize teksten opge­steld voor een "hoofd­dienst" van Woord en sacra­ment en de vaste, telkens terugke­rende onderdelen door een vijftal compo­nisten laten toonzet­ten. De eindredac­tie van de teksten was in handen van W. Barnard en H. Oosterhuis. Al even gemengd was het gezelschap van de componisten - naast F. Mehrtens en W. Vogel bijvoorbeeld B. Huybers en I. de Sutter - dat tekende voor de toonzettin­gen. Het doel van het project was duide­lijk: de Van der Leeuwstich­ting "is er een­voudig van uit gegaan, dat de tijd van separa­te proefne­mingen voor­bij is, of liever nog: dat de tafelgemeenschap niet het even­tuele eind­punt, maar integendeel het vanzelfsprekende uit­gangspunt behoort te zijn van iedere liturgische herkenning over en weer." ­­Dat aan deze brede, oecumenisch opgezette uitgave geen Gereformeerden meewerkten, heeft in eerste instantie te maken met de achtergrond van het medewerkersteam. Dat had voor een belangrijk deel in dezelfde samenstel­ling ook de uitgave van De adem van het jaar verzorgd. Uit het archief van de Liturgisch Kring blijkt, dat Overbosch daar de suggestie gekregen heeft ook de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie bij de ontwikkeling van een oecumenisch ordinarium te betrekken.[30] Hij is daar niet op ingegaan. Er was een team voorhanden, waarvan de medewerkers op elkaar waren ingespeeld. Een uitbreiding met Gereformeerden zou onzekerheden met zich mee hebben gebracht. Het was Overbosch weliswaar door zijn lidmaatschap van de Hervormde Raad voor de Eredienst bekend, welke enorme veranderingen in de Gereformeerde eredienst aanstaande waren, maar mogelijk meende hij juist op basis van het Rapport eredienst 1965 op onvoldoende eigen, creatieve inbreng van Gereformeerde zijde te mogen rekenen.[31] Een bespreking van de Gereformeerde orden door een andere medewerker aan het oecumenisch ordinarium, Mehrtens, biedt daarvoor een aanwijzing. Hij zegt de dynamiek in het geheel te missen en hij signaleert "een tekort aan hymnische taalhantering".[32] Hij betreurt bijvoorbeeld de keuze om Kyrie en Gloria niet op te nemen. Tien jaar later zou overi­gens de draad van het oecume­nisch ordinarium juist door de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk weer worden opgepakt.[33] De positie van de betrokken Rooms-Katho­lieken en van de Neder­landse kerkprovincie had zich toen drastisch gewij­zigd. De tijd van experimenteren was voorbij. Het centraal gezag eiste, dat in de mis uitsluitend door Rome goedgekeurde teksten gebruikt werden. Het oecumenisch ordinarium ontbeerde juist vanwege het oecumenisch karakter teveel Roomse kenmerken om op kerkelijke approbatie van Rooms-Katholieke zijde te mogen rekenen.

 

 

10.2       Gereformeerde reacties op de synode van Middelburg 1965-66

 


Na de in de vorige twee paragrafen beschreven oecumenische verbanden keren we terug naar de Gereformeerde Kerken. Blijkens de gretige aftrek die het deputa­tenrap­port vond en de al spoedig noodza­kelijke tweede druk van de Orden voor de eredienst, was de belang­stelling die er in de kerken voor ver­nieuwing van de eredienst bestond aanzienlijk.[34] De gemengde reacties wijzen er evenwel op, dat de grootte van de groep die princi­pieel anders dacht dan de deputaten ere­dienst (en de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie) niet onder­schat moet worden. Dat bleek in het bijzonder in de vinnige gedach­tenwis­seling die kort na de besluiten van de synode in het dagblad Trouw volgde tussen Lammens en kunste­naar H. Krijger. Van de laatste was bijna een jaar eerder een congresrede gepubliceerd, "De christen-kunste­naar tussen twee vuren."[35] Hij had toen onder meer gezegd: "ik wil alleen maar duide­lijk maken dat ik niet geloof in de vernieu­wing van onze saaie, stijlloze erediensten door die te drukken in de oude mallen. Hoe het wel zou moeten? Ik weet het niet, althans niet in details. Maar wel weet ik dat voor een èchte vernieuwing uitgegaan moet worden van hedendaags vorm- en stijlbesef."[36] Hij typeerde veel liturgi­sche vernieu­wing als "kitsch", als on-echt.[37] In een interview met Trouw naar aanleiding van de nieuwe orden van dienst noemde Lammens Krijgers bezwaar en wees hij op de vertaling van diens verlangen in het pastorale motief van de deputaten: "met inachtneming van de eigentijdse levens­vor­men".[38] In een repliek gaf Krijger aan enerzijds uni­formiteit te wensen in de Gereformeerde ere­dienst, anderzijds de eigentijd­se levensvor­men niet te willen verwar­ren met vorm- en stijlbe­sef: "Ik heb niet de minste fiducie in eigentijdse levensvor­men, want genoeg daar­van is ongecontro­leerd ontstaan buiten alle vorm- en stijlbe­sef om (...). Ze worden zelfs door kun­stenaars (...) pas na dagelijkse bezin­ning (en zelfs gedu­rende een heel leven) verworven en dan nóg blijft het risico van derail­lement."[39] Krijgers analyse van de proble­ma­tiek is haarscherp. In de wordingsgang van de vooronder­stellin­gen van het deputatenrapport signaleer­den we immers, dat het estheti­sche aspect van het vierde motief geheel opging in de schoonheid van de klassieke litur­gische teksten en dat dit aspect derhalve wel geschrapt moest worden uit dit motief, dat vooral pastoraal van aard was.[40] In het vervolg zou Krijgers vermoeden ten aanzien van de aard van de eigentijdse levensvormen juist blijken te zijn. Het bleek domweg gelijk­gesteld te worden met het gevoelen van de ge­meente.[41]


Vergelijkbare kritiek, zij het in wat bedektere termen, kwam enkele maanden later in een emotioneel getinte rede op de Gereformeerde predikantenconferentie uit de mond van Rijns­dorp.[42] Hoewel hij terloops over de vernieuwingspo­gingen zegt: "waar ik van harte achter sta", neemt hij krachtig stelling tegen een belangrijk element uit het deputatenrap­port: "De historie van de kerk mag nooit tot haar norm worden verhe­ven."[43] Hij plaatst vraagte­kens bij de overmaat aan continu­ïteit in de liturgie, die voor zijn gevoel in het bijzonder in schuldbe­lijdenis en genadever­kondiging vorm krijgt. Beide onderdelen staan op gespannen voet met de verande-ring, de discon­tinuïteit die in de verkondiging beoogd wordt. Hij stelt zich daarom op het (traditionele) standpunt, dat de preek, ondanks de proble­men van het fenomeen, als uitgangspunt moet dienen: "De preek schept de ruimte, waarin de Geest kan waaien waarheen Hij wil. Eerst dan functioneert de liturgie pas goed."[44] Rijnsdorps betoog loopt uit op enkele concrete voor­stellen voor de tweede dienst. Daarin zou het didactische element moeten worden teruggedrongen ten behoeve van het hymnische: meer zang, een actief aandeel van de jeugd en ruimte voor "korte getui­genis­sen".[45] Dit alles dient voor hem uit te gaan van een oecumeni­sche gezindheid, waardoor de verhouding tot de levende Heer in het directe kader van de relatie van de gelovige tot de wereld komt te staan. Uit een reactie van J.H. van Halsema, die we in de begintijd van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie ook al eens tegenkwamen, leiden we af, dat Rijnsdorps betoog door enkele honderden predikanten met enthousiasme ontvangen werd.[46]


De bezwaren van Krijger en Rijnsdorp lopen parallel in hun hoge waarde­ring voor de preek en in hun verzet tegen het histo­risme, dat ze menen waar te nemen bij de liturgische beweging in de Gereformeerde Kerken.[47] Het is niet duide­lijk, in hoeverre beide over­eenkomen in hun oordeel over het gebrek aan "vorm- en stijlbe­sef", maar de literator Rijnsdorp zal hierin een eind met Krijger hebben kunnen meegaan. Waar echter Krij­ger pleit voor uniformiteit, begint voor Rijnsdorp de ruimte voor spontane­ïteit en persoonlijke inbreng. Dat kwam Rijnsdorp dan ook op het verwijt van Van Halsema te staan, dat zijn lezing "geen kerkelijke bezinning" betrof.[48] We proeven in de benade­ring van met name Rijnsdorp iets van de ideeën die bij Booy en zijn geestverwanten, alsmede bij enkele kritische leden van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie leefden. Uit de waardering die Rijnsdorp ont­ving, maken we op dat het verlangen naar moderne liturgische vormen nu op brede steun kon rekenen, terwijl het in de jaren vijftig slechts in de marge van het Gereformeerde kerkelijk leven bestaan had. Tegelijk nam een deel van degenen die dit verlangen indertijd geuit hadden, nog steeds een voorhoedepositie in. In hun lijf­blad, De strijden­de Kerk, met ingang van 1967 overge­gaan in Gemeentetoerusting, trad in de loop van de jaren zestig een stroming op, die de aanslui­ting bij de moder­ne mens vooral vond in de (politieke) verant­woor­delijk­heid van de gelovige voor hetgeen in de wereld gebeurde.[49] Deze benade­ring kreeg gestalte in liturgische vormen die sterk plaatse­lijk gebonden en op de actualiteit gericht waren. De betrokkenen verwij­derden zich daarmee van de kerk als instituut. Hoewel ze niet uit waren op kerkelijke erkenning, zoals de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie dat voorheen wel was geweest, kregen ze die toch. Dat gebeurde in het rapport Kerk in perspectief, opgesteld in opdracht van de synode van Middelburg 1965-66 en door de gene­rale depu­taten voor de evangelisatie aan de synode van Sneek 1969-70 gepresen­teerd.[50] Het rapport geeft aanzetten, de Gereformeerde Kerken in het algemeen en de plaatselijke kerken in het bijzon­der met het oog op hun roeping in de moderne tijd te herstruc­tureren. De contouren van de eredienst zijn in dit rapport nog vaag. Een belang­rijke rol is wegge­legd voor de prediking. De zondag­mor­gen zou bestemd moeten blijven voor samenkomsten van en voor de gehele gemeente. Daarnaast zou ruimte moeten ontstaan voor bijeenkomsten van groepen rond een be­paalde problematiek of een speciaal doel. De laag­drempe­lig­heid zou de toeganke­lijk­heid voor rand- en buitenker­kelij­ken moeten vergroten.

Hoe reageerden de meer behoudende groepen op de liturgiever­nieuwing van de Middel­burgse synode? Een citaat uit een brief van een verontrust gemeentelid in het vroege najaar van 1966 schetst een klassiek bezwaar, dat in voorgaan­de decennia geregeld in stelling was gebracht tegen de litur­gische bewe­ging: "Een vloed van liturgie over­stroomt ons en de prediking is ver­schrompeld tot ongeveer 20 minu­ten"[51]. De zorg om de predi­king in het geheel van de ere­dienst deelden Gerefor­meer­den als deze briefschrijver met iemand als Rijns­dorp, zij het dat Rijns­dorp zich veel minder dan zij aan de con­fessie gebon­den voelde en geen absolute eisen wilde stellen aan de lengte van een preek. Enkele jaren later zou de kritiek zich verleg­gen naar pogingen om het karakter van de kerkdienst te veran­deren en in dat verband buiten de gevestigde kerke­lijke kaders om litur­gisch te experimenteren. Daarbij zouden behoudende en verontruste groepen het deputaat­schap eredienst en de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie aan hun zijde vinden.

 


De Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie wist na de synode van Middelburg 1965-66 aanvankelijk precies wat haar te doen stond. Op 12 april 1966 besloot ze ten behoeve van het depu­taat­schap eredienst al het materiaal dat in de loop der jaren met het oog op het kerkboek ontstaan was nog eens aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.[52] Ze stel­de daartoe twee commissies in, waarvan de eerste zich richtte op de orden van dienst en de tweede op de bestaande formulie­ren. Beide commis­sies rap­porteerden op 9 september 1966.[53] De eerste bestond uit Bis­schop, Looijen, Schee­res en De Vries. Zij betuigden hun instemming met de voorgestelde orden, maar lieten niet na een groot aantal welwillend-kritische noten bij Orden voor de eredienst te plaatsen. De notulen vatten deze samen met de woorden: "Deze hebben voor het merendeel betrek­king op de spelling en de typografische uitvoering." We laten daarom na ze op deze plaats uitgebreid te bespre­ken, temeer daar we de kritiek slechts in een bewerk­te versie tot onze beschikking hebben.[54] We komen op een enkel verstrekkender punt nog terug bij de weergave van het rapport dat het depu­taatschap eredienst aan de synode van Amsterdam 1967-68 zou doen toekomen.[55]

De leden van de tweede commissie, Van Egmond, Heemskerk, De Jong en Langedijk, leverden elk een individuele bijdrage over enkele met elkaar verwante formulieren.[56] Zij letten in hun beoorde­lin­gen op inhoudelijke evenwich­tigheid en helderheid van formule­ring. Heemskerk (doop en belijdenis) en De Jong (avond­maal) maakten daarbij en daarnaast gebruik van histori­sche argumen­ten. De werkgroep werkte er hard aan om deze kritieken tijdig bij het deputaatschap eredienst in te dienen. Op 31 oktober 1966 vergaderde ze alweer.[57] Later moest ze echter ervaren, dat dit werk ten behoeve van het kerk­boek slechts in beperkte mate benut kon worden.[58] Deputaten hadden volgens hun opdracht immers rekening te houden "met opmerkingen van kerken en kerkelijke vergaderingen, die bij deze of vorige synoden zijn ingezonden".[59] Nu gold een dergelijke restrictie in principe ook inzake de orde van dienst, maar daar wist de werkgroep wel met succes wijzigings­voorstellen te doen. Mogelijk was dat een gevolg van het feit dat die minder vergaand waren en van het gegeven dat de kerken nauwelijks op de nieuwe orden reageerden, terwijl ze in het nabije verleden de formulieren wel van het nodige commentaar hadden voorzien. Tevens zal hebben meegespeeld, dat de actieve kern van de werkgroep veel beter vertegenwoordigd was in de deputatensectie die de orde moest herzien dan in de sectie die een definitieve revisie van de formulieren voorbereidde.

 

 


10.3       De eigen weg van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie

 

De Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie was zich na de synode van Middelburg terdege van het gevaar bewust dat ook de liturgische beweging in de Hervormde Kerk bedreigd had, toen het Dienst­boek was gepu­bliceerd. De belangstelling voor liturgi­sche zaken was indertijd na een kleine opleving snel terugge­lopen. Hoewel deze conclusie voor de Gereformeerde Kerken in de tweede helft van de jaren zestig nog niet getrokken kon worden, kreeg de werkgroep in ieder geval wel een groot aantal verande­ringen te verwerken die haar functio­neren er niet gemakkelijker op maakten. In eerste instan­tie pro­beerde ze de oude draad weer op te pakken. Ruim een jaar was ze niet meer samen­geko­men. Met ingang van 1966 werd de regel om drie maal per jaar te vergaderen weer in ere hersteld. Voor een aantal leden was dit een be­hoorlijke belas­ting, aangezien ze tevens deputaat eredienst waren en vaak nog wel meer kerkelij­ke functies vervulden. Het was de synode ook niet ontgaan, dat een aan­tal - in de synode meende men van drie, in werkelijk­heid betrof het zeven[60] - van de vijftien deputaten lid waren van de werkgroep. Bij de subsidie-aanvrage van de werkgroep was op 11 januari 1966 dan ook opgemerkt, "dat de constructie van een werkgroep, die min of meer als een aan­hangsel van het depu­taatschap fungeert, niet gelukkig is. Zou het niet beter zijn, dat de leden van de werkgroep deputaat worden? Nu loopt men gevaar langs elkaar heen te werken."[61] Tegenge­wor­pen was toen, dat de werkgroep met 33 leden te groot was om deze sug­gestie te kunnen uitvoeren. Juist de dubbellidmaat­schappen zorgden voor voldoende contact tussen deputaatschap en werkgroep. Bovendien zou de werkgroep vrijer in haar bewe­gingen zijn, ook in het uitvoeren van experimenten - waartoe ze overigens formeel nooit door de synode gemachtigd was geweest - terwijl synodale deputaten altijd aan een be­paalde opdracht gebonden waren. Op grond van de aangevoerde argumenten handhaafde de synode de bestaande situatie. Het relatieve voor­deel dat de werkgroep in haar ruimte voor experi­ment bezat, werd door de synode van Amsterdam 1967-68 alweer tenietgedaan, toen deze de deputa­ten daarvoor op beperkte schaal de ruimte bood.[62] Diezelfde synode liet weliswaar merken het werk van de werkgroep belangrijk te vinden, maar dan toch duidelijk onderge­schikt aan de activitei­ten van het deputaat­schap eredienst.[63]


Wat betreft de kerkbouw was de assimilatie van de werkgroep in de officiële kerkelijke organen in deze jaren eigenlijk al voltooid. Het rapport Richtlijnen voor kerkbouw, dat het deputaat­schap kerkopbouw indertijd namens de werkgroep had uitgegeven en dat geheel de visie van de werkgroep weerg­af, werd grondig herzien en verscheen in 1967 onder de titel Overwe­gingen bij kerk­bouw.[64] Men zoekt er tevergeefs naar enige verwijzing naar de werkgroep of haar leden. Het is niet alleen de samen­werking met het deputaatschap die ten koste ging van een eigen inbreng van de werkgroep. De liturgische vragen werden in de zaak van de kerkbouw van steeds minder belang. De discussie spitste zich toe op de vraag, of en hoe er kerken gebouwd moesten worden in de snel veranderende Nederlandse samenle­ving. Dat had al zijn weerslag op de brochure Overwegingen, die uitgebreid ingaat op de wijze waarop de kerk in de wereld zou moeten staan. De synode van Sneek 1969-70 benoemde het werkgroeplid W. Ingwersen tot deputaat kerkopbouw. Ze erkende daarmee diens deskundigheid op dit gebied. De zelfstandige rol van de werkgroep op het gebied van de kerkbouw was met de benoeming van deze vooraanstaande architect uit de gelederen van de werkgroep definitief uitgespeeld.

Een andere gebeurtenis die invloed had op het functioneren van de werkgroep na de synode van Middelburg 1965-66 was een wisseling in het voorzitterschap. Op 12 april 1966 trok Bakker, die begin 1964 om gezondheidsredenen het voorzitterschap al aan een ander had willen overdragen, zich definitief uit deze functie terug.[65] De werk­groep verloor in hem een voorzitter die als hoogleraar het nodige gezag in de kerken had verworven, en die op kundige wijze de werk­groep een koers liet varen, die voor de Gereformeerde Kerken aanvaardbaar was. De Jong, die behoor­de tot de oprich­ters en in de loop van 1962 als tweede assessor aan het bestuur was toege­voegd, werd tot zijn opvolger geko­zen. Hij had door kennis van zaken en persoonlijk inzicht een belangrijke inhou­delijke bijdrage aan de werkgroep geleverd en was als deputaat nauw betrokken geweest bij het Rapport eredienst 1965. Tege­lijk met de voorzit­ters­wisseling vulde J.B. Looijen de lege plaats in het bestuur op.[66] Hij was voor het bestuur een bij­zon­dere aanwinst, omdat hij, zowel vanuit zijn journalistie­ke achter­grond als door zijn functie als directeur van de informa­tiedienst van de Gereformeerde Kerken, veel contac­ten onder­hield en ingang had bij de pers. Hij had de werkgroep in haar beginjaren een warm hart toegedra­gen en haar als journalist de nodige publiciteit bezorgd. Toch was de werkgroep met deze be­stuurssamenstelling in zekere zin terug bij af. De kern van het bestuur bestond nu immers uit de oprich­ters van de werkgroep, Heemskerk, De Jong en De Vries, zij het dat zij intussen in hun verantwoor­delijkheid van predi­kant persoon­lijk ervaring hadden opge­daan met de weerbar­stigheid van de liturgi­sche prak­tijk.[67] De andere twee be­stuur­ders waren nauw verwant met dit drietal. Looijen had van het begin af aan zijn bewondering voor de werkgroep niet onder stoelen of banken gestoken en Van Egmond was vanaf de oprich­ting bij de werkgroep betrokken geweest. De eenzijdigheid versterkte zich nog, toen Van Egmond op 16 april 1968 aftrad en vervan­gen werd door Lange­dijk, die inhoudelijk dicht bij de oprichters stond.[68] 

 


Het vertrek van Bakker uit het bestuur past in het kader van een gelei­delijke beëindiging van zijn activiteiten ten behoeve van de eredienst. Hij verminderde het aantal bijdragen over litur­gi­sche zaken aan het Gere­for­meerd Weekblad. ­Niet alleen daar verminderde de aandacht voor wat zich in en rond de eredienst afspeelde, het verschijnsel deed zich in het algemeen ook voor in periodieken als Centraal Week­blad, het Ouderlingenblad en De strij­dende Kerk/Geme­entetoerusting. Na de rapportage aan de synode van Am­sterdam 1967-68 trad Bakker tevens als deputaat eredienst terug. De Kamper cura­toren hadden toen reeds besloten, dat hij zijn leerstoel ambtelijke vakken zou verruilen voor die van de dogma­tiek. De Gerefor­meerde synode benoemde de Zuid-Afri­kaan W.D. Jonker in zijn plaats, die eerst in de zomer van 1968 zou inaugureren.[69] Omdat deze geen aantoonbare invloed heeft uitgeoe­fend op de liturgi­sche ont­wikkelingen en na drie jaar naar zijn vaderland terug­keerde, blijft hij verder buiten beschou­wing.

Aan de Vrije Universiteit wijzigde de situatie eveneens gron­dig. J.H. Bavinck was in 1964 overleden. J. Firet was per 1 september 1965 als wetenschappelijk hoofdmedewerker tot diens opvolger benoemd voor het onderwijs in de ambtelijke vakken. Hij promoveerde begin 1968 op een proefschrift met de titel Het agogisch moment in het pastoraal optre­den en werd vervol­gens hoogleraar.[70] We kwamen zijn naam reeds tegen als kan­di­daat-lid van de werkgroep bij haar oprichting. Hij bepleitte in zijn dissertatie het vervangen van de benaming ambtelijke vakken door praktische theologie. Hij legde de wetenschappe­lijke basis voor het benaderen van de liturgie vanuit de verzamelde gemeente, zoals dat in het Rapport eredienst 1965 met de term samenkomst der gemeente was gebeurd. Lammens werkte de bevindingen van Firet, met wie hij sinds hun studietijd in Kampen bevriend was, uit en maakte ze in verschillende publikaties dienstbaar aan de liturgieweten­schap. De eerste was zijn dissertatie, Tot Zijn gedachtenis. Het commemoratie­ve aspect van de avondmaalsvie­ring, waarop hij eind 1968 promoveer­de.[71] Lammens neemt in zijn proefschrift de verzamelde ge­meen­te als uit­gangs­punt voor de werking van het Woord. Hij be­schrijft aan de hand van de door Firet aangereik­te modi van kerygma, didachè en parakle­se, hoe het Woord in de samen­komst van de gemeen­te geschiedt. Het samenko­men van de gemeente, de eredienst, dient in Lammens' optiek zowel formeel als inhoudelijk te worden bepaald door het bijbelse werkwoord gedenken. Langs deze weg geeft hij een wetenschappelijke verantwoor­ding van de in het Rapport eredienst 1965 aangeboden orde voor de viering van het avondmaal. Door eerdere activiteiten, onder meer voor de televisie, had Lammens de liturgische beweging in de Gereformeerde Kerken een gezicht gegeven. Hij versterkte zijn positie in die beweging door zijn proef­schrift en door twee benoemingen die al spoedig in 1969 volg­den: tot directeur van het Convent van Kerken en tot bui­tenge­woon hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Het gevolg van dit alles was, dat de werkgroep als geheel steeds meer op de achtergrond kwam.

 


Met het afronden van de werkzaamheden in het verlengde van de Middelburgse synodebesluiten zag het bestuur van de werkgroep, onder leiding van de nieuwe voorzitter De Jong, zich voor de vraag geplaatst, welke taak de werkgroep zich nu moest stellen. Na de in januari 1959 bereikte consensus over het historisch-oecumenisch herstel van de eredienst waren er geen principiële of praktische vragen meer gesteld over het doel, of de wijze waarop dat bereikt moest worden. Sommigen in de werkgroep meenden, dat het beoogde herstel al voor een belangrijk deel gestalte had gekregen in de besluitvorming van de Middelburgse synode en dat de inbreng van werkgroepleden in het deputaatschap eredienst een verder herstel in voldoende mate verzekerde. Over­eenkom­stig hetgeen op de synode over de ver­hou­ding tussen werk­groep en deputaat­schap was opgemerkt, wilde de werk­groep zich vrij kunnen opstel­len ten opzichte van het deputaat­schap en besloot ze op 7 januari 1967 een "eigen weg" te gaan.[72] De agenda voor de volgende vergadering onderstreept dat nog eens met de woorden: "De taak van de werkgroep is nog niet ten einde".[73] Appellerende uitspraken als deze riepen de gestage terugloop van het aantal bezoekers echter geen halt toe. Aan het einde van de jaren zestig zou het tussen de tien en vijftien leden schommelen. Ook de geregeld terugkerende discussie over koers en taak van de werkgroep wijst op een blijvende onzekerheid over te kiezen thema's en de aanpak daarvan.[74] We zullen hieronder zien, dat de werkgroep er eigenlijk alleen bij de studie van doopbe­diening en kerkelijk jaar in zou slagen een eigen koers te varen. Het 'eigen' moet overi­gens in zoverre worden gerelati­veerd, dat de werk­groep voor de me­ningsvorming anders dan voorheen gebruik ging maken van gast­spre­kers van buiten het eigen kerkge­nootschap. Dit was een nieuwe ontwik­keling, waarin bewust de gren­zen van het eigen kerkgenoot­schap werden over­schreden voor meer dan een vrij­blijvende kennismaking. Het lukte de werkgroep in haar beschouwingen echter niet de grens tussen kerk en samenleving te doorbreken, zoals bij de beschrijving van de inspanningen rond liturgie en apostolaat nog blijken zal.

 

Doopliturgie


Het eerste thema waarmee de werkgroep een eigen weg ging, was dat van de doopliturgie. De basis voor de studie die de werkgroep hiervan maakte, ligt in de reeds kort aangestipte beoordeling van de bestaande formulieren die ze in 1966 opstelde ten behoeve van het kerkboek. In de onderlinge afspraken was de beoordeling van de formulie­ren voor de doop (kinderen en volwassenen) en de openbare geloofsbelijdenis in handen van Heemskerk gelegd.[75] Die behandelde ze vervolgens in samenhang met elkaar in het najaar van 1966.[76] Kort schetst hij de geschiedenis van de doopliturgie van de oude kerk tot en met de Pfalz (1563). Uit zijn wijzigings­voorstel­len voor de formulie­ren blijkt, dat hij het doopformulier van de Pfalz als voor­beeld voor een herziene opzet zou willen gebruiken. De geloofsbe­lijdenis zou een vast, in de dooplitur­gie geïnte­greerd element moeten zijn. De vragen zouden in hun formule­ring hierop moeten worden afgestemd, maar in hoofdzaak dezelf­de blijven. Hiermee zette Heemskerk zich af tegen de synode van Middelburg 1965-66 die besloten had de geloofs­belijdenis facultatief in te voegen en de vragen ongewijzigd te laten.[77] Het didactisch gedeelte van het formulier bleef op dit moment nog onaange­tast, hoewel Heemskerk wel vragen stelde naar de zin ervan in de liturgie. Verder probeerde hij het formulier voor volwassenen­doop en dat voor openbare geloofsbe­lijde­nis op elkaar te betrekken: vergelijkbare of gelijklui­dende vragen, gebruik van het Apostolicum ook bij de openbare geloofsbe­lij­denis en een zegenbede over de kandidaten. Zoals reeds werd aangegeven, kreeg de werkgroep met haar opmerkingen over de formulieren nul op het rekest.[78]


Als het deputaatschap iets had kunnen en willen doen met deze correcties was het wellicht in de werkgroep niet tot verdere bezinning geko­men. Nu besloot zij op 28 maart 1967 de doopliturgie in eigen kring verder te doordenken.[79] Gaandeweg ontstond een tweede rap­port, mede voorbereid door de predi­kant P. Wijbenga, die op 2 januari 1968 als nieuw lid was geïnstal­leerd.[80] Dit rapport is in de herziening van de bestaande formulieren veel dras­ti­scher dan het eerste, maar het beperkt zich tot die voor de kinderdoop. Een ori­ënte­rende bespre­king vond plaats op 16 april 1968.[81] Voor de vergadering op 15 april 1969 werd een herziene versie gemaakt. Het idee van een orde voor de doopbedie­ning is vermoedelijk ingegeven door een ontwerp van de Werkgroep voor Volkstaalliturgie, dat Heemskerk nog voordat hij zich opnieuw over de zaak boog een "specimen" genoemd had.[82] De eveneens pas versche­nen eerste aflevering van de Liturgi­sche Handreiking zal minder tot de verbeelding hebben gespro­ken, aangezien deze zich in eerste instantie richtte op het afleggen van openbare geloofsbelijde­nis en in dat kader het accent legde op de volwassenen­doop.[83] Ten op­zich­te van Heemskerks eerste bezinning uit 1966 is de histo­rische schets niet wezenlijk van karakter veranderd.[84] De con­clusies verschil­len wel dege­lijk. Zonder directe binding aan de gere­formeerde tradi­tie, zoals in de eerste bezinnings­ronde nog wel het geval was geweest, is de hoofd­vraag: "Wat is wezenlijk?" Hoewel er geen con­crete ver­antwoor­ding van de gebruikte bron­nen is opgenomen, worden die uit de gebruikte terminologie soms duidelijk. We hebben de verwijzingen volle­digheidshal­ve in de noten opgenomen. De instellings­woor­den - gedacht wordt aan Mattheüs 28: 19 - (1) dienen als rudi­ment van de cate­chese in de formu­lie­ren beschouwd te worden als "een autorisa­tie van de doop­hande­ling".[85] De epiclese (2) is het gebed om "de effectue­ring van wat de doop betekent en verze­gelt".[86] Aange­zien zowel een bede om de dope­ling te bewaren voor de boze als die om "de ware kennis Gods" hierin een plaats kunnen krijgen, kan het dankge­bed zoals dat in het klassiek-gerefor­meerde doop­formu­lier stond, verdwij­nen. De trini­tari­sche geloofsbe­lijde­nis (3) na de epiclese heeft "van de vroegste tijden af" als toegang tot de doop gefungeerd. Hoewel het er niet met zoveel woorden staat zal deze gedacht zijn als door de gehele gemeente gesproken of gezongen. In aanslui­ting hierop wordt aan de ouders, die als leden van de gemeente hun geloof mee-beleden hebben, gevraagd (4) of zij "in dit geloof" hun kind willen laten dopen, "gevolgd door de gelofte het kind christe­lijk op te voeden." Deze opzet wijkt voor wat betreft de eerste vraag af van het doopformu­lier. Daar is het immers niet zozeer de wens van de ouders, alswel de dwingende, in het verbond gefundeerde geloofsovertuiging, op basis waar­van het kind gedoopt wordt. In het formulier volgde daarop een vraag die indirect naar de inhoud van het geloof verwees. Door het uitspreken van de geloofsbelij­denis, een positief getuigenis, kan het stellen van de vraag nu verval­len. Bij de vraag naar de opvoeding in het voorstel Heems­kerk-Wijbenga, vergelijkbaar met de derde vraag in de toenmalige doopformulieren, wordt de kantteke­ning geplaatst, dat deze na de doopbe­diening geplaatst kan worden om te laten uitkomen dat de doop niet door de gelofte wordt geconditio­neerd.[87] Op de doop­be­diening zelf (5) wordt geen toelichting geen gegeven. Blijk­baar spreekt dit onderdeel voor zichzelf. Overeen­kom­stig de dooporden in het Hervormde Dienstboek wordt de doop aan het begin van de dienst bediend. Het profiel van de eerste psalm dient dan niet te worden bepaald door het kerkelijk jaar, maar door de doop. Bij deze keuze moet bedacht worden, dat de bezin­ning op het kerkelijk jaar in de werk­groep op dit moment nog niet echt goed op gang gekomen was.



Een definitieve bespreking van de door Heemskerk en Wijbenga gepresenteerde nota kreeg haar beslag op 15 april 1969. Op basis daarvan ontwikkelden deze werkgroepleden een orde voor de kinderdoop met bijpassende bewoordingen, waarover de werkgroep zich op 5 januari 1970 boog.[88] De gemaakte opmerkingen kunnen als volgt worden samengevat. Fundamenteel voor het geheel was het pleidooi van De Jong om kinderdoop, volwassenendoop en belijdenis meer op elkaar te betrekken. De gedane voorstellen beperkten zich zijns inziens te zeer tot de doop van kinderen. Over de plaats van de doop in de dienst bestond enig verschil van mening. Uiteindelijk won het standpunt, dat aan het begin van de dienst gedoopt moet worden. Er bleven enkele vragen bestaan over het weggevallen onderricht, dat nu in feite tot de instellingswoorden beperkt was. Een enkeling wenste toch een beknopte uiteenzetting. Anderen wilden naast de instellingswoorden ook alternatieve Schriftlezingen kunnen laten klinken, maar zij kregen het gelijk niet aan hun kant. De inkadering van de instellingswoorden in een epicletisch gebed werd afgewezen. Wel werd gehoor gegeven aan de wens het taalgebruik eenvoudig te houden. Een geladen woord als 'sacrament' moest uit de ontwerporde worden geschrapt om de begrijpelijkheid te bevorderen. En zo gebeurde het ook. Een suggestie om het aantal diensten met doopbediening te beperken en de instelling van doopdiensten te bevorderen, haalde het niet. In die doopdiensten zou een zekere duiding en uitleg van de doop in de prediking een kans kunnen krijgen. In de Gereformeerde Kerken waren ze ten gevolge van de vroeger wijd verbreide praktijk van de vroegdoop op de eerste zondag na de geboorte een vrijwel onbekend fenomeen. Met het in onbruik raken van de vroegdoop was daar echter geen verandering in gekomen. Voor het overige hadden de uitvoerige discussies in de werkgroep weinig invloed op de concrete voorstellen van Heemskerk en Wijbenga. Men leek het wel eens te kunnen zijn met de opmerking van Lammens, dat vooral de vragen en het dopen zelf essentieel waren en in het geheel vooral de feestelijk­heid diende te overheersen. Hij benadrukte daarom de noodzaak goede doopliede­ren te zoeken. De werkgroep ging akkoord met de twee alternatieven voor het doopgebed: het ene was een bewerking van Barnard van het zondvloedgebed, het andere een veel vrijere en kortere verwoording van de predikant-dichter J.R. Zijlstra.[89] De zogenaamde Jordaan-passus uit het zond­vloed­gebed deed Lammens de opmerking ont­lokken: "Is door het beeld van de doods-Jor­daan ook álle water gehei­ligd?"[90] Hij verwoordde daar­mee de vrees voor een sacramentele benadering van het doopwater die de gerefor­meerde vaderen ooit had doen besluiten dit gedeelte uit het zondvloed­gebed te verwij­deren. De eerste vraag bevroeg de ouders overeenkomstig de eerder vastgestelde principia op de wil hun kind in het door de gemeente beleden geloof te laten dopen. In de tweede vraag, die in de loop van het wordingsproces nogal wat wijzi­gingen had ondergaan, bleef uiteindelijk een zinsnede over die iets weghad van een echo op de instellingswoorden: "Belooft gij het te leren onderhou­den al wat Christus ons bevolen heeft?"[91] Op voorstel van Lam­mens volgde op het antwoord van de ouders, net als in het verkorte Gerefor­meerde doopformulier, een citaat uit het zogenaamde kinderevangelie: "Laat de kinde­ren tot Mij komen (...)."[92]

Enkele weken na deze bespreking zond de werkgroep het resultaat van zijn studie naar de dooporde naar het deputaatschap eredienst. De daarin gepresenteerde orde had de volgende opbouw:[93]

 

INTOCHT

- Psalm (met het oog op de doopbediening) met klein gloria (Gloria Patri)

- Stil gebed, onze hulp, groet

HEILIGE DOOP

- Inleiding met instellingswoorden

- Doopgebed

- Geloofsbelijdenis           

- Vragen

- Doopbediening

- Lied

DIENST DES WOORDS

enzovoort

 


Het kost enige moeite, de gebeurtenissen tot op dit moment samen te vatten en te beoordelen. In de eerste fase (1966) was de binding aan de klas­sie­ke gereformeer­de formulieren nog vrij sterk. In de tweede fase (1967 - 1970) kwam met de vraag naar de essentiële elementen de gehele liturgiegeschie­denis in zicht. Het wordt uit de stukken helaas niet duide­lijk, op grond van welke argumenten de keuzen werden gemaakt. Een toelichting met daarin een conse­quent gevolgde (bijbelse en) historische lijn met een in dat kader ver­antwoorde waardering van de elementen, zoals dat bij de orde van dienst in de werkgroep het geval geweest was, ontbrak. De standpunten wisselden in de achtereenvolgende besprekingen nogal eens. De uiteindelijke orde maakt mede daardoor een wat willekeu­rige en onsamenhangende indruk. Hoe kan dit worden verklaard? In de eerste plaats was en is de doopliturgie in haar histori­sche gestalte gecompliceerd, niet alleen door het onderscheid in kinder- en volwassenendoop, maar ook door de verschillende verhouding van elk van beide tot het doen van belijde­nis. De werkgroep beperkte zich tot de kinder­doop, maar was daardoor niet goed in staat de elementen in hun onderlin­ge samen­hang een overtui­gende plaats te geven. De tweede factor die een rol speelde was het gegeven, dat de werkgroep bij de ont­wikkeling van de orde van dienst in het alge­meen en de avond­maalslitur­gie in het bijzon­der kon terugvallen op de discussie die in de voorgaande jaren in en met de litur­gische beweging gevoerd was. De opvattingen over de doop begonnen eerst in de loop van de jaren zestig in Nederland in beweging te komen, het echte gesprek over de dooplitur­gie moest nog begin­nen. De positie van de Gereformeerde Kerken in dat krachtenveld was belast met de erfenis van Kuypers veronder­stelde wedergeboorte en de reactie van Schilder c.s. op dat leerstuk. Bij dit alles komt dan nog eens de omstandigheid, dat de Gereformeerde Kerken zich in een situatie bevonden waarin de druk om tot één, overtuigende orde te komen - in dit geval voor de doop - veel minder sterk was dan voorheen. Anders dan in de tweede helft van de jaren vijftig begonnen de Gereformeerde Kerken en ook de werkgroep nu een zekere liturgische pluriformi­teit te accepteren. Het ideaal van de éne liturgie leek verder weg dan ooit.

 

Kerkelijk jaar en leesrooster

Het tweede onderwerp dat de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie na het afronden van haar commentaar op de besluiten van de Middelburgse synode bezig ging houden, was het kerke­lijk jaar. Door de verhuizing van de Vrije Universiteit, waar de werkgroep enkele jaren gebruik had gemaakt van de senaatszaal, moest ze in het najaar van 1966 omzien naar een nieuwe verga­derruimte. Dat werd voor enkele gelegen­heden de Hervormde Bergkerk in Amers­foort. De eerste keer dat zij daar te gast was, 7 januari 1967, hield de voorganger van de Berg­kerk, P.A. Elderenbosch, een inleiding over de wijze waarop het kerkelijk jaar in zijn gemeente functioneerde. Waarom voor dit thema gekozen werd, worden we uit de stukken niet gewaar. De beschrijving van Elderenbosch, zoals die in het verslag naar voren komt, bood twee gezichtspunten, die de werkgroep tot verder nadenken zouden activeren.[94] In zijn schets van de wordingsge­schiede­nis van het kerkelijk jaar en de wijze waarop dat in de meeste christelij­ke roosters gestalte had gekregen, wees Elderen­bosch op het ontbreken van een oudtesta­mentische le­zing. In een publikatie van een klein half jaar later schetste ­hij de mogelijkheid om de Thora in een driejaarlijkse cyclus in de eredienst te lezen, maar daar zijn in het verslag van de werkgroepbijeenkomst geen sporen van te vinden.[95] Een tweede aspect, waar de werkgroep door Elderenbosch' inleiding bij werd bepaald, was de noodzaak om een verdere vormgeving van het kerkelijk jaar in een oecumenisch kader te doen plaatsvinden.


Op de plenaire vergadering van 22 augustus 1967 presenteerde De Vries een zestal stellingen over de omgang met het kerkelijk jaar.[96] Hij volgt daarin in grote lijnen hetgeen hijzelf in 1960 en Bisschop in 1961 betoogd had­.[97] Enkele verschuivingen il­lus­tre­ren hetgeen er in de tussentijd gebeurd was. De toon is vrien­delijker geworden, minder apologetisch naar andere kerk­genootschappen toe. De noodzaak van een oecumenische aanpak dringt zich op. Verder komt het Oude Testament in beeld, zij het naast een evangelie- en een brievenperikoop. De adem van het jaar had daar aanzetten toe gegeven, het Rapport eredienst 1965 opteerde ook reeds voor tenminste twee en zo mogelijk drie lezingen, waarvan een uit het Oude Testament genomen kon zijn. Bestudering van lectionaria uit andere kerken werd in datzelf­de rapport aanbevolen.[98] De Vries' stellingname tegen de zoge­naamde thema-zondagen is scherp: "Deze ontwikkeling is bedenke­lijk, omdat ze de aandacht m.i. afleidt van wat de zondag werkelijk tot chr. feestdag stempelt: de blijmare, dat Jezus is gestor­ven en opge­staan."[99] Het aantal van deze zondagen was dan ook vooral in de voor­gaande jaren sterk gegroeid. Het vier­de, pastorale motief uit het Rapport eredienst 1965 botst hier met het tweede, oecu­meni­sche en delft het onderspit.

Naar aanleiding van deze eerste plaatsbepaling in een plenaire vergade­ring besloot de werkgroep een sectie kerkelijk jaar in te stellen. Zitting namen De Jong, Nauta, Pasveer en De Vries. "Ds Lammens wil met deze sectie meeluisteren."[100] De sectie kreeg de opdracht mee in de lijn van de stellingen van De Vries "sugges­ties voor het kerkelijk jaar" te doen "ten dien­ste van predikanten". De werkgroep vond dit ook "urgent in verband met de voorbereiding van orgelspel en koorzang." Toch bleef het vraag­stuk op dit moment nog sterk bepaald door de problematiek van de tekst­keuze door de predikant. Aan de hand van verschillende verslagen en aantekeningen kan een beeld geschetst worden van de werkwijze van de sectie.[101] Zij nam haar uitgangspunt in het klassieke (zondags)evange­lie. Ze probeerde uit dit gegeven in zijn samenhang met de andere klassiek-liturgische aanwijzingen een thema te distilleren. Vervolgens deed ze suggesties voor vervangende en aanvullen­de lezingen. Langs deze weg wilde de sectie enerzijds aansluiting zoeken bij de tradi­tie van de kerk en anderzijds zowel het slaafs volgen van uitgezochte lezingen als willekeur in de tekstkeuze vermijden. Het bleek niet zo eenvoudig de omvang­rijke en ingewikkelde problematiek van leesroosters en kerke­lijk jaar te doorgron­den en vruchtbaar te maken voor de prak­tijk. Samen­werking met anderen, zoals de Van der Leeuwstich­ting, Litur­gische Kring, Werk­groep voor Volkstaalliturgie of de Raad van Kerken werd daarom noodzakelijk geacht. Een complicatie vormde de verschillende kerkelijke status die deze groepen en instellingen hadden. Sectie en werkgroep slaagden er dan ook geen van beide in zodanige contacten tot stand te brengen, die een basis zouden kunnen vormen voor gezamenlijke activitei­ten. De werkgroep stond in de Gereformeerde Kerken overigens niet alleen in haar verlangen, de zondagse eredienst nauwer te betrekken op het kerkelijk jaar. Ook anderen deden dat. Zij ontleenden hun inspiratie met name aan het nieuwe Rooms-Katho­lieke lectiona­ri­um.[102]


De doorbraak in de werkzaamheden van de sectie kerkelijk jaar kwam van de kant van degene die aanvankelijk alleen maar mee wilde luisteren: Lammens. In de eerste paragraaf wezen we al op zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Uni­versiteit. Zijn inaugurele oratie op 8 mei 1970 kreeg de titel Litur­gische jaarorde en kerkelijke kalen­der.[103] Het inhoudelijk gedeel­te bestaat uit drie delen: inleiding (a), voor- en nadelen van een liturgische jaarorde en kerkelijke kalender (b), kerkelijk jaar en de functie van leesroosters in dat kader (c).[104] Het stuk wortelt in meerdere opzichten in de activi­tei­ten van de werk­groep. Lammens heeft kennis genomen van het artikel van Bis­schop, "Liturgische jaarorde".[105] Hij heeft gegevens verwerkt uit late­re bijdragen van de werkgroep over het thema, zoals de stel­lingen van De Vries. Bij de voorbereidingen ten behoeve van de rede heeft hij voor de delen b en c de werkgroep en haar sectie kerke­lijk jaar gecon­sul­teerd.[106]


In de inleiding van zijn inaugurele oratie gaat Lammens in op de taak­stelling van de liturgieweten­schap. Hij constateert, dat het tijd geworden is, dat deze haar zwaartepunt verlegt van histo­risch-vergelijkend naar kri­tisch-normatief onderzoek.[107] In dat kader wil hij dan ook de vraag naar de wenselijkheid van een liturgische jaarorde en een kerkelijke kalender bespreken. Zij worden door Lammens van elkaar onderschei­den, maar wel op elkaar betrokken gedefinieerd: "Onder liturgische jaarorde verstaan we een voor iedere zon- of feestdag vastgelegd arran­gement van Schriftlezingen, liederen en gebeden, dat nu eens aan het specifieke karakter van een zon- of feestdag is ont­leend, dan weer - omgekeerd - aan een zondag een eigen cachet verleent."[108] Met kerkelijke kalender is praktisch hetzelfde bedoeld als kerkelijk jaar. In het hart van zijn betoog behandelt Lam­mens de bezwaren tegen een jaarorde en geeft hij een zestal motieven om haar wenselijk­heid aan te tonen: een theologisch, liturgisch, kerygmatisch, sociaal-agogisch, oecume­nisch en kerkordelijk motief. Vervolgens gaat hij in op het klas­sieke kerkelijk jaar. Hij staat ambivalent tegenover deze traditie. "Enerzijds rekenen we dus met wat ons is doorgege­ven. Anderzijds betekent rekenen met de geschiedenis vaak ook met haar àfrekenen."[109] Sleutel voor de beoordeling is de anam­ne­se. Tot slot zet Lammens een aantal lijnen uit voor een jaarorde. Wat de Schriftlezingen betreft gaat zijn voorkeur in de liturgische 'sterke' tijden uit naar met het oog op de zon- of feestdag geselecteerde perico­pen. In de overige tijden kan een lectio semi-continua worden gevolgd. Wat hem betreft hoeven in dat geval de Schrift­lezingen voor een bepaalde zondag niet met elkaar te harmoniëren: "Wie één bijbel­woord opent, opent àlle Schriften en drie lezingen blijken als drie punten altijd een vlak te vormen waarop de verkondiging zich kan bewegen."[110]

De ruimte ontbreekt ons om alle aspecten van Lammens' rede uitputtend te bespreken. Daarom beperken we ons tot enkele hoofdpunten. Wat in eerste instantie opvalt, is Lammens' pleidooi voor kritisch-normatief liturgiologisch onderzoek. In een eerste, overigens nog fragmentarische, voorstudie zette hij, net als bijvoorbeeld Bisschop voor­heen, nog in bij het histo­rische verschijnsel kerkelijk jaar om van daaruit de perikopen­systemen te bespre­ken.[111] Dat is nu anders. De ­historisch en inhoudelijk beladen term 'kerke­lijk jaar' wordt omgezet in het algeme­nere begrip 'kerkelijke kalen­der'. Het arrange­ment van Schrift­lezin­gen, liederen en gebeden wordt niet meer direct verbonden met die kalender, maar apart om­schreven met 'jaaror­de'.[112] De liturgische ontwikkelingen die na Bisschops artikel hebben plaatsgevonden geven daar ook alle aanleiding toe. Door de Rooms-Katholieke vernieuwing zijn kerkelijk jaar en lectionarium niet meer exclusief aan elkaar gekoppeld. In tegenstelling tot voorheen kent een bepaalde zondag in het kerkelijk jaar daar nu uiteenlopende arrangementen. Ook iemand als Elderenbosch wilde de vormgeving van een bepaalde zondag niet meer exclusief aan bepaalde Schriftlezin­gen binden. In Lam­mens' definitie van jaaror­de ontwaren we zijn ambivalen­tie ten opzichte van het klassie­ke kerkelijk jaar en het daarin meeko­mende periko­pen­stelsel. Doordat ook het (nieuwe) arran­gement van de zondag de kleur van de zondag kan bepalen, heeft de traditie niet meer het laatste woord en ontstaat ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Deze traditie bespreekt Lammens daarom ook pas, nádat hij aan de hand van de zes hierboven genoemde motieven de wenselijkheid van een liturgische jaaror­de en in het verlengde daarvan van een kerkelijke kalender heeft aange­toond. Het kerkelijk jaar is een element geworden in de problematiek van de liturgische ordening van het proprium.


Met deze zakelijke benadering kan Lammens de dogmatische bezwaren tegen het kerkelijk jaar omzeilen. Dat is een interessante beweging, omdat Lammens in een voorstu­die nog erg dicht in de buurt kwam van opvattingen als die van Van der Leeuw: "De openbaring Gods, ingegaan in tijd en geschiedenis, kwalificeert de tijd als heilstijd"[113]. In één opzicht verlaat Lammens duidelijk het pad van de Gereformeer­de traditie. De jaarorde is niet iets dat per gemeente wordt opgezet, maar een landelijke zaak. Welke argumenten draagt hij hiervoor aan? In het alge­meen heeft hij bezwaar tegen een inzet zonder meer bij de vragen van de dag. We denken, dat daarvoor ook zou mogen worden ingevuld 'de vragen van de plaatselijke gemeente'. De kerk "gaat haar weg met verhalen die apriori relevant zijn - voor de existentie, de kerk en de wereld - omdat de mens met zijn geschiede­nis er van meetaf aan in betrokken is."[114] Lam­mens ziet vervolgens voordelen voor predikant en gemeente in de (vernieuwing van de) kerkmuziek, de bundeling van exegeti­sche en theolo­gische informatie, door de mogelijkheden voor de coördinatie van jonge­renwerk en leerhuizen en in de oecumeni­sche samenwerking.[115] Landelijke media kunnen in dit alles een belangrijke rol spelen.[116] De waarde van Lammens' pleidooi is gelegen in zijn poging om met het leesrooster een antwoord te geven op zeer diverse ontwikkelingen: de aanstaande inter­ker­kelijke gezang­bundel met een keur aan nieuwe melodieën, de toene­mende eisen met betrekking tot de kwaliteit van de predi­king, de verande­ringen met betrekking tot het jeugdwerk en de groeiende belangstelling voor de oecumene. Het omgaan met en ingaan op deze ontwikkelingen zou de krachten van een plaatse­lijke gemeente, c.q. predikant te boven gaan. Krachtenbunde­ling was hiervoor noodzakelijk. G. Dekker be­schrijft, hoe juist in deze jaren de kerkelijke organisatie op landelijk niveau sterk groeit, en elders, dat de samenbundelende kracht van de catechis­mus­prediking juist in deze periode sterk verminderde.[117] Daar moest iets voor in de plaats komen. Lam­mens heeft vanuit zijn erva­ring met jeugd­werk, omroep en liturgie ge­merkt, dat het in de gewijzigde verhoudingen aan samenhang en onderlin­ge afstem­ming ontbrak. Hij heeft gemeend, dat het lees­rooster integrerend zou kunnen werken. Het argument van Lam­mens, dat een jaarorde de gemeente meer zou kunnen betrek­ken bij de eredienst, mag dan op zichzelf beperkte geldig­heid hebben - er is immers geen landelijke jaar­orde nodig voor een dergelij­ke betrokken­heid[118] - maar sa­men­ met de andere aspecten waar Lammens op wees, krijgt ook dit waarde. Lammens zag in zijn inauguratie over kerkelijk jaar en perikopenroosters kans om, in een tijd dat traditionele begrippen als orde en eenheid in de Gereformeerde eredienst dreigden te vervagen, juist deze elementen te versterken en in een oecumenisch perspectief te plaatsen.

 

Liturgie en apostolaat


Het derde onderwerp waar de werkgroep zich in de jaren na de Middelburgse synode in verdiepte, werd aangereikt door het lid W. Krijger. Hij stelde op de vergadering van 7 januari 1967 voor het eerst de vraag naar de verhouding tussen liturgie en apostolaat.[119] Enkele brieven van zijn hand uit 1960 verstrek­ken nadere informatie over deze toenmalige donateur van de werk­groep.[120] Hij was in die tijd werkzaam als elektrotech­nisch ingenieur bij de DSM in Geleen. We leren hem kennen als een betrokken kerklid, dat goed op de hoogte was van de theo­logi­sche ontwik­kelingen. Hij was geabon­neerd op onder meer De strij­dende Kerk en geboeid door de geschrif­ten van J.C. Hoekendijk. Opvallend is zijn doorvra­gen naar de bijbelse fundering van de werkgroep - we zagen, dat de werk­groep zelf in die periode ook met die vraag gewor­steld had[121] - en zijn verzet tegen een al te groot accent op het ambtelij­ke aspect van de eredienst. De briefwisseling tussen Krijger en het be­stuur leidde tot een uitnodiging lid te worden, die hij aannam. Het lijkt erop, dat Krijger eerst na een verhui­zing naar Castricum in de loop van 1965 of 1966 de vergade­ringen van de werkgroep ging frequente­ren.[122] Samen met de indus­trie­predikant Joh. Pasveer, die kort tevoren lid geworden was, leidde hij op 22 augustus 1967 tijdens een plenaire werkgroep­verga­dering een eerste bezinning op de verhouding tussen liturgie en apostolaat in. Deze werd op 2 januari 1968 voort­gezet.[123] De inleiders betoogden dat het wezen van de ere­dienst doordacht moet worden vanuit de missio­nair-diaconale context van de gemeen­te.[124] Met name Krijger zag in een nadere beschouwing geen reden, de samenkomst van een wille­keurige groep in Gods naam te onderscheiden van een institutionele kerk­dienst.[125] De werkgroep achtte de apostolaire dimensie van de li­tur­gie van belang, maar wilde de liturgie hier beslist niet onderge­schikt aan maken. Basis van de eredienst bleef voor de werkgroep het samenko­men van de gehele gemeen­te, in het bijzonder bij de viering van het avond­maal.[126]

De voorzichtigheid van de werkgroep ten opzichte van deze gedachten komt ook tot uiting in de beslissing ­om voor de bestudering van de proble­matiek geen aparte sectie op te richten. Wel mochten de beide inleiders geïnte­resseerden zoeken om zich met hen over de problematiek te buigen. In de praktijk zou deze groep later toch 'sectie' genoemd worden. Een belangrijk deel van de werk­groep zou met een kritisch oog blijven kijken naar de verrich­tingen van de sectie. Enkele jaren later gaf de werkgroep bijvoorbeeld aan, een stuk van de sectie beslist niet op naam van de werkgroep gepubliceerd te willen zien.[127] Toen de sectie in 1968 van start ging, bestond ze naast de initiatiefne­mers Krijger en Pasveer uit de predi­kanten H.J. Bavinck - een collega van Lammens uit Heemstede, die in 1969 verbonden zou worden aan het evangeli­satiecentrum - en S. de Lange, alsmede J. Hardenbol - een kennis van Krijger uit Castri­cum - en E.G. van Egmond, medewerkster op het evan­geli­satiecentrum in Baarn, die in 1970 de eerste vrouwelijke predikant in de Gereformeerde Kerken zou worden.[128]


De sectie begon op 28 juni 1968 de stellingen van Bakker over de zin der liturgie door te nemen en stootte daarbij in de eerste these op de uitdrukking "ambtelijk geleide litur­gie".[129] Dit leidde tot een nadere bezinning op aard en karak­ter van het ambt. De gevoeligheid van de sectie voor dit thema moet gezien worden in het kader van de in die tijd op gang komende herijking van begrippen als gezag en autoriteit in de Nederlandse samenleving in het algemeen, en een veranderende visie op het ambt in de protes­tantse kerken in het bijzon­der. De Hervormde synode had deze problematiek tot twee keer toe in studie laten ne­men.[130] De Gereformeerde synode trof voorbereidingen voor de openstelling van alle ambten voor de vrouw.[131] De overwegingen van de sec­tie zijn vergelijkbaar met het reeds genoemde rapport Kerk in perspectief, dat in deze periode tot stand kwam en in 1969 aan de synode werd aangeboden.[132] Het begrip ambt wordt ruim opgevat, hetgeen tot de conclusie leidt, dat "ook andere charismata, ook andere gaven dan tot nu toe het geval was in ambtelijke structuren een bepaald accent krijgen, indien de kerk dat voor de vervul­ling van haar roeping van belang acht."[133] In deze opvatting is de gemeente niet per definitie gebon­den aan de traditionele ambten, immers zo stelt de sectie: "er zijn veel meer openba­ringswij­zen."[134] Ze vervolgt: "Liturgie heeft dan te maken met ieder bijeenzijn van gelovigen dat gericht is op de lof van God. Voor dit soort samenkomsten gelden dus de liturgische spelregels." De sectie sloot hiermee aan bij tal van experi­menten die er buiten de officiële kerkdiensten gaande waren en waarvan ze voor zichzelf ook een aantal voorbeelden had geïnventariseerd: een bijbelkring met een eigen soort liturgische samenkomst, agapè-vieringen, enzovoort.[135] Met de kennis die we van de werkgroep heb­ben, zal het niet verba­zen, dat deze benadering daar bij de bespre­king op 15 april 1969 veel verzet op­riep.[136] Met name Nauta vreesde de darbisti­sche geest van de stelling­name en waar­schuwde, onder verwijzing naar doodlopende sporen in de ge­schiedenis, voor het uiteenvallen van de kerk dat er het gevolg van zou kunnen zijn.[137] De discussie werd voorlopig gesloten en nadere bezinning volgde. Maar ook later kwam de groepen op dit punt niet nader tot elkaar en aange­zien de synode de ambts­problematiek wilde laten bestude­ren, stelde de sectie ­in het najaar van 1969 voor deze zaak in de werk­groep voorals­nog te laten rus­ten.[138]


Intussen had de sectie op 15 februari 1969 een volgende stap gezet door na te gaan, hoe de gemeente in de eredienst bena­derd zou moeten worden. In het verslag staat wat cryptisch: "Tot nu toe werd in de liturgie uitge­gaan van een homogeen gelovige gemeente, maar is het strijdig met de litur­gie om toeschouwer te zijn? Er moet meer oog zijn voor de diffuse gemeente."[139] Vanuit de vraagstel­ling hoe een rand- of buitenkerkelijke de eredienst zou (kunnen) beleven, licht­te de sectie met name het element van de verootmoe­diging in de liturgie door, de gebruikelijke 'toegang' tot de eredienst. Ze plaatste vraagtekens bij de noodzaak dit aan het begin van de dienst te doen. In de suggestie van de sectie dat schuldbelij­denis eerst na het voor­houden van de norm kan plaatsvinden herkennen we de plaats van de wet in vroegere Gerefor­meerde orden als kenbron der ellen­de. De sectie meende, dat de verootmoedi­ging, afhankelijk van de inhoud van een preek, ook heel goed na de preek zou kunnen komen. Een poging op 20 mei 1969 om een orde van dienst te ontwerpen rond een concrete preek draaide echter op een mislukking uit.[140] De sectie bleef ook in het vervolg zoeken naar mogelijkheden om in de karakterise­ring en vormgeving van de eredienst vanuit het algemene naar het bijzon­dere toe te werken: "Ook voor de eredienst dient het uitgangs­punt genomen te worden in de wereld met alle symboliek die ze heeft, waar­bij de kerk dan een noodconstructie is die dikwijls plaatsver­vangend op moet treden."[141] De sectie slaag­de er echter niet in hiervoor bruikbare, concrete voorstellen te formule­ren.[142]

De sectie liturgie en apostolaat leidde in de werkgroep een tamelijk geïsoleerd en daarmee moeizaam bestaan. Haar intenties werden door de rest van de werkgroep niet altijd goed verstaan. De uitgangspunten verschilden dan ook aanzienlijk. Anders dan bijvoorbeeld Bakker en Scheeres in het verle­den had de sectie geen enkele boodschap aan de kerkelijke en liturgische traditie.[143] Het lukte haar daarom niet enig gezag te verwerven onder de rest van de werkgroep, die wel aansluiting zocht bij de traditie. De vernieuwingspogingen van de sectie verwijder­den zich bovendien zover van het eigene van de liturgie, de vierende gemeente, dat herkenning over en weer zo goed als uitgesloten was. Na nog enkele keren heftig in botsing te zijn gekomen met de rest van de werkgroep zou de sectie in de loop van 1972 haar werkzaamheden vrijwel geruisloos beëindigen.[144] Dit neemt niet weg, dat de sectie met haar standpunten een niet onbelangrijke stroming in de Gereformeerde Kerken vertegenwoordigde. We maakten al kennis met de gedachten van Booy en Rijnsdorp en we zullen nog zien, dat ook het deputaatschap eredienst toenadering zocht tot representanten van deze stroming op synodaal niveau.[145]

 


10.4       Consolidatie op de synoden van Amsterdam 1967-68 en

Sneek 1969-70

 

Als we nu onze blik weer richten op de Gereformeerde synode, gaan we ten opzichte van het slot van de vorige paragraaf enkele jaren terug in de tijd. We beginnen met de synode van Amsterdam 1967-68 die van het door haar voorgang­ster herbenoemde deputaatschap eredienst een omvangrijk rapport ontvangen had met de titel Rapport eredienst Generale Synode Amsterdam 1967 (kortweg: Rapport eredienst 1967). Afgezien van de inleiding bevatte het vijf hoofdstukken, waarvan de eerste vier betrekking hadden op het samenstellen van een herzien kerkboek: a) voors en tegens van een herzien kerkboek; b) de orden van dienst; c) liturgische gebeden en formulieren; d) de plaats van liturgische handelingen (zoals doopbedie­ning) in de orden van dienst.[146] In het vijfde hoofdstuk deden de als aparte sectie fungerende deputaten voor advies inzake de ontwikkeling van het kerklied verslag van hun bevindingen. We komen daar in een bespreking van de ontwikkeling van het kerklied apart op terug.[147]

 

Kerkboek

De deputaten verantwoorden in hun rapport te hebben getwijfeld, of zij hun opdracht een herzien kerkboek samen te stellen wel konden en moesten uitvoeren. "Slechts na ampele overweging" menen zij tot de uitgave van een kerkboek te kunnen adviseren. Het desbetreffende hoofdstuk uit het Rapport eredienst 1967 geeft een goed beeld van de overwegingen.[148] De factoren die de uitgave van een kerkboek kunnen bemoeilijken zijn deels van binnenkerkelijke en deels van interkerkelijke aard. Een probleem vormt het grote aantal formulieren dat sinds de synode van Leeuwarden 1955-56 is vrijgegeven, de beperkte tijd van beproeven van zowel sommige formulieren als de nieuwe orden van dienst en de mede daarmee samenhangende voorlopigheid van de uitgave. Daarnaast zijn de belijdenisgeschrif­ten in hun herziene redactie nog niet gereed, groeit de onzekerheid over het lot van de Honderdnegentien gezangen en is de relatie tot een nieuw te ontwerpen Hervormd dienstboek onduidelijk. Voor uitgave pleit volgens de deputaten de noodzaak, orden en formulieren op korte termijn goed bereikbaar te maken voor gemeenteleden. Dit heeft de doorslag gegeven en deputaten doen besluiten de gegeven opdracht uit te voeren.


Het Rapport eredienst 1967 kenmerkt zich door helderheid en overzichtelijkheid, zeker ook in het tweede hoofdstuk over de orden van dienst. Duidelijker dan in het Rapport eredienst 1965 verantwoorden de deputaten de keuze van hun teksten. De deputaten danken de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie voor de kritische kanttekeningen die zij plaatste bij het Rapport eredienst 1965 en de Orden voor de eredienst.[149] De bijdrage van de werkgroep is in haar archief terug te vinden.[150] De werkgroep wijst op het feit, dat in veel gevallen niet duidelijk was of de kerkeraad, respectievelijk voorganger, vrij was bepaalde formuleringen al dan niet te gebruiken. Ook klaagt de werkgroep over de vele varianten die de orde mogelijk maakt, en over het zonder enig alternatief handhaven van het avondmaalsgebed uit het klassiek-gereformeerde formulier. Uit een vergelijking van de kritische nota van de werkgroep met het Rapport eredienst 1967 komt naar voren, dat de deputaten bijna alle suggesties uit de nota hebben opgevolgd. Enkele zullen we hieronder nog tegenkomen, één niet. De werkgroep stelde namelijk voor, de viering van Woord en sacrament norma­tief te stellen, door een zinnetje in te voegen na de inzame­ling der gaven, dat we in eerdere werkgroepvergaderin­gen en het eerste stadium van het Rapport eredienst 1965 ook al tegenkwa­men: "Als het Heilig Avond­maal niet gevierd wordt, wordt de dienst besloten met een lied en de zegen."[151] De deputaten brachten deze wijziging echter niet aan.

De deputaten eredienst geven in hun rapport aan zich er bewust van te zijn, dat het vorige rapport de indruk kan wekken, dat alleen de structuur van de orden bindend is. Een complicatie vormt bovendien een aantal grotere en kleinere verschillen tussen het rapport en de uitgave Orden voor de eredienst, dat de verwarring bevordert. De oplossing ligt volgens de deputaten daarin, "dat in de orden van dienst dáár een tekst moet worden opgenomen waar die is voorgeschre­ven."[152] In het kerkboek moet daarom een opsomming van losse elementen worden vermeden. In het overzicht van een orde dient bij elk element waar een bepaalde tekst gewenst of zelfs noodzakelijk is, deze in de meest gebruikelijke vorm ook te worden gegeven. Eventuele alternatieven kunnen in een aparte rubriek worden opgenomen. Vanwege de vereenvoudiging van de orde zijn bijvoorbeeld de acclamaties na de Schriftlezingen uit de hoofdtekst verdwenen. Ook is de tekstlezing bij de preek als "overbodig en niet-liturgisch" geschrapt. Al dit soort wijzigingen beschouwen de deputaten als ondergeschikt.


Dat ligt anders met een probleem dat voortkwam uit de in het Rapport eredienst 1965 aangeboden orden: het grote aantal alternatieven dat door facultatieve elementen, wisselende teksten en eventueel in te passen liederen mogelijk bleef.[153] Dat deed zich het sterkst gelden in de verootmoediging. In het Rapport eredienst 1967 verschaffen deputaten helderheid en geven ze de voorkeur aan een gebed van schuldbelijdenis, gevolgd door woorden van vergeving. Daarna kan de gemeente desgewenst een lied zingen. In de regel leest de voorganger bij de wetslezing de tien geboden, eveneens eventueel gevolgd door gemeentezang.[154] Net zo ingrijpend als deze keuze achten de deputaten ook de volgende veranderingen in het avondmaalsgedeelte.[155] Een beknopt "gebed om de Heili­ge Geest", afkom­stig uit het Hervormde Dienstboek moet als epiclese gaan dienen. Dat gebeurt "zuiver op sty­listi­sche gronden".[156] Het gebed uit het klassiek-gereformeerde avondmaalsformulier kan slechts een alternatief zijn. Omdat de eerder geko­zen nodiging "minder goed past in deze litur­gie", krijgt zij in het Rapport eredienst 1967 een nieuwe formule­ring.[157] In het Rapport eredienst 1965 was de nodiging geconditio­neerd en beperkt tot degenen die zich op passende wijze hadden voorbereid. De nodiging is nu een uitnodi­ging geworden, een oproep om op een bepaalde wijze brood en wijn te ontvan­gen. In de woor­den "ootmoed, geloof en dankbaarheid" klinkt een zwakke echo door van het voorbereidings­gedeelte uit het klassieke Gerefor­meerde avondmaalsformulier: de bereid­heid tot veroot­moediging, de aanwezigheid van het geloof in het verzoenend lijden en sterven van Christus, het verlangen God en de naaste lief te hebben. Het spoor van de formulieren wordt ook in de uitdelings­formule verlaten.[158] De deputaten kiezen voor korte formu­les, mede geïnspireerd door de Lutherse prak­tijk. De formule uit de avondmaalsfor­mulieren wordt mede op exege­tische gronden slechts als alter­natief aangeboden, waar­bij het zoge­naamde 'Londens aanhangsel' boven­dien een facul­ta­tief karakter krijgt.[159] Met deze drie ingrijpende wijzigingen in de orde voor de avondmaalsviering is de afstand tot de formulieren, waaronder het klassiek-gereformeerde, aanzienlijk vergroot. In die formulieren bevatten de leerstellige uiteenzettingen impliciet een uitleg hoe de gelovige aan het avondmaal moet deelnemen en wat er door de deel­name aan het avondmaal met de gelovige gebeurt. Die ver­klarin­gen zijn nu alle ver­dwenen. Het is de conse­quentie van de overgang van een didactische liturgie naar een liturgische didachè.[160]


In het vervolg van het rapport worden alle formulieren die door de synoden van Leeuwar­den 1955-56 en Assen 1957-58 waren vrijgegeven, tezamen met het in de loop der jaren door de kerken geleverde commentaar besproken.[161] Op enkele punten stellen de deputaten wijzigingen voor. In de inleiding voegen zij daaraan toe: "Moeilijker was het echter voor ons in te gaan op meer algemene klachten, die bijvoorbeeld de eenzij­dig onderrichtende toon of de inge­wik­kelde zinsbouw en verou­derde woordkeus, in één woord: de geest van de formulieren betrof­fen."[162] De deputaten geven aan daar weinig mee te kunnen doen. In hun woorden zit de suggestie opgesloten dat de tijd van formulieren voorbij is. De deputaten geven er verder blijk van zich bewust te zijn van de moeilijk­heden die er kunnen optreden bij een combinatie van verschillende hande­lingen, met name bij kinder­doop, open­bare geloofsbelijdenis en volwassenendoop.[163] Zij doen hier­voor enkele voorstellen, die evenwel niet bindend zijn.

 


Hoewel het Rapport eredienst 1967 een aantal wezenlijke wijzigingen bevatte, kreeg het lang niet die aandacht die het Rapport eredienst 1965 had gehad. Er waren bovendien noch bij het deputaatschap noch bij de synode van Amsterdam 1967-68 veel reacties binnen gekomen op de besluiten van haar voorgangster betreffende de orde van dienst. Een van de redenen daarvoor was de korte tijd die de kerken ter beschikking stond om op de proeven te reageren. Maar zelfs als er meer gelegen­heid tot reageren was geweest, zou het aantal reacties waarschijnlijk vrijwel even klein zijn. We signaleerden reeds de verminderde belangstelling voor liturgische kwesties in de kerkelijke pers.[164] De aandacht in de kerken verlegde zich naar andere dan liturgische vraagstukken. De synode van Amsterdam bijvoorbeeld moest zich uitspreken over de leeruitspraak van Assen 1926, de openstelling van de ambten voor de vrouw en een herijking van de oecumenische verhoudingen. Met betrekking tot de orden van dienst kwam bij de generale synode alleen een verzameling reacties uit het ressort van de particu­liere synode van Gelderland binnen.[165] Ongeveer de helft van de zeventien kerken die hun visie gegeven hadden, ver­klaar­de zich zonder meer akkoord met de vernieuwin­gen. De vragen hadden deels een prakti­sche achter­grond. De toonsoort van het klein gloria sloot bijvoor­beeld niet goed aan op de meeste psalmen. Sommigen wilden enige rust creëren na votum en groet door een lied in te voegen voor de verootmoedi­ging. Anderen wilden de collec­te voor de gebeden plaatsen. Zo waren er meer wensen. Er waren ook kerken die de oude struc­tuur wilden handhaven en hun kritiek een wat principiële­re lading gaven: de wet zou voorop moeten gaan en kunnen dienen als kenbron der ellende, de genade­verkondiging verdiende eerher­stel, het aantal Schriftle­zingen moest tot één worden beperkt en de voorbeden zouden beter een plaats voor de preek kunnen krijgen. Het verlangen naar iets als een zangdienst zou kunnen worden afgeleid uit het verzoek, in de orde voor een morgen- en avond­gebed meer plaats te geven aan de zingende gemeente. Het depu­taatschap waardeerde deze reac­ties met de woorden: "Zij kunnen waar­schijnlijk wel als repre­sentatief gelden voor de ver­schillende meningen in het gehele land."[166] Het zag in geen van de opmer­kingen aanleiding enige wijziging in de voorstel­len aan te bren­gen.[167] Datzelfde gold voor de kanttekeningen en vragen van een achttal synodeleden in een eerste ronde van schriftelijke behande­ling.[168] Een voor­stel op de synode om, vanwe­ge de voorlo­pigheid van het materi­aal, vooralsnog af te zien van de uitgave van het herziene kerkboek, haalde het niet.[169] Op basis van andere geluiden mag vermoed worden, dat zeker de structuur van de orde voor de zondagmorgendienst voor een belangrijk deel in de grote steden al enige jaren gemeengoed was en door de betrokken predikanten ook in de omliggende plattelandsgemeenten was geïntroduceerd.[170]


De synode wijzigde op voorstel van de voorbereidende commissie (III) de orden op twee wezenlijke punten.[171] De wetslezing kon ook gestalte krijgen in een ander Schriftgedeelte dan de decaloog of de samenvatting van de wet, zonder daarmee direct tot Schriftle­zing verheven te zijn. Het aantal Schriftle­zingen werd boven­dien teruggebracht tot twee, een oud- en een nieuw­testamenti­sche.[172] Voor beide veranderingen zijn in de voorberei­ding van het besluit geen redenen of argumenten te vinden. In beide gevallen zou het streven naar eenvoud wel eens een belangrijke drijf­veer kunnen zijn geweest. Met deze en enkele andere wijzi­gingen van ondergeschikt belang besloot de synode op 11 januari 1968 de voorge­stelde orden en woorden en gebeden te "aanvaarden"[173]. De keuze van dit woord is ten opzichte van de kerken die een en ander zouden gaan gebrui­ken neutraal. In het verle­den had de synode in dit soort gevallen het werkwoord 'aanbevelen' ge­bruikt. Toen was echter het gebruik van een synodaal vastgestelde orde van dienst nog niet in de kerkorde vastgelegd.[174] Desalniettemin wijst het gebruik van de term 'aanvaarden' op een synode die in liturgische zaken wat minder na­drukkelijk op­treedt en meer ruimte overlaat aan anderen. De kerken konden de orde van dienst uit 1952, die niet werd ingetrokken, gebruiken, maar ook kiezen voor het invoeren van de nieuw aanvaarde orden van dienst. De royalere opstelling van de synode met betrekking tot de door haar vastgestelde teksten kwam ook tot uiting in de opdrachten die ze voor het deputaatschap eredienst formuleerde. De deputaten zouden betrok­ken moeten worden bij de uitgave van het herziene kerkboek en daarbij expliciet gemach­tigd zijn "gebleken onef­fenheden in de onder­delen van het kerkboek weg te nemen"[175]. Van een dergelijke machtiging was in het verleden geen sprake geweest. Wel waren er de deputaten die toezicht hielden op de uitgave van het kerkboek - ook de synode van Amsterdam 1967-68 benoemde ze overigens - maar hun taak bestond uitsluitend in het controleren of de door de synode vastgestelde teksten correct waren overgenomen. Verder ontving het deputaatschap op zijn verzoek niet alleen gelegenheid om "de liturgische ontwikkeling in onze kerken te blijven volgen", maar tevens kreeg het toestemming om "op beperkte schaal nieuwe liturgische tek­sten en liede­ren in de praktijk te beproeven". Het depu­taatschap had deze werkwijze voor verdere ontwikkeling van liturgische teksten overgenomen van W.G. Overbosch, die op 7 april 1967 had ge­vraagd om een aantal Gereformeerde proefparo­chies om voorstel­len van de (Hervormde) commissie dienstboek te beproe­ven.[176] De deputaten waren bang verstrikt te raken In wat zij noemden "de Hervormde chaos" waarin elke voorganger deed wat goed was in zijn eigen ogen. Toch waren zij in principe bereid hun medewer­king te ver­len­en. In het Rapport eredienst 1967 noemden de deputaten het verzoek van Overbosch wel, maar modificeerden ze het zodanig, dat het experiment vooral de ontwikke­ling van de Gereformeerde litur­gie zou kunnen dienen.[177] We zagen in het vorige hoofdstuk al, dat uiteenlopende liturgisch expe­ri­menten in de kerkelijke prak­tijk, al dan niet met toestemming van meerdere vergaderingen, vrij algemeen bekend waren. Het liturgisch experiment werd nu defi­nitief een door de synode geac­cepteerd feit, zij het binnen zekere gren­zen.

 


Het verslag dat het deputaatschap eredienst aan de synode van Sneek 1969-70 aanbood, was in vergelijking met de vele tientallen bladzijden die vorige rapporten telden, beperkt van omvang: één vel folio, tweezijdig bedrukt. Dat weerspiegelde de overgangsfase waarin het deputaatschap geraakt was. De oude, omvangrijke taken waarvoor het zich gesteld had gezien, waren afgerond en het was moeilijk gebleken de nieuwe op een bevredigende wijze te vervullen. Uit het archief van deputaten blijkt, dat in 1968 en volgende jaren hooguit twee keer per jaar werd vergaderd en dan nog met een groot aantal absenten. De synode van Amsterdam had het aantal deputaten van twintig tot vijftien teruggebracht. Afgezien van de sectie kerklied met vijf leden waren na het vertrek van Bakker, Van den Berg en Koole nog vier van de tien deputaten lid van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Tussentijdse benoeming van de musicus J. Pasveer bracht het aantal op vijf van de elf. De voorzitterspost die na Bakkers vertrek vacant geworden was, werd met ingang van 9 april 1968 ingenomen door de later wel als "ingetogen" gekarakteriseerde Scheeres.[178] We herinneren ons, dat hij, met Bakker, niet had nagelaten te wijzen op de enorme verschuivin­gen die zich in de samenle­ving voordeden. We za­gen ook al, dat Scheeres het contact met de Hervormde commissie dienst­boek was gaan onder­houden. Door beide functies kreeg hij een centra­le positie in het depu­taat­schap. De leden Lammens en De Jong maakten in nauw overleg met de ­deputa­ten voor het toezicht op de uitgave van het kerkboek het herziene kerkboek persklaar­. Anderen assisteerden daarbij. De ontwikke­ling van de proefparo­chies wilde niet erg vlotten. Het was moeilijk hiervoor kerken en predikanten bereid te vinden. Het deputaat­schap ontwikkelde zelf geen beleid voor landelijk begeleide experimenten, terwijl de Hervormde commissie dienstboek na de beproeving van de eerste afleve­ring van de Liturgische Handreiking geen nieuwe projecten opzette. Het contact tussen deputaatschap en commis­sie stokte. In de deputa­tenver­gadering van 7 maart 1969 klonk hierover de verzuchting, dat "te veel reeds voorbe­reide zaken ter tafel komen, waarbij de parti­ci­panten uit andere kerken geen in­spraak gehad hebben. Het schijnt niet in de opzet te liggen om in alles met de Gerefor­meerden samen te werken. Misschien dat er op langere termijn nog eens iets van samen­werking komt."[179] Het ongenoegen van deputaten was terecht. Een drietal uit de commissie dienstboek, M.G.L. den Boer, Th.J.M. Naastepad en Overbosch, bereidde steeds de eerste concep­ten voor, waarbij met name de laatste een grote invloed uitoefende op de gang van zaken. Daartegenover staat, dat de Gereformeerde waarnemer eerst na een half jaar, op de vijfde vergadering van de vernieuwde commissie acte de présence gaf. Een belangrijk deel van de eerste aflevering van de Handreiking was toen al in kannen en kruiken. In het vervolg was hij vaker af- dan aanwe­zig en kon daardoor nauwelijks corrigerend optreden. 

Een van de weinige concrete resultaten die het deputaatschap eredienst in zijn rapport aan de synode kon melden was de verschijning van het herziene Kerkboek van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Een eerste exemplaar van de kanseluitgave kon kort na de afronding van het rapport, op 27 oktober 1969 aan de synode van Sneek worden aangeboden.[180] Het bevatte achtereenvolgens de psalmen in de berij­ming van 1967, de belij­de­nisge­schriften (in de klas­sieke redac­tie), de orden van dienst, woorden en gebeden voor de ere­dienst, formu­lieren voor kerke­lijke hande­lingen en gebeden. Voor het overige draagt de rapportage van het deputaatschap een terughoudend karakter. Over de proefparochies en de moeizaam verlopende samenwerking met de Hervormde Kerk laat het rapport zich wijselijk niet uit.[181] Wel worden enkele nieuwe ontwikkelingen aangestipt die voor het deputaatschap van belang zouden kunnen zijn. De deputaten signaleren, dat er in de eigen en in andere kerken stemmen klinken voor het invoeren van kindercommunie. Ze zouden dat onderwerp graag "in studie" willen nemen. Verder constateren ze, dat er in de plaatselijke kerken tal van ongecontroleerde experimenten worden gedaan en ze wijzen in dat verband op het rapport van de door het deputaatschap voor de evangelisatie ingestelde commissie gemeentestructuur, Kerk in perspectief. De deputaten eredienst zouden daarom opdracht willen krijgen met hun collega-deputaten voor de evangelisatie "het liturgisch aspect van eventuele nieuwe soorten van gemeente-zijn te onderzoeken". De synode aanvaardde in grote lijnen het rapport en de daarin vervatte voornemens van het deputaatschap eredienst.[182]


Bij een nadere beschouwing van de plannen die het deputaatschap eredienst aan de synode voorlegde, valt met name de wens naar overleg met deputaten evangelisatie op. Tot aan deze rapportage had het deputaatschap in zijn benadering van de liturgie consequent een eigen koers gevaren en zich nauwelijks iets gelegen laten liggen aan de mening van anderen. Waarom stelde het deputaatschap de koers nu enigszins bij? Allereerst moet daarbij overigens de vraag gesteld worden, in hoeverre hier van het deputaatschap gesproken kan worden. In zijn archief is van enige gedachtenwisseling over het te volgen beleid met het oog op de synode van Sneek namelijk geen spoor terug te vinden. Alleen wordt duidelijk, dat de redactie van het rapport in handen was van P. de Bruijn en G.N. Lammens.[183] De laatste zou wel eens de auteur geweest kunnen zijn van het idee met de deputaten voor de evangelisatie in gesprek te treden. In het volgende hoofdstuk zullen we nog zien, dat Lammens om verschillende redenen al spoedig de dialoog inruilde voor de confrontatie, en dat er van het gesprek op het niveau van deputaten niets meer terecht kwam.[184] Redenen om het gesprek aan te gaan waren er in 1969 wel. In het verleden had de kritiek op de orden voor de eredienst die het deputaatschap aan de synode aanbood, steeds een individueel karakter gehad. Er volgde geen bundeling van krachten die zich wilden verzetten. Daar kon het wel van komen met het rapport Kerk in perspectief, waarvoor buitengewoon veel belangstelling bestond en dat door de synode aan de kerken ter kennisname werd aanbevolen. Daar kwam bij, dat het deputaatschap eredienst alleen door zelf actief te participeren nog enige invloed zou kunnen uitoefenen op de experimenten die er buiten zijn kennis om in de kerken gaande waren. De voorgestelde aanpak leek de enige mogelijkheid om nog enige greep te krijgen op de situatie. De deputaten die ook lid waren van de Gereformeerde Werkgroep voor de Liturgie, hadden daar door de sectie liturgie en apostolaat kennis kunnen maken met de problematiek en in eerste aanzet kunnen zien welke mogelijkheden het gesprek daarover bood. De botsing van standpunten tussen de sectie en de rest van de werkgroep moest toen nog volgen.[185] Het is derhalve goed denkbaar, dat het deputaatschap ook in het gesprek over de liturgie in nieuwe vormen van gemeente-zijn het voorbeeld van de werkgroep heeft willen overnemen.

 

Gezangen en psalmberijming


We grijpen tot besluit van deze paragraaf terug naar het nog onbesproken gebleven vijfde hoofdstuk van het Rapport eredienst 1967 dat betrekking had op de gezangen.[186] De deputaten voor advies inzake de ontwikkeling van het kerklied, die als sectie waren opgenomen in het deputaatschap eredienst, vroegen een mandaat om zitting te nemen in een interkerkelijke werkcommissie ter voorbereiding van een gezamenlijke gezangbundel voor protestants Nederland. Ze overwogen daarbij, dat de bestaande Gereformeerde bundel voor uitbreiding vatbaar was, dat de mogelijkheden daartoe voornamelijk in samenwerking met de Hervormde Kerk aanwezig waren en dat er vanuit het christelijke onderwijs met klem werd aangedrongen op verdergaande samenwerking. Over de "normen, waaraan een kerklied moet voldoen" bestond in toenemende mate overeenstemming met de Hervormde afgevaardigden. De synode van Amsterdam reageerde op 11 januari 1968 positief op het verzoek van deputaten en nam de overwegingen waarop het berustte over.[187] Vreemd genoeg informeerde ze niet naar de normen, waar de deputaten slechts in algemene bewoordingen naar verwezen hadden. De deputaten kregen in het uitvoeren van hun opdracht derhalve een vrijwel onbeperkte volmacht. Even had het er nog op geleken, dat de synode in afwijking van de opzet van het deputaatschap eredienst de Honderdnegentien gezangen in het herziene kerkboek wilde doen opnemen. Dat had de komst van een nieuwe gezangbundel kunnen blokkeren. Deputaten slaagden erin de synode van een dergelijk besluit te weerhouden.[188] Ze suggereerden daarbij, dat in de nieuwe bundel de Honderdnegen­tien gezangen onverkort zouden worden opgenomen. In de verwachting dat het daarbij om een gezangbundel zou gaan, ging het Kerkboek wel de psalmen in nieuwe berijming bevatten.[189]


Nog voor de Gereformeerde synode een oordeel had uitgesproken over de plannen voor een gezamenlijke gezangbundel, was eind 1967 het overleg gestart om een voor alle betrokken kerkelijke partijen bevredigend concept te kunnen opstellen.[190] Het zou anderhalf jaar duren. Naast de Gereformeerden hadden ook de Luthersen een behoorlijk aantal eigen wensen en zij steunden elkaar in het verwezenlijken daarvan. Tegen de achtergrond van dit overleg verantwoordden de betrokken deputaten in een grotendeels door B. Smilde geconcipieerd rapport aan de synode van Sneek 1969-70, welke selectiecriteria zij hadden aangelegd.[191] Zij waren uitgegaan van hetgeen reeds bestond, zowel in de verzameling van de Hervorm­de gezangencommis­sie en in de 'eigen' Honderdnegentien gezangen, als in bundels van andere deelnemende kerk­genoot­schappen. Vervolgens hadden zij gekeken naar de behoefte aan bepaalde liederen, bij­voorbeeld in het kader van het kerkelijk jaar. Tenslotte hadden ze nagegaan, of een lied inhoude­lijk voldoende eigens, nieuws bevatte ten opzichte van het reeds bestaande. Dit alles had geleid tot een verbreding ten opzichte van de Honderdnegentien gezangen. Het indertijd gehanteerde principe 'niet in strijd met bijbel en belijdenis' werd eerst nu in ruime zin opgevat. Historisch waren vrijwel alle bloeiperioden van het kerklied vertegen­woordigd. Oecume­nisch waren waar maar enigszins mogelijk grenzen overschreden. Het toenmalige crite­rium van 'eenvoudig en begrijpelijk' verdween ten gevol­ge hiervan uit het zicht. De volle nadruk kwam te liggen op hetgeen indertijd verwoord was als 'taal­kundig en poëtisch verant­woord'. Het deputaat­schap stelde in het rapport vast, dat door deze heroriëntatie bij het samenstellen van de bundel het profetisch-getuigende aspect van het kerklied ten opzichte van het priesterlijke aan in­vloed gewon­nen had. Met betrek­king tot de melodie­ën is het 'voor massa-zang ge­schikte' van het enige tot een van de criteria gewor­den. In de eerste plaats is nu van belang de histo­rische achter­grond van een melo­die, vervol­gens het esthetische en oecumeni­sche en tot slot het pasto­raal-praktische: "het moet haalbaar zijn voor de gemeente." Met enige spijt wordt daaraan toege­voegd: "Men blijft voor gemeente­zang nu eenmaal aan bepaalde moeilijk­heidsgrenzen gebon­den."[192]

 

Toen het rapport met de concept-bundel van 454 gezangen op 27 november 1969 op de synode in bespreking kwam, bleek er een onverwacht grote tegenstand te bestaan.[193] Commissie III zat in het geven van een advies op de wip. Aanvankelijk wilde ze de bundel vrijgeven voor gebruik. Op het allerlaatste moment trok zij, althans haar rappor­teur, dat advies in, zonder daarbij een oordeel te willen uitspreken over de technische inhoud van het rapport en de daarin gepresenteerde gezangen. Als belangrijkste reden gaf de rapporteur, dat de financiële consequenties van deelname aan de uitgave onduidelijk zouden zijn. Het besluit werd uitgesteld. In de tussentijd konden de synodeleden schriftelijk reageren.[194] De bezwaren die zij naar voren brachten, betroffen enerzijds het niet opnemen van bepaalde nummers uit de Honderdnegentien gezangen en anderzijds sommige nieuwe gezangen ("niet bijbels", geen kerklied, "te middeleeuws of te piëtistisch", een "roomse tendens", "onvolkomenheden in tekst of taalgebruik").[195] De voorzitter van de synode was P.G. Kunst, die tevens voorzitter was van de in 1958 opgerichte Interkerkelijke Stichting voor de Psalmberijming die de zakelijke kant van de gezangbundel zou gaan behartigen.[196] Hij hamerde erop dat de Gereformeerde Kerken deze kans op een gezamenlijke bundel niet voorbij mochten laten gaan. Hij wist te bereiken, dat de synode op 5 februari 1970 met overgrote meerderheid besloot de bundel voor "kerkelijk gebruik" vrij te geven. De synode bepaalde daarbij wel, dat "met aandrang" een aantal Gereformeerde wensen - het schrappen, maar vooral het toevoegen van bepaalde liederen - door een gemengde commissie van synodeleden en deputaten bepleit moest worden.[197] De bewoordingen van het definitieve besluit waren zuiniger dan die van het aanvankelijk voorgestelde. Daarin zou de synode bijvoorbeeld moeten besluiten "de handelingen van deputaten (...) goed te keuren", nu bleef dat bij "dank uit te spreken".[198] Met dit besluit gaf de Gereformeerde synode voor de afwerking van de interkerkelijke gezangbundel ongeveer dezelfde ruimte als de Hervormde synode een kleine twee jaar eerder ook had gedaan.


Het deputatenrapport is wel gewaardeerd als "één van de beste officiële 'stukken', die ter zake geproduceerd zijn"[199]. Toch kon juist de kwaliteit van het rapport de tegenstand op de synode niet wegnemen. De synode voelde zich er in meer dan een opzicht door overval­len. Ze meende enerzijds niet capabel en competent te zijn om een oordeel uit te spreken, maar had er gevoelsmatig wel degelijk een mening over.[200] Het had aan enige vorm van voorberei­ding van de kant van de betrok­ken deputaten ontbroken, maar die waren dan ook gedwongen geweest binnen een vrij kort tijdsbestek het werk van vele jaren aan Hervormde zijde in te halen. Voor de oordeelsvorming van de synode telde echter dat er na 1960 over de inhoudelijke kant van het kerklied op synodaal niveau geen gedachtenwisseling meer had plaats gevonden. Het rapport liet haar bovendien weinig ruimte om wijzi­gingen in de verza­meling voorge­stelde liederen aan te brengen, terwijl velen nog slechte herinneringen bewaarden aan de indertijd door deputaten aangebrachte wijzigingen in de teksten en melodieën van de Honderdnegentien gezangen. Nu zouden anders dan toen en anders dan bij de proeve van de nieuwe psalmberijming, zelfs de mindere vergade­ringen slechts formeel in de gelegenheid gesteld worden van hun gevoelen blijk te geven. Dat verzwaarde de verantwoordelijkheid van de synode. Verder kan het oecume­nisch karakter van de nieuwe bundel in het gerezen verzet een rol hebben gespeeld. In de voorgaande jaren waren dan wel een belangrijk aantal oecumenische contac­ten gelegd, praktisch samenwer­ken in een per traditie gevoelige kwestie als de gezangen was iets geheel nieuws. De synode was pijnlijk getroffen door de be­perkte Gereformeerde inbreng in de samen­werking, hetgeen versterkt werd door het feit dat de Honderdnegentien gezangen eerst in 1964 waren vrijgegeven en in sommige kerken nog maar recent in gebruik waren genomen, alsmede door de vermeende toezegging uit 1968 dat de gehele bundel zou worden opgenomen.[201] Met het over­stemmen van deze tegen­stand op de Gereformeerde synode was het leed nog niet gele­den. In een volgend hoofdstuk zal duidelijk worden, dat nog enkele hinder­nissen genomen moesten worden alvorens de geza­menlij­ke bundel zou kunnen ver­schijnen.[202]

 


Op de synode van Sneek 1969-70 was het intussen ook gekomen tot de definitieve afsluiting van het interkerkelijke project van de psalmberijming. Haar voorgangster had de nieuwe berijming in principe al aanvaard. Na kennis genomen te hebben van het oordeel van de mindere vergaderin­gen, besloot de synode van Sneek 1969-70 de psalmberijming 1967 definitief "als nieuwe berijming van het psalmboek ter vervanging van de berijming 1773 te aanvaarden".[203] De wijze waarop de woorden "ter ver­van­ging" zijn opgenomen, laat open of het hierbij gaat om de intentie waarmee de nieuwe berijming werd gedicht, of om een gevolg van de aanvaarding van de nieuwe berijming door de synode.[204] Hoewel de tekst van het besluit van de synode van Amsterdam 1967-68 in de richting wijst van de tweede mogelijkheid, zou nu wel eens de eerste bedoeld kunnen zijn. Op voorstel van haar commissie van advies III besloot de synode namelijk bewust geen termijn te stellen aan de vrijheid om de oude berijming te blijven ge­bruiken. Naar het oordeel van een van de direct betrokken deputaten, Smilde, is de nieuwe berijming overigens in hoog tempo in het overgrote deel van de kerken ingevoerd.[205]

 

De synoden van Amsterdam 1967-68 en Sneek 1969-70 sloten met de voorbereidin-gen voor en de verschijning van het Kerkboek een periode van herziening van zowel orde van dienst als liturgische formulieren af. Nieuwe vragen, zoals die naar de wenselijkheid van een dooporde in plaats van een doopformulier, het verlangen naar eigentijdse liturgische vormen, en de vraag naar de relatie tussen ordinarium en proprium, doken op, maar werden op synodaal niveau nog niet, of niet afdoende beantwoord.

 

 

10.5       Conclusies

 

In 1955 hadden sommige Gereformeerden een gevoel van achter­stand gehad ten opzichte van de Hervormde Kerk, met name door de ver­schij­ning van het Dienst­boek, maar ook door hun ver­langen naar een behoorlijke uitbreiding van de gezangbundel, waarbij de 'bundel '38' als voorbeeld diende. Die ach­terstand leek nu grotendeels te zijn ingelopen. Een herzien kerkboek was ver­schenen. Na het gereedkomen van een nieuwe psalmberij­ming leek nu ook een nieuwe, gezamenlijke gezangbundel binnen bereik. Ook weten­schappelijk konden de Gereformeerden zich door het gedegen proefschrift van Lam­mens met anderen meten. De toekomst zag er rooskleurig uit voor de Gereformeerden, die steeds met een scheef oog gekeken hadden naar de liturgische ontwikkelingen in de Hervormde Kerk. De mogelijk­heden en bevoegdheden van de Hervormde Raad voor de Eredienst en het Gereformeerde depu­taatschap eredienst waren weliswaar nog niet vergelijkbaar, maar het deputaatschap was duidelijk minder afhankelijk van concrete opdrachten van de synode dan in het verleden. Het had zich een zekere vrijheid van handelen verworven.


Inhoudelijk waren de Gereformeerde Kerken zelfs verder gegaan dan de Hervormde Kerk, waar in verband met zeer uiteenlopende stromingen ook liturgisch steeds een evenwicht gevonden moest worden tussen de gereformeerde traditie en het oecumenisch perspectief. De Gereformeerde synode sanctioneerde de hoofdlijnen van het Rapport eredienst 1967, waarin sterker en consequenter dan in het Rapport eredienst 1965 het historisch-oecumenische motief prevaleerde en het confessionele element verder was teruggedrongen. Tegelijk echter lieten de achtereenvolgende synoden van Amsterdam 1967-68 en Sneek 1969-70 het in hun besluitvorming aangaande orden van dienst, formulieren, psalm- en gezangboek aan de vrijheid van de kerken over, een keuze te maken uit oude en nieuwe vormen.

In de jaren 1966 - 1970 hebben de liturgische vragen in de Gereformeerde Kerken zich in hoog tempo verlegd. De matige respons vanuit de kerken, in samenhang met andere reacties op het Rapport eredienst 1965, doet vermoeden dat verwarring en onzekerheid de liturgische situatie gingen beheersen. Langzaam werden oude kaders verlaten, nieuwe mogelijkheden afgetast, maar overtuigd was men door de in het deputaatschap eredienst ontwikkelde oplossingen beslist niet. De ontwikkelin­gen volgden elkaar in de beschreven jaren zo snel op, dat het deputaatschap niet in staat was de door velen gevoelde lacune in de rapporten - de aansluiting bij het eigentijdse - op te vullen. Van het voornemen om via begeleide experimenten alternatieven te ontwikkelen, is zo goed als niets terecht gekomen. Het is ook de vraag, of synodaal geijkte teksten tegemoet hadden kunnen komen aan de wensen die op dit punt in de kerken leefden, in een tijdsgewricht dat vol van verandering en beweging was.

De invloed van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie nam na de synode van Middelburg 1965-66 gestaag af. De benadering van de liturgie was, mede door ontwikkelingen in de menswetenschappen, veelzijdiger geworden dan de sterk historische oriëntatie van de werkgroep. Zij slaagde er niet in antwoorden te formuleren op de nieuw gerezen vragen. Het was Lammens die, mede gesteund door zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar, het vacuüm kon opvullen dat de werkgroep liet ontstaan. Dit blijkt wel in het bijzonder uit Lammens' inaugurele rede Liturgische jaarorde en kerkelijke kalender, die geënt is op een studie over het kerkelijk jaar die door de werkgroep gestart was. In een tijd waarin de Gerefor­meerde eenheid steeds duidelijker begon te verbrokkelen, wist Lammens met deze rede een kader te scheppen waarin de onderlinge verbondenheid op een nieuwe wijze kon worden beleefd. Terwijl het gezag van de belijdenisgeschriften afnam, en ten gevolge daarvan de geregelde catechismusprediking in het gedrang kwam, zocht hij een basis in een geregeld (samen) lezen van de Schrift. Eerder was het confessionele motief teruggetreden achter het oecumenische. In Lammens' plan voor de jaarorde kreeg naast het oecumenische aspect de schriftuurlijke verantwoor­ding een overtuigender plaats dan voorheen. En juist door het landelijk leesrooster en de mogelijkheden die dat bood, poogde Lammens de eredienst beter te doen aansluiten bij de moderne samenleving, het vierde motief uit het Rapport eredienst 1965. Het zou echter nog geruime tijd duren, voor Lammens' gedachten over de jaarorde een zodanige vorm hadden gekregen, dat ze op de synode besproken konden worden.



     [1]           J. van den Berg, "Jaaroverzicht 1966", in: Jaarboek van de Gereformeerde Kerken in Nederland  (= Jaarb. Geref. Kerken) 1967, 435 - 451, 451 (citaat).

     [2]           Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), art. 439. Vgl. Plomp, Een kerk, 39vv.

     [3]           Constitutie, 23 (art. 34) (citaat). Citaat volgende regel: ibidem, 36 (art. 67).

     [4]           Liturgische woordenboek supplement. Liturgische oriëntatie na Vaticanum II, Roermond 1970, 46 (citaat uit voorgaande en deze regel).

     [5]           Bediening van de doop, samengesteld door de Werkgroep voor Volkstaalliturgie, Hilversum 1967.

     [6]           G.M. Lukken, "De doopvoorbereiding", in: A. Blijlevens, W. Boelens, G. Lukken, Dopen met water en geest. Doopliturgieën, elementen voor vieringen en achtergrondbeschouwingen uit 20 jaar werkmap liturgie (1966 - 1985), Hilversum z.j., 23 - 29. Vgl. hieronder blz. 330 (doopgesprek in GKN).

     [7]           Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), art. 311.

     [8]           Constitutie, 48 (art. 106) (citaat).

     [9]           Ibidem, 49 (art. 108).

     [10]   Ibidem, 23 (art. 35) (citaat).

     [11]   Ibidem, 47 (art. 102) (citaat).

     [12]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1965-66 (Middelburg), bijlage Xa (citaat).

     [13]   Steenhuis, "De Gereformeerden", 34.

     [14]   Notulen DE d.d. 7 april 1967 (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [15]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), art. 16 (9 mei 1967), 23, 24 en 28 (besluit op 21 juni 1967); bijlage 1a en b. Hand. Syn. Herv. Kerk 1967 (microfi­che), III, 41 - 48 en 258 - 274.

     [16]   Hand. Syn. Herv. Kerk 1968 (microfiche), II, 61 - 64 en 399 - 407. De andere kerkgenoot­schappen die aan het project deelnamen, waren de Algemeen Doopsgezinde Sociëteit, de Evangelisch-Lutherse Kerk en de Remonstrantse Broederschap.

     [17]  Zie hieronder vanaf blz. 301.

     [18]   Hand. Syn. Herv. Kerk 1966, 288 - 290.

     [19]   Liturgische handreiking. Een losbladig werkschrift onder redactie van de Commissie-Dienstboek van de Hervormde Raad voor de Ere­dienst, 's-Gravenhage 1967-1975 (= LH).

     [20]   Ibidem, 2-1 - 2-39.

     [21]  Ibidem, 2-41 - 2-58.

     [22]   Vgl. Barnard, "Dienstformulieren", 100v.

     [23]   LH, 2-32 (citaat). Vgl. ook: J.P. Boendermaker, "Das Sintflutgebet. Eine Grenzbrücke zwischen Judentum und Christentum", in: K. van der Horst, D. Monshouwer en G.H. Westra (red.), Voor de achtste dag. Het Oude Testament in de eredienst. Een bundel opstellen voor prof.dr. J.P. Boendermaker ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag, Kampen 1990, 313 - 324, met name 316 en 319vv. Dit artikel is in verkorte vorm onder de titel "Vóór ons de zondvloed" opgenomen in: De Eerste Lezing, nummer 2 (1981), 202 - 209.

     [24]   LH, 2-49 (citaat), vgl. LH, 2-31 (toelichting).

     [25]   LH, 2-32; vgl. LH, 2-3v.

     [26]  Vgl. voor de formulering van de vragen bijlage E.

     [27]   Hand. Syn. Herv. Kerk 1968 (microfiche), II, 38 - 41 en 269 - 275.

     [28]   Zie voor de werkgroep hieronder blz. 282; voor het deputaatschap blz. 337.

     [29]   Proeve van een oecumenisch ordinarium, aangeboden door de Prof.dr. G. van der Leeuwstichting, Amsterdam 1968. Het vervolg is, met de beide citaten, genomen uit de bijgevoegde, maar niet als zodanig aangeduide inleiding.

     [30]   Notulen Liturgische Kring d.d. 12 oktober 1964 - ARA II, Archief NHK, nr. 69.

     [31]  Vgl. hierboven blz. 237.

     [32]  Fr. Mehrtens, "Enkele overwegingen inzake de Orden voor de Eredienst van de Gereformeer­de Kerken in Nederland", in: Ministerium 1 (1967), 21 - 24, 23 (citaat). Vgl. voor andere reacties uit Hervormde kring: H. Snoep, "Bespreking 'Orden voor de eredienst van de Gereformeerde Kerken'", in: Eredienst 2 (1968), nr. 1, 5 - 8; H. Snoep, "Een beoordeling van de orden voor de eredienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland", in: Jaarb. Eredienst 1967-68, 79 - 91.

     [33]   Zie hieronder blz. 350v.

     [34]   Zo Bakker in: GW 22 (1966-67), 5. Van het Rapport eredienst 1965 werd van de pagina's 1 - 65 ten behoeve van belangstellenden in de kerken een herdruk gemaakt onder de titel Rapport over de orde van de eredienst Generale Synode 1965.

     [35]   H. Krijger, "De christen-kunstenaar tussen twee vuren", in: Regelrecht 2 (1965), 105 - 125. De toespraak werd gehouden op het tweede congres van het Christelijk Cultureel Studiecentrum, op 13 februari 1965. H. Krijger was een broer van de eerder genoemde predikant D. Krijger (zie hierboven blz. 172 en 177v).

     [36]   Ibidem, 122 (citaat).

     [37]   Ibidem, 121 (citaat).

     [38]   Trouw, 22 januari 1966 (citaat).

     [39]   Trouw, 27 januari 1966 (citaat).

     [40]   Zie hierboven blz. 257.

     [41]   Vgl. W. Reeskamp, geciteerd door Bakker in: GW 22 (1966-67), 5.

     [42]   C. Rijnsdorp, "Misère en grootheid van de kerkdiensten", in: GTT 66 (1966), 65 - 80. Rijnsdorp hield de lezing op 14 april 1966.

     [43]   Ibidem, resp. 78 en 73 (citaten).

     [44]   Ibidem, 77 (citaat).

     [45]   Ibidem, 77v (citaat). Vergelijkbare praktische wensen uitte bijvoorbeeld D.W.O.A. Grosheide, "Het is maar een gewone kerkdienst", in: Regelrecht 1 (1964), 37 - 40.

     [46]   J.H. van Halsema, "Reactie op een reactie", in: GTT 66 (1966), 80v. Dat Rijnsdorp in zijn zorg over de ontwikkeling van de eredienst in de GKN beslist niet alleen stond blijkt ook uit het een boekje met een sterk ironiserende toon van een evangelisatie-predikant: W. Baas, Bij hoog of bij laag, Kampen 1968.

     [47]   Vgl. voor Krijgers idee over de preek: GW 22 (1966-67), 179vv.

     [48]   Van Halsema, "Reactie", 80 (citaat).

     [49]   Vgl. Gemeentetoerusting 23 (1967), nr. 9, 2; ibidem 24 (1968), nr. 8, 6 - 8; ibidem, nr. 9, 6 en 8; ibidem, nr. 17, 1v.

     [50]   Kerk in perspectief. Rapport van de commissie gemeentestruc­tuur ingesteld door generale deputaten voor de evangelisatie van de Gereformeerde Kerken in Nederland aangeboden aan de generale synode van de Geref. Kerken in Nederland Sneek 1969, z.p. z.j.. Zie voor de eredienst met name ibidem, 71 - 75.

     [51]   GW 22 (1966-67), 69 (citaat). Vgl. GW 23 (1967-68), 163v en 195.

     [52]   Notulen werkgroep d.d. 12 april 1966 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [53]   Notulen werkgroep d.d. 9 september 1966 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [54]   "Opmerkingen bij de uitgave van de orden voor de eredienst" (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 305.

     [55]   Zie hieronder vanaf blz. 294v.

     [56]   "Enkele notities bij de avondmaalsformulieren van 1955" (Fr. de Jong); "Doopformulieren" (J.Th. Heemskerk); "Formulier voor de kerkelijke bevestiging van het huwelijk" (A.C. Langedijk); "Formulieren voor de bevesti­ging van dienaren des Woords" (A. van Egmond) - RAU, Archief GWvL, nr. 305.

     [57]   Agenda vergadering d.d. 31 oktober 1966 - RAU, Archief GWvL, nr. 288. Van deze vergadering bestaat geen verslag.

     [58]   Notulen werkgroep d.d. 28 maart 1967 - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Van de sectie formulieren uit het deputaatschap eredienst zijn geen verslagen in het archief opgenomen. Overigens was de houding zeker aanvankelijk tegemoetkomend (vgl. notulen DE d.d. 11 november 1966 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155). Zie voor de verdere studie in de werkgroep aangaande doop hieronder vanaf blz. 281.

     [59]   Hand. Gen. Syn. Geref. Kerken 1965-66 (Middelburg), art. 379 (citaat).

     [60]   Zie hierboven blz. 258.

     [61]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1965-66 (Middelburg), art. 320 (11 januari 1966) (citaat).

     [62]   Ibidem 1967-68 (Amsterdam), art. 259.

     [63]   Ibidem, art. 181 en 265. De GWvL verlangde van de synode maatregelen om "de liturgische vernieuwing ingang te doen vinden" en wilde daarin een rol spelen. Het was evenwel het deputaatschap eredienst dat de opdracht kreeg de liturgische ontwikke­ling in de kerken te blijven "begeleiden" (vgl. ibidem, art. 259).

     [64]   Overwegingen bij kerkbouw (= brochure-reeks Generale Deputaten Kerkopbouw van de Gereformeerde Kerken in Nederland 3), Utrecht 1967.

     [65]   Notulen werkgroep d.d. 12 april 1966 (vgl. notulen werkgroep d.d. 3 januari 1964) - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [66]   Hij werd in de loop van 1963 lid: A. van Egmond aan Fr. de Jong d.d. 31 juli 1963 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [67]   Vgl. J.D. de Vries aan Fr. de Jong d.d. 9 mei 1964 - particulier bezit K.W. de Jong.

     [68]   Vgl. notulen werkgroep d.d. 16 april 1968 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [69]   Zie voor Bakker: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), bijlage 25a; voor Jonker: ibidem, art. 61, 93 (c), 215, 227 (3), 350 (h) en 366.

     [70]   J. Firet, Het agogisch moment in het pastoraal optreden, Kampen 1968.

     [71]   Lammens, Tot Zijn gedachtenis. Lammens verwerkt Firets bevin­dingen met name in zijn verhandeling over het subjectsprobleem in de liturgie: ibidem, 188 - 224. Vgl. voor een uitgebreide analyse van Lammens' gedachtengang: Van de Kamp, "Liturgische bewustwording", 186 - 193.

     [72]   Notulen werkgroep d.d. 7 januari 1967 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [73]   Agenda vergadering d.d. 28 maart 1967 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 288.

     [74]  Vgl. voor de discussie over de koers bijvoorbeeld notulen d.d. 7 januari en 28 maart 1967, 2 januari 1968, 31 augustus 1970, 14 januari 1974 en 15 januari 1977 - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Vgl. tevens de bijbehorende agenda's: RAU, Archief GWvL, nr. 288.

     [75]   "Doopformulieren" - RAU, Archief GWvL, nr. 17. Vgl. ook hierboven blz. 276v.

     [76]   Notulen werkgroep d.d. 9 september 1966 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [77]  Vgl. hierboven blz. 258 en 261.

     [78]  Zie hierboven blz. 277.

     [79]   Notulen werkgroep d.d. 28 maart 1967 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [80]   Notulen werkgroep d.d. 2 januari 1968 - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Vgl. voor de stukken ook: nr. 306. P. Wijbenga (geb. 1939) stud. theol. Kampen 1959, Geref. pred. Vijfhuizen 1966, Velp 1971, Delft (studentenpred.) 1978, Apeldoorn(-Uchelen) 1987.

     [81]   Notulen werkgroep d.d. 16 april 1968 - RAU, Archief GWvL­, nr. 287.

     [82]   Notulen werkgroep d.d. 2 januari 1968 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Zie voor deze orde verder hierboven blz. 267.

     [83]   Vgl. hierboven blz. 270vv.

     [84]   "Enkele principiële opmerkingen over het opstellen van een nieuwe doopliturgie" (citaten in het vervolg van deze alinea hieruit afkomstig, tenzij anders aangegeven) - RAU, Archief GWvL, nr. 306.

     [85]   Vgl. voor het gebruik van de instellingswoorden: Dienst­boek, met name 63 en 69; Hand. Gen. Syn. Geref. Kerken 1961-62 (Apeldoorn), bijlage LXXd (verkorte doopformulier GKN). In eerste instantie was dit een Schrift­lezing zonder nadere aanduiding. Sommige leden van de werkgroep suggereerden toen al het gebruik van de instellingswoorden (notulen werkgroep d.d. 16 april 1968 - RAU, Archief GWvL, nr. 287). Heemskerk en Wijbenga hebben hier eerst geen gehoor aan willen geven (vgl. P. Wijbenga aan J.Th. Heemskerk d.d. 14 maart 1969 - RAU, Archief GWvL, nr. 306). Zij hebben dit lang vol gehouden, maar uiteindelijk toegegeven onder invloed van J.A. Meyster, die ook mee was gaan werken (vgl. J.A. Meyster aan J.Th. Heemskerk en P. Wijbenga d.d. 27 oktober 1969; "Proeve van een dooporde" [najaar 1969] - RAU, Archief GWvL, nr. 306).

     [86]   Voor de discussie tussen Wijbenga en Heemskerk op dit punt, zie ook hun onderlinge correspondentie in RAU, Archief GWvL, nr. 306. Vgl. Rapport over het dienstboek, 26v, waar in het aanbevolen Schotse gebed anamnese, epiclese en instellingswoorden samen voorkwamen; W. Barnard, Huis, tuin en keuken. Over de dubbele bediening: die des Woords en die der woorden, Haarlem-Antwerpen z.j. [1966], 233v; LH, 2-33vv en 2-50v.

     [87]   Vgl. "Doopformulieren" (met verwijzing naar de vermaning in de orde van de Pfalz na de doop) - RAU, Archief GWvL, nr. 306; LH, 2-3v.

     [88]  Notulen werkgroep d.d. 15 april 1969 en 5 januari 1970 - RAU, Archief Werkgroep, nr. 287. In de tweede vergadering had de werkgroep voor zich: "Concept dooporde" - RAU, Archief GWvL, nr. 306.

     [89]   Voor Barnards tekst: Barnard, "Dienstformulieren", met name 100v. Zijlstra heeft op verzoek van Heemskerk een tekst ontworpen.

     [90]   Notulen werkgroep d.d. 5 januari 1970 (citaat) - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [91]   Het voorstel van de opstellers luidde: "Belooft gij alles te doen wat in uw vermogen ligt om uw kind op te voeden tot een levend lidmaat van Christus gemeente." ("Concept dooporde" (vgl. ook de eerdere "Proeve van een dooporde") - RAU, Archief GWvL, nr. 306). Vgl. andere doopvragen bijlage D.

     [92]   We brengen in herinnering, dat Lammens deel uitmaakte van het deputaatschap, dat het verkorte formulier indertijd samenstelde (zie hierboven blz. 227vv).

     [93]   J.Th. Heemskerk aan DE d.d. 19 januari 1970 (met als bijlage "Concept liturgie om de doop aan kinderen te bedienen") - RAU, Archief GWvL, nr. 306.

     [94]   Notulen werkgroep d.d. 7 januari 1967 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [95]   Vgl. P.A. Elderenbosch, "Tekstkeuze en het kerkelijk jaar", in: Ministerium 1 (1967), 85 - 90.

     [96]   Notulen werkgroep d.d. 22 augustus 1967 - RAU, Archief GWvL, nr. 287; "De omgang met het kerkelijk jaar in de eredienst der gemeente" (enkele stellingen) - RAU, Archief GWvL, nr. 309.

     [97]   Zie hierboven blz. 216vv.

     [98]   Rapport eredienst 1965, 35.

     [99]   De omgang met het kerkelijk jaar in de eredienst der gemeente (enkele stellingen) - RAU, Archief GWvL, nr. 309. Vgl. Bisschop, "Liturgische jaarorde", 253.

     [100] Notulen werkgroep d.d. 22 augustus 1967. De citaten in de volgende zinnen zijn eveneens uit dit archiefstuk afkomstig. De sectie was eigenlijk al een klein half jaar eerder opge­richt. In de plaats van De Jong stond toen nog de naam van Bakker vermeld (notulen werkgroep d.d. 28 maart 1967). Bisschop werd later nog tot sectielid benoemd, maar heeft niet als zodanig gefunctio­neerd (notulen werkgroep d.d. 2 januari 1968 - net als voorgaande notulen: RAU, Archief GWvL, nr. 287 (Lammens staat in dit verslag nog steeds vermeld "als gast")).

     [101] Vgl. notulen werkgroep d.d. 16 april 1968, 2 januari 1969 en 31 maart 1970 - RAU, Archief GWvL, nr. 287. Vgl. verder: aantekenin­gen J.D. de Vries betreffende de sectievergaderingen van 29 februari 1968 en 29 april 1970; schets van N.N. [Fr. de Jong?] voor zondag Laetare - deze stukken: RAU, Archief GWvL, nr. 304.

     [102] Voorzichtig vragend nog: J. Thomas, "De tekst als trefpunt", in: Ministerium 2 (1968), 107 - 112. Directer en concreter: B.J. Aalbers in: GW 24 (1968-69), 12v, 18v en 108v. Aalbers combineer­de de drie Schrift­lezingen uit het Rapport eredienst 1965 met de drie lezingen uit het nieuwe R.K. lectiona­rium. Dit opende voor hem als predikant van een protestantse gemeente in een overwegend R.K. omgeving bijzondere oecumenische perspec­tieven.

     [103] G.N. Lammens, Liturgische jaarorde en kerkelijk kalender, Kampen 1970.

     [104] Resp. ibidem, 5 - 10, 10 - 24 en 24 - 36.

     [105] Ibidem, 17.

     [106] Voor onderdeel b de werkgroep (notulen werkgroep d.d. 10 september 1969 - RAU, Archief GWvL, nr. 287); voor onderdeel c de sectie ("Een liturgische kalender?" (getypte notities van Lammens met geschreven opmerkingen van De Vries op de sectievergadering van 21 augustus 1969) - RAU, Archief GWvL, nr. 304).

     [107] Lammens, Liturgische jaarorde, 8.

     [108] Ibidem, 10.

     [109] Ibidem, 24.

     [110] Ibidem, 36.

     [111] Zie de volgorde van de onderdelen b en c in de voorbespreking.

     [112] Vgl. Bisschop, "Liturgische jaarorde", waarin kerkelijk jaar en perikopensysteem nog op een diffuse wijze met elkaar verbonden zijn.

     [113] "Een liturgische kalender?" (gepresenteerd 21 augustus 1969) - RAU, Archief GWvL, nr. 304. Vgl. Lammens, Liturgische jaarorde, 24.

     [114] Lammens, Liturgische jaarorde, 14. Vgl. zijn eerste, theologi­sche en zijn zesde, kerkordelijke motief (resp. ibidem, 15v en 23).

     [115] Ibidem, 17 - 22.

     [116] Ibidem, 22v.

     [117] Dekker, De stille revolutie, resp. 62 - 65 en 75v.

     [118] Lammens, Liturgische jaarorde, 16. Vgl. K.A. Schippers, "Overwegingen rondom de tekstkeus", in: Postille 27 (1975-76), 7 - 25, 23v.

     [119] Notulen werkgroep d.d. 7 januari 1967 - RAU, Archief GWvL, nr. 287. W. Krijger stond niet in een directe familie-verhouding tot de eerder genoemde D. en H. Krijger.

     [120] W. Krijger aan N.N. [J.D. de Vries?] d.d. 6 maart en 6 septem­ber 1960 - RAU, Archief GWvL, nr. 290.

     [121] Zie hierboven met name blz. 201v.

     [122] Ledenlijsten 1965 en 1966 - RAU, Archief GWvL, nr. 295.

     [123] Notulen werkgroep d.d. 22 augustus 1967 en 2 januari 1968 - RAU, Archief GWvL­, nr. 287. Joh. Pasveer (geb. 1931) stud. theol. Kampen 1952, Geref. pred. Capelle a/d IJssel 1957, Zeist 1962, Beverwijk (industriepred.) 1967, dir. vormingscentrum Paterswolde 1973, Capelle a/d IJssel (evangelisa­tiepred.) 1978, Purmerend 1983, hoogl. Brussel 1989 - 1996 (emer.). Vgl. in dit verband ook diens Pastoraat in een industrieel klimaat, 's-Gravenhage 1973, met name 141 - 144.

     [124] "Voorlopige bezinning over de verhouding: liturgie en apostolaat" - RAU, Archief GWvL, nr. 307.

     [125] "Liturgie in ruimer verband" - RAU, Archief GWvL, nr. 307.

     [126] Notulen werkgroep d.d. 22 augustus 1967 en 2 januari 1968 - RAU, Archief GWvL­, nr. 287.

     [127] Notulen werkgroep d.d. 5 januari 1970 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [128] Circulaire van W. Krijger d.d. 7 april 1968 - RAU, Archief GWvL, nr. 307. Op een later moment ­zou de predikant R. Strijker de sectie nog gaan versterken.

     [129] Notulen sectie liturgie en apostolaat d.d. 28 juni 1968 - RAU, Archief GWvL, nr. 307. Zie voor de stellingen van Bakker hierboven blz. 196v.

     [130] Rasker, Ned. Herv. Kerk, 363v.

     [131] Endedijk, De Gereformeerde Kerken 2, 208v.

     [132] Vgl. hierboven blz. 276 en hieronder blz. 300.

     [133] Kerk in perspectief, 31.

     [134] "Ambt en gemeente in verband met liturgie" - RAU, Archief GWvL, nr. 307.

     [135] "Vormen van gemeente-zijn die buiten de geijkte patronen vallen" - RAU, Archief GWvL, nr. 16.

     [136] Notulen werkgroep d.d. 15 april 1969 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [137] Vgl. de uitlatingen van Nauta in: D. Nauta, Bespreking van Kerk in perspectief, Ouderlingen­blad 49 (1971-72), 127.

     [138] Notulen sectie liturgie en apostolaat d.d. 29 september 1969; werkgroep liturgie en apostolaat (code: EC 69/333) - beide stukken: RAU, Archief GWvL, nr. 307. Voor het besluit van de synode: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), art. 55 en bijlage 13.

     [139] Notulen sectie liturgie en apostolaat d.d. 15 februari 1969 (citaat; vervolg: notulen sectie d.d. 14 maart 1969) - RAU, Archief GWvL, nr. 307.

     [140] Notulen sectie liturgie en apostolaat d.d. 20 mei 1969 - RAU, Archief GWvL, nr. 307.

     [141] Notulen sectie liturgie en apostolaat d.d. 29 september 1969 - RAU, Archief GWvL, nr. 307.

     [142] Vgl. notulen sectie liturgie en apostolaat d.d. 21 november 1969; "Seculiere liturgie, een probeersel" - beide: RAU, Archief GWvL, nr. 307.

     [143] Vgl. hierboven bijvoorbeeld blz. 205, 209, 219.

     [144] Vgl. hieronder blz. 312.

     [145] Zie hierboven blz. 167v (Booy) en 274vv (Rijnsdorp, synode). Zie verder blz. 300v.

     [146] Vgl. voor de opdracht Hand. Gen. Syn. Geref. Kerken 1965-66 (Middelburg), art. 379.

     [147] Zie hieronder vanaf blz. 301.

     [148] Rapport eredienst 1967, 4vv (citaat vorige regel: ibidem, 4). Vgl. notulen DE d.d. 23 juni en 11 november 1966 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [149] Rapport eredienst 1967, 7.      

 

     [150] "Opmerkingen bij de uitgave van de orden voor de eredienst" - RAU, Archief GWvL, nr. 305. Vgl. voor de totstandkoming hiervan hierboven blz. 276v.

     [151] Ibidem (citaat). Vgl. hierboven ook blz. 255 (werkgroep) en 258 (deputaatschap).

     [152] Rapport eredienst 1967, 7 (citaat). Volgende citaat in deze alinea: ibidem, 8.

     [153] Vgl. het overzicht hierboven op blz. 262. Dit overzicht biedt echter niet meer dan de orde op zich. Liederen zijn net als de aangeboden varianten voor de teksten om praktische redenen niet opgenomen.

     [154] Rapport eredienst 1967, 8v (vgl. ibidem, 13).

     [155] Ibidem, 9 - 12. Vgl. ook in deze studie bijlage F.

     [156] Ibidem, 10 (citaat).

     [157] Ibidem (citaat).

     [158] Ibidem, 10vv.

     [159] In het 'Londens aanhangsel volgt op het broodwoord: "Neemt, eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onze Here Jezus Christus gebroken is tot een volkomen verzoening van al onze zonden." Na het bekerwoord wordt gezegd: "Neemt die, drinkt allen daaruit, gedenkt en geloof, dat het dierbaar bloed van onze Here Jezus Christus vergoten is tot een volkomen verzoening van al onze zonden." (ibidem, 30 (citaten)).

     [160] Vgl. Barnard, "Liturgische didachè".

     [161] Rapport eredienst 1967, 34 - 47.

     [162] Ibidem, 4 (citaat).

     [163] Ibidem, 48vv.

     [164] Zie hierboven blz. 280.

     [165] Particuliere synode van Gelderland aan de generale synode d.d. 20 juni 1967 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1054 (B III 14).

     [166] Notulen DE d.d. 15 november 1967 (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [167] Antwoorden van het deputaatschap eredienst betreffende B III 14 d.d. 22 november 1967 (Y) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1086.

     [168] Eerste ronde van synodale behandeling langs schriftelijke weg (commissie III betreffende B III 1) d.d. 5 december 1967 (X) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1086.

     [169] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), art. 258.

     [170] GW 22 (1966-67), 5v (gedeeltelijke overname door J.T. Bakker van een artikel van W. Reeskamp in de Groninger Kerkbode).

     [171] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), art. 258. Vgl. rapporten commissie III d.d. 20 juli 1967 en 5 december 1967 (Z) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1086.

     [172] Overigens zouden in het nieuwe Kerkboek drie lezingen mogelijk blijven doordat tussen Oude Testament en Brieven "en (of)" kwam te staan (vgl. Kerkboek van de Gerefor­meerde Kerken in Nederland, Leeuwarden z.j. [1969], 357).

     [173] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), art. 259 (citaat). Vgl. voor het hierboven blz. 259v met betrekking tot het 'aanvaarden' van de bundel Honderdnegentien gezangen. Wat betreft de gezangen echter had de synode zich naar de kerken toe altijd al wat voorzichtiger opgesteld.

     [174] Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1955-56 (Leeuwarden), art. 376; ibidem 1957-58 (Assen), art. 345. In de definitieve gestalte van de kerkorde betrof het art. 62.

     [175] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), art. 259 (citaat in deze en volgende zin).

     [176] Notulen DE d.d. 7 april 1967 (citaat volgende zin) - RAU, Archie­ven GKN eredienst, nr. 155.

     [177] Rapport eredienst 1967, 2v.

     [178] Verkiezing Scheeres: notulen DE d.d. 9 april 1968 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155. Typering Scheeres: Jaarb. Geref. Kerken 1990, 495 (citaat).

     [179] Notulen DE d.d. 7 maart 1969 (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [180] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), art. 116. Vgl. hieronder blz. 304v (psalmen).

     [181] "Rapport van de deputaten voor de eredienst aan de generale synode van de GKN, Sneek 1969" - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1123 (B III 13). Citaten in deze alinea zonder verdere verwijzing zijn uit dit rapport afkomstig.

     [182] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), art. 189. Vgl. voor het rapport vanuit het deputaatschap voor de evangelisatie hierboven blz. 276.

     [183] Notulen DE d.d. 7 maart 1969 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [184] Vgl. hieronder blz. 309, 311 - 314.

     [185] Vgl. hierboven blz. 290 - 293, en hieronder blz. 312.

     [186] Rapport eredienst 1967, 51v. Eerstvolgende citaat: ibidem, 52.

     [187] Hand. Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), art. 259 (en 264).

     [188] Ibidem, art. 258 en 259. Vgl. ook Steenhuis, "De Gereformeerden", bijlage 3, 5v.

     [189] Zie voor de invoering van de nieuwe psalmberijming hieronder blz. 304v.

     [190] Overbosch, "Hoe de 491 gezangen", 1309 en 1312- 1315; Steen­huis, "De Gerefor­meerden", 42 - 56.

     [191] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), bijlage 46a.

     [192] Ibidem (citaat in deze en voorafgaande regel).

     [193] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), art. 190 (en 191). Vgl. Steenhuis, "De Gereformeerden", 60vv; OE 36 (1970), 2.

     [194] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Amsterdam), art. 191.

     [195] Ibidem, bijlage 46b (citaten).

     [196] De stichting was eertijds opgericht ten behoeve van de uitgave van de interkerkelijke psalmberijming (vgl. hierboven blz. 192). P.G. Kunst (1907 - 1981) stud. theol. VU, dr. theol. 1936, Geref. pred. Deventer 1931, Amsterdam 1937 - 1971 (emer.). Al in de Deventer periode bleek zijn "oecumenische gezindheid" (De Haas, Voorgangers IV, 358). 

     [197] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Amsterdam), art. 283 (citaat). Vgl. OE 36 (1970), 26v; Kunst, Kerkzang, 182v; Overbosch, "Hoe de 491 gezangen", 1314v; Steenhuis, "De Gereformeer­den", 63 - 66. Kunst meent dat het besluit geconditioneerd was door de eis bepaalde liederen toch op te nemen. De Acta en de indrukken van anderen (zie bijvoorbeeld Steenhuis, "De Gereformeerden", 65v) weerspreken dat.

     [198] Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), art. 190 (citaat) met ibidem, art. 283 (citaat).

     [199] Overbosch, "Hoe de 491 gezangen", 1314 (citaat).

     [200] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), art. 190.: commissie III kwalifi­ceert zich als een "leken-commissie". Vgl. Kunst, Kerkzang, 183, die de samenstelling van het gezelschap van tien die moest gaan onderhandelen als volgt typeerde: "Het bestond voor de helft uit niet-vakmensen; gewone synodeleden met een gezond verstand".

     [201] Vgl. voor die toezegging: Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1967-68 (Amsterdam), art. 258 en Kunst, Kerkzang, 174v.

     [202] Zie hieronder vanaf blz. 324.

     [203] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1969-70 (Sneek), art. 211 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage 52a en b.

     [204] Ibidem, bijlage 52b. Vgl. ibidem 1967-68 (Amsterdam), art. 24 (aanvanke­lijk wilde men de nieuwe berijming ten gebruike aanbevelen!) met ibidem, art. 28; vgl. tevens Kunst, Kerkzang, 171v en 178.

     [205] Smilde, "De gemeentezang", 140.