12.       In oecumenische verbanden (1974 - 1978)

 

 

De diepgaande veranderingen die de Gereformeerde Kerken in Nederland op tal van terreinen doormaakten, waren in de tweede helft van de jaren zeventig niet meer te stoppen.[1] Typisch Gereformeerde kenmerken begonnen te verdwijnen. De nadruk op de leer vermin­derde, de twijfel over de mogelijkheden en het nut van de leertucht groeiden, mede ten gevolge van het verloop van de kerkelijke procedures tegen H.M. Kuitert en H. Wiersinga. De individuele geloofsbeleving werd be­langrijker. Ver­schillende vormen van spiritualiteit kregen steeds duidelijker gestalte. De Schrift bood nog wel de hoog­ste norm, maar de omgang met de Schrift wijzigde zich: de toepassing van de Schrift werd minder direct. Ethische vraag­stukken kregen een pastoraal karak­ter. De synode stelde zich in haar besluitvor­ming terughouden­der op. Dat kon ook eigen­lijk niet anders in een kerkgenoot­schap waarin men steeds diverser over tal van zaken betref­fende kerk, geloof en samen­leving ging denken en waarin dat ook legitiem werd ge­acht.

De veranderingen in de eredienst waren navenant. Het duidelijkst werd dat misschien nog wel in de synodale opstelling met betrekking tot de tweede dienst. De kerkordelijke bepaling dienaangaande wilde de synode van Maastricht 1975-76 weliswaar handhaven, maar een leerdienst hoefde het niet meer per se te zijn en de thematiek hoefde derhalve niet meer aan de Heidel­bergse Catechismus ontleend te worden. Met het verlaten van het eigen Gereformeerde spoor nam de samenwer­king tussen het deputaatschap eredienst en de Hervormde Raad voor de Eredienst toe. Dat kostte na de breuk in de jaren 1973-75 aanvankelijk wel de nodige inspanning, maar leidde uiteindelijk toch tot de nodige tastbare resultaten. De Hervormde en Gereformeerde synode namen in een gezamenlijke vergade­ring in het najaar van 1976 het besluit, dat elk opdracht zou geven "een gemeenschap­pelijk dienstboek te ontwerpen en zorg te dragen voor gemeen­schappe­lijke hand­reikingen aan de gemeente op het gebied van de eredienst."[2] Het in 1978 versche­nen en aan de Gerefor­meerde synode voorge­legde boekje "Onze hulp" toont aan, dat optimisme over de mogelijkheden van een gezamenlijk dienstboek gerecht­vaardigd was. Het bleek zelfs moge­lijk de liturgi­sche samen­wer­king in oecu­me­nisch verband te verbre­den en verder uit te bouwen. Gerefor­meerde afgevaardig­den partici­peerden in de ontwikkeling van­­ De eerste dag - 'leesrooster van de Raad van Kerken' - dat eveneens in 1978 een synodale aanbeve­ling verkreeg. Het jaar 1978 markeert zodoende de afsluiting van een periode waarin de Gereformeerde Kerken in liturgisch op­zicht min of meer zelfstandig opereer­den, en het begin van een tijdperk waarin over­leg en samenwerking de trefwoorden zijn.


Het jaar 1978 bracht ook voor Lammens een keerpunt. Hij werd ernstig ziek; ondanks tijdelijk herstel zou hij zich nooit meer zo kunnen ontplooien als voorheen. Zijn leidende en initiërende rol in de liturgische ontwikkelingen was daardoor zo goed als uitgespeeld. De Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie kon zijn taak niet meer overnemen, doordat ze, na een enigszins noodlij­dend bestaan in de voorgaan­de jaren, in de zomer van 1977 werd opgeheven. De liturgische bezinning in Gereformeerde kring verlegde zich naar het deputaatschap eredienst, al dan niet in samenwerking met anderen.

 

 

12.1       Het einde van een specifiek Gereformeerde benadering van de liturgie

 

De invoering van het Liedboek voor de kerken in de Gereformeerde Kerken verliep voorspoedig. Al in een jaaroverzicht over 1973 had J. Plomp kunnen melden: "In het algemeen kan men zeggen dat in onze kerken het Liedboek met een zekere vlotheid vrijwel algemeen in gebruik genomen is."[3] B. Smilde voegt daar in zijn beschrijving van de geschiedenis van de Gereformeerde gemeentezang vragend aan toe: "Of het in alle gemeenten even intensief gebruikt wordt?"[4] Er werd in ieder geval veel gedaan om de protestantse kerken het Liedboek aan te leren. De Van der Leeuwstichting gaf een set grammofoonplaten uit, waarop bijna de helft van de gezangen werd voorgezongen. De media begeleidden de invoering van het Liedboek met het project 'lied van de week'. Plaatse­lijk werd er voor de dienst geoefend, soms met behulp van een zanggroep of cantorij. Daarbij hadden de Gereformeerde kerken een kleine voorsprong op de Hervorm­de gemeenten die het Lied­boek invoer­den, doordat zij in de Honderdnegentien gezangen al met een deel van de herziene gezangmelodieën hadden kunnen kennismaken. Toch is het vraagteken van Smilde niet misplaatst, zoals blijkt uit gegevens van de Gereformeerde kerk te Sprang.[5] Deze gemeen­te begon het Liedboek weliswaar pas twee jaar na de synodale goedkeuring te gebruiken - 6 april 1975 - en zal daarom wel een wat behoudende inslag hebben gehad, maar daar staat tegenover, dat een relatief grote groep predikanten de gezangen opgaf, aange­zien de gemeente in de onderzochte periode van drieëneen­half jaar vacant was en aangewezen op gastvoorgangers. Tweeder­de van de gezangen werd minder dan normaal of helemaal nooit gezongen. Slechts 29 van de 491 gezangen werden bijzonder vaak gezongen. Het overgrote deel daarvan, te weten 25, was echter ook al te vinden in de Honderdnegentien gezangen. Het Liedboek werd in deze eerste fase na de introductie selectief gebruikt. Het kostte gemeenten en predikanten tijd om zich de vele nieuwe gezangen die erin stonden eigen te maken.   


Binnen een jaar na het verschijnen van de katern, eind 1974, werden er ongeveer 165.000 exempla­ren van verspreid.[6] Dat waren er weliswaar enkele tienduizenden minder dan er van het Kerk­boek verkocht waren, maar de daarover gepresenteerde cijfers in het vorige hoofdstuk hadden dan ook betrekking op een wat langere periode. De katern was bovendien niet in de boekhandel ver­krijgbaar, maar werd via de plaatselijke kerken gedistribueerd. Blijkbaar was in de eerste helft van de jaren zeventig onge­veer een op de drie à vier Gerefor­meerde kerkgan­gers zo ge­ïnteres­seerd in de liturgische gang van zaken, dat hij het de moeite waard vond om daarvoor een Kerk­boek of katern aan te schaffen. Ter aanvulling kan daarbij gewezen worden op een onder­zoek dat in 1975 werd uitgevoerd en op dit punt een zekere indicatie biedt, al pretendeerde het wat dit betreft beslist niet representatief te zijn. Onge­veer 40 % van de respon­denten was het eens met de stelling: "De liturgische vormge­ving van een kerk­dienst moet volgens een vastge­stelde orde verlopen".[7] Het zal in dit verband niet verbazen, dat liturgische experimenten nauwelijks meer nieuwswaarde hadden. Daarvoor waren ze te algemeen ge­bruikelijk en geaccepteerd gewor­den.


Hoe de katern inhoudelijk in de kerken gewaardeerd werd, valt niet precies te zeggen. De kerkeraden gaven met bijna honderd reacties aan de synode van Maastricht 1975-76 in ieder geval blijk van een hoge mate van betrokken­heid. Commissie III verwerkte tachtig reacties die voor de sluitingsdatum waren binnen­gekomen in haar rapport.[8] Daarbij was ongeveer 10 % van het aantal kerken en classes bij betrokken. Dat aantal is belang­rijk hoger dan bijvoor­beeld bij de orden van dienst die de synode van Middelburg 1965-66 vrijgaf, toen slechts één parti­culiere synode de moeite nam, namens een aantal kerken in haar ressort van haar gevoelen blijk te geven. Onge­veer een kwart van de brief­schrijvers had een positief oordeel over de katern, iets minder dan de helft van de brie­ven had een afwij­zende teneur, terwijl ruim een kwart neutraal van toon was. De aard van de reacties, en in samenhang daarmee de hoeveelheid, werd mede bepaald door de nog steeds gespannen situa­tie in de Gereformeerde Kerken. Zo was er een zekere gevoelig­heid voor de kerkrechtelijke kant van de zaak: hadden de proeven niet eerst aan het oordeel van de mindere vergade­ringen onderworpen moeten worden en hadden ze wel in een officiële synodale uitgave als de katern mogen worden opgenomen? Verder leefde de wens om duide­lijkheid te verkrijgen over actuele vraagstuk­ken als de ver­houding tussen kinder- en volwassenendoop en het door H. Wiers­inga aan de orde gestelde probleem van de verzoe­ning. Over het geheel genomen moest de commissie van rapport vast­stellen: "Veel zaken die naar voren werden gebracht - zo niet bijna alle! - zijn ook reeds ter sprake geweest op de synode van Haarlem." Dit gold wel in het bijzonder voor het confes­si­oneel gehalte van de vragen bij doop en belijdenis, waar nogal wat kritische kanttekeningen bij werden geplaatst. De brieven maken duide­lijk, dat in veel gevallen het ver­schil in karakter tussen een orde en een formulier niet werd aangevoeld. Dat geeft met terugwerkende kracht ook te denken over de omgang met de orde voor de avondmaalsviering die indertijd in Middelburg was vastgesteld. Ten aanzien van de negatief-kriti­sche brieven stelde commis­sie III: "Uit de ingekomen brieven blijkt duide­lijk: de proeven zijn (algemeen gesproken) niet gebruikt!" De commissie ver­moed­de dat de kerken die positief oordeelden door­gaans de synode daar niet of in het beste geval vertraagd van in kennis stelden. Ze had ook nog kunnen wijzen op de beperkte verkrijgbaar­heid van de katern, die kennisname ervan bemoeilijkte, aangezien de plaat­selijke kerke­raden zich niet alleen moesten uitspreken over de inhoud, maar ook verantwoordelijk waren voor versprei­ding en verkoop. We zagen hierboven reeds, dat de cijfers vergele­ken met die van het Kerkboek beslist niet tegenvielen. Toch zal een belangrijk deel van de Gereformeerde Kerken in de eerste jaren na het verschijnen van de katern omzichtig zijn omge­gaan met het nieuwe dat erin stond.

 

De Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie trad steeds verder naar de achter­grond. In de jaren 1974 tot en met 1977 vond telkens in de maand januari een eigen vergadering plaats. Zo nu en dan kwam de werkgroep daarnaast nog eens samen met de Liturgische Kring. De onderwerpen van de laatste eigen vergaderin­gen illustreren, waarom er eigenlijk geen basis meer bestond voor het zelfstan­dig voortbestaan van de werk­groep. Op 14 januari 1974 vergaderde de werkgroep in het multifunctio­neel interkerkelijk centrum 'De Bron' te Alphen a/d Rijn. Ze kwam daar voor een inleiding van de man achter dit gebouw: Ingwersen.[9] De architect, deputaat kerkopbouw en werkgroeplid, vertelde over zijn ont­werp. De tijd van exclusief Gere­for­meerde kerkgebouwen met de daarbij behorende eigen vragen hoorde zo goed als tot het verleden. 'De Bron' was als inter­kerkelijk pro­ject daar een goed voorbeeld van. Het kon bovendien model staan voor een andere ten­dens. Het nieuwe kerkge­bouw was in veel plaatsen in Neder­land kerke­lijk centrum gaan heten, goed voor multifuncti­oneel gebruik. Ingwersen verdedig­de deze doelmatige benade­ring, al bleef hij de voor­keur geven aan een eigen ruimte voor de eredienst. De verande­rende posi­tie van de kerk in de Neder­landse samenleving en de verande­ringen in het kerkelijk leven zelf noopten tot deze nieuwe koers. De complexiteit van de kerkbouwproblematiek was hier­door toegenomen. De discussie, voorzover ze gevoerd werd, had zich verlegd naar organen, zoals de kring 'Kerkbouw en Eredienst' van de Van der Leeuwstichting. De werkgroep restte niet anders dan te luisteren en de ontwikkelin­gen te volgen.

Een jaar later, op 6 januari 1975, was de Lutherse predikant W. Bleij bij de werkgroep te gast.[10] Hij verzorgde een inlei­ding over de Thora-lezingencyclus, zoals die in de Amster­damse Matinen, een opvolger van de Nocturnen, ontwikkeld was. Daarnaast zette hij uiteen, hoe onder leiding van J.P. Boendermaker onderzoek verricht werd naar Luther's omgang met het Oude Testament in de prediking. Ook voor deze lezing gold, dat de werkgroep als zodanig alleen maar kon luisteren. Typerend is de reactie van de voorzitter, De Vries: "het gaat er niet zozeer om, om knopen te ontwarren, dan wel te zien hoe ze in elkaar zitten."[11] Al veel eerder had de werkgroep vastgesteld, dat de zaak van het leesrooster een interkerkelijk karakter droeg. Het zou binnen oecumenische kaders moeten worden uitgewerkt. De werkgroep zelf had daar hoegenaamd geen invloed op.


Een iets ander karakter had het onderwerp voor de vergadering van 17 januari 1976, maar ook hierin was de speelruimte voor eigen activiteiten van de werkgroep beperkt.[12] Pasveer zette in een rede met de werktitel "De hedendaagse balans van de kerk­muziek" uiteen voor welke nieuwe uitdagingen de kerkmuziek in de Gereformeerde Kerken stond met de verschij­ning van het Liedboek.[13] Het volgen van nieuwe ontwikkelingen en het formuleren van ant­woorden komt in deze lezing in eerste instantie aan professio­nele organisaties toe. Genoemd worden de GOV en de pas opge­richte sectie kerkmuziek van het deputaatschap eredienst, maar ook aan de media, in het bijzonder de omroepen, wordt in dezen een belangrijke rol toebedacht. Bij dat alles zou samenwerking met andere kerken voorop moeten staan. Al werd dat met zoveel woorden niet door Pasveer uitgesproken, voor de werkgroep was in dit geheel geen functie meer weggelegd. Samen met de GOV deed ze enkele weken later Orgelbegelei­dingen bij de katern van de gereformeerde kerken het daglicht zien, maar absoluut noodza­kelijk was haar deelname in deze uitgave niet, al had ze er dan het initiatief toe genomen.[14]


In het bestuur van de werkgroep groeide de overtuiging, dat de werkgroep op de bestaande basis niet kon worden voortgezet. De deelname aan de vergaderingen was de laatste jaren steeds laag geweest. In 1976 was de vergadering voor het eerst op een zaterdag gehouden, maar ook dat had niet het gewenste resul­taat opgele­verd. Slechts negen leden waren aanwezig, waarvan twee tot het bestuur behoor­den. In het najaar van 1976 schreef het bestuur alle leden aan met enkele vragen, als "wat ziet u als voornaamste taak van de werkgroep?", "welke onderwerpen ziet u als urgent?" en "hoe denkt u over de relatie van de werkgroep tot deputaten voor de Eredienst?".[15] Veel leverde dit niet op. Op de vergadering van 15 januari 1977 met als onder­werp "gesprek over de toekomst van de werkgroep" versche­nen dan ook niet meer dan zes leden.[16] Uit de notulen blijkt, dat onder hen in ieder geval De Jong, Langedijk, J.A. Meyster en De Vries waren. Drie van hen waren van het begin af aan bij de werkgroep betrokken geweest. Men kwam tot de conclusie, dat de belangrijkste taak van de werkgroep zou liggen in het begeleiden van de plaatselijke gemeenten. Daartoe zouden dan wel de leden geactiveerd moeten worden. Het bestuur besloot, mede op basis van de geringe respons op zijn pogen de werkgroep nieuw leven in te blazen, tot opheffing per 1 juli 1977.[17] De mogelijkheid werd geopend lid te worden van de Liturgische Kring, maar daar maakte niemand van de werkgroep gebruik van. Het is gissen naar de oorzaak van deze terughoudendheid. Het zal voor het individuele werkgroeplid geen aantrekke­lijke gedachte zijn geweest min of meer alleen tussen Hervormde collega's te zitten. Maar mogelijk is er meer. De werkgroep wilde van het begin af aan werkgroep zijn ten dienste van de Gereformeerde Kerken in hun geheel, in het bijzonder van haar synode. De kring legde het accent op de studie. Uit de notulen van de laatste plenaire werkgroepverga­dering blijkt, dat de kring zich voor het gevoel van de werkgroepleden daarbij vooral richtte op bepaalde groepen in de Hervormde Kerk.[18] Principieel zal dat zijn bedoe­ling niet zijn geweest, in de praktijk was het daar wel steeds op neer gekomen.

 

Hoewel Lammens tot het einde van haar bestaan loyaal was aan en actief bleef in de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, lag het zwaartepunt van zijn activi­teiten elders. Op een nog nader te beschrijven wijze kreeg hij in het najaar van 1975 de gelegenheid zijn ideaal van een interkerkelijk leesrooster gestalte te geven. De praktische uitwerking van dit plan kwam een jaar later in handen van de sectie eredienst van de Raad van Kerken, waarvan hij nog steeds voorzitter was. Deze sectie vergaderde bijna maande­lijks en was een belangrijk forum geworden voor het uitwisse­len van gegevens over de liturgische ontwikkelingen in de onderscheidene kerken. Daarnaast zette Lammens zijn onderwijs en onderzoek aan de universiteit voort. Zo gaf hij, deels vóór en deels gelijktijdig met de studie ten behoeve van het interkerke­lijk leesrooster, docto­raalcolleges over dit onder­werp. Lammens' in­vloed en gezag kregen zowel een bevestiging als een impuls, toen hij per 1 september 1976 be­noemd werd tot gewoon hoogle­raar aan de VU. In Kampen kreeg hij tegelijker­tijd dezelfde aanstelling.

 

Een ander terrein van Lammens' werkzaamheden was het deputaat­schap eredienst. De synode van Haar­lem 1973-75 had enkele wijzigingen aangebracht in de samen­stelling van dit deputaat­schap. De predikanten Aalbers en Luiks werden niet opnieuw benoemd, terwijl K. de Jong Ozn. zijn werkzaamheden opschort­te. Het deputaatschap kreeg ver­sterking van een nieuwe genera­tie predikanten, te weten P.M.J. Hoogstrate, G.W. Morsink en N.A. Schu­man (weten­schappe­lijk medewer­ker aan de VU), alsmede W. de Jong-v.d. Helm. De eerste twee waren afkomstig uit wat de school van Lammens genoemd zou kunnen worden. Deze vormde een nieuwe bron met potentiële leden voor het deputaatschap, van wie overigens op dit moment nog bijna de helft een werkgroep-achtergrond had. Toen Fr. de Jong in de zomer van 1975 het voorzitter­schap om prak­tische redenen moest opgeven, nam Schuman dat voor een periode van tweeëneenhalf jaar waar. De deelname aan de verga­deringen, die in voorgaande jaren soms zeer matig was geweest, verbeter­de. Het werd een uitzondering, dat minder dan de helft van de leden aanwezig was. 


Met het verschijnen van de katern was in het deputaatschap eredienst de druk van de ketel gehaald. Het kreeg tijd voor het ontwikkelen van nieuwe activiteiten. Enkele leden, met name Pasveer en Smilde, namen het initiatief tot het oprichten van een sectie kerkmuziek. Het Liedboek mocht dan wel verschenen zijn, er bleef op dit terrein van de eredienst nog genoeg te doen. De Bruijn verzorgde een studie over de handoplegging van en door ambtsdragers. Lammens bereidde besprekingen voor over een nieuwe huwelijksliturgie, terwijl Scheeres de leiding nam in de bezinning op inhoud en vormge­ving van de tweede dienst. Lammens gaf tevens signalen door van hetgeen er gaande was met het oog op het interkerkelijk leesrooster. Er leefde een sterk besef, dat samenwerking met de Hervormde Raad voor de Eredienst een absolute voorwaarde was om tot verantwoorde resultaten te komen. Daar had men echter het verbroken contact en de licht verwijtende toon die aan Gereformeerde zijde aangeslagen was hoog opgenomen. Na een vinnige brief­wisseling die de verhoudin­gen bepaald niet verbe­terd had, kwam het op 5 februa­ri 1975 tot een ver­helderend gesprek, dat nieuwe perspec­tieven bood.[19] Over en weer zouden waarnemers (met vervangers) naar de vergade­ringen worden gezonden en raad en deputaatschap zouden buiten elkaar om geen actie onder­nemen in de richting van de respectievelijke synoden. Intussen zou een inven­tari­satie plaatsvin­den van "het geheel van taken, op­drachten en connec­ties", als een van de stappen op weg naar volledige integra­tie.[20] G. van Schuppen, de opvolger van Lazonder als secreta­ris van de raad, ging de vergaderingen van het deputaatschap bijwonen, terwijl aanvanke­lijk Melles en later Hoogstrate naar de Raad werd afgevaardigd en Scheeres betrok­ken bleef bij de commissie dienstboek. Het zou echter vooral het praktisch samen werken aan het boekje "Onze hulp" zijn, dat de onderlinge verstandhouding­ snel deed verbeteren.

 

 

12.2       Vernieuwing in zo breed mogelijke samenwerkingsverbanden

 

We beschrijven in deze paragraaf eerst twee ontwikkelingen op synodaal niveau die tot de Gereformeerde Kerken beperkt bleven: de invulling van de tweede dienst en de definitieve goedkeuring van de proeven voor doop en belijdenis. Daarna vervolgen we met twee ontwikkelingen op hetzelfde niveau met een interkerkelijk karakter: de totstandkoming van het boekje "Onze hulp" en de gebeurtenissen die leidden tot het leesrooster De eerste dag.

 

De tweede dienst


De synode van Haarlem 1973-75 had naar aanleiding van vragen uit de classes 's-Hertogenbosch en Maastricht aan het deputaatschap eredienst "de zaak van de tweede kerkdienst ter nadere bestudering" opgedragen.[21] Het deputaatschap had vervolgens Scheeres bereid gevonden een voorzet te geven, hetgeen hij ook deed op de vergadering van 16 april 1975 met een "Praatpapier tweede kerkdienst".[22] Hij vat het probleem dat door de classes was opgeworpen samen als een vraag naar de vormge­ving van het onderricht. De kern van zijn betoog is, dat zijns inziens elke dienst leerstellige aspecten kent, dus ook wat hij noemt de hoofddienst (morgen­dienst) en de getijdedienst. In dat verband bespreekt hij de pogingen om het catechetisch element in het vormings- en toerustingswerk een plaats te geven. Hij concludeert: "Laat men aan vorming en onder­richt alles doen wat men kan, mits dit maar niet zelfs de schijn wekt van oppeppen of vervangen van de eredienst."[23] Hij pleit er verder voor, niet al te legalistisch om te gaan met de kerkor­delijke verplichting van de tweede dienst, maar biedt als alternatief voor de leerdienst de getijdedienst. Die was overigens bij zijn introductie tien jaar eerder met een temporele beper­king ook als zodanig bedoeld: "in zomeravonddiensten waarin niet uit de Heidelber­ger wordt gepreekt e.d.".[24] Het deputaat­schap onderschreef de hoofdlijn van het discus­sie­stuk, maar bracht tevens enkele nuanceringen aan.[25] Op 9 sep­tember 1976 werd dit onderdeel van het uiteindelijke deputatenrapport definitief bij- en vastge­steld.[26] Onder meer keert een wat denigre­rende opmer­king over het "plichtmatig bijwonen van speciale thema­dien­sten, jeugd­diensten, zangdiensten en andere liefhebbe­rijen" niet terug.[27] Deputaten hadden in hun eerste reactie op Scheeres' praatpapier gesteld: "er zijn in de gemeente ver­schillende geledingen en spiri­tua­litei­ten, allen kunnen zij van tijd tot tijd drager zijn van een dienst met specifieke kleur".[28] Dit is ten opzichte van het vroeger zo sterk op de eenheid van liturgie gerichte beleid een opmerke­lijk uitgangs­punt. Het lijkt op de indertijd door Overbosch in het Jaarboek voor de eredienst gesuggereerde differentiatie in de tweede dienst.[29] In het definitieve rap­port zou het echter blijven bij een extra onderstreping van de bijzondere waarde van de getij­dedienst. Daarin verdwijnen ook de wat relative­rende opmerkin­gen, die Scheeres had gemaakt over de noodzaak van de tweede dienst. Hoewel het deputaatschap zich ruim wilde opstellen inzake het in de kerkorde vastgelegde ver­plichtend karakter van de tweede dienst, kon dit hem niet weerhouden van een krachtig pleidooi "een zekere continuïteit" in het liturgisch leven van de gemeente te waarborgen, ook in het houden van de tweede dienst.[30] De hoop, dat langs deze weg "vor­men in stand blijven die mis­schien in later tijd door weer anderen als zinvol ervaren worden" gaf aan het rapport een bemoedigend perspectief.


De commissie van voorbereiding (III) van de synode van Maastricht 1975-76 betoonde zich enthousiast over het rapport.[31] Toch wilde ze nog iets sterker aandringen op het houden van de tweede dienst dan deputaten hadden gedaan. In de overwegingen van het ­besluitvoorstel schrapte ze de suggestie, dat de plaatselijke kerken hun eigen verantwoordelijk­heid hebben voor "het aantal" erediensten op zondag.[32] Die verantwoordelijkheid bleef beperkt tot "het karak­ter" van de diensten. Tevens verdween de overwe­ging "de kerkorde mag nooit op legalistische wijze worden gehanteerd". In het verlengde van deze wijzigingen kwam op voorstel van de commissie, in het besluit te staan "de kerken met nadruk te wijzen op de mogelijkheden die gege­ven zijn met de liturgie voor het Avondgebed" en "deputa­ten te verzoeken (...) ruime bekendheid te geven" aan hun rapport over de tweede dienst.[33] Het oorspronkelijke voor­stel tot besluitvorming van deputaten had niet meer bevat dan een afwij­zing van de vraag van de classis 's-Hertogenbosch. De synode ging op 26 november 1976 akkoord met het rapport, zoals dat door de commissie gepresen­teerd en geïnter­preteerd was.[34] Een enkeling vroeg zich af, of het liturgisch aspect niet te sterk bena­drukt werd. Deputaten hadden wel aangege­ven, dat de oorzaak van het vragen naar alternatieven voor de tweede dienst niet alleen in het litur­gisch leven van de gemeente was gelegen, maar ook in de wijze waarop het gemeente-zijn zich in veel gevallen ontwikkelde. Op deze zaken waren ze echter niet nader ingegaan. Deputaten en synode hielden in hun rapport, respectievelijk haar besluit, vast aan een zekere mate van uniformiteit, al beteken­de dat praktisch dan een keuze uit twee mogelijkhe­den: leer- of getijdedienst.

 

De vragen bij doop en openbare geloofsbelijdenis

Al eerder wezen we op het grote aantal bezwaren tegen de orden voor doop en belijdenis, dat bij de synode van Maastricht 1975-76 binnengekomen was en door door commissie III bestudeerd.[35] De commissie was het deputaatschap eredienst goed gezind.[36] Ze wilde de proeven definitief doen aanvaarden, al stelde ze de synode wel voor, nadrukkelijk uit te spreken dat formulieren en orde naast elkaar konden bestaan en gebruikt worden. Tevens zou de synode kerkeraden en voorgangers moeten herinneren aan het belang van "het pastoraat en de catechese rondom de bedie­ning van de doop".[37] Het gunstige advies van commissie III stond in schril contrast met de afwijzende reactie op de katern in de synode. De wat meer behoudende krachten mobiliseerden zich en brachten bij monde van de Kamper hoogleraar en preadviseur J. Plomp zodanige argumenten naar voren, dat een wat minder voortva­rende koers gevaren moest worden. De synode besloot daarom op 7 oktober 1976 de proeven "thans nog niet definitief te verklaren".[38] Ze droeg daarnaast deputaten eredienst op zich rekenschap te geven van de binnen­gekomen reacties en van de volgende opvat­ting die als overwe­ging was opgenomen: "de te stellen vragen behoren de­zelfde stipulaties [plechtige beloften] te bevatten onge­acht of ze ge­steld worden in het kader van een liturgische orde of van een formulier."


Deze onder Plomps invloed nogal kerkrechte­lijk getinte stel­lingname verwoordde de zorg die er in een deel van de Gereformeerde Kerken leefde over het functioneren van het gereformeerde belij­den. Deze zorg had een historische dimen­sie. We zagen reeds, dat in de gebeurtenissen die aan zowel Afscheiding als Dole­antie vooraf waren gegaan de vragen bij doop en belijdenis geleid hadden tot misverstand en strijd.[39] Dat gold wel in het bijzonder voor de uit­druk­king 'in de christelijke kerk alhier geleerd' in de doopvra­gen, die nog steeds gebezigd werd: "Gelooft gij, dat de waar­heid Gods, die in het Oude en Nieuwe Testament geopenbaard is en in de arti­kelen van het christelijk geloof beleden en in de christelijke kerk alhier geleerd wordt, de waarachtige en volkomen leer der zaligheid is?" Mede door de inhoude­lijke verschuivingen die plaats vonden in de Gereformeerde Kerken won de vraag of al het genoemde wel in de Gereformeerde kerk ter plaatse werd geleerd aan actualiteit. Degene die liet dopen, welke opvat­ting hij ook was toegedaan, zag zich door de onduide­lijke functie van het woord "alhier" voor de vraag gesteld, of hij met hetgeen ter plaatse geleerd werd, kon instemmen. De proe­ven voor doop en belijdenis hadden met de introductie van nieuwe vragen waarin het 'alhier' ontbrak, althans de mogelijkheid geboden dit dilemma te ontlopen. Nu ze geen definitieve goedkeuring hadden gekregen werd op de synode van andere zijde op 26 novem­ber onverwacht gevraagd om deze "archa­ïsche uitdruk­king" in de oude doopvragen door een betere te vervangen.[40]

Het deputaatschap eredienst werd met name door de eis van gelijke stipulaties in een lastig parket gebracht. Het was zich indertijd bewust geweest van de problemen die sets met vragen in onderling ver­schillende bewoordingen met zich mee konden brengen. Het was vanwege het gevaar van verdere litur­gische wild­groei in de kerken evenzeer overtuigd geweest van de noodzaak, in dezen een pluriform aanbod te doen. De deputaten formuleerden kort na de synode, op 20 januari 1977, als uitgangspunt: het verschil in bewoor­dingen "komt voort uit het verschil in wijze van vie­ring. Deputaten menen dat er inhoudelijk ten diepste nauwe­lijks verschil is in belijden."[41] Heemskerk en De Jong consulteerden vervolgens de hoogleraren Van den Berg en Nauta over de betekenis die aan de uitdrukking stipulatie gegeven moest worden en concludeerden: "Het blijkt, dat het geen adaequaat begrip is om de liturgische feiten en handelin­gen mee te beschrijven."[42] In het rapport ter zake aan de synode van Zwolle 1977-79 begon het deputaatschap bij dat laatste en zette het de volgende redenering op.[43] De vragen bij doop en belijdenis zouden op historische gronden stipula­ties genoemd kunnen worden, maar deze hebben dan betrekking op de af te leggen belofte, niet op het belijden. Op die belofte staan geen juridische sancties, al kan de kerk er wel aan appelleren. Als het bij doop en belijdenis om juridische contracten zou gaan, dan zouden identieke vragen wenselijk zijn geweest. Dat is niet het geval. Voor 1923 lagen boven­dien zelfs de vragen bij openbare belijdenis formeel niet vast, al bestond er zeker een zakelijk-inhoudelijke overeen­stemming. Dat geldt ook voor de nieuwe proeven ten opzichte van de bestaande formulieren. Elk heeft een eigen stijl en een eigen taalveld, die niet inwis­selbaar zijn.


De synode liet zich door het deputaatschap grotendeels over­tuigen.[44] Ze wenste in de orde voor doop en belijdenis alleen het beloftekarakter enigszins aan te scherpen in de vierde vraag (cursief staan de toevoegingen): "Verlangt en belooft u met de gemeente, ver­enigd rondom Schrift en Tafel, de Heer trouw te dienen in de opbouw van zijn Kerk en de komst van zijn Rijk?" Deputaten verklaarden zich tegen deze wijziging. De synode nam haar desalniettemin aan, mogelijk als reactie op de pertinente afwijzing van deputaten in deze en de vorige synode van welke verandering in de door hun voorgelegde tek­sten dan ook. Aangezien de synode meende dat de bezwaren tegen de proeven afdoen­de waren behandeld door de vorige synode kon ze zo op 7 maart 1978 met tien stemmen tegen besluiten het materiaal "vrij te geven voor gebruik in de kerken".[45]

De synode nam tegelijk een besluit over het woord "alhier" in de vragen van de bestaande formulieren voor doop en belijdenis. De bijdrage die De Jong voor de besluitvorming op dit punt had voorbereid, was door het deputaatschap zo goed als ongewijzigd in het eindrapport opgenomen. Ook hier vormde een historische argumentatie de basis voor het voorstel. In de uitga­ve van 1566, die aan het latere klassieke gereformeerde doop­formulier ten grondslag heeft gelegen, heeft het woord "al­hier" betrekking op de doopleer die in het formu­lier uiteen is gezet. De formulering is eerst ná de synode van Dordrecht 1618-19 zodanig gewijzigd, dat de interpretatie moeilijkheden ging opleveren. De redactie van de vraag in een editie uit 1639 en in edities van latere datum bevatte de uitdrukking "en in de christelijke kerk alhier geleerd". Het moet onwaar­schijnlijk worden geacht, dat het hier zou kunnen gaan om de gereformeerde belijdenis, of om het belijden van heel de kerk: "Al met al is het nauwelijks voor tegenspraak vatbaar dat we zullen moeten denken aan de (actuele) verkondi­ging 'in de Christelijke kerk alhier' van de leer zoals die vervat is in oud en nieuw Testament en in het Apostolicum." Wat betreft de specifieke betekenis van het "alhier" is dan de these: "het gaat om de christelijke kerk, zoals die door de plaatse­lijke gemeente vertegenwoordigd wordt." Aangezien misverstanden zouden kunnen blijven bestaan, is het ook met een dergelijke opvatting de vraag of handhaving van het 'alhier' wenselijk is. Aanvankelijk, op 4 oktober 1977, wilden deputaten de keuze bij de synode leggen en haar tegen de geschetste achtergrond zelf laten bepalen of de vraag in de formulering van 1566 de voorkeur verdiende, of de bestaande zonder het gewraakte alhier.[46] Op het laatste moment, 21 december 1977, wijzigden deputaten hun opstel­ling en legden ze uit­sluitend de oudste formulering voor: "Gelooft gij, dat deze leer, die hier geleerd wordt, en die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen van het christelijk geloof besloten ligt, de waarachtige en volkomen leer der zaligheid is?".[47]


De reactie van de synodale commissie III was net even anders dan deputaten gehoopt hadden. Zij was er beslist niet van overtuigd, dat deze formulering een afdoende oplossing zou bieden en misverstanden uit zou sluiten. Ze nam weliswaar de formulering uit 1566 over, maar zonder de bijzin "die hier geleerd wordt, en".[48] Deputaten stemden hiermee in. In de plenaire zitting van de synode bleek evenwel, dat sommige leden zich ook in deze oplossing niet konden vinden. De Acta geven over de achtergronden van dit bezwaar geen uitsluitsel. Vermoedelijk achtten de betrokken leden de oudere, iets com­pactere redactie van de vraag inhou­delijk een te grote reduc­tie. Het eindresultaat was dat het woord "alhier" simpelweg uit de bestaande formulering werd geschrapt.[49] In de praktijk hield dit voor de kerken die de oude formulieren in ere wilden hou­den slechts een minimale wijziging in.

Met dit besluit en dat over de proeven voor doop en belijdenis bevestigde de synode het tweesporenbeleid, waar ze in de tweede helft van de jaren zestig in de voorbereidingen voor het Kerkboek in principe al voor geko­zen had. Enerzijds hand­haafde ze de toen bestaande formu­lieren, die ten opzichte van de klassiek gereformeerde originelen in mindere of meerdere mate gereviseerd waren. Ze bracht er in het vervolg nauwelijks meer veranderin­gen van bete­kenis in aan.[50] Anderzijds bood ze daarnaast nieuwe orden aan, in opzet en stijl duidelijk van de formulieren te onder­scheiden. De keus werd aan de plaatselijke kerkeraden overge­laten.

Deputaten waren bepaald ongelukkig met de wijze, waarop de synode hun voorstellen had behandeld: "Men kán teksten, waar­van de woorden zijn gewikt en gewogen, niet zomaar bij amende­ment en handopsteken wijzigen."[51] Zij wensten daarom meer en diepgaander vooroverleg over bezwaren en wijzigingsvoorstel­len. Het zou echter zo goed als de laatste keer zijn, dat de Gereformeerde synode teksten woord voor woord naging en amen­deerde, alvorens ze haar fiat er aan gaf. De beoordeling van het gemeenteboekje "Onze hulp", dat hierna ter sprake komt, geeft een nieuwe synodale lijn aan, waarin de ruimte voor alternatieve teksten vergroot wordt, mits de structuur maar duidelijk zichtbaar en behouden blijft.

 

"Onze hulp"


Een van de resultaten van het hervatte overleg tussen Gerefor­meerden en Hervormden was een poging, de beide katernen in elkaar te schuiven.[52] Het belang van deze zaak is duidelijk, maar helaas kan uit de ter beschikking staande gegevens niet worden opgemaakt, hoe men tot dit concrete initiatief kwam. Op 19 augustus 1976 slaagden Melles, Over­bosch en Van Schuppen erin de grenzen van een gezamenlijke uitgave vast te stellen. Zij wilden naast de zondagmorgen­dienst "volgens de klassieke Westerse orde" en de getijden ook de gereformeerde orde uit de Hervormde katern en de orde voor een leerdienst opnemen.[53] In een nader gesprek met de Gerefor­meerde deputaten op 20 november 1976 verdwenen de laatste twee opties van tafel. Die zouden slechts verwarring kunnen zaaien. Verder wenste men niet meer herinnerd te worden aan de onverkwikkelijke gang van zaken rond de kater­nen. De verschillen tussen beide hoefden niet vereffend te worden: "Dit wordt een derde mogelijkheid."[54] Moge­lijk wist men zich gesteund en geactiveerd door de gezamenlijke vergadering van de Hervorm­de en Gereformeerde synoden die intussen had plaats gevonden, waarin de wens van een gezamenlijk dienstboek gefor­muleerd was. De toon voor de zon­dagmor­gen­dienst werd gezet door het zoge­naamde oecumenisch ordinari­um uit 1968 met zet­tingen van onder meer Vogel, De Sutter en Mehrtens.[55] Typerend is de ruimte die men binnen de hier geboden orde wilde bieden. Een van de uitgangs­punten was dan ook: "Nergens de indruk wekken: 'zo moet het'."[56] Onder dat motto verdween bijvoor­beeld de ver­plichting het Agnus Dei in een of andere vorm te gebruiken. Maar de tekst van het Sanctus werd tezamen mèt het Benedic­tus vastge­legd. Vooral de Gereformeerde deputa­ten pleitten voor een brede selectie van teksten voor de tafelgebeden.[57] Zij dachten daar­bij zelfs aan het nieuwe Rooms-Ka­tho­lieke missaal en gebedstek­sten uit de Anglicaanse kerk. Hoewel de Hervorm­den, c.q. Overbosch, daar in prin­cipe mee in konden stemmen en zich daarvoor inzetten, is het er uiteindelijk niet van gekomen. Doordat de details van het wor­dingsproces van het boekje niet in de archieven bewaard zijn gebleven, is onbekend waarom. Vermoedelijk is men teruggeschrokken voor de reacties die dergelijke teksten zouden oproepen en voor het negatieve stempel dat het boekje daarmee zou krijgen. Toen in de loop van het voor­jaar van 1977 de uitgave con­creet gestalte kreeg, evalueerde het deputaatschap, "dat het bereikte resul­taat en de sfeer waarin de besprekin­gen verlie­pen tot dank­baarheid stem­men."[58]

De tevredenheid van het deputaatschap werd behoorlijk getem­perd op het moment dat het een jaar later "Onze hulp" onder ogen kreeg. Het open karakter dat het boekje moest hebben werd door de inhoud van de noten waarin de deputaten niet gekend waren, deels teniet gedaan: "het is teveel en te diri­gis­tisch en nog te veel het taaleigen van een te bepaald karak­ter".[59] Verder bleken er bijvoorbeeld zonder overleg wijzigin­gen te zijn aangebracht in de zettin­gen en in de orden voor de getij­den. De deputaten kozen ervoor, hun ongenoe­gen op een tactische wijze aan de orde te stellen. Waardering ging aan de kritische kantteke­ningen vooraf. De verwijde­ring tussen de Hervormde raad en het Gereformeerde deputaatschap lag nog vers in het geheugen. Dat mocht en zou niet nog een keer gebeu­ren. De basis voor samenwerken aan een dienstboek was definitief gelegd. Dat was ook wat de Gereformeerde synode op 10 oktober 1978 bijzonder verblijdde. Wel vroeg ze zich af, of aan het voorgestelde behoefte zou bestaan. Ze kwam tot de conclusie "Onze hulp" "te beschouwen als een voorlopige handreiking met name aan die gemeenten, die behoefte hebben aan de hierin geboden mogelijkheden van liturgie-vieren."[60]

 


Oecumenisch leesrooster


Een van de meest verstrekkende ontwikkelingen in deze periode betreft de ontwikkeling van een oecumenisch leesrooster. Het was Lammens die hierin een spilfunctie vervulde. Zijn eerste poging om via de Raad van Kerken tot een breed aanvaard lees­rooster te komen, was op niets uitgelopen.[61] Een tweede poging zou wel slagen, maar de aanzet daartoe kwam van elders, van de Raad voor Overleg en Contact betreffende de Bijbel (RCOB).[62] Dit orgaan was in 1967 ontstaan op initiatief van het Nederlands Bijbel Genootschap, die langs deze weg de kerken meer wilde betrekken bij en mede verantwoordelijk wilde maken voor het bijbelwerk. De opzet van de RCOB was breder dan de Raad van Kerken, die toen in wording was. Zo namen bijvoor­beeld ook de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Broeder­schap van Pinkstergemeenten deel. De aanvankelijk problemati­sche verhou­ding van het RCOB tot het bijbelgenootschap en interne strubbelingen hadden tot gevolg, dat het enige jaren duurde voordat deze raad enigszins slagvaardig kon optreden. In een gesprek van het moderamen van de RCOB op 7 december 1973 ter voorbereiding op een oriënte­rende ontmoe­ting met het moderamen van de Raad van Kerken kwam de zaak van een lees­rooster voor de eredienst ter sprake: "Ter­zijde zal ook genoemd worden de door rector Verbeek (ver­tegen­woordiger en directeur van de Katho­lieke Bijbel Stich­ting; KWdJ) geopperde wens, om in Nederland tot één pericopen­stelsel te komen, waarmee we dan op zinvolle wijze aan de basis bezig zouden zijn."[63] Concrete invloeden van derden op Verbeeks verzoek in de RCOB zijn niet aanwijsbaar. De Raad van Kerken reageerde aarze­lend en legde na intern overleg het initiatief voor het verwe­zenlijken van deze wens bij de RCOB.[64] Die stuitte al spoedig op dezelfde proble­men als de sectie eredienst van de Raad van Kerken in een eerder stadi­um.[65] De Rooms-Katholieke Kerk kende een driejarig lectio­narium voor de zondagen, terwijl andere kerken met de nodige variaties vasthielden aan het klas­sieke eenjarige rooster. Anderen experimen­teerden met en opteerden voor een ordening waarin de Thora een centrale plaats zou innemen. Daarnaast kenden de bijbelge­nootschap­pen voor het dagelijks bijbellezen een eigen vijfjarig rooster, waarin liturgische principia geen rol van betekenis speelden. Een complice­rende factor was verder, dat een aantal deelnemers in de RCOB geen interesse had voor een perikopenroo­ster voor de eredienst. Een meerderheid van het moderamen voelde evenwel veel voor een genuanceerd gebruik van het nieuwe Rooms-Katholieke stelsel. De RCOB machtigde op 13 februari 1975 dit moderamen om een commissie in te stellen "met als uitdrukkelijke opdracht een inventarisatie van reeds bestaand materiaal", hetgeen op 5 juni daaropvol­gend gebeur­de.[66] In de commissie, die zo breed als praktisch mogelijk werd samengesteld, zouden vooral Lammens als Gereformeerde afgevaardigde, E.P. de Jong als secretaris van de sectie eredienst van de Raad van Kerken en de Hervormde P. Oussoren een rol van betekenis spelen. De installatie van de commissie vond plaats op 13 november 1975.[67]


Al in de tweede vergadering, op 27 januari 1976, nam Lammens de taak op zich om een concept-rapport te schrijven.[68] Toen de zaak in de sectie eredienst van de Raad van Kerken aan de orde was geweest, had hij bij het deputaatschap voor de eredienst al steun gezocht en gevonden om in te zetten bij de driejarige cyclus van de Rooms-Katholieke Kerk.[69] Daarna had zich bij het beproeven van het driejarige Thora-rooster in zoverre een nieuwe ontwikkeling voorgedaan, dat de Van der Leeuwstichting in de zomer van 1974 het tweede deel van Aan de hand van Moses had uitgegeven. In de Lutherse kring was, zoals we zagen, een onderzoek gestart was naar de functie van het Oude Testament in Luther's preken. Verder had Lammens in het acade­misch jaar 1974-75 een serie specialisatie-colleges gehou­den over de ver­schillende lees­roosters en deze geplaatst in het kader van de homileti­sche inventio-problematiek. De plaats van het Oude Testament was in de discussie bijzonder actueel geworden, ook voor Lammens. Dit plaatste grote vraagtekens bij de vanzelfsprekendheid, waarmee in de Vati­caanse Constitutie over de Heilige Liturgie uitgegaan was van het kerkelijk jaar als ontvouwing van het Christusmyste­rie zonder meer. In het najaar van 1975 ontstond bovendien frontvorming over de principia achter het gebruik van een leesrooster. De praktisch-theoloog K.A. Schip­pers stelde hierover vragen in "Overwegingen rondom de tekst­keus".[70] Dit artikel was op dat moment in het Nederlands taalgebied een van de weinige, zo niet het enige, waarin de waarde van een liturgische jaarorde op theologisch verantwoor­de wijze werd gerelati­veerd. De kernvraag van Schippers was, of de positie van de gemeente in de bestaande leesroosters wel voldoende was verdisconteerd, en of de gemeente zich derhalve wel voldoen­de her- en erkend kon voelen.[71] Schippers' artikel werd op de installatiever­gadering van de commissie verspreid. Al deze ontwikkelingen hadden hun weerslag op het rapport, dat Lammens concipieer­de.[72] Uit de keuze van de titel "Overwegingen rondom de jaarorde" blijkt, dat het een correctie en aanvulling op het artikel van Schippers wil zijn. Tevens valt eruit af te leiden, dat niet de tekstkeus, maar de jaarorde het leidend criterium dient te zijn bij de inrichting van de eredienst. Lammens schetste in zijn rapport eerst de principiële moge­lijkheid van een liturgische jaarorde en kon daarvoor terug­vallen op zijn inaugurele rede. Vervolgens zag hij zich voor de opgave gesteld, de wenselijkheid van een interkerkelijk project aan te tonen. Daarbij was het alleen al om tactische redenen van belang, zowel het nieuwe Rooms-Katholieke lectionarium als de jongste ontwikkelingen op het protestantse erf in met name de Thora-cyclus recht te doen. Lammens ontdekte in een analyse van het klassieke kerkelijk jaar en het daarmee verbonden leesrooster een vijftal vormkrachten: a) het gedachtenis-karakter van de liturgie; b) een verschil in waardering van de onderschei­den bijbelse geschriften; c) verkondigingsrelevan­tie; d) motieven van pastoraal-didactische aard; e) wisseling van de seizoenen. Met behulp van deze criteria gaf hij een beoordeling van de verschillende roosters en plaatste bij elk een aantal kriti­sche kanttekeningen. Centraal probleem was de functie van de oudtestamentische lezingen. Lammens kreeg van de commissie de volledige steun voor zijn stelling: "Het komt mij voor dat krachtens het N.T. beide vormen legitiem zijn: begin­nen bij Mozes én beginnen bij Christus, zowel het oude als het nieuwe testament kunnen bepalend zijn voor het propri­um van de kerk­dienst."[73] Hiermee omzeilde hij een van de belangrijkste obstakels voor een gezamenlijk project, hetgeen doorwerk­te in het voorstel om in de praktijk zowel enkele jaren het Rooms-Katholieke lectiona­rium te volgen, alsook de Thora-cyclus. Door toedoen van Oussoren werd het project uitgebreid tot twaalf jaar met elke drie jaar een wisselende rector: drie jaar evangelie (Katholiek lectionari­um), drie jaar Thora, drie jaar epistel (Katholiek lectio­narium) en drie jaar profeten/ge­schrif­ten. De jaren Thora en profe­ten/geschriften zouden gecombineerd moeten worden met het klassieke rooster in de lutherse uitvoering. In de commissie bestond enig bezwaar tegen dergelijke combinaties van roos­ters, maar omdat begonnen zou worden met het Rooms-Katholieke rooster en elk jaar opnieuw een beslissing moest worden geno­men, kon dat probleem vooruit worden geschoven.[74] Lammens honoreerde de opmerkingen en wijzigde het concluderend gedeelte zo, dat het een open sfeer ademde met ruime mogelijk­heden voor tussentijdse aanpassingen.


De RCOB zou in het vervolg nauwelijks meer bemoeienis hebben met het rapport. Hij zond het toe aan de deelnemende kerken en besloot op 20 september 1976 met de Raad van Kerken te over­leggen, hoe verder te handelen.[75] Daar werd het voor advies in handen van de sectie eredienst gelegd, die het op 4 oktober 1976 voor het eerst be­sprak.[76] Ondanks grote bewondering, bestonden er ook aanzienlijke bezwaren. De meeste kerken en gemeenten waren niet bekend met leesroosters: zou met het oog op het leren omgaan met een rooster een bescheide­ner opzet niet veel wenselijker zijn, bijvoorbeeld voor de liturgisch sterke Paastijd? Aan de ene kant werd de open opzet geroemd, het naast elkaar plaatsen van verschillende tradities om elkaar zodoende beter te leren kennen, aan de andere kant hadden sommigen moeite met het gebrek aan innerlijke consistentie van het voorgestelde. Zou een project voor twaalf jaar niet te lang zijn? Verder bestond er zeker op de langere termijn onzeker­heid over de deelname van de Rooms-Katholieken, omdat die gebonden waren aan hun eigen lectionarium dat na drie jaar ingeruild zou worden voor een ander. De Nederlandse kerkprovincie kon en wilde zich in dezen geen afwijking van de wereldkerk veroorloven. Bij de bespreking van het op enkele punten bijge­schaafde rapport in de Raad van Kerken op 11 mei 1977 herhaalde de discussie zich in grote lijnen.[77] Ze besloot het rapport naar de lidkerken door te zenden. Wel werd in onderling overleg overeengekomen uit tactische overwegingen naar de gemeenten en parochies toe eerst eens met een jaar te beginnen. Lammens herschreef het rapport met het oog daarop nog eens en publiceerde het als inleiding in het eerste nummer van het periodiek De eerste dag, dat het gebruik van het rooster zou begelei­den.[78] Begonnen werd met ingang van Advent 1977 met het zogenaam­de A-, of Mattheüs-jaar uit het Katholieke lectionarium. De eerste dag bood een liturgische typering van iedere zondag, suggesties voor lezingen en liederen, gebedsteksten, exegeti­sche en hermeneuti­sche kanttekeningen bij de lezingen en aanwijzingen voor de preek. Hiermee was de basis gelegd voor een kerkelijke kalender met bijbehorende liturgische jaarorde, die integrerend zou kunnen werken voor tal van activiteiten in de plaatselijke kerken, precies zoals het Lammens in 1970 voor ogen had gestaan. Deputaten eredienst onderstreepten de potentie van het project nog eens in hun advies aan de Gereformeerde synode van Zwolle 1977-79.[79] Die stelde zich net als bij "Onze hulp" enigszins afstande­lijk op, zij het niet onwelwillend. Ze oordeelde op 7 maart 1978 dat "'het geordend omgaan met de hele Schrift in verbondenheid met velen' toegewijde aandacht" verdiende en beval de jaarorde bij de kerken "ter kennisneming aan".[80]


Met het accepteren van de oecumenische jaarorde is de gestaag groeiende belangstelling in de Gereformeerde Kerken voor het kerkelijk jaar voltooid. Ze stond steeds in directe relatie tot Schriftlezing en prediking. Kernwoord is de orde. Kuyper pleitte al voor "orde in de predicatie", anderen als Hoekstra en Dijk volgden hem hierin.[81] Langzaam verstevigde de liturgische band tussen Schriftle­zing en prediking en schoof de Schriftlezing steeds dichter tegen de preek aan. Na aanvankelijk een plek gekregen te hebben in de zogenaamde voordienst, vond de Schriftlezing rond de eeuwwisseling vrijwel overal na het votum plaats, soms voor, soms na de wetslezing.[82] De synode van Middelburg 1933 legde vast, dat ze na de wetslezing kwam, maar nog voor het zogenaamde grote gebed en de collecte. Dit proces kwam met de synode van Middelburg 1965-66 tot een afsluiting, toen de Schriftlezing direct aan de preek vooraf ging.[83] De invloed van het kerkelijk jaar op de eredienst nam in de loop der jaren gestaag toe. Nu was dit element al niet helemaal vreemd aan de DKO, onder de Christelijke Gereformeerden legde iemand als De Cock zich om pastorale redenen neer bij een kleine uitbreiding.[84] Ook Lammens wilde juist om overwegend pastorale redenen een jaarorde invoeren. Maar daarmee verschoof het accent van orde in de predikatie naar orde in de Schriftlezing. In de ordening van de preek had de voorganger direct de eigen gemeente op het oog. In de geordende Schriftlezing speelde de verbondenheid met velen een belangrijke rol. Een tegenstelling hoefde dit niet te zijn, omdat ook het wereldbeeld van de Gereformeerden veranderde. Het gezichtsveld verbreed­de zich, in mondiaal en in confessioneel opzicht. De synode van Maastricht 1975-76 had nog niet indirect de mogelijkheid geboden de geordende catechismusprediking achterwege te laten, of de geordende Schriftlezing kwam er minstens even indirect gesanctioneerd door de synode van Zwolle 1977-79 voor in de plaats. Het is niet geheel toevallig, dat juist de Gereformeerde Lammens er in slaagde een interkerke­lijk leesrooster te verwezenlijken. De experimenten met leesroosters waren eigenlijk geheel buiten de Gereformeerde Kerken omgegaan. Lammens was mede daardoor niet bezwaard met eigen ervaringen en een daardoor sterk gekleurde voorkeur. Tezamen met de Gereformeerde aanleg tot orde en de wijze waarop dat element in een vroeger stadium door Bisschop in de discussie was gebracht, stelde hem dat in staat verschillende invals­hoeken en hun vertegenwoordigers onbe­vooroordeeld tegemoet te treden en tot elkaar te brengen.

 

 

12.3       Naschrift: de belangrijkste liturgische ontwikkelingen in de Gerefor­meerde Kerken vanaf 1978

 

Het valt buiten het bestek van deze studie om uitgebreid in te gaan op de verdere liturgische ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Het zou ook weinig zinvol zijn, omdat alle aanzetten eigenlijk al in het voorafgaande zijn gegeven. Nieuwe tendensen zijn er misschien wel, maar door gebrek aan distantie kunnen ze nog niet goed worden gesignaleerd en beschreven. Toch kan het doortrekken van een enkele lijn het perspectief van het voorafgaande verdiepen. Dat geldt in het bijzonder de verdere lotgevallen van het deputaat­schap eredienst, het gezamenlijke dienstboek, het Liedboek en het interkerkelijk project De eerste dag.

 


Lammens werd vanwege zijn gezondheidstoestand gedwongen emeritaat als hoogleraar aan te vragen, hetgeen hij per 1 september 1981 kreeg. Bij zijn afscheid uitte hij zorg over de toekomst van de liturgiewetenschap aan zijn thuisbasis, de theologische faculteit van de Vrije Universiteit.[85] In overeenstemming met de richting die hij de Gereformeerden­ in liturgi­sch opzicht gewezen heeft, vestigde hij daarbij in de eerste plaats de aandacht op het oecume­nisch belang van de liturgiek. Vervolgens zag hij een theologisch belang: "Welke Gods- en mensbeelden in de kerk hebben geleefd, hoe het heil is uitgediept en soms geperverteerd, in welke samenhan­gen de bijbel is gelezen, dat alles en veel meer is terug te vinden in al die liturgische formulie­ren, lofzeggingen, liederen en gebeden als even zoveel expressies van geloven en hopen." Naast deze brede oriëntatie gaf hij er blijk van ook oog te hebben voor de reformatorische traditie: een welkome aanvulling op de overlevering van de ongedeelde kerk van het Westen. In de laatste, maar beslist niet de minste plaats wees hij op het belang van de liturgieviering zelf: "De theologie zal behalve voor de koele stroom van analyse en documentatie ook aandacht moeten houden voor de warme stroom van poëzie en verbeel­ding, symbool en ritueel als een eigen taalveld en een eigen kenweg voor het geloven en hopen." Dit element weerspiegelde iets van de discussie die tien jaar tevoren was gevoerd over het eigene van de liturgie: gebed naast gesprek, maar ook bezinning naast actie. Een ander moment van terugblikken op zijn veelkleurige loopbaan bood de bundel 'Houdt dan de lofzang gaande ...', die hem in 1983 ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag werd aangeboden.[86] Lammens overleed op 3 december 1985 en heeft niet meer mogen meemaken dat nota genomen was van zijn zorg over de toekomst van de liturgiewetenschap. Aan de VU werd een bijzondere leerstoel liturgiek gecreëerd, die met ingang van 1988 werd ingenomen door de Hervormde R. Boon. De aansluitende benoeming van de Evangelisch-Lutherse J.P. Boendermaker bevestigde nog eens, dat de Gereformeerde bezinning op de eredienst voluit in oecume­nisch vaarwater terecht gekomen was. Boendermaker is intussen opgevolgd door N.A. Schuman, die eerder in Kampen een soortgelijke aanstelling gekregen had. Afgezien hiervan werden na het vertrek van Lammens zowel aan de VU als in Kampen colleges liturgiek verzorgd door docenten in de praktische theologie.

 


Het deputaatschap eredienst bleef nog lange tijd zelfstandig functioneren, al werd de samenwerking met de Hervormde raad geleidelijk aan geïntensiveerd. De plannen voor een gezamenlijk dienstboek werden in de loop van 1978 geoperationa­liseerd en in 1982 volgde de participatie in het tijdschrift Eredienst.[87] Het deputaatschap bleef fors van omvang. Toen in 1983 verregaande integratie met de Hervorm­de raad in zicht kwam, telde het achttien leden, van wie er zes ooit lid waren geweest van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie en daar een belangrijk deel van hun liturgische vorming hadden ontvangen. De invloed van de werkgroep nam zoals te verwachten was langzaam af - tien jaar eerder was het aandeel werkgroepleden onder de deputaten ongeveer de helft - maar werkte nog lang na. Vóór de Hervormd-Gereformeerde integratie een feit was, zou een revisie van de katern eerst nog in eigen kring plaatsvinden. De proeven voor doop en belijdenis waren immers definitief goedgekeurd, al bleef met name tegen het geschrapte 'alhier' in de vragen principieel bezwaar bestaan. Uit de hardnekkige protesten blijkt, dat het steeds moeilijker werd, iedereen in de kerken te overtuigen en zodoende de liturgische eenheid te bewaren.[88] Door de vele keuzemogelijk­he­den bestond die feitelijk al niet meer. Het deputaatschap stroomlijn­de de orden van dienst - alle overtollige aanwijzingen en teksten werden verwijderd - en zag zijn voorstellen door de synode van Delft 1979-80 goedgekeurd.[89] Een enkele blik in de inhoudsop­gave van de herziene katern laat zien, dat het in 1961-62 ingezette proces van liturgische vernieuwing als voltooid be­schouwd kan wor­den.[90] Orden van dienst, ook voor avondmaal, belijdenis en doop, gaan voorop, daarna volgen de formulie­ren in de laatst gewijzigde (verkorte) edities. In tussenfasen hadden die formulieren althans in de volgorde nog het primaat behouden. Nu staan ze op de tweede plaats. Begin 1984 waren van de twee drukken van de katern tezamen ongeveer 350.000 exemplaren verkocht.[91] Al zal er door de soms aanzienlijke verschillen tussen beide versies een behoorlijk aantal dubbele aanschaffingen geweest zijn, toch wijst dit getal erop, dat de katern binnen een periode van tien jaar behoorlijk ingang gevonden heeft in de kerken. Een grote meerderheid heeft het liturgisch beleid met instemming begroet. Dat betekent overigens niet, dat het de verbetering van het kerkbezoek bracht, die sommigen van de liturgievernieuwing hadden verwacht. De teruggang van de tweede dienst zette ook na de besluiten van de synode van Maastricht 1975-76 onverminderd door. De synode van Emmen 1989-90 zag zich gedwongen de kerkordelijke verplichting voor het houden van de tweede dienst definitief te schrappen.[92]


Op dat moment was de samenvoeging van het Gereformeerde deputaatschap eredienst en de Hervormde Raad voor de Eredienst al weer enkele jaren een feit. De aanleiding tot dit samengaan lag in aanstaande vacatures in de secretariaten en het verkennen van de mogelijkheden om die gezamenlijk met betaalde krachten op te vullen. Het principebesluit tot volledige samenwerking viel op 15 april 1983.[93] Het werd door de synoden bekrachtigd en in de volgende jaren praktisch uitge­werkt. Het zou echter nog tot 1 november 1989 duren voor de bezoldigd secretaris in de persoon van J.H. Uytenbogaardt zijn werk kon beginnen. De eerste proeve voor het dienstboek, Liturgie in dagen van rouw, was toen reeds verschenen. Andere, Bevestiging van ambtsdragers en Doop en belijdenis, zouden volgen. Het werd steeds duidelijker, dat de voorbereidingen voor een dienstboek zo omvangrijk waren, dat het een langdurig project zou worden, ook al was de Gereformeerde synode bereid geweest, af te zien van een synodale bespreking van de proeven voordat die in de praktijk beproefd zouden worden, hetgeen het voorbereidingspro­ces in principe versnelde.[94] Eind 1988 noteerde deputaat Hoogstrate: "De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat wij zelf het als een wonder van efficiëntie en accuratesse zouden ervaren, als inderdaad in 1995 het geheel door beide Synoden kon worden vastgesteld of aangebo­den."[95] Nu het zover is, zijn drie van de acht geplande proeven gepubliceerd. Een definitie­ve versie zal nog wel even op zich laten wachten. Het is bij alle liturgische beweging van dit moment de vraag, of een dienstboek op korte termijn meer kan zijn dan de neerslag van een tussen­stand.

 


Een enkel woord tot slot nog over bredere oecumenische verbanden. Toen het Liedboek voor de kerken in 1973 verscheen bevatte het een schat aan onbekende liederen, die een belangwekkende­ aanvulling vormde op het bestaande arsenaal. Toch bleek in de praktijk al spoedig, dat het een groot aantal lacunes bevatte. De door de Van der Leeuwstichting vanaf 1981 verzorgde uitgaven Zingend geloven probeerden die op te vullen met elk een keur aan nieuwe liederen voor bepaalde perioden van het kerkelijk jaar of bijzondere gelegenheden. Toch werd daarnaast ook behoefte gevoeld aan liederen voor bepaalde groepen, bijvoorbeeld kinderen en jongeren. Vrouwen herkenden zich onvoldoende in het overwegend mannelijk taalgebruik van het Liedboek en gaven in Eva's lied een eigen bijdrage. Anderen voelden veeleer het gemis aan het genre uit de bundel van Joh. de Heer, en/of zochten liederen die beter aansloten bij een evangelikale geloofsbeleving. Veel kerkelijke gemeenten probeer­den aan deze bezwaren tegemoet te komen en gingen een bestaande of eigen bundel naast het Liedboek gebruiken.[96] De Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied bezon zich met het oog op deze ontwikkelingen op de toekomst van het Liedboek en lanceerde het project 'Liedboek-2000'.[97] In deze ontwikkelingsgang zijn de Gereformeerde Kerken nauwelijks meer te onderscheiden van de andere kerkgenootschappen die in de Stichting participeren. De pluriformi­teit en verscheidenheid in geloofsbele­ving nam toe. Precies dat gebeurde, waarvoor men ooit met de synode van Middelburg 1933 bevreesd was geweest: de uitbreiding van de gezangenbun­del leidde tot een gestage groei van het aantal gezangen en hun positie was in de eredienst steeds belangrij­ker geworden ten koste van de psalmen. Tot en met de invoering van het Liedboek had de synode dat proces begeleid en een behoorlijke greep op de inrichting van de eredienst kunnen houden. De verdere groei had zich buiten de synode om voltrokken en de plaatselijke kerken hadden in toenemende mate het recht in eigen hand genomen om te bepalen uit welke lied-verzamelingen ze wilden zingen. Overigens waren nu net als bij de samenstelling van het Liedboek relatief weinig Gereformeerden betrokken bij het creatieve proces om nieuwe liederen tot stand te brengen.

De sectie eredienst van de Raad van Kerken maakte met De eerste dag twaalf jaar vol. Ook in dit verband wordt nog eens duidelijk, hoe de Gereformeerde Kerken zich in liturgisch opzicht transformeerden en hoe de oude vertrouwde kaders voor nieuwe werden ingewisseld. Hoewel de enquête uit 1988 zich niet louter op predikanten richtte, valt er wel een tendens uit af te lezen over het aantal gebruikers. Dat groeide van 30 % van de respondenten in 1978-79 naar 50,9 % in 1987-88.[98] Het laatste cijfer doet vermoeden, dat het rooster in een belangrijk aantal kerken een leidraad vormt voor het lezen van de Schrift in de zondagse eredienst, al zullen niet-gebruikers misschien wat minder snel de moeite genomen hebben de vragenlijst in te vullen. Het is vanuit Gereformeerd oogpunt interessant, hoe de van origine Rooms-Katholieke H.A.J. Wegman het project op een studiedag in 1989 evalueer­de: "zullen de makers van leesroosters in de toekomst, op ruime of smalle oecumenische basis, niet meer rekening moeten houden met het subject: de gelovige gemeente en haar verwachtin­gen en vroom­heid? Zullen we niet naar een grotere eenvoud, minder theologische perfectie moeten streven, en vooral naar een meer narratie­ve ordening van de lezingen uit de Schriften, waarin niet alleen de jaarcyclus maar ook de levenscyclus van de mensen en de thema's die hen bezighouden én hun diepste vroom­heid en spiritualiteit aan bod komen en worden gevoed?"[99] Voor het overige laat Weg­man aan de hand van de opgedane ervaringen zien, dat de bij de start geformuleerde aarzelingen nog steeds bestaan. In oecumenisch opzicht: de Nederlandse kerkprovincie van de Katholieke Kerk is gebonden aan het centraal voorgeschreven lectionarium en kan dus niet participeren in een project dat daar wijzigingen in aanbrengt. En in inhoudelijk opzicht: de hermeneutische keuze achter de wijze van lezen van Mozes en profeten acht hij (nog steeds) aanvechtbaar.

 

Dekker constateert aan het slot van zijn sociologische beschouwing over de Gereformeerde Kerken in de periode 1950-1990, dat de veelheid van vernieuwingen "als een positieve indicatie voor de instandhouding van de groepering gezien kan worden."[100] Tegelijk beoordeelt hij dit tezamen met de teruggang in het kerkbezoek als een gevaar. Kan er door de grote variatie nog wel sprake zijn van een collectief ritueel, dat voldoende herkenbaarheid biedt en ingaat op de (religieuze) behoeften van de deelnemers? Dat is een goede vraag om dit naschrift op de drempel van verleden en toekomst beëindigen.


12.4       Conclusies

 

In de periode 1974 - 1978 werkte de liturgische vernieuwing maar langzaam in de kerken door. Enerzijds bestond er onder verontruste groepen grote zorg over het confessionele karakter van de Gereformeerde Kerken en de wijze waarop dat bijvoorbeeld in de eredienst gestalte kreeg. Anderzijds slaagde het deputaatschap eredienst er niet goed in, de intentie van de nieuwe orden op de kerken over te brengen, zodat de kerken zich de nieuwe vormen niet goed eigen konden maken. Dit belette de synode van Delft 1979-80 evenwel niet om de fase van liturgische vernieuwing, die begonnen was met de oprichting van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, te voltooien met een herziene uitgave van de katern, waarin de orden van dienst voorop gaan en de formulieren volgen.

Een nieuwe fase in de liturgische vernieuwing was intussen begonnen met de synodale opdracht voor een gezamenlijk Hervormd-Gereformeerd dienstboek in het najaar van 1976 en de daarvoor getroffen voorbereidingen. Waar mogelijk werd in bredere interkerkelijke verbanden liturgisch samengewerkt, bijvoorbeeld in de sectie eredienst van de Raad van Kerken met het oog op een oecumenische jaarorde. In de Gereformeerde Kerken boetten typisch Gereformeerde elementen van de eredienst steeds verder aan betekenis in. De traditionele invulling van de tweede dienst met catechismusprediking begon te verdwijnen, en op termijn zou zelfs de kerkordelijke verplichting van de tweede zondagse dienst zelf worden afgezwakt. De eenheid van liturgie heeft aan het einde van de periode van ons onderzoek, 1978, plaats gemaakt voor verscheidenheid. Het spoor van de gereformeerde traditie was niet meer het enige. Het lijkt er zelfs op, dat het door het lokkend oecumenisch perspectief geheel zal worden verlaten.

 



     [1]           Vgl. Plomp, Een kerk, 185 - 189.

     [2]           Gezamenlijke vergadering van de generale synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland op 17 en 18 september 1976 (...) te Utrecht, z.p. z.j., 17.

     [3]           J. Plomp, "Jaaroverzicht 1973", in: Jaarb. Geref. Kerken 1974, 487 - 512, 490 (citaat). Uit een overigens niet-representatieve enquête van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied uit 1986 komt naar voren, dat in 1973 ruim tweederde van de kerken tot invoering overging (1974: 18,7 %; 1975: 3,1 %; 1976: 4,6 %; 1977-80: 6 %) (Eredienstvaardig 4 (1988), 156).

     [4]           Smilde, "De gemeentezang", 143.

     [5]         J.H. van der Laan, "De 491 gezangen van het liedboek", in: Communiqué 1 (1984), nr. 1, 23 - 26.

     [6]         Verkoopstand op 16 oktober 1975 (notulen DE d.d. 18 november 1975 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155).

     [7]         Hendriks, De kerkdienst, 42 en 162.

     [8]         Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1975-76 (Maastricht), bijlage 53. Citaten in het vervolg van deze alinea: ibidem.

     [9]           Notulen werkgroep d.d. 14 januari 1974 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [10]   Notulen werkgroep d.d. 6 januari 1975 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [11]   Ibidem.

     [12]   Notulen werkgroep d.d. 17 januari 1976 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [13]   Gepubliceerd als: J. Pasveer, "Kerkmuzikale overwegingen", in: OE 42 (1976), 72 - 75 en 89 - 91.

     [14]   Orgelbegeleidingen bij de katern van de gereformeerde kerken, uitgave van de gereformeerde organisten vereniging en van de gereformeerde werkgroep voor liturgie, z.p. 1976.

     [15]   Bestuur van de GWvL aan de leden en adviseurs van de GWvL d.d. najaar 1976 - RAU, Archief GWvL, nr. 292.

     [16]   Notulen werkgroep d.d. 15 januari 1977 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [17]   Bestuur van de GWvL aan de leden en de adviseurs van de GWvL d.d. maart en juni 1977 - beide: RAU, Archief GWvL, nr. 292; vgl. tevens: bestuur van de GWvL aan de generale synode d.d. 7 juni 1977 - RAU, Archief GWvL, nr. 293.

     [18]   Notulen werkgroep d.d. 15 januari 1977 - RAU, Archief GWvL, nr. 287.

     [19]   Notulen DE d.d. 5 februari en 16 april 1975 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [20]   Notulen DE d.d. 5 februari 1975 (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [21]  Hand. Gen. Syn. Geref. Kerken 1973-75 (Haarlem), art. 274 (citaat). Zie hierboven blz. 322v.

     [22]   "Praatpapier tweede kerkdienst" - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156.

     [23]   Ibidem (citaat).

     [24]   Rapport eredienst 1965, 52 (citaat).

     [25]   Notulen DE d.d. 16 april en 14 november 1975, 25 juni en 9 september 1976 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [26]   Rapport van de deputaten voor de eredienst aan de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland (afgekort: Rapport eredienst 1975) - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1301 (B III 1). Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1975-76 (Maastricht), bijlage 72.

     [27]   "Praatpapier tweede kerkdienst" - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156.

     [28]   Notulen DE d.d. 16 april 1975 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [29]   Zie hierboven blz. 238.

     [30]   Rapport eredienst 1975 (citaat, zowel in deze als in de volgende zin).

     [31]   Rapport commissie III betreffende B III 1 d.d. 18 november 1976 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1346.

     [32]   Rapport eredienst 1975 (citaat, zowel in deze als in de volgende zin­nen).

     [33]   Rapport commissie III betreffende B III 1 d.d. 18 november 1976 - RAU, Archieven Synodale Vergaderingen GKN, nr. 1346.

     [34]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1975-76 (Maastricht), art. 462 (vgl. ibidem, art. 460).

     [35]  Zie hierboven blz. 341v.

     [36]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1975-76 (Maastricht), art. 328 (vgl. ibidem, art. 329 en 333, alsmede bijlage 53).

     [37]   Ibidem, art. 328 (citaat).

     [38]   Ibidem, art. 333 (citaat in deze en in de volgende regel).

     [39]  Zie hierboven onder meer blz. 25 en 47. Vgl. bijlage D en E.

     [40]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1975-76 (Maastricht), art. 460 (citaat).

     [41]   Notulen DE d.d. 20 januari 1977 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [42]   Notulen DE d.d. 6 september 1977 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [43]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1977-79 (Zwolle), bijlage 31.

     [44]   Ibidem, art. 136, 139 en 140 (besluit).

     [45]   Ibidem, art. 140 (citaat). Vgl. ook bijlage E.

     [46]   Notulen DE d.d. 4 oktober 1977 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [47]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1977-79 (Zwolle), bijlage 31 (citaat). Vgl. notulen DE d.d. 21 december 1977 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [48]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1977-79 (Zwolle), bijlage 32.

     [49]   Ibidem, art. 140 (vgl. ibidem, art. 136 en 139). Vgl. bijlage D en E.

     [50]   Aan de eerder gepresenteerde voorbeelden kan nog het volgende worden toegevoegd. De synode van Haarlem had gevraagd om een herziening van het formulier voor openbare geloofsbelijdenis (Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1973-75 (Haarlem 1973-75), art. 214), die van Maastricht had deputaten nog eens aan deze opdracht herinnerd (ibidem 1975-76 (Maastricht), art. 462), maar die deelden mee niet in de uitvoering van deze opdracht te kunnen slagen, hetgeen de synode aanvaardde (ibidem 1977-79 (Zwolle), art. 140 en bijlage 31 en 32).

     [51]   Notulen DE d.d. 22 maart 1978 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [52]  Vgl. voor het hervatte overleg hierboven blz. 344v.

     [53]   Verslag gesprek Melles, Overbosch, Van Schuppen d.d. 19 augustus 1976 (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156.

     [54]   Notulen DE d.d. 20 november 1976 (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [55]  Vgl. hierboven blz. 272v.

     [56]   Notulen gesprek Melles, Overbosch, Van Schuppen d.d. 19 augustus 1976 (citaat) - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 156.

     [57]   Notulen DE d.d. 20 januari 1977 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [58]   Notulen DE d.d. 9 juni 1977 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [59]   Notulen DE d.d. 27 juni 1978 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [60]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1977-79 (Zwolle), art. 264 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage 58 en breed moderamen, art. 74.

     [61]  Zie hierboven blz. 316v.

     [62]   Een populaire beschrijving van de wederwaardigheden van de RCOB biedt: J.J. van Capelleveen, Ontmoetingen rondom de bijbel. Een kwart eeuw Raad voor Contact en Overleg betreffende de Bijbel - 1967 - 1992, z.p. z.j.

     [63]   Notulen moderamen RCOB d.d. 7 december 1973 - Secretariaat RCOB Kortenhoef, Archief.

     [64]   Notulen moderamen RCOB d.d. 28 januari en 1 mei 1974 - Secretariaat RCOB Kortenhoef, Archief.

     [65]   Notulen moderamen RCOB d.d. 6 september en 19 december 1974 - Secretariaat RCOB Kortenhoef, Archief.

     [66]   Resp. notulen RCOB d.d. 13 februari 1975 (citaat) en notulen moderamen RCOB d.d. 13 maart en 5 juni 1975 - Secretariaat RCOB Kortenhoef, Archief.

     [67]   Notulen kalender-commissie RCOB d.d. 13 november 1975 - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief. De sectie bestond uit (tussen haakjes de titel, waarop de betrokkenen waren aange­zocht): A.H.A. Bakker (Alge­mene Doopsgezin­de Sociëteit en Remonstrantse Broederschap), J. Bergers (Oud-Katholie­ke Kerk), P. Oussoren (NHK, als ver­vanger van M.H. Bolkestein), B.P.M. Hemelsoet (RKK), E.P. de Jong (secretaris sectie eredienst RvK), G.C. van de Kamp (Christe­lijke Gerefor­meerde Kerken), Lammens (GKN) en P.C. Roodenburg (Evan­gelisch-Luther­se Kerk).

     [68]  Notulen kalender-commissie RCOB d.d. 27 januari 1976 - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief.

     [69]   Notulen DE d.d. 12 december 1972 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 155.

     [70]   Schippers, "Overwegingen". K.A. Schippers (geb. 1943) stud. theol. Kampen 1949, Geref. pred. Sibculo 1949, Ermelo 1953, docent Seroei (Nw. Guinea) 1956, dir. Ned. Geref. Jeugdraad 1963, wetensch. medew. Kampen 1971 (lector 1975, hoogl. 1980) - 1989 (emer.).

     [71]   Zie met name: Schippers, "Overwegingen", 23v.

     [72]   "Overwegingen rondom de jaarorde" (gespreksnota kalender-commissie) - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief.

     [73]   Ibidem (citaat); notulen kalender-commissie RCOB d.d. 24 maart 1976 - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief.

     [74]   Zie: notulen kalender-commissie RCOB d.d. 3 mei 1976 - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief.

     [75]   Notulen moderamen RCOB d.d. 26 augustus 1976 en notulen RCOB d.d. 20 september 1976 - beide: Secretariaat RCOB Kortenhoef, Archief.

     [76]   Notulen sectie eredienst RvK d.d. 4 oktober 1976 (vgl. voor het vervolg ook d.d. 7 december 1976) - Sectie eredienst RvK Zeist, Archief.

     [77]   Notulen RvK d.d. 11 mei 1977 (vgl. ook notulen moderamen RvK d.d. 23 mei 1977) - RvK Amersfoort, Archief.

     [78]   G.N. Lammens, "Het kerkelijk jaar en de liturgische jaarorde", in: De eerste dag 1 (1977-78), nr. 1, 1 - 28.

     [79]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1977-79 (Zwolle), bijlage 31.

     [80]   Ibidem, art. 140 (citaat). Vgl. ibidem, bijlage 31 en 32.

     [81]   Kuyper, Onze Eeredienst, 300 (citaat). Vgl. ibidem, 299vv. Vgl. verder Hoekstra, Gereformeerde homiletiek, 257v en Dijk, De dienst der prediking, 313v.

     [82]  Vgl. Van Minnen, De Gereformeerde Eeredienst, 13v; OB 3 (1924-25), 404vv.

     [83]  Vgl. voor Middelburg 1933 hierboven blz. 118v en voor Middelburg 1965-66 blz. 261v. De synode van Amsterdam 1967-68 schrapte bovendien nog de tekstlezing voor de preek uit de orde van dienst (vgl. blz. 295). In principe kwam hierdoor de Schriftlezing als geheel - de tekstlezing kan gezien worden als een verkorte Schriftlezing - nog dichter bij de preek te staan.

     [84]  Zie hierboven blz. 55.

     [85]   GW 37 (1981-82), 73v. Citaten in het vervolg van deze alinea: ibidem, 74.

     [86]   J. Firet e.a. (red.), 'Houdt dan de lofzang gaande ...' Opstellen over kerk en eredienst aangebo­den aan prof.dr. G.N. Lammens ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag, Kampen 1983.

     [87]   Resp. notulen DE-commissie dienstboek RvE d.d. 23-24 augustus 1978 - RAU, Archieven GKN eredienst, nr. 170; Eredienst 16 (1982). Zie voor het tijdschrift Eredienst hierboven ook blz. 321.

     [88]   Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1977-79 (Zwolle), art. 141 (vgl. 266) en bijlage 33; ibidem 1979-80 (Delft), art. 148, 149, 158, 281, 282, 283 en met name bijlage 74.

     [89]   Ibidem 1979-80 (Delft), art. 155.

     [90]   Orden van dienst voor de Gereformeerde Kerken in Nederland. Catechismus, z.p. z.j. [1981].

     [91]   Notulen DE d.d. 20 januari 1984 - SO Eredienst Driebergen, Archief.

     [92]   Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1989-90 (Emmen), art. 50 en bijlage 8.

     [93]   Notulen DE-RvE d.d. 15 april 1983 - SO Eredienst Driebergen, Archief.

     [94]  Vgl. Acta Gen. Syn. Geref. Kerken 1985-87 (Gouda), art. 32 en bijlage 32. Vgl. ook ibidem 1983-84 (Dokkum), art. 225.

     [95]   P.M.J. Hoogstrate, "Liturgie - altijd spanning tussen 'oud en 'nieuw'? Het dienstboek als liturgisch experiment", in: Eredienstvaardig 4 (1988), 237 - 241, 239 (citaat).

     [96]   Vgl. W.G. Overbosch, "Elke gemeente haar eigen zangbundeltje?", in: Eredienstvaardig 6 (1990), 36.

     [97]   Vgl. Beleidsnota inzake de toekomst van het kerklied in Nederland en het 'Liedboek 2000', z.p. 1995.

     [98]   G. van Schuppen, Enquête over het project rondom de jaarorde 'De eerste dag', z.p. z.j. [Voorburg 1989], 13 en 45.

     [99]   H.A.J. Wegman, "'De eerste dag' na twaalf jaren", in: Eredienstvaardig 5 (1989), 66 - 71, 71 (citaat). Vgl. met name Schippers, "Overwegingen".

     [100] Dekker, Een stille revolutie, 197 (citaat).