11.       Toenemende pluriformiteit (1970 - 1974)

 

 

Aan het begin van de jaren zeventig leek het erop, dat de verschillen in de Gereformeerde Kerken met betrekking tot leer en leven uit­groeiden tot nauwelijks te overbrug­gen tegenstellingen. De meer behoudende groepen organiseerden zich steeds sterker en mobiliseerden hun leden. Onder hen nam de zorg over het gezag van Schrift en belijdenis snel toe. De meer progressief georiënteer­den stel­den steeds scherpere vragen over de relevantie van evange­lie en kerk voor de maat­schappij. Voor een kerkge­nootschap waar eenheid en saamho­righeid altijd hoog in het vaandel hadden gestaan, was het meest benauwende en beang­stigende, dat de ver­schillen­de groepen geschei­den optrokken en nauwelijks meer met elkaar in gesprek kwamen. De synode van Dor­drecht 1971-72 gaf het signaal af, dat in dit verband het organiseren van een bijzon­dere landelijke bidstond zinvol zou kunnen zijn.[1] De kerken werden door het desbetref­fende synodale deputaatschap opgeroe­pen op 15 april 1973 een bidstond te houden "ter alge­mene ver­oot­moediging en opwek­king".[2] Het lukte echter niet de verwijdering om te buigen in toena­dering. Men leefde met het gevoel, dat er op korte ter­mijn een ontknoping móest plaats­vinden. Met de woor­den van Plomp: "Het samenleven van de gerefor­meerde kerken in één kerkver­band zal ernstig gevaar lopen als het niet lukt een nieuw oriëntatie­punt te vinden."[3]

De toenemende spanningen in de Gereformeerde Kerken werden ook in de bezinning op en de besluitvor­ming over de liturgie zichtbaar. De discus­sie over de liturgi­sche experimenten verhardde zich. In delen van de kerken groeide een sterk verlangen naar een fundamente­le vernieu­wing. Onder leiding van Lammens werden nieuwe moge­lijkheden onderzocht. Hij zocht daarvoor steeds gepaste kerke­lijke kaders. Langzaam nam zijn invloed op de ontwikke­lingen toe. In een belangrijk deel van de Gereformeerde Kerken bleef evenwel veel in de eredienst bij het oude. Voorzichtigheid kenmerkte ook de Gerefor­meerde synode. Slechts onder grote druk accepteerde die van Haarlem 1973-75 een uitgave van het Liedboek voor de kerken met psalmen en gezangen die ten koste zou gaan van het bestaande Kerkboek. Bij de voor­stellen voor de vulling van een katern met litur­gisch materi­aal bij het Lied­boek riepen juist de vragen die het belijdend karak­ter raakten veel verzet op.

 

 

11.1       De bemiddelende en stimulerende rol van G.N. Lammens

 


Het kerkbezoek liep in de Gereformeerde Kerken terug - net als bijvoorbeeld in de Hervormde Kerk en Katholieke Kerk. Op zichzelf was dat niets nieuws. Al aan het einde van de jaren vijftig werd een lichte daling in het bezoek van de tweede dienst waargenomen.[4] Maar ook in de morgendienst werden nu duidelijk minder kerkgangers gesigna­leerd. Een onderzoek dat begin 1971 gepubliceerd werd, beves­tigde deze tendens: "Er is duidelijk over de gehele linie een daling in het kerkbezoek, een daling die zich in de meeste situaties pas gedu­rende de laatste 10 jaar voordoet, maar die zich thans nog onverminderd door­zet."[5] In het laatst onderzochte jaar, 1969, gingen 's morgens gemiddeld 47 % van de gemeenteleden ter kerke (1964: 50 %), 's middags of 's avonds 33 % (1964: 42 %).[6] Deze ontwik­ke­ling die ook zonder dit onderzoek niemand ont­gaan was, deed de onrust in de kerken toenemen. Het zoeken naar mogelij­ke oorzaken en oplossingen was met het synodale rapport Kerk in per­spec­tief al in gang gezet. De socioloog G. Dekker die als medewerker van het evangeli­satiecentrum in Baarn direct bij dit rapport betrokken was geweest, weet de teruggang in zijn analyse "Verande­ringen rondom de kerk­dienst" aan een functieverlies van de kerkdienst.[7] De eredienst in zijn geheel en de prediking in het bijzon­der heeft volgens hem een belangrijk deel van de cultuuroverdracht aan anderen overgelaten. Verder meent hij, dat het wegvallen van gemeen­schappelijke vooronder­stellingen en waarden de eredienst als een collectief ritueel ondermijn­en. Andere kerkelij­ke of zelfs buitenkerke­lijke activiteiten zijn bezig de gemeen­schapsvormende en -verster­ken­de functie van de kerk over te nemen. Omdat doorgaan op dezelfde voet zeker tot een verdere daling van het kerkbezoek zou leiden, pleit Dekker er samen met anderen voor de traditionele kerk­dienst op de helling te plaatsen en naar vorm en inhoud grondig te herzien: gedragen en vormgegeven door kleine groepen en gehouden met een concreet sociaal-maatschappelijk doel.


Toen Dekker in de zomer van 1970 de opvatting ventileerde, dat zijns inziens de prioriteit van de kerkdienst in het Gereformeerde kerkelijk leven ter discussie zou moeten komen te staan, had de Kamper hoogleraar J. Plomp hem van repliek gediend: "Wanneer theolo­gisch (...) de prioriteit van de verkondiging vaststaat (...), dan dient de kerk vanuit deze priori­teit te zoeken naar nieuwe vormen voor die verkondiging."[8] Hoewel er op het scherp van de snede geargumenteerd werd, verliep de bespreking van dit meningsverschil nog in een vrij zakelijke sfeer. Dat zou al gauw anders worden. Illustratief voor de gespannen en nerveuze sfeer die er in het najaar van 1970 omtrent de eredienst ontstond, is de confron­tatie tussen enerzijds E. Pruim en Dekker en anderzijds de Kamper hoogle­raar H.N. Ridder­bos en wat meer behoudende krachten in de Gereformeerde Kerken.[9] Pruim c.s. organi­seerden in het vor­mings­centrum 'Den Alerdinck' weekendconferenties over experimenten met de eredienst, die de belang­stelling van buitenge­woon veel Gerefor­meerden trokken. Pruim gaf daar op 26 november 1970 in het dagblad Trouw ruchtbaarheid aan en maakte van de gelegenheid gebruik zijn persoonlijke visie te geven op het kerke­lijk leven en de wijze waarop de kerkdienst daarin een plaats zou moeten krijgen.[10] De kerk, en zo ook de kerkdienst, had alleen bestaansrecht, als deze maatschappelijk relevant was. Kort tevoren had Pruim in het periodiek Voorlo­pig, opvol­ger van onder meer Gemeentetoerus­ting, een aantal concrete voorbeel­den genoemd voor de door hem gewenste variatie in de kerkdienst.[11] Ridderbos reageer­de op het artikel in Trouw in het Gere­formeerd Week­blad en ver­weet de organi­satoren van de weekeinden "dat zij, door het wezen van de kerk­dienst te miskennen, de weg helpen banen voor een ander soort religie."[12] Hij vreesde voor een versmalling van het christendom tot "sociale ethiek, maatschappijcritiek, politiek". Onduide­lijk bleef, hoe Ridderbos zelf het wezen van de kerk­dienst zou definiëren. Reactie kon niet uitblij­ven, alleen al vanwege de scherp ironise­rende toon die Ridderbos had gebe­zigd. B.J. Aalbers bekri­tiseerde op zijn beurt diens vrijblijvende opstelling: Ridderbos knoopte niet aan bij de zo noodzake­lijke bezinning op het teruglopend kerkbezoek en de consequenties die daaruit getrokken zouden kunnen worden voor de inrichting van de eredienst.[13] Pruim zelf antwoordde onder meer, dat zijn opvat­ting over de eredienst minder horizontaal was, dan Ridder­bos wilde doen voorkomen en wees andermaal op de grote behoefte die er onder Gere­formeerden bestond aan vergaande bezinning op de ere­dienst.[14] De kwes­tie over de eredienst hield de gemoe­deren zo bezig, dat het op 4 februari 1971 tot een publiek debat op de televisie kwam tussen Dekker en Ridder­bos.[15] Tot een oplossing geraak­te men niet, hetgeen ook nauwe­lijks te verwachten was. Ridderbos had in een eerste repliek in de pers verbaasd geconsta­teerd "hoe weinig wij elkaar blijkbaar nog verstaan." Toch zouden de heftige uitbarstingen in de pers spoedig tot het verleden behoren.


Hoewel er over de inhoud van de experimenten zeer ver­schillend gedacht werd en bepaalde concrete voorvallen weer­standen bleven oproepen, leek men zich bij de ontstane situatie neer te leggen. Een en ander had gevolgen voor de zoge­naamde proefparochies van het deputaatschap eredienst. Die verdwenen, evenals het voorgenomen gesprek met deputaten evangelisatie over de eredienst in nieuwe vormen van gemeente-zijn, geruisloos van de agenda van het depu­taatschap.[16] De acceptatie van het experiment stemde vermoe­de­lijk overeen met het gevoelen van een behoor­lijk deel van de Gerefor­meerde kerkgangers. Een onder­zoek dat enkele jaren later gehouden en gepubliceerd zou worden, had niet de pretentie op dit punt representa­tief te zijn, maar geeft waar­schijnlijk toch een ten­dens weer, als het signaleert: "Een meer­derheid van de respondenten wil best experimen­teren, als de dienst maar niet romme­lig wordt."[17] Deze houding ten op­zich­te van het experi­ment relativeerde intussen wel het belang van hetgeen door het depu­taatschap eredienst aan liturgi­sche teksten geproduceerd en door de synode aanvaard werd.

 


Het voorgaande biedt al een indicatie voor de wijze waarop de kerkelijk vastgestel­de liturgie in de Gereformeerde Kerken ontvangen werd. Men kon niet echt zeggen, dat het Kerkboek die belangstel­ling en die verbetering had gebracht, die men er in bepaalde kringen van verwacht had. Ongeveer een op de vijf Gerefor­meerden had een exemplaar aange­schaft, al dan niet in combinatie met een bijbel.[18] Uit­gaan­de van de veronderstelling, dat vooral de kerkelijk betrokken leden dit deden (en zij weer voor hun wat oudere kinderen) en gelet op de cijfers van het kerkbe­zoek zal in een ere­dienst hooguit 25 à 30 % van de kerk­gangers aan het begin van de jaren zeventig een exem­plaar voor zich hebben gehad. Het merendeel kon in de eredienst dus niet op het Kerkboek terug­vallen. De Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie evalueer­de op 30 augustus 1971 het ge­bruik door de voorgan­gers.[19] Dat was dus een kleine twee jaar na de verschijning van het Kerkboek zelf, maar al meer dan vijf jaar na de publikatie Orden voor de eredienst. De orde voor de Woorddienst, zo zagen we reeds, was boven­dien voor een belang­rijk aantal kerken op het moment van invoering al niet meer onbekend.[20] De werkgroep stelde het volgende vast.[21] In de meeste geval­len begon­nen de dien­sten met een lied, door­gaans een psalm. "Slechts in enkele gevallen heeft men het klein gloria als vaste afslui­ting van de in­tochtspsalm inge­voerd." De rubriek veroot­moedi­ging werd vrij algemeen gevolgd, maar zonder gebruikmaking van de aangereikte bewoordin­gen. Bij de wetslezing ge­bruikten de voorgangers "vaak" andere bijbelge­deelten dan de decaloog. De meeste voorgangers impro­viseerden bij het gebed van de zondag, "door­gaans verstaan als een illuminatiogebed, waar het ordina­rium trouwens ook op wijst." Het gebruik van meer dan één Schriftlezing was toege­no­men, maar de voorge­stelde respon­sies werden nauwe­lijks gebruikt. De geloofsbelijdenis behield zijn plaats in de middag­dienst, maar werd niet, zoals oorspronkelijk beoogd was, beschouwd als behorend bij de offerande. De voorbeden waren vrij algemeen na de preek te­recht gekomen, evenals de collecte. Voor de bewoor­dingen van de gebeden putten de voor­gangers slechts "in uit­zonderingsge­val­len" uit de modellen van het Kerkboek. Het zingen van het amen na de zegen kwam lang­zaam in zwang.

Wat betreft het avondmaal moest de werkgroep concluderen, dat er nauwe­lijks een stimulans tot een frequentere viering was uitgegaan van de nieuwe orde. Die werd trouwens "in veel mindere mate" gevolgd dan het ordinarium van de Woorddienst. Als dat wel het geval was, dan maar "zelden" met de dialoog aan het begin van de prefatie. Veelvuldig werd nog gekozen voor de klassieke formulieren, soms werden delen daarvan in de nieuwe orde ingevoegd. De meeste kerken handhaafden in de tweede dienst op een avondmaalszondag de nabetrachting of dankzegging. De werkgroep werd er door deze evaluatie nog eens bij bepaald, dat haar idealen slechts ten dele ingang hadden gevonden in de kerken en dat er nog veel te wensen over bleef. Looijen bewerkte het stuk en maakte er een prikkelend artikel van, dat hij in verschil­lende bladen geplaatst kreeg.[22]

 

Aan het slot van het vorige hoofdstuk werd al duidelijk, dat de initiëren­de rol van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie in 1970 zo goed als uitgespeeld was. Tot dan toe was de werkgroep nog trendset­tend geweest. Ze had de elementen aangereikt voor de herziening van de Orden voor de eredienst, de bezinning op een nieuwe doopliturgie en het doordenken van het gebruik van het kerkelijk jaar. Op het gebied van kerkbouw en kerkmuziek was ze trendvolgend geworden in die zin, dat de leden van de werk­groep werden voorgelicht over en betrokken bij bestaande ontwikkelingen. Voorzover het de Gereformeerde Kerken betrof, was de kerkbouw onderge­bracht bij het deputaat­schap kerk(op­)bouw en de inbreng van de werkgroep daarin opgegaan. Kerk­muzikaal richtte de aandacht zich vooral op het aan­staande gezangboek. De werkgroep kon wat dat betreft niet anders dan afwachten, welke de resultaten zouden zijn van de onderhandelingen die daarvoor op synodaal niveau in gang waren gezet. De overi­ge liturgi­sche zaken werden rond 1970 niet zozeer waargenomen door het deputaatschap eredienst, als wel door andere groepen onder leiding van Lammens. Hij had al een richting gewezen inzake het kerkelijk jaar. Zijn visie zou in doctoraalcolle­ges aan de VU principieel en onder zijn leiding in het Convent van Kerken praktisch nader worden uitgewerkt. Al spoe­dig werd zijn arm­slag nog groter. Op 11 mei 1971 passeerde de synode hem weliswaar bij het kiezen van een hoog­leraar ambte­lijke vakken in de vacature Jonker te Kampen - naar ver­luidde om kerkpoli­tieke redenen -, maar dat feit werd kort daarna enigs­zins gecom­pen­seerd door een benoe­ming tot buitenge­woon hoogleraar aan de Hoge­school.[23] Bovendien werd hij op 2 mei 1972 voorzitter van de juist opgerichte sectie eredienst van de Raad van Kerken.[24] We komen op een en ander nog terug.


Twee publikaties van Lammens met een relatief geringe omvang trekken in deze jaren de aandacht.[25] Ze bouwen voort op het­geen Lammens in zijn proefschrift betoogd had en geven een beeld van de richting die hem voor ogen stond. De eerste publikatie draagt de titel "Het eigene van de litur­gie" en is opgenomen in de bundel Wat vindt u van de kerkdienst?, die dateert uit het najaar van 1971. De tweede is de alleen voor intern ge­bruik aan de VU bestemde Syllabus litur­giek, die begin 1973 ver­scheen en in volgende jaren nog enkele malen herzien en her­drukt zou wor­den.[26] In beide geval­len, maar het meest ex­pli­ciet in het arti­kel, zet Lammens zich af tegen experimen­ten, waarin de litur­gie ver­smald wordt tot "een stuk moralisme dat we ons via het humanis­me op een heel wat minder omslachti­ge manier kunnen eigen maken."[27] Hij formuleert het zelfs nog iets scher­per: "Ze geven geen nieuwe vorm aan de eredienst maar stellen er iets anders voor in de plaats." Lammens sloot hiermee naadloos aan bij het verwijt van Ridderbos aan het adres van Pruim c.s.. Ridderbos had in zijn kritiek van nog geen jaar geleden nagelaten aan te geven waaruit voor hem het wezen van de eredienst bestond. Dat zou Lammens nu goed­maken door nader in te gaan op het eigene ervan. Hoe groot de teleur­stelling van Lammens over de stellingname van Pruim c.s. was en hoe hartstochte­lijk hij zich er derhal­ve tegen verzette, blijkt onder meer uit de con­fronta­ties die in de Gerefor­meerde Werkgroep voor Liturgie plaats­vonden met de sectie liturgie en aposto­laat, die vergelijkbare denkbeelden voorstond.[28] Het valt even­eens af te leiden uit de scherpe bewoor­dingen in de notulen van het deputaat­schap ere­dienst als Lammens opponeert tegen bepaalde experi­mentele vormen van liturgie: "Zijn kennisma­king met de alter­natie­ve dien­sten in Duitsland is een ontgoo­cheling gewor­den."[29]


Aan het eind van de jaren vijftig hadden Dijk en leden van de Werkgroep voor Liturgie een vergelijkbare benadering van de ere­dienst - het politieke element was nog nauwelijks ontwikkeld - met kerkor­delijke en historische argumenten bestreden.[30] Ze hadden daarmee echter geen antwoord gegeven op de vraag hoe de moderne mens in de eredienst dan wel adequaat moest worden aangespro­ken en wisten derhal­ve niet te overtuigen. De in Schrift en traditie vastge­legde orde staat ook voor Lammens zo goed als vast.[31] Maar de kracht van Lammens ligt in zijn poging direct op de vragen van zijn tegenstanders in te gaan. Hij maakt hen in "Het eigene van de litur­gie" attent op de diaconale dimensie van de liturgie en wijst vervolgens op het eigene van de litur­gie in al haar onderde­len: "Het voor­naamste is dat de liturgie viert dat God in onze wereld aanwe­zig is en dat niet alleen als de telkens weer door ons versto­tene en gekruisig­de maar als de Macht der verzoe­ning. Ze brengt ons door haar directe betrok­kenheid op het heil tot het hart van het chris­telijk leven dat zonder dit midden uitloopt op een activisti­sche verkramping en verbeten­heid."[32] Lammens relativeert enerzijds het bezwaar dat de ere­dienst onvoldoende op de wereld betrokken zou zijn en ander­zijds de diversiteit in de liturgie. Maar door te relative­ren onderstreept hij zowel het belang van de betrok­kenheid op de wereld als dat van de liturgie op zich. Lammens schetst vervolgens de gevolgen die zijn inzet bij de viering, het stichten van gedachtenis, heeft voor de wijze waarop de vie­ring gestalte krijgt en houdt daarbij de dialoog met zijn tegen­standers vol.[33] Spre­kend over het taalveld van de litur­gie heeft hij weet van de bezwaren tegen een monologische preek, maar plaatst hij deze in het dialogische raam van de ere­dienst. Hij is zich bewust van de uitzonder­lijkheid van de liturgie ten opzichte van het leven van alle dag, maar acht dit contrast wezenlijk en heil­zaam. De inzet van de alinea over het gemeen­schappe­lijkheids­aspect is een tegemoetkoming aan degenen tot wie hij zich richt: "Het gezamen­lijk vieren ver­sterkt in hoge mate het besef van samen als mensen te kunnen bestaan."[34] De plei­dooien die in deze periode gehouden werden voor bijeenkomsten in kleine groepen honoreert Lammens door te wijzen op het kenmerk van de over­drijving in de liturgie. Wil men de overdrijving tot zijn recht laten komen, dan zal men "het massale tegelijk moeten doorbre­ken én handhaven."[35]


De ontwikkeling van Lammens' denken over de eredienst vond in de Sylla­bus liturgiek een eindpunt. In zijn proefschrift had hij er al op gewezen, dat de gemeente in haar geheel subject is van de avondmaalsanamnese.[36] In de Liturgische jaarorde paste hij dat inzicht toe op het geheel van de kerkdienst en gaf hij de volgende definitie van de kerkdienst: "een gezamenlijke viering waarin mensen op velerlei wijze elkaar de dienst van het Woord bewijzen."[37] In de Syllabus werkt Lammens nu de weten­schappelijke consequenties van zijn benadering verder uit. De menselijke reactie in de eredienst is niet alleen opgenomen in het geschie­den van het Woord, ze is mede-constitutief.[38] Net als zijn voorgangers Kuyper en Dijk onder­scheidt Lammens in de erediensten momenten a parte Dei en a parte populi, maar hij voegt daar sociale momenten als even wezenlijk aan toe.[39] Hij benoemt en vult daarmee een leemte in de beschouwing van Dijk, die weliswaar zijn uitgangs­punt nam in de dienst des Woords - duidelijk te onderscheiden van de dienaar des Woords - in het samenkomen van de gemeente, maar daar nauwelijks consequenties uit trok voor de rol van de gemeente zelf.[40] Met dat Lam­mens dit actuele gegeven een plaats geeft, scherpt hij tevens het eschatologisch karak­ter van de gedachte­nisviering nog eens aan.[41] Op vergelijkbare wijze zoekt hij in de syllabus een evenwicht tussen ordinarium en propri­um, de vaste en de aan een afzonderlijke dienst eigen elementen van de liturgie. Beide dienen zorgvuldig afgewogen en gedoseerd te zijn om de liturgie, de commu­nicatie tussen God, mens en mensen onderling, te doen slagen.[42] Lammens legde met zijn onderwijs zo de basis voor de omgang van talloze Gereformeer­de predikanten met de liturgie. Fundamen­teel is de Schrift en de gehoorzaam­heid daaraan. Dat was niet nieuw, evenmin als de waardering van historisch getinte componenten als belijdenis en oecume­ne. Dat laatste had in de uiteenzetting van het Rapport eredienst 1965 al het volle pond gekregen. De verdienste van Lammens ligt in het bijzonder in de uitwerking van de actuele aspecten, de eigentijdse levensvormen uit genoemd rapport. Hij heeft geprobeerd aan te tonen, dat dat beslist niet ten koste hoeft te gaan van eerder verworven inzichten.

In zijn werkzaamheden voor de omroep zocht Lammens naar moge­lijkheden om het eigen karakter van de moderne media te ver­binden met het eigene van de liturgie. Hij kwam tot de conclu­sie, dat voor de radio een leer­dienst een geschikte vorm was, en voor zowel radio als televisie een morgen- of avondgebed. Hij verant­woordde dit in zijn inaugure­le Liturgie en massamedia aan de Theologische Hoge­school in Kampen, die hij daar op 6 december 1973 uitsprak.[43] Lammens zag echter op het front van zijn strijd tegen het ongebreidelde experi­ment nog een andere reden om met name de getij­dediensten te propa­geren. "We zouden daardoor meteen allerlei legitieme wensen ten opzichte van liturgiever­nieuwing (...) kunnen realiseren", zo verantwoordt hij in Vespers vieren, een uitgave ter gele­genheid van een serie televisie­vespers uit Zaandam in de eerste maanden van 1974.[44] Met deze woorden markeert Lammens zijn eigen grenzen, maar probeert hij tegelijkertijd openingen te maken naar hen die vinden dat het in de liturgievernieuwing toch teveel bij het oude gebleven is. Over de omgang met de traditionele vorm van de getijde meent hij: "Treden in een traditie is (...) een doorgeven van de traditie tegen de horizon van het eigentijdse leefklimaat en verrijken van de traditie met eigen bijdragen."[45] Opval­lend is opnieuw de speel­­­se wijze, waarop Lammens met de eredienst omgaat: "De getijden als model aan­vaarden impli­ceert een beroep op inspiratie en kreativi­teit."[46] Langs deze weg pro­beer­de Lammens het gebruik van de getijden in de kerken te stimu­leren. Het mag dan de vraag zijn, in hoever­re dat lukte, wel ging van de televisie­vespers een impuls uit voor het niet-strofische, onberijmde zingen.[47]

 


Nu we kennis hebben kunnen nemen van de ontwikkeling van Lammens' gedachtengoed in het algemeen, volgen we verder zijn stimule­rend optreden met betrekking tot twee thema's, die met elkaar zullen blijken samen te hangen: het kerkelijk jaar en de doopli­turgie. We herinneren ons, hoe Lammens in zijn inaugure­le aan de VU het gebruik van een kerkelijke kalender verdedig­de en onderstreep­te.[48] In het voor­jaar van 1971 verzorg­de hij voor het Convent van Kerken een vijftal radioprogramma's over de paasnacht­vie­ring.[49] Hij kon daarbij aansluiten bij enkele experimenten die in het voorafgaande decennium van start waren gegaan, onder meer in verband met het Amsterdamse Nocturnen-project en zijn opvolgers. In de uitzendingen besprak Lammens de joodse pesach-vie­ring, de vroeg-chris­te­lijke paaswake, de oosters-orthodoxe en de Rooms-Katho­lieke viering van de paas­nacht. In de laatste uitzending bood hij een model aan voor een eigen­tijdse paas­nachtviering. De compo­nenten waren afkom­stig uit de behandelde tradities. Zo klonk bijvoor­beeld net als bij het joodse Pesach de vraag van een kind: "Waarom is deze nacht zo anders dan alle andere nach­ten?" De verschij­ning van De joodse wortels van de christelijke eredienst van de hand van R. Boon in het vooraf­gaande jaar zal daaraan ongetwij­feld mede hebben bijge­dragen. Verder valt de ontspannen omgang met tot dan toe in de Gerefor­meerde wereld vrijwel onbekende elementen op. Terwijl men in De adem van het jaar geenszins afwijzend, zij het nog wat terughoudend, over het ontste­ken van kaarsen en de lof van het licht aan het begin van de dienst gesproken had, wordt er nu gedaan, alsof het heel gewoon is.[50] Na de lezing van het opstandings­evange­lie klinkt het: "Alle mogelijke instrumenten zetten nu een feeste­lijk preludium in. De hele muziekwinkel van psalm 150 kan er aan te pas komen." Ook in Heemstede had Lammens al op verge­lijkbare wijze met de liturgie gespeeld. Tot en met de afsluiting van de dienst, na de communie, is de toon rustig en de beschreven sfeer vanzelfsprekend: "mensen ontmoe­ten elkaar in deze nacht. Men kan in kleine groepen samen­scho­len. Zo gaat de liturgie - ongedwongen - over in een stukje gewoon mense­lijk leven."

Parallel aan de radiouitzen­dingen gaf Lammens in het voorjaar van 1971 aan de VU doctoraalcolleges die bestemd waren voor hen die zich in de liturgiek wilden specialiseren.[51] Vanuit de invalshoek van de paasnacht­vie­ring bespraken Lammens en de deelnemers daaraan ver­schil­lende liturgi­sche vraagstukken, zoals de bijbelse gege­vens omtrent de feestdagen, de joodse wortels van de christelijke eredienst (Lammens), de Schriftlezin­gen (B.J. Aalbers, J. Los), de liederen en gebeden (K. Bisschop, Th.M. Middel­koop), de avond­maalsviering (opnieuw Lammens) en de doopbediening (Fr. de Jong). De laatste zou zijn inleiding uitwerken in een doctoraalscriptie en met zijn studie een fundamentele bijdrage leveren aan de totstandkoming van een nieuwe doopliturgie.[52]


In het voorjaar van 1972 en 1973 onderzocht de groep die in omvang enigszins geslonken was, de ge­schiedenis van de doopli­turgie in haar verschillende onderde­len. Deels keren in de papieren dezelfde namen terug (Los bijvoorbeeld, over de post-baptismale hande­lin­gen), deels doken nieuwe deelnemers op (J.A. Meyster over doopliede­ren, G.W. Morsink over het exor­cisme en D.J.K.G. Ruiter over de verschillende doopgebeden in het Rituale Romanum). Helaas valt over deze colleges alleen maar vast te stellen, dàt een groot aantal bronnen werd aange­boord. Uit de aante­keningen valt niet op te maken, hoe de gegevens op de colleges zijn verwerkt, met welke argumenten sommige alleen voor ken­nisgeving werden aangenomen, terwijl andere in het vervolg van belang zouden blijken te zijn. Over de werkwijze valt op te merken, dat de historische benadering de basis vormde voor het onderzoek. Met deze colleges wist Lammens een kring van belangstellen­den te boeien, die de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie voorheen niet bereikt had.

 

Wat betreft de promotie van de liturgische jaarorde moeten we terug­keren naar Lammens' activiteiten ten behoeve van de om­roep. In een kleine twee jaar goed ingewerkt in de omroeppro­blema­tiek, en met de erva­ring van het paasnachtproject voor het Convent van Kerken, deed Lammens op 12 november 1971 in de zogenaamde 'Ronde Tafel Confe­rentie' van omroe­pen met chris­telijk-gods­dien­stige pro­gramma's een poging de totstandkoming van een jaarorde te be­werkstelli­gen.[53] Een jaarorde zou de programme­ring in het algemeen en de onder­linge afstem­ming in het bij­zonder kunnen vergemak­kelij­ken. Op 14 januari 1972 verklaarde de vergadering zich akkoord en werd een brief verzonden aan de Raad van Kerken.[54] In de tussenliggen­de tijd had Lammens organen als het Gerefor­meerde deputaat­schap eredienst, de Hervormde Raad voor de Eredienst en de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, op de hoogte gesteld van het op handen zijnde initi­atief, en hen gesti­mu­leerd vergelijkbare verzoeken naar de Raad van Kerken te zenden.[55]


Het is een hardnekkig misverstand, dat het verzoek om een oecumenische jaarorde geleid heeft tot de oprichting van een sectie eredienst bij de Raad van Kerken.[56] De aanleiding tot die oprichting lag in een gesprek over de verhouding tussen deze raad en de Van der Leeuwstich­ting.[57] De stichting was statutair verbonden met de voorloper van de Raad van Kerken. De conclusie was, dat de stichting zèlf niet als sectie eredienst kon functi­one­ren, maar wel ten dienste zou kunnen staan van een eventueel te vormen sectie vanuit de lidkerken. Zo besloot de Raad van Kerken op 17 december 1971 tot het instellen van een sectie eredienst, die op 2 mei 1972 voor het eerst bijeen kwam en Lammens tot voorzitter koos.[58] De sectie beschouwde een interkerkelijk leesrooster als een van haar prioriteiten en wierp zich op de bestudering van de bestaande systemen: het eenjarige klassieke rooster met zijn varianten en het nieuwe driejarige Rooms-Katholieke lectionarium. Maar daarnaast lanceerde de Van der Leeuwstichting juist in deze jaren het project 'Aan de hand van Moses', dat vergezeld ging van gelijknamige publikaties. Een eerste deel verscheen in 1971, een tweede drie jaar later. Ook anderen volgden dit spoor om in drie jaar de Thora in lectio continua te lezen, bijvoor­beeld de Hervormde J. van der Werf te Utrecht en - zijn naam werd al genoemd - Elderenbosch te Amersfoort. In het voorjaar van 1973 presenteerde de Nederlandsche Zondagschool Vereeni­ging een eigen route, naast de bestaande roosters. Er was op dit gebied nog zoveel in beweging en de onderlinge ver­schillen waren dermate groot, dat het niet mogelijk bleek op korte termijn tot overeenstemming te komen.[59] Wel wist men naar aanleiding van de verschij­ning van het Liedboek voor de kerken in overleg met verschil­lende omroepge­machtigden in het najaar van 1973 op radio en televisie het zogenaamde lied van de week te introduceren. Hierin zocht men zoveel mogelijk aan­sluiting bij de thematiek van de (klassie­ke) leesroos­ters voor een bepaal­de zondag.[60] In het volgende hoofdstuk zullen we dieper ingaan op het initiatief van de Raad voor Contact en Overleg betreffende de Bijbel, die in december 1973 over de wenselijkheid van een oecumenisch perikopenrooster kwam te spreken en kans zou zien de impasse te doorbreken.[61] Maar ook dat zou niet buiten Lammens om gaan.

 


Ondanks de grote invloed die van Lammens uitging, mag intussen de rol van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie in het begin van de jaren zeventig niet onder­schat worden. Ze functioneerde nog steeds als be­langrijk netwerk van contac­ten, waar een opiniërende en stu­rende in­vloed van uit­ging op een groep die nauw betrokken was bij de ontwikkeling van de eredienst. Wat het opiniërende betreft volgde de werk­groep de ont­wikkelingen op het terrein van het Liedboek op de voet, even­als die van het kerkelijk jaar en nam ze met inte­resse kennis van de nieuwe Rooms-Katholieke Ordo Missae. Wat betreft het sturende: toen bijvoorbeeld het lid Fennema op de vergade­ring van 31 augustus 1970 informeerde naar een mogelij­ke herziening van het formu­lier voor openbare geloofs­belijde­nis, werd hem de suggestie gedaan hierover een brief te rich­ten aan de generale synode.[62] Via het modera­men van de synode kwam een brief van Fennema's kerk te De Bilt uitein­delijk terecht bij het deputaat­schap eredienst, dat een vraag als deze goed kon gebruiken ter ondersteuning van nieuwe voorstel­len aan de synode.[63] Uit een ander voorbeeld blijkt, dat de zelfstandige positie van de werkgroep ten opzichte van het deputaatschap eredienst onder grote druk stond. Toen ze samen met de Litur­gische Kring pleitte voor een geza­menlijke Hervormd-Gereformeerde katern, kregen met name de werkgroep- en kringleden in het Gerefor­meer­de deputaatschap en de Her­vormde raad het verwijt dat ze zouden tegenwerken.[64] De dubbellidmaat­schappen van werkgroep en deputaatschap verminderden de mogelijk­heden van de werkgroep zelfstan­dig op te treden. Nadat De Jong op 16 juni 1971 voorzit­ter geworden was van het deputaat­schap eredienst had hij met zijn aftreden als voorzitter en bestuurslid van de werkgroep enige ruimte willen creëren voor de laatstgenoemde.[65] Blijkbaar had dat onvoldoende effect gesorteerd. Overigens ook door nauwere banden met de Liturgische Kring aan te knopen, moest de werkgroep een stukje van haar zelfstandigheid opgeven. Nadat in voorafgaande jaren de leden van de twee groepen elkaar bij verschillende gelegenheden hadden ontmoet,[66] werd met ingang van 1971 een à twee keer per jaar gezamenlijk vergaderd. De eerste keer bracht de kring twee concepten voor een huwelijksdienst in voor de bespreking, terwijl de werkgroep haar ontwerp van een doopliturgie presenteerde.[67] Het totaal aantal bijeenkomsten van de werkgroep, dat met ingang van 1971 al teruggebracht was van drie tot twee per jaar, steeg echter niet. De onderlinge band tussen de werkgroepleden verminderde en de eigen identiteit vervaagde. Daarbij kwam nog eens, dat er in de voorgaande jaren nauwelijks sprake was geweest van nieuwe aanwas.[68]

  


Niet alleen de Liturgische Kring en de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie gingen samenwerken, ook de Raad voor de Eredienst en het deputaatschap eredienst. Het is vooral Lammens geweest die dit laatste bevorderde. Eind 1969 of begin 1970 pleitte hij in een gesprek met Lekker­kerker en Lazonder voor "liefst een volledige samensmel­ting".[69] Dit streven stond niet op zichzelf. Ook in de verbanden van jeugd­werk en omroep zette Lammens zich waar mogelijk in voor bundeling van krachten. Een brief van de moderamina van de Gereformeer­de en Hervorm­de synode aan deputaatschappen en raden met het verzoek de mogelijkhe­den van techni­sche en inhoudelijke samen­werking te inventariseren, gaf de doorslag.[70] Net als bij vorige gelegenheden hielp het Hervormde moderamen de in dit opzicht toch steeds wat aarzelende raad over de drempel. Het samengaan begon op 25 januari 1971 met enkele Gerefor­meerde waarne­mers op de vergadering van de Her­vormde raad en ver­breedde zich in de loop van een jaar tot volledig gezamenlijk gehouden bijeenkomsten.[71] De Gereformeer­de depu­ta­ten waren zich bewust van de spanningen in de Hervormde raad - als exponen­ten van twee vleugels werden Lekkerker­ker en Overbosch genoemd - maar meenden dat er vol­doende aanleiding was om intensie­ver gezamenlijk op te trek­ken.[72] Inderdaad nam het aantal parallel­le ontwik­kelin­gen toe. Beide kerken hadden te maken met een groot aantal experimenten op plaatse­lijk niveau. Het Gereformeerde rapport Kerk in perspectief uit 1969 met kritische kantte­keningen bij het ambt en de ambtelijk geleide kerk­dienst had een Hervormde pendant in het in 1971 door de synode vastgestelde Gemeentevormen en gemeenteopbouw. De beide synoden hadden het vraag­stuk van de kinder­communie op de agenda geplaatst en in de beide kerken rezen vragen over het karakter van de openbare belijdenis en de vormge­ving daarvan.[73] Met name studentengemeenten gaven daar aanlei­ding toe. Aan beide zijden was men zich op syno­daal niveau bewust van de noodzaak van ver­nieuwin­gen, maar evenzeer van de voor­lopig­heid ervan. De samen­werking op plaat­selijk niveau, die incidenteel serieuze vormen begon aan te nemen, versterkte de noodzaak van geza­menlijke uitgaven die verdere chaos konden voorko­men. Een ander gezamen­lijk aandachts­punt was de invoe­ring van het Liedboek en de begelei­ding daar­van. Belang­rijke verschillen bestonden er eveneens. De Gere­formeerden hadden met het Kerkboek pas kort tevoren een perio­de van liturgiever­nieuwing afgeslo­ten, terwijl een vergelijk­baar proces in de Hervormde Kerk recent weer in gang gezet was. De Gerefor­meer­den hadden, ondanks de bestaande ver­scheidenheid in eigen kring, te maken met kerken die gevoelig waren voor de onderlinge eenheid. De Hervormde Raad voor de Eredienst werkte in een kerk die in tal van opzichten pluriform ope­reerde, ook wat de eredienst betreft.


Na verloop van nog geen jaar gezamenlijk verga­deren, op 17 oktober 1972, moesten de Gereformeer­den erkennen, dat de gekozen werkwijze voor hen niet optimaal was en het aantal gezamenlijke vergaderingen moest worden verminderd.[74] Ze con­stateerden - en bevestig­den daarmee eerdere in­drukken - dat de Hervormde raad fungeer­de als een signale­rend en coördi­nerend platform voor alle zaken betref­fende de ere­dienst. Het Gere­formeerde depu­taat­schap daarente­gen was steeds gebonden aan concrete op­drachten. Daarbij had de com­missie dienstboek ten opzichte van de Her­vormde raad een zodanig onafhankelijke positie, dat de Gere­formeerden in slechts zeer beperkte mate op haar werkstuk­ken invloed konden uitoefenen. Zij waren weliswaar in de commissie vertegenwoor­digd, maar slechts met een waarne­mer, die boven­dien vanwege zijn kwets­bare ge­zond­heid vaak niet aan de verga­de­ringen kon deel­nemen. De ver­schillen in werkwij­ze staken des te meer, omdat hetgeen het deputaat­schap als zijn eigenlijke werk beschouwde - het opstellen van liturgische teksten - precies datgene was wat de commis­sie deed. De tegenstel­ling ver­scherpte zich in de zaak van de zogenaamde katernen, aan­hang­sels met liturgische teksten om in het Lied­boek te plak­ken. De Hervorm­de synode had bij monde van haar moderamen al in een vroeg stadi­um aan de Raad voor de Eredienst opdracht gegeven tot het samenstellen van een katern bij het te verschijnen Lied­boek.[75] De commissie dienstboek van de raad stelde met het oog op de verscheidenheid in de Hervormde Kerk drie orden voor de zondagmorgen­dienst voor. Ze voorzag ze van tal van toelichtende noten. Aan het geheel gingen de belangrijkste liturgische gezangen vooraf. Het geheel maakte door deze opzet een wat onoverzichtelijke en rommelige indruk.[76] Toen de samenwer­king tussen raad en deputaatschap concrete vormen begon aan te nemen, had Lammens over deze Hervormde katern opgemerkt: "Het is zeker niet ondenkbaar dat deze orden van dienst straks ook invloed gaan uitoefenen binnen de gere­for­meerde kerken."[77] Uit een intern stuk aan Hervormde zijde blijkt, dat men uit deze opstelling vergaande conclusies trok: "het zou best eens kunnen zijn, dat de Gere­formeer­de Kerken de Hervorm­de katern gaan volgen."[78] Eerst toen de Hervormde ka­tern zo goed als door de Hervormde synode geloodst was, kwam door nog te beschrijven gewijzigde omstan­digheden aan Gerefor­meerde zijde de noodzaak van een eigen katern op. De Gerefor­meerde synode besloot daartoe op 17 mei 1973.[79]



Het Gereformeerde depu­taatschap kreeg met de katern ineens de handen vol aan zijn eigen opdracht, waarbij het onder druk van de tijd zelfs het intern over­leg tot een minimum beperkte, laat staan derden consul­teerde.[80] Ze vergat de Hervormde raad in te lichten, die op basis van de samenwerking toch wel enige informatie had mogen verwach­ten. De Her­vormde raad van zijn kant annu­leerde bij gebrek aan agendapunten de geplande samenspreking van 1 novem­ber 1973 en liet vervolgens na enig contact op te ne­men.[81] Hierbij wreekte zich wellicht ook, dat de verhou­ding tussen beide colleges niet gelijkwaardig was. Bij het aftasten van nieuwe mogelijk­heden tot samen­wer­king sprak men aan Her­vormde zijde ruim een jaar later over de Gerefor­meerde deputa­ten als "gasten" op de vergaderingen van de raad.[82] De Gereformeerden hadden daar ook wel enige aanleiding toe gegeven, aangezien ze zelf weinig materiaal inbrach­ten en zich bijvoorbeeld terughoudend opstelden in de deelname aan het tijdschrift Eredienst dat sinds 1972 mede door de Raad voor de Eredienst gedragen werd en dat ook aan andere liturgische instanties ruimte wilde bieden. Terwijl de Hervormde raad officieel vertegenwoordigd was, bleef het aan Gereformeerde zijde bij een redactielid op persoonlijke titel.[83] Een ander belang­rijk verschil betrof de financiële armslag en de ambte­lij­ke ondersteuning. De raad had in Lazon­der een full-time be­roeps­kracht en kon bovendien terugvallen op Over­bosch, met de Van der Leeuwstichting en haar studiesecretarissen. Deze facili­teiten ver­grootten de produktie en inhoudelijke inbreng van de raad aan­zienlijk en werkten zo indirect irri­tatie in de hand. De raad verwachtte meer van de Gerefor­meerde inbreng en was onaangenaam verrast, toen er onverwacht en geheel buiten hem om een Gereformeerde katern met nieuw materiaal verscheen, dat nogal afweek van hetgeen door de interkerkelijk samengestelde commissie dienstboek was gepresenteerd.[84]  Gereformeerden hadden zich op hun beurt nogal eens overstemd gevoeld door de Hervormden. Enkele factoren van persoonlijke aard compli­ceerden de zaak. De voorzitter van de Hervormde raad, Lekker­kerker, was op 25 november 1971 voor het laatst als zodanig opgetreden en nog niet officieel opge­volgd. De waar­nemend voorzitter M.J.G. van der Velden raakte na verloop van tijd eveneens door ziekte uitge­schakeld, en net toen hij in het najaar van 1973 hersteld was, moest Lazonder door een zieken­huisopna­me verstek laten gaan. Die overleed vervolgens vrij plotseling op 10 juni 1974. De continu­ïteit was aan Hervorm­de zijde vrijwel steeds verzekerd geweest door het ambtelijk apparaat, maar liet nu op enkele cruciale momenten te wensen over­. Ook in de commissie dienstboek was het contact tussen Hervormden en Gereformeerden in deze periode door ziekte van Scheeres zo goed als verbroken. Op de inhoudelij­ke factoren van het conflict willen we in het ver­volg nader ingaan. De breuk tussen raad en depu­taat­schap zou op korte ter­mijn provisorisch kunnen worden ge­lijmd. Het zou echter nog tien jaar duren voordat de onderlinge ver­stand­houding zoda­nig was, dat een geslaagde poging kon worden ondernomen beide instanties in elkaar te laten opgaan.

 

 

11.2       Aanvaarding van liturgische pluri­formiteit door de synoden van Dordrecht 1971-72 en Haarlem 1973-75

 

Het kon ook de synode niet ontgaan, dat de eredienst in de plaatselijke kerken steeds minder binnen de kerkordelijk vastgestelde grenzen verliep. Dat beheerste eigenlijk elke liturgische kwestie die aan het begin van de jaren zeventig op de agenda stond. Het deputaatschap eredienst nam wat de synode betreft aanvankelijk een afwachtende houding aan en diende bij gebrek aan relevante informatie geen rapport aan de synode van Dordrecht 1971-72 in.


De verontruste Hijkense predi­kant A.M. Lindeboom verzocht de synode van Dordrecht de kerke­ra­den nog eens te wijzen op het voorschrift in de tweede kerk­dienst uit de catechismus te preken. De synode voldeed op 13 oktober 1971 in zoverre aan dit verzoek, dat ze een zo geregeld mogelijke catechismus­prediking op grond van de kerkorde noodzakelijk achtte en de kerkeraden daartoe wilde opwekken. Maar tevens sprak ze in een overweging uit het niet voor strijdig met de kerkorde te houden daarbij "actuele geloofs­vragen aan de orde te stellen, die in dit oude leerboek van de kerk niet ter sprake komen", dus los van een behande­ling van de tekst van de catechis­mus.[85] Toen Linde­boom bij de volgende synode, die van Haarlem 1973-75, aan­drong op herhaling van de oproep tot geregelde catechismus­prediking, omdat sommige kerken (nog steeds) in gebreke bleven, weigerde de synode daarop in te gaan.[86] Lindeboom voerde in zekere zin een achterhoedege­vecht. In sommige kerken was de door hem gewenste differentiatie in de zondagse prediking nauwelijks meer mogelijk. Dezelfde synode werd namelijk gecon­fron­teerd met een medede­ling van de classis Maas­tricht, dat twee kerken in haar ressort het houden van de tweede dienst gestaakt hadden. De classis vroeg om een handreiking hoe de leer in een dergelijke situatie nog ter sprake gebracht kon worden. De classis 's-Hertogenbosch wilde de kerkorde middels een wijziging graag zo kunnen lezen, dat het onder­richt in plaats van in de kerkdienst ook in een toerustingsprogramma gestalte zou kunnen krijgen. De zaak werd op de synode door commissie II voor onder meer kerkordelijke aangelegenheden voorbereid. Zij vond, dat kerken, classes en synode zich niet bij het opheffen van de tweede dienst moesten neerleggen en stelde daarom voor de verzoeken af te wijzen.[87] Ze wekte mede door de enigszins juridische toonzetting van haar stelling­name de indruk de ernst van de situatie te ontkennen. De synode nam het advies van de commissie over, maar liet nog enige ruimte door tevens te bepalen "de zaak van de tweede kerkdienst ter nadere bestude­ring aan de deputaten voor de eredienst op te dra­gen."[88]

Ook het verlangen kinderen te laten deelnemen aan het avond­maal riep zodanige vragen op, dat ze niet zonder meer met de vigerende kerkorde­lijke bepa­lingen konden worden opgelost. De synode van Sneek 1969-70 had de zaak in studie gegeven aan het deputaat­schap eredienst, dat in overleg met de Hervormde Raad voor de Eredienst de discussie daarover gestart had.[89] De synode van Dordrecht 1971-72 kreeg opnieuw brieven met drin­gende vragen over het onderwerp binnen. Na lang wikken en wegen besloot deze op 28 februari 1972 voor de bestudering van de problematiek een apart deputaat­schap in te stellen, waarbij ook enkele deputa­ten eredienst zouden moeten worden betrokken.[90] Aangezien het onderwerp voor­alsnog geen consequenties had voor de vormgeving van de ere­dienst, laten wij het in het vervolg rusten, te meer daar het deputaatschap in een later stadium nog eens te kennen zou geven, dat het de liturgische teksten er niet voor wilde aanpassen.[91]


Dat de liturgische variatie in de Gereformeerde Kerken bij gebrek aan geschikte eigentijd­se teksten toenam, met name bij het doen van openbare geloofsbelijdenis, signaleerde ook de classis Zaan­dam. Ze wenste, dat de synode van Dor­drecht 1971-72 nog tij­dens haar zittingen de bestaande formulieren opnieuw zou beoordelen en zo nodig herzien. De spoed waarop werd aangedrongen, zou, behalve door de snel toenemende liturgische variatie in dezen, ook wel eens kunnen zijn ingegeven door het in de loop der jaren gestaag dalende aantal doopleden dat belijdenis deed.[92] De synode vond de gegeven tijdsbe­paling wat al te stringent, maar ze droeg op 8 oktober 1971 aan deputaten ere­dienst op "de wenselijkheid en mogelijkheid van herziening van, en tevens uitbreiding van het aantal formulieren (met name kortere) onder ogen te zien en daarbij voorrang te geven aan het formulier voor de openbare geloofsbelijdenis".[93] De "uitbrei­ding van het aantal" was een aanvulling van de synode op het commissievoorstel. Blijkbaar meende ze dat een pluriform aanbod van formulieren onontkoombaar was en dat het een halt zou kunnen toeroepen aan de vele experimenten, waarvan melding gemaakt werd. Voor het deputaat­schap eredienst bood deze uitspraak een grote ruimte om met nieuwe voorstellen te komen. Toene­mend inzicht in de complexiteit van de meeste liturgische vraag­stukken had de slag­vaardigheid van het deputaatschap verlamd, waardoor het zich op korte termijn beper­kte tot het hoogstnoodzakelijke: "Het wordt prema­tuur geacht in de tegenwoordige kerkelijke situatie met voorstel­len te komen, hoe nodig anderszins ze ook mogen zijn."[94] Door het synode­besluit over de belijde­nisvragen moest het zich daar wel mee gaan bezighou­den, al was het zich bewust van de onopge­loste vragen over de verhouding tot zowel kin­der- als volwas­senen­doop, alsmede de kin­dercommu­nie. 

 

Liedboek voor de kerken

De aanleiding voor de belangrijkste liturgische vernieu­wingen in deze periode vormt evenwel de verschijning van het Liedboek in het voorjaar van 1973 en de voorbe­rei­din­gen daar­op. Hoe was het eigenlijk met de onderhande­lingen over het Lied­boek gegaan na de moeizame be­sluitvorming van de synode van Sneek 1969-70? De afvaar­diging van de Gereformeer­de synode die de laatste wensen moest bespreken met de Hervormde gezangen­com­missie, gelukte het de belangrijkste ingewil­ligd te krijgen.[95] Het lied 'Stille nacht' is in dit verband berucht geworden. Tot twee keer toe werd het besproken en aanvaard, maar even leek het erop, dat zelfs een derde beraad nodig was. De houding van de Gereformeerden werd bepaald door zowel verzet tegen de enorme Her­vormde invloed op het project, als zorg om de aan­vaarding van het Liedboek in eigen kring. De Hervormde inbreng zou in het vervolg overigens toch nog overheersend zijn: de muzikale afwer­king en het samenstellen van bundels met voor­spelen en zettingen voor de begeleiding bleef groten­deels in Hervormde handen.[96] De Hervormden hadden met hun gezangen­commis­sie het initiatief genomen en behielden dat ook door hun goed geoutil­leerde organisatie. Tegelijk waren ze zich ervan bewust, dat de mede­werking van de Gereformeerde Kerken alleen al om financiële redenen verze­kerd moest worden. Het resultaat dat de Gereformeerden afge­vaardigden aan hun synode konden voorleg­gen, was een Lied­boek, waarin slechts twintig nummers uit de Honderdne­gentien gezangen niet waren opgeno­men. De synode van Dordrecht nam op 29 febru­ari 1972 "met vreug­de kennis" van het resultaat en besteedde er verder nauwelijks meer aandacht aan.[97] De bundel was op dat moment al zo goed als pers­klaar, alleen de au­teursrechten moesten nog definitief geregeld worden.


Al spoedig doemden problemen op die strikt genomen alleen met de uitgave van het Liedboek van doen hadden, maar conse­quen­ties zouden kunnen hebben voor de verkoop en het gebruik van het Kerkboek en daarmee voor de Gereformeerde eredienst in zijn geheel. In de loop van maart 1972 ontstond er, naar aan­leiding van publiciteit over de overeen­komst met betrekking tot de auteursrechten, verwarring over de te verwachten uitga­ven van het Liedboek. Het deputaatschap eredienst en uitgever Jongbloed van het Kerkboek, met in zijn kielzog de boekhan­delaren, alsmede vele anderen in de Gereformeerde Kerken waren er steeds van uitgegaan, dat de gezangen apart zouden worden uitgegeven.[98] De Interkerke­lijke Stichting voor de Psalmberijming, kort daarna omgevormd tot de Inter­kerkelijke Stichting voor het Kerklied, had in een advies van de inter­ker­kelijke gezangencommissie een gelijktijdige aparte uitgave van de gezangen wel ter overwe­ging gekregen, maar besloten aan een uitgave van gezangen èn psal­men priori­teit te geven. Op de laatste dag van de voor­jaars­zit­ting van de Gereformeerde synode, 28 april 1972, werd deze over de voorgeschiedenis en de consequen­ties van de voor­genomen uitga­ve door middel van een vertrouwelijk memorandum inge­licht.[99] De auteur, P.G. Kunst, stelde in de gegeven omstandigheden onder meer voor, een katern bij het Liedboek te produceren. Eerst ruim een half jaar later, op 23 november 1972, besprak de synode het memorandum. Ze sprak daarbij reeds uit, dat er, hoe de bundel ook samengesteld zou zijn, "een apart katern voor de Gereformeerde Kerken zal dienen te worden toege­voegd, waarin opgenomen de orden van dienst en de woorden en gebeden uit het kerk­boek."[100] Ze stelde een commissie van goede diensten in om de synode van advies te dienen over de te volgen koers.


De commissie van goede diensten was met vooraanstaande Gereformeer­den als W.P. de Gaay Fortman, B. Roolvink en P.J. Verdam zwaar samenge­steld. Er stond dan ook nogal wat op het spel. Werd met de uitgave van een Liedboek met psalmen en gezangen recht gedaan aan eerdere synodebesluiten? Was de synode in de verschillende stadia van de besluitvor­ming voldoende en juist ingelicht? Wat waren de gevolgen voor het gebruik van het Kerkboek met de officieel vastgestelde liturgische teksten en de belijdenisgeschriften? Was in het krachten­spel van de deelnemende kerkgenootschappen wel voldoen­de rekening gehou­den met de eigen positie en inbreng van de Gereformeerde Kerken? Al bij de samenstelling van het Liedboek hadden daarover in Gereformeerde kring ernstige twijfels bestaan. Het wantrou­wen tegenover de Hervormde partner dat toen bestond, stak de kop weer op. In het rapport ging de commissie eerst de feiten na. Haar was gebleken, "dat in ieder geval geen concrete toezeggingen zijn gedaan" over de uitgave van een aparte gezangbun­del, al was wel met enige regelmaat in verschillende gremia over de wenselijkheid ervan gespro­ken.[101] Tekenend vond de commissie in dit ver­band de onwetendheid van de Gerefor­meer­de verte­genwoordigers in de Inter­kerkelijke Stichting: "Dit wijst niet op een duidelijke besluitvor­ming." In het verleden was in ieder geval geen harde basis gelegd voor de uitgave van een afzonderlijke gezangbundel. Voor de toekomst ontbrak volgens de commissie daartoe de noodzaak, aangezien deputaten ere­dienst zich bij de situatie wilden neerleggen en instemden met de produktie van een katern met de belangrijkste liturgische teksten. De conclu­sie was derhalve dat het "wijs" zou zijn te berusten in de gang van zaken.

De synode van Haarlem 1973-75 nam de behandeling van het probleem van haar voorgangster over en besprak het in een van haar eerste zittin­gen, namelijk op 17 mei 1973. De synode, die voor tweederde uit nieuwe leden bestond, zag zich voor de uitdaging gesteld haar geloofwaardigheid zowel intern als extern te bewijzen, zowel aan de eigen kerken als aan de partners in het project. Vooral dat laatste deed de spanning oplopen. De officiële aanbieding van het Lied­boek aan de deelnemende kerkgenoot­schappen stond gepland voor 19 mei in Middelburg en beloofde een bijzon­dere gebeurte­nis te worden. De synode ging daarom in comité-zitting. Al te veel publiciteit rond de verdeeldheid in Gerefor­meerde kring zou afbreuk kunnen doen aan de aanstaande feestelijkheden en slecht zijn voor de interkerkelijke verhoudingen. Helaas is van commissie III alleen een voorstel tot besluitvorming bewaard gebleven, dat overname van het advies van de commissie van goede diensten behelsde. Een toelichting ontbreekt. Tegen dit voorstel werd scherpe oppositie gevoerd. De kern van de bezwaren kan worden gevonden in een van de overwegingen van het tegen­voorstel. Dit werd door een van de woordvoer­ders van de meer behoudende groep in de synode gedaan, de Friese predikant L.H. Kwast. "Het gebruik van kerkbijbel en kerkboek wordt praktisch tegengegaan en op den duur geheel ondermijnd bij de exclusie­ve uitgave van een liedboek met psalmen". In de zorg om het kerkboek bleek het nog niet eens zozeer te doen te zijn om de liturgische geschriften, alswel om de aanwezigheid van de drie gereformeerde belijdenisgeschriften in één uitgave. "Als in de katern alleen de catechismus zou worden opgeno­men is dat fataal." De zaak spitste zich daarmee toe op de koers van de Gereformeerde Kerken, moest die gericht zijn op behoud van het eigene of op oecumenische samenwer­king: "Wat staat in het voorstel van ds. Kwast is waar, maar terwille van de oecumene kunnen we niet anders doen dan het Liedboek aanvaarden." Het is echter de vraag, of dat laatste nog ter discussie stond, omdat het Liedboek inhoudelijk al zo goed als aan­vaard was. Het tegenvoor­stel bedoelde dan ook niet meer dan de uitgave zonder de psalmen bij de Interker­kelijke Stichting "krachtig te bevorderen." In de praktijk zou de verschijning van een dergelijke uitgave voor een aantal plaatselijke kerken met aarzelingen de drempel voor invoering kunnen verlagen. De synode nam uiteindelijk met 34 tegen 32 stemmen bij 3 onthoudin­gen het voorstel van commissie III en daarmee van de commis­sie van goede diensten over. Niets stond de invoering van het Liedboek voor de kerken nu nog in de weg.

 

Gereformeerde katern bij het Liedboek


Het vervolg van de procedure die uitmondde in de verschijning van een katern bij het Liedboek, illustreert andermaal hoe groot de onzekerheid in de Gereformeerde Kerken over de te volgen liturgische koers was, en wordt daarom relatief uitgebreid beschreven. Deze beschrijving biedt de mogelijkheid na te gaan, in hoeverre die onzekerheid een liturgische component bevatte. Uit het besluit van de 17e mei vloeide voort, dat deputaten eredienst voorstellen moesten doen over de inhoud van een katern bij het Lied­boek. Tevens werd een commissie benoemd, die in gemeenschappe­lijk overleg rapport moest uitbrengen "over het totaal van publikaties ten behoeve van de ere­dienst".[102] In deze commissie kregen zitting J.S. Dien­ske, die als jurist en deputaat voor het toezicht op de uitgaven van het kerkboek zijn sporen had verdiend, P.G. Kunst (samenroeper), praeses van drie synoden, zeer direct betrokken bij de totstand­koming van het Liedboek als voor­zitter van de Interkerke­lijke Stichting, en Schee­res, depu­taat voor de ere­dienst en bekend met het proces dat aan de uitgave van het Kerkboek was vooraf­gegaan. Scheeres zou door ziekte nauwelijks kunnen participeren en werd na verloop van tijd vervangen door deputaat W.H. Melles. De besluit­vorming over de katern muntte net als die over het Liedboek bepaald niet uit in duidelijkheid. Het moderamen van de synode interpreteerde de taak van de commissie op verzoek van Kunst "als opdracht om met inschakeling van de deputaten voor de eredienst er zorg voor te dragen dat (...) een katern wordt samengesteld".[103] Het onderstreepte, dat dit "zo spoedig mogelijk" diende te gebeuren. Open bleef, of de taak van de commissie tot het formele beperkte bleef, of ook een inhoudelijke kant had. Als enige randvoorwaarde voor de inhoud stelde het moderamen, althans de actuarius, de opname van de Heidelbergse Catechismus.[104] De synode had daarover weliswaar niets besloten, maar de discussie had wel duidelijk gemaakt, dat dat aanbeve­lenswaardig zou zijn. Bij het besluit ten aanzien van de katern had de synode overwogen dat "de in het huidige kerkboek opgenomen formulieren nog steeds aan wijziging onderhevig zijn" en dat het wenselijk was "met andere kerken" tot overeenstemming te komen over de orden en formulie­ren.[105] Van deze overwegin­gen was in het besluit echter niets terug te vinden. Wel ontving Kunst van het moderamen de wat onduidelijke medede­ling, dat het deputaatschap nog "allerlei opdrachten op langere termijn" had.[106] Wat die "langere termijn" betekende, werd niet nader geëxpli­ceerd.


Al spoedig ontbrandde een competentiestrijd tussen het deputaatschap en de com­missie in de persoon van Kunst. Daarin zal meegespeeld hebben dat Kunst in de Gereformeerde Kerken een man van gezag was en door zijn vooraanstaande positie op achtereenvolgende synoden gewend was een grote stem in het kapittel te hebben. Toen Kunst ten behoeve van de commissie van goede diensten het stand­punt van het deputaatschap uit de doeken probeerde te doen, had hij al laten merken, dat voor hem de produktie van een katern en de herziening van het Kerkboek - anders dan voor deputa­ten - principieel te onderscheiden waren.[107] Kunst pleitte nu met het oog op de gespan­nen situatie in de Gereformeerde Kerken voor grote terughou­dendheid en uitte tevens zijn vrees voor vertraging in de produktie van de katern, als nieuw materiaal geprodu­ceerd en opgenomen zou moeten worden. De kans op vertraging verdroeg zich slecht met de spoed die het moderamen voorstond. Kunsts taxatie van de situatie zou achteraf deels juist blijken te zijn. De deputaten zouden in het besluitvormingsproces op de synode inderdaad nogal wat weer­stand ontmoe­ten, maar - en daarin kreeg hij ongelijk - voor de oor­spronkelijke tijdsplanning zou dit geen gevolgen hebben. In een ontmoe­ting op 31 augustus 1973 praatten deputaten en Kunst langs elkaar heen; in het vervolg bleef elk van het eigen standpunt uit­gaan.[108] Dienske hield zich op de achtergrond.[109] Melles zou als vertegenwoordiger van deputaten eredienst in de katerncommis­sie hun standpunt blijven verde­digen. Het mo­de­ra­men steunde enkele maanden later de opvatting van Kunst en meende dat de synode niet anders bedoeld had dan de katern met bestaand materiaal te vullen.[110] Dit alles weerhield deputa­ten eredienst er niet van, een be­lang­rijk aantal nieuwe voorstellen te doen en die in een rapport gedateerd 12 decem­ber 1973 aan de synode voor te leggen. Anders dan het moderamen van de synode had gedaan dekte de behandelende commis­sie (III) juist het deputaatschap in zijn taakop­vatting en werd de op­dracht van de katern­commissie de facto tot een formeel-technische beperkt.[111] Commissie III liet zich vooral over­tui­gen door het argument van deputa­ten, dat hun voorstellen vele ongecon­troleerde experimenten konden inperken. Als voorbeelden van die experimenten kon ze wijzen op enkele kerken die reeds in gebruik zijnde alternatieve belijde­nisvragen ter toetsing aan de synode voorlegden. Wilde de synode haar eigen rol in de eredienst serieus nemen, dan moest ze het initiatief zien te hernemen en met nieuwe voorstellen komen die vrij experimenteren overbodig zouden maken.

 


Toen het deputaatschap op 19 juni 1973 naging wat er in de katern zou moeten worden opgenomen, had het nauwelijks alternatieven voor het Kerkboek voorhan­den en amper meer dan een half jaar de tijd om daar verandering in te brengen.[112] Voor de orde van dienst had men wel eens het opnemen van Kyrie en Gloria geopperd, maar uitgewerkt was die gedachte niet. Bij de ontvangst van de dooplitur­gie van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie had het deputaat­schap wel het belang ervan vastge­steld, maar er in de werkzaam­heden geen priori­teit aan gege­ven. Alleen voor het opstellen van nieuwe vragen voor de openbare geloofsbelijdenis was de bezinning daadwerke­lijk op gang gekomen. We zullen daarvan nog nader kennis nemen. We schetsen in het vervolg de voor ons relevante onderdelen van het rapport dat de depu­taten aan de synode van Haarlem 1973-75 aanboden, elk met zijn eigen voorge­schie­denis. Het betreft de orde voor de zondag­morgendienst, een nieuwe orde voor de doop en voor het afleggen van openbare geloofs­be­lijde­nis.

 

Orde voor de zondagmorgendienst

De herziening van de zondagmorgendienst kwam voor rekening van Lammens. De deputaten kozen er bewust voor, in dit verband niet de Hervormde katern met een drietal orden over te nemen, maar het te houden op het Gereformeerde principe van één orde, zo blijkt uit het rapport dat op 12 december 1973 werd afgerond.[113] Toch zagen zij, en onder hen met name Lammens, kans op vernuftige wijze een aantal varian­ten in te bouwen in het bestaande model. Het gedeelte tot aan de dienst des Woords wordt 'Voorbereiding' genoemd. Deze term ver­raadt het gebruik van een andere, ongenoemde bron, namelijk de Proeve van een oecume­nisch ordinarium.[114] De voorbereiding biedt de gebrui­ker drie opties. De eerste is nauw verwant met het Kerkboek, de tweede en de derde maken gebruik van de elementen Kyrie en Gloria. Voor deze, evenals voor andere onderdelen, komt een belangrijk deel van de melodi­eën over­een met die in de Her­vormde katern, namelijk die welke aan de lutherse traditie ontleend zijn. Schematisch krijgt de orde onder de rubriek voorbereiding nu drie varianten:

 

I                                                            II                                                             III

Voorbereidingsgebed

(incl. Onze hulp)

Psalm                                                   Psalm                                                      Psalm

Voorbereidingsgebed         

(incl. Onze hulp)                  

Groet

Verootmoediging

(incl. Onze hulp)

Wet des Heren

Kyrie                                                      Kyrie

Gloria                                                      Gloria

Groet                                                      Groet

 


Niet in het rapport verantwoord, maar princi­pieel van ingrij­pende betekenis is de gewijzigde over­gang van de dienst des Woords naar de maaltijd des Heren. Die sugge­reert dat de laatste in principe hoort te volgen: "Als het heilig avondmaal niet wordt gevierd, wordt de dienst besloten met een lied en de zegen."[115] Een oude wens van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie is hier­mee in vervul­ling gegaan. Het Sanc­tus kan nu tezamen met het Benedictus gezongen worden. Dat laatste element was voorheen in navolging van het Hervorm­de Dienstboek nog weggelaten om elke suggestie van een conse­cra­torische bede te vermij­den.[116] Een Post-Sanctus is ten opzich­te van de tekstre­dactie in het Kerkboek toegevoegd, evenals na de instellingswoorden  een anamnetische acclama­tie van de gemeente in de bewoordingen van Oosterhuis: "Als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des Heren, totdat Hij komt." Hier en op andere momenten wordt de gemeente in de gelegenheid gesteld het gehoorde te beamen. Het is, zo verkla­ren deputaten in de toelichting, een bewuste keuze geweest de gemeente een groter aandeel te geven.[117] De over­een­komsten met de Hervormde katern zijn, afgezien van de melodie­ën, frag­men­ta­risch. Alleen de orde voor het avondge­bed is vrijwel gelijk­luidend. De optie om getijde­dienst en leerdienst met elkaar te verbinden is in de Gereformeerde katern niet meer opgenomen. Ze werd volgens deputaten "vrij­wel nergens gepractiseerd."[118] Met het Kerkboek hadden de Gereformeerde Kerken in 1969 de Hervormde Kerk met haar Dienstboek in minder dan vijftien jaar op liturgisch gebied al zo goed als ingehaald. De orde voor de zondagmorgendienst ten behoeve van de Gereformeerde katern lag met haar systematische opzet en evenwichtige inhoud vervolgens veel dichter bij het ideaal van de liturgische beweging in beide kerkgenootschappen dan welke orde in de Hervormde katern dan ook.

 

Doopliturgie

We maakten in dit en het vorig hoofdstuk al kennis met de voorstadia van de doopliturgie: het model van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie en de besprekingen tijdens de doctoraalcolleges van Lammens.[119] Volgens afspraak legde De Jong op de deputatenvergadering van 31 augustus 1973 een aantal principia op tafel voor een nieuwe orde met het oog op de kinderdoop.[120] In dat verband wijdt hij even­eens enkele woor­den aan de volwassenendoop, maar die dient volgens hem aan de orde te komen bij de nieuwe vragen voor de openba­re geloofsbelijde­nis. De Jong stelt vast, dat de Gere­formeerde doopli­turgie "(al te) rijk aan woorden en (al te) arm aan handelin­gen" is. Ook vraagt hij zich af, of "de ge­brui­kelijke vragen wel zo geluk­kig" zijn. In een schets van een nieuwe orde suggereert hij, dat als voorbe­reiding op de dienst een gesprek met de ouders plaats zal vinden over de doop.[121] Dit cateche­tisch getin­te onderhoud zou dan in plaats komen van de leer­stellige uit­een­zet­ting van het formu­lier. Verder zou het aanbeveling verdie­nen speciale doopdiensten te houden. Deze kunnen de gemeente­leden helpen hun eigen doop te leren verstaan, omdat alle elementen in zulke diensten op de doop zijn afgestemd. Bij de voorberei­ding zouden ook ouders kunnen worden betrok­ken. Bij de bedie­ning van de doop dienen de volgende elementen een plaats te krij­gen:


Lezing van de Schrift, al dan niet gevolgd door een enkel toelich­tend woord

Gebed (naar het model van het zondvloedgebed, mèt de Jordaan-passus)

Vraag naar het geloof (of: geloofsbelijdenis)

Doopgelofte

Bediening van de doop, eventueel gevolgd door een teke­ning met het kruis

Handoplegging en gebed om de gave van de Heilige Geest,

                   mogelijk verge­zeld van een verwijzing naar het witte doopkleed

Lied

 

Ten opzichte van het klassieke gereformeerde formulier is het didactisch gedeelte teruggebracht tot een Schriftlezing met een toelichtend woord. De vragen hebben een nieuwe, minder geladen vorm en inhoud gekregen. De Jordaan-passus, verwijzend naar het "'prototype' van de christelijke doop", is inge­past in het zondvloedgebed. Aan de doop zelf zijn het kruiste­ken en de handoplegging toegevoegd, beide in de gere­formeerde tradi­tie zo goed als onbekende elementen. De verwij­zing naar het doop­kleed formaliseert een in sommige kerken en streken bestaande tradi­tie van het gebruik van een doopjurk.

De notities van De Jong hebben de verdere gang van zaken rond de doopli­turgie sterk gestempeld. Tezamen met Lammens werkte hij ze prak­tisch uit.[122] Welke overwegin­gen daarbij een rol hebben gespeeld, is onbekend. We kennen alleen het eindresul­taat, dat in het rapport aan de synode werd voorgelegd.[123] Het is qua structuur vrijwel gelijk aan het hierboven weergegeven model. Er wordt een vraag naar de naam van de dopeling ingevoegd na de inleidende Schriftlezing.[124] Voor het doopgebed worden drie varianten aangeboden. De eerste is het klassie­ke zond­vloedge­bed, mèt de Jor­daan-passus. De tweede is een bewer­king van het zond­vloedge­bed van de hand van de toen in Den Haag werkzame predikant W.R. van der Zee.[125] Het gebed is op enkele punten aange­past door de deputa­ten, bij­voor­beeld door de mogelijkheid te openen de naam van de dopeling op te nemen. Het derde voorge­stelde gebed is kort en vooral om de beknoptheid ervan opge­no­men. Wat betreft de explicatieve elementen zal in het deputaat­schap een afwe­ging hebben plaatsge­vonden, wat wezenlijk en wat haalbaar geacht moest worden. Het kruis­teken na de doopbediening en de reminis­centie aan het witte doopkleed zijn verdwenen. Tegelijk wordt met alle nadruk gevraagd om het "herstel" van de handop­legging.[126] Dit gebeurt op litur­giehistorische gronden, met een bijbelse onderbouwing. Aangetoond wordt, dat de voor de bedie­ning wezenlijk geachte gave van de Geest, door de handopleg­ging wordt onder­streept.

 


De Jong heeft begin 1974 in een doctoraalscriptie getiteld "Water en Geest - naar een nieuwe doopliturgie" een bijbelse en historische verantwoording gegeven.[127] De meeste ge­dachten keren weer terug in zijn aandeel in het boekje Kanttekeningen bij de katern.[128] Zowel de scriptie als het boekje­ bevestigen nog eens, dat De Jong in het samenstellen van de nieuwe orde een eigen inbreng heeft gehad. Een verge­lij­king van dit materi­aal met besprekin­gen, colleges en publikaties in Gereformeerde kring uit voor­gaande jaren laat zien, dat de waarde ervan niet zozeer ligt in de keuze van de aange­geven elementen op zich. Die waren vrijwel alle weleens ergens genoemd. De keuze om voor het model van de doop aan te knopen bij de paas­nacht­litur­gie, is al eerder gedaan in­ De adem van het jaar en in Lammens' radio-serie. Los had op de doctoraalcolle­ges van Lammens al eens gewezen op de zin van de handoplegging en van het witte doopkleed. Het pleidooi voor de afschaffing van het leerstellig formulier was reeds in de werkgroep gevoerd. Daar was ook al eens de suggestie gedaan het houden van doopdien­sten te bevorderen. De waarde van de studie van De Jong is vooral gelegen in de veelheid van het bestudeerde materiaal en in het kader, de compo­sitie waarbinnen de elementen worden ge­plaatst en uitgewerkt. De vroeg-christelijke kerk reikt het voorbeeld aan, hoe de weinige "bijbelse grondprinci­pes" aan­gaande de doop liturgisch verwerkt kunnen worden.[129] "Maar dat is iets anders dan de vroeg-christelijke kerk slaafs navol­gen." Tegelijk moet er ruimte zijn om aan eigentijdse eisen tege­moet te komen. Concreet noemt De Jong dan de wijd­verbreide praktijk van de kinder­doop.

 

Openbare geloofsbelijdenis


Nauw verwant met het voorgaande is het derde onderwerp in de voorstel­len van deputaten dat we hier willen bespreken: de belijdenisvragen. De basis hier­voor werd gelegd door de deputaten Melles, Pijlman en Schee­res, nog voordat de synode opdracht had gegeven tot het samen­stellen van een katern. Van dit drietal zal vooral de Amsterdamse Pijlman direct op de hoogte zijn geweest van de wensen die onder studenten leefden ten aanzien van de belijdenisvragen. Hervormde studenten hadden op de Hervormde synode al van zich laten horen en hun kritiek op de bestaande ontwerpen was niet mals geweest.[130] Ze wilden een loskoppeling van openbare geloofsbelijdenis en avondmaal en wensten kort en bondig geformuleerde vragen in een moder­ne, aan­sprekende taal. De deputaten concen­treerden zich op het herfor­muleren van de vragen, het liturgisch kader bleef aanvanke­lijk buiten hun ge­zichts­veld. Uit een eerste concept-rapport gedateerd 31 mei 1973 komt de achterlig­gende visie naar voren.[131] Zij "zijn van gevoe­len dat de tijd voorbij is dat één formulier voor alle kerken van ons kerk­verband kan worden ontworpen." Ze stellen daarom voor het bestaan­de te laten bestaan en twee nieuwe versies aan te nemen. Slechts met de kwalificatie dat ze "zo verantwoord en zo stijlvol" zijn, presente­ren ze de vragen uit de Litur­gische Hand­reiking. Daarnaast bieden ze een eigen serie aan. Ze beargu­menteren deze met de woorden: "deputa­ten hebben zich eerbiedig getracht voor te stellen wat er in de existentiële ont­moeting tussen een jongere en de Heer door die Heer gevraagd zou worden." Ze menen dan, dat voor vele jongeren "het volgen van die Heer het beslis­sende moment is, in veel mindere mate de kerk met haar belijde­nis en haar leer." Het bevreemdt daarom niet, dat die laatste elementen, die in het bestaande formulier nog zo rijkelijk aanwezig waren, zo goed als verdwe­nen zijn. De vragen die het drietal deputaten voorstelt, tonen sterke verwantschap met die uit de Liturgische Handreiking, maar zijn bondiger geformuleerd en directer van karakter. Zo is bijvoorbeeld het vertrou­wen op de leiding van de Heilige Geest een toevertrouwen aan de Heilige Geest geworden. Niet alleen de notie van de toelating tot het avondmaal, zelfs het aspect van de tucht, dat in de Hand­rei­king nog een zekere plaats gekregen had, komt niet meer voor.

Langs welke wegen de belijdenisvragen uiteindelijk in het rapport voor de synode zijn terechtgekomen, onttrekt zich aan onze waarne­ming.[132] Schaar­se medede­lingen in de notu­len wekken de suggestie, dat in eerste instan­tie Bis­schop en De Jong, maar mogelijk ook Lammens, erbij betrok­ken zijn ge­weest.[133] In het rapport stelt het deputaat­schap voor, naast het nieuwe materiaal ook het bestaande formu­lier in de katern op te nemen. De vragen uit de Liturgische Hand­rei­king vinden we in de voor­stellen niet meer terug. Even­min wordt in de toelichting nog zo boud beweerd dat het ideaal van één formu­lier tot het verleden behoort. De vragen zijn in deze orde, evenals in de Handrei­king, geplaatst in een orde voor de doop van volwasse­nen en hun eventuele kinderen. Die is qua struc­tuur vergelijk­baar met de beschreven orde voor de kinder­doop. In beide is bij­voor­beeld het element van de handop­legging opgeno­men. Bij het afleggen van openbare belijde­nis ligt het beslissende moment, net als in de eerste con­cep­ten, in het volgen van Jezus.

 

Het oordeel van de synode


De bespreking van het rapport door de synodale commissie III en het daarop volgende overleg met de deputaten zetten de toon voor de behandeling in de plenaire synode op 28 en 30 maart 1974.[134] Ettelijke besprekingen met de commissie waren nodig om op één lijn te komen, maar de commissie was vervolgens bereid zich geheel achter de voorstellen te plaatsen en het deputaatschap zodoende in bescherming te nemen.[135] De deputaten schreven op verzoek van de commissie een aanvulling op hun rapport en produceerden een nieuwe bijlage met de teksten van de orden. De orde voor de zondagmor­gen­dienst en de overige gewone orden hoefden nauwelijks gewij­zigd te worden. In de voorbereiding kreeg mogelijkheid I (zie boven) er een variant bij, zodat het evenwicht tussen oud (verootmoediging en wetslezing) en nieuw (Kyrie en Gloria) wat beter verdeeld was. Zelfs de princi­piële verandering in de over­gang van de dienst van het Woord naar de viering van het avondmaal leverde geen commentaar op. Vermoedelijk is het uiteindelijke besluit op dit punt dan ook niet bewust genomen.[136] Wel zou de synode in de besluitvorming over deze dienst met prediking en avondmaalsbedie­ning bezwaar aantekenen tegen de benaming 'hoofddienst' - die van Van der Leeuw afkomstig was - en wijzigen in 'orde van dienst'.[137] Naar het lijkt was de nodiging bij de avondmaalsvie­ring in de eerste versie van deputaten vergeten. In een aanvulling op de bijlage van het rapport krijgt die nu alsnog een plaats, maar een toelichting daarop ontbreekt. Toch betreft het hier een principiële wijziging. De nodiging gaat nu niet meer aan de communie, maar aan het geheel vooraf. Expliciet wordt nu uitgesproken, dat tot het avondmaal niet alleen het ontvangen van brood en wijn behoort, maar ook "dankbaar en gelovig (...) de gebeden te zeg­gen".[138]

Nam de synode de vernieuwingen in de orde van dienst vrij gemakkelijk over, met de dooporden had ze meer moeite. Die hadden deputaten dan ook uitgebreid toegelicht. Op de synode kwam de handop­leg­ging in de doopor­den onder druk te staan.[139] De synode zou slechts met een krappe meerderheid tegen een voor­stel stemmen dit element te verwijderen, maar het werd wel tussen haakjes geplaatst. Het groot­ste struikel­blok vormden echter de vragen, zowel die in de orde voor de kinder­doop, als die voor het afleggen van openba­re geloofs­belijde­nis (en volwasse­nendoop). Een compromis om niet alleen de nieuwe orde voor openbare geloofsbe­lijdenis op te nemen, maar ook het oude formu­lier kon niet aller onvrede wegne­men. Enkele leden van commissie III grepen naar het zware middel van een minder­heidsrapport om hun bezwaren onder de aandacht van de synode te bren­gen.[140] In de inleiding stellen ze nog eens uitdrukke­lijk geen moeite te hebben met de orden op zich, met het naast elkaar bestaan van orden en formulieren, of met de handop­legging. Toch menen ze dat in de orden het catechetisch moment meer ontwikkeld mocht zijn. Het accent in hun kritiek ligt op de nieuwe vragen, die inhou­delijk tekort zouden schieten. Er komt bij de kinderdoop onvol­doende in tot uiting dat het geloof betrokken is op de belijdenis van het gehele Woord van God. De notie over de zondigheid van de mens is verdwe­nen. Ook de belofte over het onderwijzen van het kind in de waarheid Gods zou te zwak zijn gefor­muleerd. In vergelijkbare zin zijn volgens de bezwaarden de vragen voor de openbare geloofsbe­lijdenis ten opzichte van de bestaande redactie verarmd. Ze stellen dat het onverstandig zou zijn, vragen in een ver­schillende redactie naast elkaar te laten bestaan. Dat zou polarisatie en verdeeldheid zoals in de Hervormde Kerk in de hand werken.


In de synode kregen de verontruste commissieleden enige medestanders. De deputaten meenden, dat de nieuwe vragen zich concentreerden op de wezenlijke elementen van het christelijk geloof. De verontrusten daarentegen vreesden, dat er ten opzichte van de gereformeerde leer zoals die in vroegere vragen was verwoord, sprake was van een reductie. Na een breedvoerige discus­sie slaagden zij er slechts op enkele onderdelen in, wijzigingen te bewerk­stelligen. Mede onder hun invloed kreeg in de orde voor de kinder­doop de zin "Omdat God de bondge­noot wil zijn van ons en onze kinde­ren, mogen ze gedoopt worden", die een inleiding vormde op de vragen, een klassieker klin­kende variant in "Omdat God zijn verbond heeft opgericht met ons en onze kinderen, behoren onze kinde­ren gedoopt te zijn."[141] Ook wisten de bezwaarden nog een aanscherping van de gelofte van de ouders aangaande de opvoeding van hun kinderen aangenomen te krijgen. Het voorgaan "op de weg ons gewezen door de Heer" werd aange­vuld met het "doen onderwij­zen in het Woord van God".[142]

Waarom was het verzet tegen de nieuwe dooporde zo sterk? Wie bijvoorbeeld de door deputaten voorgestelde inleiding op de vragen vergelijkt met het in 1961-62 vrijgegeven verkorte doopformulier, ontdekt een grote mate van inhoudelijke verwantschap. In dat formulier waren weliswaar de klassieke vragen nog opgenomen, maar de leerstellige uiteenzetting was aangaande de kinderdoop minder verplichtend en meer uitnodigend van karakter dan voorheen. Dat is ook de toonzetting van de inleiding op de nieuwe vragen. Tegen de inhoud van het verkorte formulier was indertijd nauwelijks geprotesteerd. Maar de omstandigheden waren nu anders dan toen. Voor het gevoel van de bezwaarden zal het ontbreken van vrijwel elke concrete reminiscentie aan de klassiek-gereformeerde doopleer tekenend zijn geweest voor de situatie van de Gereformeerde Kerken, waar het gezag van de belijdenis steeds sterker onder druk was komen te staan. In hun verzet verdedigden de bezwaarden dit gezag en probeerden ze het waar mogelijk te herstellen.


De synode besloot uit­ein­delijk op 30 maart 1974 de nieuwe orden met de vastgestel­de wijzi­gingen "voor­lopig te aanvaarden en vrij te geven voor gebruik in de ere­dienst".[143] Verder deed de synode nog eens een poging, de kerkera­den te bepalen bij het gebruik van "de aangewezen of vastge­stelde orden en formulieren" in de erediensten. De poging was halfslachtig, omdat ze tevens een ontsnap­pingsclausule bevatte voor de voorganger, die "meent op weloverwogen gronden in bijzondere gevallen van de vastgestelde liturgie af te moeten wijken". Wel moest hij of zij daarover dan tevoren overleg plegen met de kerkeraad. De in december 1974 ver­schenen katern gaf over de precieze omvang van die vastgestelde liturgie geen uitsluit­sel.[144] In de verant­woording valt, net als in het concept waarvan de synode kennis nam, te lezen: "Met uitzon­dering van de gebedsteksten in de formulieren voor doop en avondmaal zijn de in deze uitgave opgenomen gebeden en toonzet­tingen niet meer dan een voor­beeld."[145] Vervolgens wordt verwe­zen naar alternatieven in het Kerk­boek en de plannen die in de maak zijn voor een losbladig dienstboek. Worden met de "formulieren" alleen de formulie­ren bedoeld, of ook de orden? Als ook de orden zijn bedoeld, is dan met het avondmaal niet de gehele orde voor de zondagmor­gendienst in het geding? Moeten teksten gekozen worden uit de katern of het Kerk­boek, of mag men ook daarbui­ten bronnen aanboren? Alleen al de vaagheid in de formulering wijst erop, dat de intentie van deze aanwij­zing niet anders kan zijn geweest dan de kerken meer vrijheid te ver­schaffen.

 


In de katern ontvingen de Gereformeerde Kerken een verzameling van orden en formulieren, waarin vooral de nieuwe dooporde en in dat kader de nieuwe reeks belijdenisvragen opvielen. De keuze voor een dooporde die gerelateerd was aan een bepaalde (vroeg-christelijke) dooppraktijk in de paasnacht, had naast liturgische ook theologische consequenties, die typerend zijn voor de veranderingen die zich onder meer in de Gereformeerde Kerken aan het voltrekken waren. De aandacht verschoof langzaam van leer naar leven. Lag in het formulier uit 1961-62 nog alle accent op de rechtvaardiging door Christus, in de nieuwe dooporde verschuift dat naar de navolging van Christus. De paasnachtliturgie is dan ook afgestemd op volwassen dopelingen, die zelf bewust een keuze maken om hun oude levensstijl af te zweren en plaats te maken voor een nieuw leven met Christus. De nieuwe orde sloot daarmee, net als het Hervormde model in de Liturgische Handreiking enkele jaren tevoren, nauw aan bij de toenemende (her)waardering van de volwassenen­doop. Keerzijde van deze ontwikkeling was wel, dat onwillekeurig de orde voor de kinderdoop (weer) een afgeleide van die voor de volwassenendoop geworden was.[146] De klassieke verbondsgedachte, waarbij het geboren zijn uit gelovige (gereformeerde) ouders de basis vormde voor de kinderdoop, begon op de achter­grond te raken, al ging de Gereformeerde dooporde daarin lang niet zover als die in de Handreiking. Daar immers was het subject van de belijdenis verschoven van de doopouders naar de aanwezige gemeente. Deputaten eredienst waren daar blijkens hun voorstellen niet geheel afkerig van, maar zelfs in hun concept ging de variant waarin de ouders persoonlijk naar hun geloof gevraagd werd voorop. Bovendien was en bleef in de Gereformeerde Kerken de vraag aan de ouders over de christelijke opvoeding voorbehouden aan belijdende leden en moest die bevestigend worden beantwoord vóór de doopbediening. Dat lag anders in de orde voor de kinderdoop in Hervormde Handreiking uit 1975 - die qua inhoud bij de deputaten bekend was - waarin een waarborg vooraf niet nodig was en de vraag ná de doop gesteld werd. Het verbond spitste zich daar dan ook toe op Gods handelen, op Christus' wegdragen van de zonden der wereld. De Gereformeerde deputaten lieten in hun verantwoording na zelfs ook maar te zinspelen op een dergelijke fundering van de doop, vermoedelijk om heftige discussies op de synode te voorkomen. Zij konden het omzeilen door hun sterk historisch getinte benaderingswijze van de liturgie in het algemeen en door het zoeken van aansluiting bij de eigen traditie en de daaruit voortvloeiende praktijk in het bijzonder. Dat komt in het bijzonder tot uiting in de omgang met de Jordaan-passus in het zondvloedgebed. De auteurs van de Liturgische Handreiking hadden uit het weer opnemen van deze passages de nodige dogmatische conclusies getrokken. De deputaten hielden het daarentegen op de vaststelling, dat de bijbelse verbanden beter zichtbaar geworden waren: "Via zíjn doop loopt er door de Schriften een lijn van de zondvloed en de doortocht door de Schelfzee naar de christelijke doop. Bovendien is Jezus' doop een 'voorafbeel­ding' (prototype) van zijn dood en opstanding, waarin we door de doop betrokken worden."[147] Zo wil God bondgenoot zijn. De verbreding van het bijbels perspectief lijkt echter niet zozeer het gevolg te zijn van het invoegen van de Jordaan-passus in het zondvloedgebed, als wel van de basiskeuze voor de paasnachtliturgie. Als vanzelf is ook de fixatie verdwenen op de naar het model van de avondmaalsliturgie opgenomen instellingswoorden, die in concepten als die van de Gereformeerde Werkgroep gevonden werd. Ze zijn niet meer nodig, nu consequent is uitgegaan van het eigene van de doopliturgie.

Uit het voorafgaande wordt ook duidelijk, waarom de Gereformeerde deputaten de dooporden uit de Liturgische Handreiking niet onverkort wilden en konden overnemen. Het ging daarbij nog niet eens zozeer om een enkele passage als die in het zondvloedgebed die Gereformeerden te sacramenteel in de oren klonk: "Gij die (...) de Jordaan en daarmee àlle wateren (...) hebt gehei­ligd".[148] Veeleer was het gehele concept vreemd aan de beleving van de doop die aan het begin van de jaren zeventig in de Gereformeerde Kerken bestond. Als De Jong de bijdra­ge in de Liturgische Handrei­king over de volwas­senendoop in zijn docto­raalscriptie be­spreekt, besluit hij met de vraag: "zijn de nieuwe wegen die bewan­deld worden niet te ver van de oude paden verwij­derd? Het is moge­lijk ze dichter bij elkaar te brengen. Het is zelfs gewenst dat te doen. Het zal namelijk de structuur van de doop alleen maar ten goede komen. Die zal er doorzichtiger door worden."[149] Een en ander doet vermoeden, dat in de eerder beschreven breuk die in 1974 ontstond tussen het Gereformeerde deputaatschap en de Hervormde raad niet alleen misverstanden en verschillen in werkwijze hebben meegespeeld, maar dat daaraan ook uiteenlopende opvattingen ten grondslag hebben gelegen.[150]

Niet alleen de orde voor de kinderdoop, ook de andere orden in de katern sloten aan op de vragen die in de Gereformeerde Kerken waren opgekomen: over de verhouding tussen openbare geloofsbelijdenis en zowel kinder- als volwassenendoop enerzijds en openbare geloofsbelijdenis en kindercommunie anderzijds. Zo is bij de openbare geloofsbelijdenis de notie van het toegang vragen tot het heilig avondmaal verdwenen en is tegelijk een duidelijke schakel gelegd met zowel de kinder- als volwassenendoop. De laatste wordt nadrukkelijker dan voorheen een dopen op belijdenis. In relatie tot de eerste wordt duidelijk gemaakt, dat het niet de doop is die bevestigd wordt door de betrokkene, maar de eerder door de ouders gedane belofte.

 

 


11.3       Conclusies

 

Aan het begin van de jaren zeventig leefde in een belangrijk deel van de Gereformeerde Kerken de wens om de eredienst op een moderne wijze gestalte te geven. Her en der werden met het oog daarop experimenten ondernomen, waarin men zich in het geheel geen rekenschap gaf en ook niet wilde geven van de wijze waarop de eredienst in de loop der eeuwen gestalte had gekregen. De eenheid van liturgie, die in de argumentatie van voorgaande jaren van zo groot belang was geweest, en waarvan het Kerkboek ondanks alle gebreken een symbool had moeten zijn, was een ideaal uit het verleden geworden. De synode die in haar besluitvor­ming deze eenheid steeds had gepoogd te bevorderen, zag haar invloed op de plaatselijke praktijk verminderen. Het is Lammens geweest die theo­re­tisch en praktisch de basis legde om het eigentijdse, actuele aspect in de eredienst een eigen plaats te kunnen geven. Enerzijds behield de synode daarbij de taak de structuren aan te reiken, anderzijds was het overeenkomstig Kuypers visie ten volle de verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeente de liturgie in haar concrete situatie te vieren.

Het bleek ook voor het deputaat­schap eredienst onmogelijk om de veel­heid aan ontwikke­lingen te ontwar­ren, er een duidelijke lijn in te ontwa­ren en antwoorden te formuleren. Slechts onder de druk van de opdracht een katern samen te stellen, kon ze daarin slagen. Het lijkt niet toeval­lig, dat juist toen de contacten met de Hervormde Raad voor de Eredienst strandden. De Gereformeerde Kerken moesten hun oude idealen in nieuwe omstandigheden toetsen en keuzen maken, ook op liturgisch terrein. Eerst als daarover helderheid verkregen was, kon verder worden samengewerkt. De synode kon in de gegeven omstandigheden weinig anders doen dan toegeven aan de pluriformiteit die in de kerken groeide. Vrijwel algemeen was het gevoelen, dat men met de oude vormen zonder meer niet toekon. Sommigen meenden echter dat juist in de proeven voor de doop en de openba­re geloofsbe­lijdenis niet alleen de eenheid van belijden, maar ook het belijden zelf op het spel was gezet. Ze zouden het er daarom niet bij laten zitten, maar proberen de synode alsnog een andere koers te laten varen.

 



     [1]           Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1971-72 (Dordrecht), art. 433 (citaat).

     [2]           Vgl. Ibidem 1973-75 (Haarlem), art. 2.

     [3]           Plomp, Een kerk, 87 (citaat).

     [4]        Zie hierboven blz. 211v.

     [5]         Kerkbezoek, 12 (citaat).

     [6]         Ibidem, 4.

     [7]         G. Dekker, "Veranderingen rondom de kerkdienst", in: G. Dekker e.a., Wat vindt u van de kerkdienst?, Wageningen 1971, 9 - 23.

     [8]         GW 26 (1970-71), 35 (citaat). Vgl. ibidem, 26, 35v, 53v en 61v.

     [9]         Vrijwel gelijktijdig, in december 1970, verscheen bij het Landelijk Centrum Gereformeerd Jeugdwerk in de serie Op verzoek speciaal de uitgave Over de kerkdienst. Er ontstond een briefwisseling tussen een van de deputaten eredienst - later het gehele deputaatschap - en het centrum over de competentie om buiten de synodale kaders om een dergelijke publikatie te doen verschijnen (vgl. notulen DE d.d. 29 januari en 16 juni 1971 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155). Aan Hervormde zijde ontstond in het najaar van 1970 een vergelijkbare competentiestrijd tussen de RvE en het vormings­centrum Kerk en Wereld.

     [10]   Trouw, 26 november 1970.

     [11]   E. Pruim, "De kerkdienst op de korrel", in: Voorlopig 2 (1970), 258 - 261. Vgl. E. Pruim, Stop een zoutkorrel in uw kerkdienst. 54 alternatieve kerkdienst- en verkondigingsvormen (= Ter Sprake 7), Delft z.j.

     [12]   GW 26 (1970-71), 146 (citaat in deze en volgende regel), vgl. ibidem, 146v.. Vgl. verder een latere reactie van M.P. van Dijk (ibidem, 221).

     [13]   Ibidem, 172v. Vgl. ibidem, 214v. B.J. Aalbers (geb. 1929) stud. theol. Kampen 1947, Geref. pred. Bant 1954, Enschede 1958, Dronten 1962, Geldrop 1967, secr. raad van deputaten Samen Op Weg 1977-78 - 1991 (emer.).

     [14]   GW 26 (1970-71), 173.

     [15]   Ibidem, 220. Citaat in het vervolg van de alinea: ibidem, 173.

     [16]   Het gesprek met deputaten evangelisatie staat op 29 januari 1971, de proefparochies staan op 16 juni 1971 voor het laatst in de notulen vermeld (notulen DE resp. d.d. 29 januari en 16 juni 1971 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [17]   J. Hendriks en A.L. Rijken-Hoevens, De kerkdienst. Sociolo­gisch onderzoek naar opvatting en oordeel over de kerkdienst, Amsterdam 1976, 44 (citaat).

     [18]   Verkocht waren een kleine 177.000 exemplaren (J.S. Dienske aan P.G. Kunst d.d. 15 november 1972 - Archieven GKN eredienst, nr. 240). Per 1 januari 1973 bedroeg het aantal Gereformeerden volgens eigen opgaven net geen 880.000.

     [19]   Notulen werkgroep d.d. 30 augustus 1971 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [20]  Vgl. hierboven blz. 298.

     [21]   "Ervaringen met het nieuwe kerkboek" (J.B. Looijen) - RAU, Archief GWvL, nr. 288. Citaten in deze en de volgende alinea zijn uit dit stuk afkomstig.

     [22]   Bijvoorbeeld: CW 20 (1972), nr. 48, 7.

     [23]   Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1971-72 (Dordrecht), art. 15 (11 mei 1971) en art. 292. Vgl. voor het passeren van Lammens: GW 26 (1970-71), 349.

     [24]   Notulen sectie eredienst RvK d.d. 2 mei 1972 - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief. Zie verder ook hieronder blz. 316v.

     [25]   Vgl. Van de Kamp, "Liturgische bewustwording", 186 - 193.

     [26]   Lammens, Syllabus. De vierde druk biedt een overzicht van de herziene drukken: 2e dr. 1974 (literatuur­lijst herzien en uitgebreid), 3e dr. 1982 en 4e dr. 1984.

     [27]   Lammens, "Het eigene", 88 (citaat). Citaat volgende regel: ibidem.

     [28]   Vgl. hierboven blz. 290 - 293. Zie verder: notulen werkgroep d.d. 15 april 1969 en 10 januari 1972 - RAU, Archief GWvL, nr. 287; vgl. uiteenlopende verslagen van gesprek tussen de sectie liturgie en apostolaat en Lammens over de wense­lijkheid van een liturgische jaarorde (op 3 december 1970) van de hand van resp. J.H. Bavink, W. Krijger en G.N. Lam­mens - RAU, Archief GWvL, nr. 307.

     [29]   Notulen DE d.d. 8 september 1971 (citaat) (vgl. 29 januari 1971) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [30]  Vgl. bijvoorbeeld blz. 168 (Dijk en nieuwe ontwikkelingen) en 202v (GWvL).

     [31]   Lammens, "Het eigene", 94v.

     [32]   Resp. ibidem, 94v en 95 (citaat).

     [33]   Ibidem, 95 - 100.

     [34]   Ibidem, 99 (citaat).

     [35]   Ibidem, 100 (citaat).

     [36]  Vgl. met name Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 224 - 235.

     [37]  Lammens, Liturgische jaarorde, 16 (citaat).

     [38]   Lammens, Syllabus, 14.

     [39]   Ibidem, 15.

     [40]   Vgl. hierboven blz. 147vv. Vgl. Van de Kamp, "Liturgische bewustwording", 192v.

     [41]   Lammens, Syllabus, 11.

     [42]   Ibidem, 16v.

     [43]   G.N. Lammens, Liturgie en massamedia (= Kamper Cahier 24), Kampen 1974.

     [44]   G.N. Lammens, J. Pasveer, N. Schuman, Vespers vieren. Beschou­wingen over Teksten en Muziek van Zes Televisievespers, Kampen 1974, 10 (citaat).

     [45]   Ibidem, 19 (citaat).

     [46]   Ibidem (citaat).

     [47]   Vgl. Smilde, "De gemeentezang", 145.

     [48]  Zie hierboven blz. 288vv.

     [49]   Anders dan alle andere nachten. Een vijftal zondagavondpro­gramma's over de paasnachtvie­ring, z.j. z.p. Helaas ontbreekt een pagine­ring. De citaten elders in de alinea zijn afkomstig uit de vijfde uitzen­ding. De programma's werden uitge­zonden op de zondagen van 21 februari tot en met 21 maart. Pasen viel in 1971 op 11 april.

     [50]   Vgl. De adem van het jaar - paaskring, 111v.

     [51]   Deze en de volgende alinea zijn gebaseerd op ­stukken uit de nalatenschap van Fr. de Jong - particulier bezit K.W. de Jong.

     [52]  Over een eventuele ontwikkelingsgang valt bij gebrek aan gegevens over zijn bijdrage aan deze collegereeks helaas niets te zeggen. Zie verder hieronder vanaf blz. 330.

     [53]   Aantekeningen en fotokopieën, gemaakt in het voorjaar van 1989 bij onderzoek van het Archief IKOR (IKON Hilversum), van de notulen Ronde Tafel Conferentie d.d. 14 januari 1972 - particulier bezit K.W. de Jong. Deze stukken zijn in het thans geordende en geïnventariseerde archief niet terug te vinden (HDC, Amsterdam). De notulen van de vergadering d.d. 12 november 1971 ontbraken ook in 1989 al. In de archieven van andere betrokken omroepen als CvK, KRO/RKK, NCRV en VPRO bleken stukken van de Ronde Tafel Conferentie niet te traceren.

     [54]   Bijlage 8 bij: agenda RvK d.d. 24 maart 1972 - RvK Amersfoort, Archief. Blijkens een aanteke­ning op de bijlage is ze op 29 februari 1972 op het bureau van de RvK ontvangen.

     [55]   Vgl. daartoe: notulen RvE-DE d.d. 25 november 1971 - RAU, Archie­ven GKN eredienst, nr. 170; notulen werkgroep d.d. 10 januari 1972 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [56]   Lammens zelf meende, of suggereerde althans al in een vroeg stadium dat dit het geval was (notulen Ronde Tafel Conferentie d.d. 31 mei 1972 - zie hierboven noot 53).

     [57]   De eerste keer is hierover in de RvK gesproken op 12 maart 1971 (Besluiten moderamen d.d. 18 februari 1971 - RvK Amersfoort, Archief). Een gesprek met het bestuur van de stichting vond in het najaar plaats (Mededelingen moderamen d.d. 29 oktober en 1 november 1971 - RvK Amersfoort, Archief).

     [58]   Resp. notulen RvK d.d. 17 december 1971 - RvK Amersfoort, Archief; notulen sectie eredienst RvK d.d. 2 mei 1972 - Sectie ere­dienst RvK Zeist, Archief. Formeel speelde mee, dat zich onder de voorzit­ters van de andere secties nog geen Gereformeerde afgevaardigde bevond.

     [59]   Notulen sectie eredienst RvK d.d. 6 juni, 22 augustus, 10 oktober en 5 december 1972, 23 januari 1973 - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief.

     [60]   "Met uw instemming", in: Eredienst 7 (1973), 72 - 77.

     [61]  Zie hieronder vanaf blz. 352.

     [62]   Notulen werkgroep d.d. 31 augustus 1970 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [63]   Notulen moderamen synode d.d. 3 december 1970 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1100; notulen DE d.d. 29 januari 1971 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155. Helaas is de brief niet in de archieven bewaard gebleven. Vermoedelijk koos het moderamen deze wijze van behandelen, omdat de zaak niet op meerdere vergaderingen aan de orde was geweest.

     [64]   Notulen DE-RvE d.d. 7 september 1972 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 170.

     [65]   Vgl. notulen DE d.d. 16 juni 1971 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155. Vgl. verder notulen werkgroep d.d. 30 augustus 1971 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [66]   De Jong en Scheeres bezochten bijvoorbeeld als deputaten eredienst naar aanleiding van Orden voor de eredienst een vergadering van de Liturgi­sche Kring (notulen Liturgische Kring d.d. 2 september 1968 - Secretariaat Liturgische Kring Amsterdam, Archief).

     [67]  Notulen werkgroep en Liturgische Kring d.d. 4 januari 1971 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [68]   Ledenlijsten 1968 en 1973 - RAU, Archief GWvL, nr. 295. Alleen de sectie liturgie en apostolaat zorgde voor nieuwe leden, maar juist deze sectie ging in de loop van 1972 ter ziele (vgl. ook hierboven blz. 290 - 293).

     [69]   Notulen RvE d.d. 22 januari 1970 (citaat) - Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst van de Nederlandse Hervormde Kerk, Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (= SO Eredienst) te Driebergen, Archief.

     [70]   De moderamina van de Gereformeerde en de Hervormde synode aan deputaatschappen resp. raden, commissies en instituten d.d. 10 november 1970; notulen RvE d.d. 26 november 1970 - SO Eredienst Driebergen, Archief. Vgl. voor het initiatief dat in 1968 als Hervormd-Gereformeerd jongerenproject met de naam 'Samen op weg' startte: Plomp, Een kerk, 22.

     [71]   Notulen RvE d.d. 25 januari 1971 - SO Eredienst Driebergen, Archief; notulen DE d.d. 29 januari 1971 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [72]   Notulen DE d.d. 16 juni 1971 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [73]   Rasker, Ned. Herv. Kerk, 364vv; Plomp, Een kerk, 144v en 147vv.

     [74]   Notulen DE d.d. 17 oktober 1972 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [75]   In een vergadering van de interkerkelijke gezangencommissie werd de uitgave van een katern in eerste instantie gesuggereerd met het oog op de Lutherse liturgie (notulen gezangencommissie d.d. 21 februari 1969 (vgl. d.d. 23 oktober 1968 en 14 januari 1969) - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 10). In een volgend stadium ging de RvE rekening houden met de noodzaak ook ten behoeve van de Hervormde eredienst een katern op te stellen (notulen RvE d.d. 10 september 1969 - SO Ere­dienst Driebergen, Archief). Overleg met het moderamen van de Hervormde synode leidde uitein­delijk tot de opdracht daar toe over te gaan. (Moderamen Hervormde synode aan RvE d.d. 19 november 1969 - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 12). De raad ging met het samenstellen van een katern akkoord mits de Heidel­bergse Catechismus en de kerkorde niet hoefden te worden opgenomen (notulen RvE d.d. 22 januari 1970 - SO Eredienst Drieber­gen, Archief).

     [76]   Bijlage ten gebruike in de eredienst van de Nederlandse Hervormde Kerk, z.p. z.j.

     [77]   Notulen RvE d.d. 13 mei 1971 (citaat) - SO Eredienst Drieber­gen, Archief.

     [78]   RvE aan de Commissie van Rapport (generale synode) d.d. 24 januari 1972 (citaat) - ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 5.

     [79]   Notulen comité-zittingen synode van Haarlem 1973-75, art. 2 en 3 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1222. Zie verder hieronder vanaf blz. 325.

     [80]  Het deputaatschap bestond uit B.J. Aalbers, K. Bisschop, P. de Bruijn, J.Th. Heemskerk, Fr. de Jong, K. de Jong Ozn., G.N. Lammens, A.G. Luiks, W.H. Melles, J. Pasveer, W.G. Schee­res, H.M. Schen­ke­veld en B. Smilde (cursief = lid GWvL). Twee deputa­ten die meegewerkt hadden aan het Liedboek bedankten in deze tijd, O. Jager en M. Voorberg, alsmede E. Pijlman. Ongeveer de helft van de deputaten werkte actief mee en toonde betrok­kenheid door geregelde deelname aan de vergaderingen.

     [81]   Fr. de Jong aan M.J.G. van der Velden d.d. 14 mei 1974 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 158. Hoe verschillend de beide partijen tegen de misverstanden aankeken en van hun eigen gelijk overtuigd waren, illustreert het volgende. De Jong vertelt van een telefoontje van de secretaresse van Lazonder in het najaar van 1973 en stelt: "Ze vroeg of wij iets voor de agenda hadden. Wij hadden op dat moment niets. Even later ontvingen we toen een berichtje, dat vertelde dat de geplande vergadering niet doorging." Aan Hervormde zijde meende men: "Na vorig jaar nog contact te hebben gehad met de secretaresse van ds Lazonder, waarbij besloten werd de geplande vergadering niet door te laten gaan, (...) hebben zij daarna niets meer vernomen." (notulen RvE d.d. 21 mei 1974 - SO Eredienst Driebergen, Archief)

     [82]  M.J.G. van der Velden aan Fr. de Jong d.d. 5 september 1974 (ci­taat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 158.

     [83]   Voorstel opzet Eredienst van A.G. Soeting d.d. 25 februari 1971; A.W. Lazonder aan W.G. Scheeres d.d. 11 juni 1971 - beide stukken: ARA II, Archief NHK, Eredienst, nr. 6. In 1973 werd B.J. Aalbers op persoonlijke titel lid van de redactieraad, maar hij bedankte enkele jaren later als deputaat voor de eredienst. Pas met ingang van jaargang 16 (1982) werd het Gereformeerde deputaat­schap officieel medeverantwoordelijk.

     [84]  Vgl. voor eventuele verschillen van inhoudelijke aard tussen raad en deputaatschap hieronder blz. 336v.

     [85]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1971-72 (Dordrecht), art. 171 (citaat) (vgl. ibidem, art. 76 en bijlage 30).

     [86]   Ibidem 1973-75 (Haarlem), art. 44 en 224.

     [87]   Rapport commissie II betreffende B II 26 en 72 d.d. 17 septem­ber 1974 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1268.

     [88]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1973-75 (Haarlem), art. 274 (citaat). Vgl. ibidem, art. 254; ibidem 1969-70, art. 307.

     [89]   Vgl. hierboven blz. 300 (Gereformeerde synode) en 319 (Hervormde raad). Bijvoorbeeld: notulen DE d.d. 8 september 1971 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155; notulen DE-RvE d.d. 27 januari 1972 - SO Eredienst Driebergen, Archief.

     [90]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1971-72 (Dordrecht), art. 294 (vgl. ibidem, art. 129, 136 en 172, alsmede bijlage 51).

     [91]   Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1979-80 (Delft), art. 300 en ibidem 1981-82 (Bentheim),  met name art. 137 (vgl. verder ook art. 138, 141, 148, 202 en bijlage 40).

     [92]  Vgl. bijvoorbeeld het overzicht in: Dekker, De stille revolutie, 127.

     [93]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1971-72 (Dordrecht), art. 146 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage 53..

     [94]   Notulen DE d.d. 8 september 1971 (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [95]   Kunst, Kerkzang, 183 - 187; Overbosch, "Hoe de 491 gezangen", 1316v; Steenhuis, "De Gereformeerden", 67v en bijlage 3, 6vv.

     [96]   Overbosch, "Hoe de 491 gezangen", 1317 en 1320v. Vgl. Steen­huis, "De Gereformeerden", bijlage 3, 7 en 9.

     [97]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1971-72 (Dordrecht), art. 311 (citaat) (vgl. ibidem, bijlage 101).

     [98]  Vgl. hierboven blz. 302.

     [99]   P.G. Kunst aan de synode d.d. 25 april 1972 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1183 (B III 6). Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1971-72 (Dordrecht), art. 378.

     [100] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1971-72 (Dordrecht), art. 402 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage 127.

     [101] W.P. de Gaay Fortman, B. Roolvink en P.J. Verdam aan de generale synode van de GKN d.d. 25 april 1973 (het citaat in deze en in volgende zinnen van deze alinea zijn uit dit stuk afkomstig) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1231 (B III 14).

     [102] Notulen comité-zittingen synode van Haarlem 1973-75, zowel art. 2 als 3 (citaat) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1222.

     [103] Moderamen synode van Haarlem aan P.G. Kunst d.d. 2 juli 1973 (citaat in deze en volgende zin); vgl. tevens K.J. Schaafsma aan dezelfde d.d. 18 juni 1973 - beide: RAU, Archieven Synodale Vergaderin­gen GKN, nr. 1260.

     [104] De summiere notulen van het moderamen maken hiervan geen melding (notulen moderamen synode d.d. 29 juni 1973 - RAU, Archieven Synodale Vergaderin­gen GKN, nr. 1224).

     [105] Notulen comité-zittingen synode van Haarlem 1973-75, art. 2 (citaten) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1222.

     [106] Moderamen synode van Haarlem aan P.G. Kunst d.d. 2 juli 1973 (citaat) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1260.

     [107] P.G. Kunst aan commissie van goede diensten d.d. 25 januari 1973 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 240.

     [108] Notulen DE d.d. 31 augustus 1973 en 30 oktober 1973 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155. Vgl. verder: Circulaire van P.G. Kunst (samenroeper katerncommissie) d.d. 1 september 1973; W.H. Melles (deputaat eredienst) aan P.G. Kunst d.d. 26 september 1973 en P.G. Kunst aan W.H. Melles d.d. 5 oktober 1973 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1255.

     [109] Vgl. J.S. Dienske aan moderamen synode d.d. 5 februari 1974 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1256.

     [110] Notulen moderamen synode d.d. 2 november 1973 - RAU, Archieven Synodale Vergaderin­gen GKN, nr. 1224.

     [111] Vgl. notulen moderamen synode d.d. 20 februari 1974 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1224.

     [112] Vgl. notulen DE d.d. 19 juni 1973 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [113] "Rapport van de deputaten voor de eredienst 1973" (met bijla­ge; afgekort: Rapport eredienst 19731) - RAU, Archie­ven Synodale Vergaderingen, nr. 1231 (B III 3).

     [114] Vgl. hierboven blz. 272v. De Proeve zou in dit opzicht wel weer eens afhankelijk kunnen zijn van de orde in het Dienstboek der Evangelisch-Lutherse Kerk (V).

     [115] Bijlage rapport 19731 (citaat). Vgl. hierboven blz. 255, 258 en 295 (hieronder blz. 333v). Vgl. voor de avondmaalsviering in dit proefschrift verder bijlage F.

     [116] Vgl. Rapport eredienst 1965, 46v.

     [117] Rapport eredienst 19731.

     [118] Ibidem (citaat). Vgl. voor deze combinatie hierboven blz. 243 en 263.

     [119] Zie hierboven blz. 281 - 286 en 315v.

     [120] Notulen DE d.d. 31 augustus 1973 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155. "Enkele voorlopige kanttekeningen betr. een nieuwe doopliturgie" - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156. Citaten in het vervolg van deze alinea zijn uit het laatste stuk afkomstig.

     [121] In de Rooms-Katholieke Kerk achtte men onderricht eveneens gewenst en beval men doopgesprekken ook aan (vgl. hierboven blz. 268).

     [122] Voorlopige agenda DE d.d. 28 november 1973 (tezamen met notulen DE d.d. 30 oktober 1973) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156.

     [123] Rapport eredienst 19731.

     [124] Is dit afkomstig van Lammens? De Jong maakt er in zijn docto­raal-scriptie bij een opsomming van de elementen geen melding van (Fr. de Jong, "Water en Geest - naar een nieuwe doopliturgie?" (niet uitgegeven scriptie Vrije Universiteit Amsterdam, afd. theologie, 1974), VI,5).

     [125] Vgl. W.R. van der Zee aan Fr. de Jong d.d. 3 december 1973 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156. W.R. van der Zee (1930 - 1995), Herv. pred. Hoogkarspel-Lutjebroek 1957, Rotterdam (jeugdpred.) 1962, 's-Gravenhage 1968, secr. RvK 1987. Van der Zee ontplooide zich op tal van terreinen, was lid van de Liturgische Kring en publiceerde veel liturgisch materiaal.

     [126] Rapport eredienst 19731 (citaat).

     [127] De Jong, "Water".

     [128] G.N. Lammens en Fr. de Jong, Kanttekeningen bij de katern. Toelich­ting op de orden voor de eredienst van de Gereformeerde Kerken in Neder­land, Kampen 1975. Zie met name ibidem, 33 - 61.

     [129] De Jong, "Water", VI,1 (citaat, evenals citaat volgende regel).

     [130] Hand. Syn. Herv. Kerk 1971 (microfiche), I, 55 - 66 en 383 - 394.

     [131] W.H. Melles aan het DE - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156. De citaten uit deze alinea zijn uit dit stuk afkomstig. Voor de vragen uit de Liturgische Handreiking, vgl. hierboven blz. 271v en bijlage E.

     [132] Rapport eredienst 19731; Bijlage rapport eredienst 19731.

     [133] Vgl. notulen DE d.d. 31 augustus 1973 en agenda DE d.d. 28 november 1973 (tevens notulen DE d.d. 30 oktober 1973) - RAU, Archieven GKN eredienst, resp. nr. 155 en 156.

     [134] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1973-75 (Haarlem), art. 197, 199, 200 en 214.

     [135] Rapport van commissie III over Rapport eredienst 19731 en de aanvulling daarop (= Rapport eredienst 19732) en hun respectievelijke bijlagen d.d. 13 maart 1974 - RAU, Archieven synodale vergaderingen, nr. 1268.

     [136] Vgl. Van der Laan, "De zondagmorgendienst", 233vv.

     [137] Hand. Gen. Syn. Geref. Kerken 1973-75 (Haarlem), art. 214 (vgl. ibidem, art. 199). Vgl. voor de term: Van der Leeuw, Liturgiek, 132v.

     [138] Bijlage rapport eredienst 19732 (citaat).

     [139] Vgl. Rapport eredienst 19732.  

     [140] Minderheidsrapport van commissie III over Rapport eredienst 19731 en Rapport eredienst 19732 en hun respectievelijke bijlagen d.d. 14 maart 1974 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1268.

     [141] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1973-75 (Haarlem), art. 214 (citaat; curs. KWdJ).

     [142] Ibidem (citaten).

     [143] Ibidem (citaat in deze en in de volgende zin). Vgl. de bijlagen D (orde voor de kinderdoop) en E (belijdenisvragen).

     [144] Vgl. Orden van dienst en Heidelbergse Catechismus voor gebruik in de erediensten van de Gereformeer­de Kerken in Nederland, z.p., z.j. [1974].

     [145] Ibidem, 1 (citaat).

     [146] Vgl. G.M. Lukken, "De theologie van het doopsel na Vaticanum II: accentverschuivingen en lacunes", in: Tijdschrift voor Liturgie 73 (1989), 338 - 348, met name 343.

     [147] Lammens, Kanttekeningen, 47 (citaat).

     [148] LH, 2-49 (citaat). Vgl. hierboven blz. 271 (cie. dienstboek) en 284 (GWvL).

     [149] De Jong, "Water", V,7 (citaat).

     [150] Vgl. hierboven blz. 319 - 322.