13.†††††† Terugblik en vooruitzicht: ordening van dienst

 

 

Tot besluit van deze studie wil ik om te beginnen de resultaten van mijn onderzoek samenvatten. Dat loopt uit op een aantal conclusies bij de drie aandachtspunten: wie bepaalden de inrichting van die eredienst, welke criteria hanteerden zij daarbij en onder welke omstandigheden kwamen zij daartoe. Zo wordt in kort bestek zichtbaar gemaakt, wat de Gereformeerde Kerken en hun voorgangsters op litur≠gisch gebied hebben geleerd. Op basis daarvan geef ik aan, wat in dezen de eigen bijdrage van de Gereformeerde Kerken kan zijn in samenwerking met andere kerken. Aan de hand van kanttekeningen bij enkele recente publikaties laat ik zien, wat dit concreet betekenen kan. Tot slot doe ik enkele suggesties voor verdere studie.

 

Bij het opmaken van de balans, kunnen we als eerste vaststellen dat bij het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in Nederland in 1892 de uit Afscheiding en Doleantie voortgekomen kerken elk hun eigen liturgische traditie inbrachten. Beide tradities werden bepaald door hun oorsprong.

Als we de gebeurtenissen die leidden tot de Afscheiding van 1834 nader beschou≠wen, dan blijkt dat het formele breekpunt was gelegen in een aantal kerkelijke procedures, dat in gang was gezet wegens het overtreden van synodaal vastgestelde regels. Deze procedures richtten zich weliswaar tegen de voormannen van de Afscheiding, maar de inzichten die hen tot overtreding van de regels aanzette, werden voor een belangrijk deel ingegeven door het gevoelen van hun gemeenten. Dit gold in het bijzonder voor G.F. Gezelle Meerburg en S. van Velzen, ook voor Joh. van Rhee en H.P. Scholte, maar in mindere mate voor A. Brummelkamp en Hendr. de Cock. De gemeenten van de eerstgenoemden verzetten zich tegen regels die de Hervormde synode in 1817 dwingend had opgelegd. Zo moest met ingang van 1818 bijvoorbeeld dienst gehouden worden op Goede Vrijdag en dienden ter voorbereiding op het avondmaal een aantal vragen te worden gesteld. Deze gebruiken strookten niet met de (gereformeerde) traditie: over de Goede Vrijdag stond niets in de Dordtse Kerkorde uit 1618-19, en de voorbereidingsvragen waren niet in de 'aloude' Liturgie opgenomen. De Nederlandse Hervormde Kerk had de Dordtse Kerkorde geheel en de Liturgie grotendeels terzijde geschoven. De protesterende gemeenten daarentegen wilden deze geschriften tezamen met de Formulieren van Enigheid in ere herstellen. In feite echter keerden de ze in hun verlangen naar het 'aloude' terug naar de gaandeweg gegroeide liturgische situatie van voor 1818. Zij accepteerden bijvoorbeeld de in de tweede helft van de 18e eeuw ontstane gewoonte de moeder bij de doop aanwezig te laten zijn, ook al was zij noch in de Dordtse Kerkorde noch in het klassieke doopformulier vermeld. Voor de gemeentezang wijkt de situatie in zoverre af, dat het 'aloude' betrekking had op de praktijk van voor 1807. De toen ingevoerde Evangelische Gezangen werden door afgescheidene gemeenten afgewezen, terwijl tegen de in 1775 in gebruik genomen psalmberijming slechts incidenteel verzet bestond.


Het voorgaande zou de indruk kunnen wekken, dat de eredienst onder de afgeschei≠denen in alle opzichten van die in de Hervormde Kerk verschilde. Op twee punten echter bestond er tot op zekere hoogte continuÔteit. De eerste overeenkomst tussen beide kerken betreft de belangrijke plaats van ervaring en gevoel in de eredienst. Maar waar in de Hervormde verordeningen van 1817 de vaststelling van wat stichtelijk voor de gemeente was, geheel aan de predikanten was toevertrouwd, kregen bij de afgescheidenen ook de gemeenten zelf een stem in het kapittel. In hun kring gaven namelijk de kerkeraden de grote lijnen aan: bijvoorbeeld of, en zo ja, wanneer de wet en de geloofsbelijdenis gelezen moest worden. Het was vervolgens de taak van de voorganger in gebed, preek en sacramentsbediening de juiste woorden te kiezen. Daarin ligt een tweede overeenkomst: een zekere mate van vrijheid voor de voorganger om aan de persoonlijke ervaring recht te kunnen doen. Dit komt in het bijzonder naar voren in het gebruik van de formulieren. Aanvanke≠lijk legden de afgescheidenen nadruk op het volledig gebruik van de liturgische formulieren. Ze zetten zich daarmee af tegen de synodaal gesanctioneerde praktijk in de Hervormde Kerk, waar predikanten de formulieren naar eigen inzicht mochten wijzigen en aanvullen. Na verloop van tijd echter namen de afgescheidene predikanten het in de praktijk ook niet zo nauw met de liturgische formulieren, zij het dat ze minder vrij waren dan hun Hervormde collega's, omdat ze moesten blijven binnen de grenzen van de gereformeerde confessie. Tot officiŽle, kerkelijk vastgestelde wijzigingen kwam het evenwel niet, omdat aan de 'aloude' Liturgie als zodanig een groot gezag was toegekend.

Ook in later jaren bleef de besluitvorming in de Hervormde Kerk de ontwikkelin≠gen in afgescheidene kring beÔnvloeden. In de jaren vijftig van de vorige eeuw nam in de Hervormde Kerk de behoefte aan vrijheid snel toe. Dit uitte zich onder meer in besluiten van de synode bestaande liturgische regels te verzwakken of zelfs geheel af te schaffen. Tegelijk echter verplichtte de synode predikanten in de eredienst rekening te houden met het gevoelen van de gemeente ter plaatse. Het eens verplichte gezangvers hoefde niet meer te worden opgegeven en de voorberei≠dingsvragen op het avondmaal konden desgewenst achterwege gelaten worden. Plaatselijk zal de eredienst in de Hervormde gemeente soms nauwelijks meer van die onder de afgescheidenen verschild hebben. In het totaal van het Hervormde kerkverband daarentegen werd het klimaat al spoedig zo liberaal, dat men er zelfs niet meer zeker van kon zijn, dat iemand met de klassieke formule gedoopt was. Daartegen richtte zich nu het front van de afgescheidenen. Zeker toen de interne geschillen zo goed als opgelost konden worden en de hoofdstroom in 1869 verenigd was in de Christelijke Gereformeerde Kerk, gingen zij steeds sterker accentueren dat in hun eredienst overal het gezag van de Schrift en de gereformeerde belijdenis≠geschriften was gewaarborgd. Het vaststellen van (nieuwe) synodale richtlijnen voor de eredienst, bijvoorbeeld voor het afleggen van openbare geloofsbelijdenis, achtten zij daarom overbodig. Kerkeraden en voorgangers konden daarvoor zelf de juiste woorden en vormen wel vinden.


Anders dan de Afscheiding was de Doleantie in 1886 zorgvuldig voorbereid en konden de zichzelf al spoedig Nederduitsch Gereformeerden noemende dolerenden terugvallen op hetgeen hun voorman A. Kuyper hun in voorgaande decennia had voorgehouden. Kort nadat Kuyper in 1863 zijn loopbaan als predikant begonnen was, had hij reeds zijn bezwaren naar voren gebracht tegen de liturgische vrijheid in de Hervormde Kerk. Hij veroordeelde niet zozeer het bestaan van bepaalde regels, zoals in de Afscheiding was gebeurd, alswel het ontbreken van regels, waarmee de plaatselijke gemeente de inrichting van de eredienst kon bepalen. De gemeenten waren overgeleverd aan de willekeur van hun predikanten en hadden binnen het in 1816 ingevoerde kerkelijk systeem nauwelijks instrumenten daar tegen op te treden, al kon niet ontkend worden dat hun positie vooral in de laatste jaren enigszins verbeterd was. Kuyper pleitte derhalve voor een 'kerkelijke' Liturgie en koos zijn uitgangspunt in de laatste Liturgie die naar zijn opvatting op een wettige wijze kerkelijk was vastgesteld: de Liturgie van Dordrecht 1618-19. Deze kon echter net als de gereformeerde belijdenisgeschriften en kerkorde aan revisie worden onderworpen. Kuyper hield dat bij het verstrijken van de tijd zelfs voor noodzakelijk. Maar zolang geen officiŽle revisie had plaatsgevonden, dienden de bestaande, kerkelijk geijkte, liturgische formulieren letterlijk gelezen te worden.

De keuze voor de Liturgie verliep bij de Nederduitsche Gereformeerden anders dan bij de afgescheidenen. Zij volgden Kuyper in zijn opvatting, dat leden van ťťn kerk met ťťn en dezelfde belijdenis ook ťťn en dezelfde, vaste Liturgie dienden te gebruiken en dat voor meerdere kerken met dezelfde belijdenis hetzelfde gold. Met de aanvaarding van het kerkverband van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken dat uitging van de drie Formulieren van Enigheid, herstelden de betrokken kerken, c.q. hun door de gemeente gekozen kerkeraden, het kerkverband dat tot 1816 van die belijdenisgeschriften was uitgegaan. Ze accepteerden daarmee de liturgische regels die in dat kerkverband eens, op de synode van Dordrecht 1618-19, waren overeengekomen en neergelegd waren in de Liturgie en de Dordtse Kerkorde. Was de keuze voor die Liturgie onder de afgescheidenen een gevoelsmatige, welhaast pragmatische, onder de Nederduitsche Gereformeerden droeg zij een formeel-juridisch karakter. In het verlengde van deze principiŽle keuze lag de verplichting voor predikanten om de door de kerken vastgestelde formulieren onverkort te lezen. Dat het liturgische leven in sommige opzichten sterker was dan de leer, blijkt uit de toegeeflijke houding inzake diensten op Goede Vrijdag, waaraan veel gemeenteleden vanuit de Hervormde praktijk gewend waren. De Dordtse Kerkorde schreef deze feestdag niet voor, maar verbood hem evenmin. De Nederduitsche Gereformeerde synode achtte daarom een kerkdienst op deze dag allerminst nodig, maar ook weer niet uitgesloten. Een dienst houden mocht. Ergo: zowel afgeschei≠denen als dolerenden hielden in de eredienst bewust rekening met de gemeente die daartoe samenkwam. Maar terwijl de afgescheidenen verder gingen met de liturgie, zoals die hun was overgeleverd, probeerden de dolerenden terug te keren naar de liturgie, zoals ze ooit kerkelijk was vastgesteld om haar daarvanuit te ontwikkelen.

 


Toen in 1892 de Gereformeerde Kerken ontstonden, konden de vertegenwoordigers van beide tradities waaruit ze voortkwamen, zich verenigen op onder meer de Dordtse Kerkorde en de Liturgie. Tegenover de situatie in de Hervormde Kerk was dit een ondubbelzinnige keuze. Toch lag in deze overeenkomst direct al een probleem opgesloten, aangezien over de precieze omvang en inhoud van de Liturgie, alsmede de betekenis en het gebruik ervan, geen uitspraak werd gedaan. Dat was niet onbelangrijk, aangezien bijvoorbeeld de praktijk van de kinderdoop in de beide tradities nogal verschilde. Zij die afkomstig waren uit de Christelijke Gereformeerde Kerk bleven ook in het nieuwe kerkverband de gewoonte volgen met de doop te wachten tot de moeder aanwezig kon zijn, stelden ook haar de vragen en weken daarbij van het klassieke doopformulier af. Maar op basis van de kerkorde opteerden de van origine Nederduitsche Gereformeerden voor een zo spoedig mogelijk na de geboorte bediende doop. Zij zagen dit in het doopformulier bevestigd, volgens welk de vragen uitsluitend aan de vader gesteld moesten worden. Dit verschil in opvatting en praktijk was juist voor de B-richting pijnlijk, omdat die zich immers in Kuypers voetspoor sterk had gemaakt voor ťťn belijdenis met ťťn Liturgie. Het was dan ook niet toevallig dat in de B-kring door F.L. Rutgers het initiatief genomen werd om een historisch verantwoorde uitgave te verzorgen van de kerkelijk, door de Dordtse synode van 1618-19 vastgestelde tekst van de Liturgie. De synode van Arnhem 1902 weigerde echter deze editie kerkelijk te (her)ijken. Ze argumenteerde dat het in het vaststellen van de klassiek-gerefor≠meerde Liturgie om een historisch en daarmee wetenschappelijk vraagstuk ging, waarover een kerkelijke vergadering zich niet kon en mocht uitspreken. Daarbij kwam dat de spanningen tussen de A- en B-richting hoog waren opgelopen. Een positief besluit zou het risico van een scheuring hebben vergroot. Kuyper, die de kerkelijke goedkeuring van Rutgers' editie met een serie artikelen in De Heraut ondersteund had, zag met deze uitspraak zijn ideaal van een verdere ontwikkeling en uitbouw van de Liturgie vervliegen. Graag had hij bijvoorbeeld een orde van dienst doen vaststellen, omdat de klassiek-gereformeerde Liturgie daartoe slechts enkele indirecte aanwijzingen bood. Kuyper heeft gedurende zijn verdere leven de totstandkoming van een kerkelijk vastgestelde orde van dienst niet kunnen realise≠ren. Dat valt onder meer te wijten aan het feit dat hij zich geheel is gaan wijden aan de politiek en zijn invloed op het kerkelijk leven tanende was. Maar belangrij≠ker is vermoedelijk dat in de kerken geen noodzaak bestond voor een dergelijke orde, omdat de liturgische praktijk van plaats tot plaats niet veel verschilde. Al bij het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in 1892 had er zowel bij de A- als de B-kerken een groeiende overeenstemming bestaan over de opvatting dat de gehele dienst zich tussen votum en groet moest afspelen. De situatie waarin er voor het votum nog een zogenaamde voordienst met een uitgebreide Schriftlezing werd gehouden, behoorde toen al grotendeels tot het verleden. De kerkordelijk vastgeleg≠de verplichting van het gebruik van de Liturgie - in welke editie dan ook - perkte de vrijheid van de predikant enigszins in. Toch was in de praktijk hij het die, dankzij zowel het ontbreken van duidelijke liturgische regels in de meeste kerken als de hoge waardering voor de preek, in sterke mate de gang van de eredienst bepaalde. Dit feit weerspiegelde zich in de theologische bezinning op de liturgie, waarin de predikant in toenemende mate een centrale rol werd toegekend. Kuyper heeft deze ontwikkeling, waarin de plaats van de gemeente in de eredienst op de achtergrond raakte, in zekere zin zelfs gestimuleerd door in zijn Encyclopaedie het ambt in de eredienst sterk te accentueren. De conclusie moet derhalve zijn dat de gemeente in de Gereformeerde Kerken maar zeer ten dele gebruik kon maken van "het recht en de bevoegdheid" de inrichting van haar eredienst te bepalen, zoals Kuyper dat voor ogen had gestaan.[1]

 


Kuyper heeft niet alleen zijn sporen nagelaten in de eredienst van de Gereformeerde Kerken, hij heeft ook een niet te onderschatten invloed uitgeoefend op de liturgi≠sche ontwikkelingen in de Hervormde Kerk. Door zijn extreme opvatting over het onveranderd lezen van de klassiek-gereformeerde liturgische formulieren heeft hij weliswaar velen van zich vervreemd, maar dit heeft anderen, zoals G.H. Lamers en E.F. Kruijf, er niet van weerhouden evenals hij te protesteren tegen de onbegrensde liturgische vrijheid. Kuyper en die anderen hebben samen de liturgische beweging in de Hervormde Kerk van deze eeuw voorbereid. Zij werden zich bewust van de noodzaak van orde en regel om van liturgie te kunnen spreken. De door Rutgers in samenspraak met Kuyper voorbereide editie van de Liturgie gaf aanleiding tot een soortgelijke publikatie door M.A. Gooszen aan Hervormde zijde. J.H. Gerretsens eerste zogenaamde liturgische dienst in 1911 was grotendeels gebaseerd op Kuypers bewerking van A Lasco's orde van dienst in de artikelenreeks "[Onze] Eeredienst" in De Heraut.

 

Kuypers Onze Eeredienst van 1911 en de opiniŽrende artikelen van zijn zoon H.H. Kuyper in de volgende jaren deden langzaam het besef groeien, dat de Gerefor≠meerde Kerken in het opstellen van liturgische regels een taak, ja zelfs een plicht hadden. Dit proces werd afgesloten met de besluiten van de synode van Middelburg 1933. De liturgievernieuwing in deze periode is sterk gestimuleerd en tegelijk beperkt door de roep om eenheid, die onder invloed van toenemende spanningen in de kerken steeds sterker klonk: ťťn belijdenis, ťťn liturgie.

De stimulans tot vernieuwing kwam voort uit de constatering, dat de bestaande confessie geen of geen eenduidig antwoord gaf op nieuwe vraagstukken die zowel buiten als binnen de eigen kerken aan de orde werden gesteld. Analoog aan de Formulieren van Enigheid zou in dit verband ook de Liturgie aan revisie moeten worden onderworpen. De herziening van de Liturgie resulteerde in een aantal wijzigingen die grotendeels aanvullingen waren, vergelijkbaar met de uitbouw die Kuyper bij de belijdenis ooit voor ogen had gestaan, maar die nooit tot stand kwam. Al eerder, in 1905, was de Dordtse Kerkorde grondig herzien. Ook een Formulier van Enigheid, de Nederlandse Geloofsbelijdenis, stond toen op de agenda, maar dat betrof slechts een enkele wijziging. Formulieren, kerkorde en Liturgie raakten zodoende weliswaar het onaantastbaar karakter kwijt dat ze eens in hun historische gestalte voor de afgescheidenen hadden gehad, maar door de toegenomen praktische bruikbaarheid behielden ze hun gezag in de kerken. Juist in gereviseerde vorm onderstreepten ze de onderlinge eenheid.


De beperking die het streven naar eenheid in het vernieuwingsproces daarentegen tot gevolg had, uitte zich in de wens van achtereenvolgende synoden om zo dicht mogelijk te blijven bij de bestaande praktijk. De synodaal aanvaarde orde van dienst uit 1933 bevatte geen nieuwe elementen en kon zonder veel problemen overal worden ingevoerd. Dat laatste lag in hetzelfde jaar net even anders bij de gezangen. Die waren weliswaar grotendeels bekend uit huiselijke kring of vereni≠gingsverband, maar op schriftuurlijke, historische en kerkordelijke gronden wilde niet iedereen aanvaarden dat ze ook in de eredienst gezongen werden. De eenheid van de kerken zou door verplichte invoering in gevaar komen. Om die eenheid te bewaren besloot de synode daarom de verantwoordelijkheid om ze al dan niet te (laten) zingen bij de plaatselijke kerk(eraad) te leggen, terwijl ze met het oog op de bevordering van de eenheid de invoering van de nieuwe orde van dienst voor≠schreef. Deze ontwikkeling was tegelijk mogelijk gemaakt en noodzakelijk gewor≠den door de kwestie-Geelkerken in 1926. Mogelijk: de synode versterkte toen haar greep op het Gereformeerde kerkelijk leven. Nodig: de synode zag zich voor de taak gesteld verschillende stromingen op een gezamenlijk spoor te zetten. We stellen vast, dat met de synodaal aanbevolen en voorgeschreven orde van dienst een ideaal van vader en zoon Kuyper werd gerealiseerd, hoewel zeker de soms vergaande ideeŽn van de eerste over de inhoud van een dergelijke orde niet werden overgenomen. Vader Kuyper had zich veel meer gelegen willen laten liggen aan orden uit de Nederlandse Reformatie. Verder merken we op, dat door de aard van de orde uit 1933 - dicht bij de bestaande praktijk - en de wijze waarop ze werd ingevoerd - dwingend voorgeschreven - een eventuele liturgische vernieuwing op landelijk niveau nauwelijks nog impulsen kon ontvangen van de plaatselijke praktijk. Getuige het stilzwijgen van de kerkelijke pers over liturgische thema's en het ontbreken van daarover handelende punten op de synodale agenda's, bestond in het eerste decennium na de Middelburgse synode overigens ook weinig behoefte aan een dergelijke vernieuwing.

 


Het was Kuypers gedachtengoed dat de liturgische bezinning in de Gereformeerde Kerken na verloop van tijd weer in beweging zou zetten, zij het langs een omweg. Die omweg was de Hervormde Kerk, waar Gerretsen in 1911 getoond had door Kuypers inzichten geÔnspireerd te zijn. Kuyper zelf en Gerretsen be≠Ônvloedden op hun beurt weer G. van der Leeuw, die met zijn godsdienstwetenschappelijke achtergrond de beoefening van de liturgiek in een nieuw perspectief plaatste en in de loop van de jaren twintig en dertig in de Liturgische Kring een groep medestan≠ders om zich heen verzamelde. Van der Leeuw en de zijnen wisten het liturgische vraagstuk reeds in de oorlogsjaren hoog op de agenda van de Hervormde synode te plaatsen. Zo konden in het vernieuwingsproces dat zich kort na de tweede wereld≠oorlog in de Hervormde Kerk manifesteerde, de voorbereidingen getroffen worden voor de samenstelling van een dienstboek, dat in 1955 verscheen als Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk in ontwerp. Het was de Gereformeerde K. Dijk die zich al aan het einde van de jaren dertig door Van der Leeuws benadering liet aanspreken. Enerzijds bewonderde hij Van der Leeuw om de stimulans die hij aan de bestudering van de liturgie gegeven had, maar anderzijds zette hij zich scherp tegen diens denkbeelden af. Volgens Dijk moest het Woord het leidende principe voor een beschouwing over de eredienst zijn, en niet, zoals Van der Leeuw meende, het sacrament. Dijk voelde zich door Van der Leeuw uitgedaagd tot het nader uitwerken van een Gereformeerde benadering van de liturgie. Zich afzettend tegen de centrale positie van het ambt in Van der Leeuws opvattingen legde Dijk met gebruikmaking van Kuypers erfenis opnieuw een basis voor de stelling dat de gemeente de drager van de eredienst is. Dijk argumenteerde met historische gegevens en kende de orden van dienst uit de calvinistische Reformatie, maar verdedigde desondanks de meeste afwijkingen daarvan in de vigerende Gereformeerde orden. Doorslaggevend was voor hem dat de Gereformeerde orden aansloten bij de in de kerken levende verwachtingen en wensen. Toen Dijk in 1955 als hoogleraar met emeritaat ging, was er nog maar weinig concreet veranderd in de Gereformeerde eredienst. Toch is het in belangrijke mate zijn verdienste geweest, dat er een klimaat ontstond, waarbinnen - anders dan voorheen - beschei≠den liturgische vernieuwingen acceptabel waren. Typerend voor de toenemende openheid in de eerste helft van de jaren vijftig is de groeiende bereidheid van de Gereformeerde synode in de ontwikkeling van een nieuwe psalmberijming met anderen samen te werken. Het bleek zelfs geen bezwaar, dat vooral Hervormde dichters daarin een hoofdrol zouden spelen. Tot aan de synode van Leeuwarden 1955-56 bestond er voor elke liturgische plechtigheid ťťn formulier. Daarmee werd concreet uitdrukking gegeven aan het ideaal van de ene liturgie. De synode van Leeuwarden doorbrak dat ideaal met het vrijgeven van onder meer een verkort formulier voor de bediening van het avondmaal naast het bestaande klassiek-gereformeerde formulier. Dit gaf de plaatselijke kerkeraad de gelegenheid een keuze te maken, zij het in beperkte mate. In zekere zin was het ideaal van de ene liturgie al in 1933 opgegeven, omdat de synode toen de kerken volstrekt had vrijgelaten de nieuwe gezangen al dan niet in te voeren. Het verschil is evenwel dat voor de gemeentezang - door de voorganger - altijd al gekozen kon worden uit 150 psalmen en enige gezangen, terwijl in het gebruik van de liturgische formulieren geen enkele variatie bestond. Al met al kan worden vastgesteld, dat in de jaren vijftig in de besluitvorming het accent op de eenheid binnen de eigen kerken begon te verminderen, terwijl voorzichtige pogingen werden ondernomen de banden met andere kerken uit de gereformeerde traditie, waaronder de Hervormde Kerk, aan te halen.

 


Twee soorten kritische reacties op de bestaande eredienst kondigden in het midden van de jaren vijftig in de Gereformeerde Kerken een periode aan, waarin grote veranderingen in de eredienst zouden worden doorgevoerd. De ene reactie kwam op in de zogenaamde Woudschoten-conferenties en daarmee verwante kringen, waar een nieuwe, jongere generatie zich bezighield met maatschappelijke vraagstuk≠ken. Daar legde men de nadruk op de verstaanbaarheid voor de gemeente en daarmee op de actualiteit. De andere reactie vond haar uitdrukking in de in 1956 opgerichte Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Die maakte een historisch-oecumenische invalshoek tot de hare: een kritische studie van de eigen traditie aan de hand van de liturgische gegevens van de vroeg-christelijke kerk. Het werk van Van der Leeuw was daarbij voor een deel van de werkgroep een belangrijke inspiratiebron. Maar evenals Dijk legde de werkgroep minder de klemtoon op het ambtelijk karakter van de eredienst dan Van der Leeuw indertijd gedaan had. Dat hoefde ook niet. In de Hervormde Kerk had men de eenheid in de van plaats tot plaats vaak uiteenlopende liturgische praktijk gezocht in het ambt. De Gereformeer≠de Kerken waren er daarentegen tot op grote hoogte in geslaagd in het verlengde van de eenheid van belijdenis de eenheid in de liturgische vormen te bewaren. Waar echter voor Dijk de relevante liturgiegeschiedenis begon met de Reformatie, wilde de werkgroep juist met een beroep op de liturgische principia van de refor≠mator Calvijn teruggaan naar de vroeg-christelijke kerk. Met deze nieuwe norm toonde ze aan dat de bestaande Gereformeerde orde van dienst reformatorisch onder de maat was. Ze was er van overtuigd, dat een orde van dienst een schriftuurlijk-oecumenische structuur diende te bezitten en overeenkomstig de modellen van de vroeg-christelijke kerk zowel prediking als avondmaalsviering moest bevatten. De studie in de werkgroep stond niet op zichzelf. Vragen uit de kerken hadden intussen duidelijk gemaakt, dat in de Gereformeerde Kerken een groeiende behoefte bestond aan een diepgaande bezinning op de daar bestaande liturgische vormen. De synode van Apeldoorn 1961-62 erkende de deskundigheid van de Gereformeerde Werk≠groep voor Liturgie, die zich intussen ook in kerkbouw en kerkmuziek verdiept had. De synode benoemde voor de bestudering van de orde van dienst en de frequentie van de avondmaalsviering deputaten, die voor een belangrijk deel uit de werkgroep afkomstig waren. Deze deputaatschappen werkten binnen de door de werkgroep geformuleerde uitgangspunten. Op basis van hun rapportages kon de synode van Middelburg 1965-66 een orde van dienst vrijgeven, waarin qua opbouw zowel de prediking als de bediening van het avondmaal waren voorondersteld. Maar anders dan de werkgroep had gewild, bleef de avondmaalsviering een facultatief element.

Als we de ontwikkelingen tussen 1956 en 1966 nader beschouwen, dan valt op dat het ideaal van de ene liturgie weliswaar bleef bestaan, maar van karakter verander≠de. De eenheid van de Gereformeerde Kerken was voorheen tegelijk uitgangspunt en doel: de ene liturgie was gebaseerd op de ene confessie die de kerken verbond en tegelijk bedoeld om de eenheid in denken en doen te bewaren en zo mogelijk te bevorderen. Op instigatie van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie verlegde het zoeken naar eenheid zich nu naar de liturgische structuur zoals die door de eeuwen heen op verschillende manieren in de kerk gestalte had gekregen. De werkgroep meende dat de eredienst van tijd tot tijd en plaats tot plaats op het eerste gezicht wel enorme verschillen kon vertonen, maar dat daaraan in wezen steeds dezelfde, ene orde ten grondslag lag. De eenheid in liturgische structuur moest nu nog wel de eenheid van de eigen kerken dienen, maar het doel was toch in de eerste plaats een historisch verantwoorde liturgie, die oecumenische perspectieven bood. Hadden synoden in de jaren vijftig nog wel eens opgeroepen zich te houden aan de vastgestelde orden van dienst, in het volgende decennium gebeurde dit niet meer. Sterker nog, de synode van Amsterdam 1967-68 stelde zich terughoudend op en wilde niet verder gaan dan de door de synode van Middelburg 1965-66 vrijgege≠ven orde van dienst te aanvaarden. De kerkeraden konden geheel legaal ook de orde van Rotterdam 1952-53 blijven volgen, aangezien die niet buiten werking werd gesteld. Van het synodaal aanbevelen van de nieuwe orde, zoals dat nog wel door de synode van Rotterdam was gedaan, kon derhalve nu geen sprake meer zijn. De synode van Amsterdam 1967-68 stelde tevens voor de bediening van zowel doop als avondmaal elk meerdere formulieren vast, die in een toekomstig Kerkboek moesten worden opgenomen. Kerkeraden (en voorgangers) konden hieruit zelf een keuze maken. De klassiek-gereformeerde liturgische formulieren bleven in het Kerkboek echter de hoofdmoot vormen, zij het in geamendeerde vorm. Alleen bij het avondmaal kon de voorkeur gegeven worden aan een orde in plaats van een formulier. De historisch-oecumenische oriŽntatie was in de praktijk derhalve een (beperkte) mogelijkheid naast de klassiek-gereformeerde.


Intussen was niet alleen de situatie in de Gereformeerde Kerken veranderd, ook in de Hervormde Kerk had de liturgische vernieuwing een nieuwe gedaante aangeno≠men, die toenadering tussen de beide kerkgenootschappen mogelijk maakte. Kenmerkend voor deze vernieuwing was de grote belangstelling van de dichter-predikant W. Barnard voor de verhouding tussen Schrift en liturgie, een aspect dat de Gereformeerden bij Van der Leeuw zo sterk gemist hadden. Op synodaal niveau manifesteerde dit nieuwe elan in de Hervormde Kerk zich aanvankelijk vooral in de gezangencommissie van de Raad voor de Eredienst. In 1966 werd de commissie dienstboek van de raad gereorganiseerd en konden de ideeŽn van Barnard en diens geestverwanten ook daar gestalte krijgen. In de Gereformeerde Kerken waren kort tevoren op de synode van Middelburg 1965-66 de eerste resultaten zichtbaar geworden van de Gereformeerde liturgische beweging en leek daar de uitgave van een Kerkboek nabij. Dat zou qua liturgische vernieuwing wel eens heel wat vergaander kunnen zijn dan het nog maar ruim tien jaar oude Hervormde Dienst≠boek. Hoewel al sinds de tweede helft van de jaren vijftig geregelde contacten bestonden, kwam ook na het nodige overleg in 1966 en 1967 een volwaardige sŠmenwerking tussen de Hervormde organen en zijn Gereformeerde equivalenten maar moeizaam tot stand. Voor een deel was dat het gevolg van de afwachtende en soms wat arrogante en daarmee afstotende houding aan Hervormde zijde. Maar de Gereformeerden stelden zich eveneens voorzichtig en afhoudend op. Met hun rationeel-dogmatische en rechtlijnige instelling waren zij er goed in geslaagd ordening in de eredienst aan te brengen, maar op het kunstzinnige vlak moesten zij doorgaans in anderen hun meerderen erkennen. In de jaren vijftig hadden de Gereformeerde synoden het berijmen van de psalmen aan een team van overwegend Hervormde dichters moeten overlaten. In de voorbereidingen op het Liedboek moesten zij accepteren dat dezelfde dichters bepaalden, hoe de nieuwe gezangen≠bundel er uit zou gaan zien. Voor het overgrote deel was het hun werk dat werd opgenomen en maakten zij uit welke liederen verder in de bundel kwamen te staan. Tegen deze achtergrond is het geen wonder dat de achtereenvolgende Gereformeer≠de synoden zich niet of nauwelijks over de artistieke kant van het kerklied uitlieten - zij konden op dat punt immers nauwelijks iets bijdragen - maar wel probeerden hun belang van een formeel en confessioneel geordende eredienst veilig te stellen. In de totstandkoming van de nieuwe psalmberijming hadden de Gereformeerden zodanige posities gekregen, dat zij voldoende gelegenheid hadden eventuele principiŽle - schriftuurlijke en dogmatische - bezwaren tijdig naar voren te brengen. Dat kon niet zo eenvoudig bij het samenstellen van het Liedboek, omdat dat al bijna gereed was toen van Hervormde zijde de mogelijkheid tot deelname geboden werd. Bij de nieuwe psalmberijming was het interkerkelijk karakter een belangrijk motief tot deelname geweest. Dat was nu weer het geval, maar in nog veel sterkere mate. Dat blijkt uit de bereidheid van de Gereformeerde synode (Sneek 1969-70) na diepgaand intern overleg zelfs haar inhoudelijke bezwaren tegen de voorliggende concept-bundel in te slikken. Haar enige zorg was vervolgens het draagvlak voor het Liedboek in de eigen kerken te vergroten, zodat het algemeen ingevoerd zou gaan worden. De synode eiste daartoe alsnog de opname van een aantal gezangen, die wellicht niet aan de gestelde poŽtische criteria voldeden, maar aan de basis wel graag gezongen werden. De afstand die de Gereformeerde deputaten voor de eredienst bewaarden tot de Hervormde commissie dienstboek had een meer theolo≠gische achtergrond, maar was mede ingegeven door het gevoelen van de plaatselij≠ke gemeenten. De voorstellen van de commissie dienstboek en de door haar opgestelde verantwoording die ze vergezelde, weken teveel af van hetgeen in de Gereformeerde Kerken leefde. De Hervormden waren bovendien gewend in een pluriforme kerk te werken, terwijl de Gereformeerden met hun ideaal van het ene kerkverband met de ene liturgie er nog niet direct aan toe waren een dergelijke situatie te aanvaarden. Ondanks de toenemende bereidheid tot samenwerking bleef het bewaren en bevorderen van een zekere liturgische eenheid in de eigen kerkfor≠matie tot in de jaren zeventig een belangrijk criterium bij de beoordeling van voorstellen tot liturgische vernieuwing.


Het ideaal van de ene liturgie zou echter spoedig tot het verleden gaan behoren. Nog voor het Kerkboek verscheen, kwam aan het einde van de jaren zestig in de Gereformeerde Kerken in het verlengde van onder meer de Woudschoten-conferen≠ties uit het vorige decennium een tegenbeweging op, die zich nauwelijks rekenschap wilde geven van de synodaal aangenomen orden en formulieren. Het waren vooral degenen die werkzaam waren op de grens van de kerk - bijvoorbeeld in de evange≠lisatie en het vormingswerk - die bezwaar maakten tegen de archaÔsche toon van het gebodene en veel consequenter gestalte wilden geven aan de inbreng van de gemeente. Volgens hen moest de gemeente om haar bestaan te rechtvaardigen bewust in de moderne samenleving willen staan. Zij initieerden plaatselijk experi≠menten met nieuwe vormen van eredienst, die buiten de synodaal opgestelde richtlijnen vielen. Het was G.N. Lammens, liturgisch gevormd in de Gereformeer≠de Werkgroep voor Liturgie, die aan het begin van de jaren zeventig in de ontstane controverse een visie op de eredienst ontwikkelde, waarin hij in eerste instantie recht probeerde te doen aan een historisch verantwoorde, oecumenisch gestructu≠reerde liturgie, maar tevens ruimte bood aan verlangens om in de eredienst de gemeente in haar specifieke situatie aan het woord te laten komen. In een serie televisievespers liet hij samen met anderen zien hoe dat kon. Ook Lammens' ideaal van een (landelijk) geordende Schriftlezing in de zondagse eredienst, die mogelijk≠heden bood om ook doordeweekse activiteiten in de gemeente hierop af te stem≠men, moet in dit licht worden bezien. Bij een oecumenisch vastgesteld leesrooster zouden er legio kansen zijn voor interkerkelijke samenwerking. Maar tevens zou een dergelijk rooster de onderlinge band in Lammens' eigen kerken kunnen verstevigen en daarmee een antwoord kunnen bieden op de daar afnemende betekenis van de belijdenisgeschriften als samenbindende factor. De conclusie kan geen andere zijn, dan dat bij Lammens het accent in aandacht verschoof van bepaalde historisch gegroeide vormen en structuren naar de tijd en de wereld waarin de liturgie concreet, dus plaatselijk, moet functioneren.

Een reactie op de hiervoor geschetste ontwikkelingen kon niet uitblijven. Ze was afkomstig van verontruste groepen, die zich aan het begin van de jaren zeventig steeds sterker in de Gereformeerde Kerken manifesteerden. Met zorg signaleerden zij de teruglopende functie van de belijdenisgeschriften in alle sectoren van het kerkelijk leven. Daarmee werd het op Kuyperiaanse leest geschoeide Gereformeer≠de kerkverband in de kern aangetast. De verontrusting spitste zich wat betreft de eredienst toe op de nieuwe vragen voor de kinderdoop en de openbare geloofsbelij≠denis, die op de agenda stonden van de synode van Haarlem 1973-75. Dergelijke vragen hadden liturgisch en kerkordelijk de basis gevormd voor het belijdend karakter van de kerken en dreigden nu typisch Gereformeerde aspecten kwijt te raken. Zo zouden de nieuwe vragen naast de oude worden vrijgegeven, hetgeen betekende dat de eenheid van de kerken, die ook in het algemeen hanteren van dezelfde vragen tot uiting was gekomen, in het hart zou worden aangetast. Bovendien verdwenen in de nieuwe vragen wezenlijke noties als die van de zondigheid van de mens. De synode echter oordeelde dat in de vragen niet zozeer sprake was van een reductie van de gereformeerde overtuiging zoals de verontru≠sten stelden, maar van een verantwoorde concentratie op de kern van het christelijk geloof. Het resultaat was, dat nu ook voor doop en belijdenis naast de bestaande formulieren oecumenisch georiŽnteerde orden beschikbaar kwamen.


Met de synode van Haarlem 1973-75 waren de Gereformeerde Kerken definitief op een ander liturgisch spoor terecht gekomen: de formulieren raakten op de achter≠grond. De teloorgang van de vorm van het formulier in de eredienst was een onvermijdelijk gevolg van de steeds losser en kritischer wordende omgang met de gereformeerde belijdenisgeschriften in de voorafgaande jaren. De liturgische formulieren hadden met hun leerstellige uiteenzettingen een grote vormende waarde, ook Al wekten ze door hun lengte, moeilijkheidsgraad of geregelde herhaling bij sommige hoorders irritatie op. Ze bevorderden als vertolking van hetgeen in de belijdenis was vastgelegd een zekere eenheid in denken over en beleven van bijvoorbeeld het avondmaal. Omgekeerd vormden ze in het gebruik een teken van van die eenheid. Ook een beperkt aantal verschillende, maar inhou≠delijk overeenkomstige formulieren voor elke liturgische handeling had bij een onverkort gebruik een vergelijkbaar effect kunnen hebben. De groeiende plurifor≠miteit in de Gereformeerde Kerken, die zich deels vertaalde in een toenemende afstand tot de gereformeerde belijdenis, sloot echter het algemeen gebruik van conserverend werkende liturgische formulieren zo goed als uit. De orden daarente≠gen, die hun uitgangspunt namen in de viering van de gemeente en nauwelijks leerstellig van aard waren, boden meer ruimte aan verscheidenheid in geloofsbele≠ving.

De verschuiving in de omgang met het kerkelijk belijden had op termijn ook haar weerslag op de aard van de synodale besluitvorming over liturgische zaken. Die besluitvorming was geŽnt en gericht op de eenheid van liturgie, die in het verlengde lag van de eenheid van belijdenis. Een zekere coherentie in het Gereformeerde denken en beleven bleef zeker aanvankelijk bestaan, maar de kerken konden in toenemende mate zelf keuzen maken. Dit kwam vooral sterk naar voren in het besluit van de synode van Zwolle 1977-79 over het project van de jaarorde. De synode beval dit de kerken ter kennisname aan. Inzake "Onze hulp" werd een vergelijkbaar besluit genomen. Met het vervliegen van de eenheid was het gezag van de synode op liturgisch gebied vervaagd. Op welke inhoudelijke gronden zou de synode de plaatselijke kerken nog kunnen overtuigen en verplichten uitsluitend en letterlijk de door haar vastgestelde teksten te gebruiken?

Op het terrein van de eredienst ging samenwerking tussen Gereformeerden en Hervormden op synodaal niveau steeds meer voor de hand liggen. De liturgische praktijk in de Gereformeerde Kerken was wellicht nog niet zo uiteenlopend als die in de Hervormde Kerk, ze ging er wel erg op lijken. Ondanks verschillen op het persoonlijk en organisatorisch vlak groeiden Gereformeerden en Hervormden in respectievelijk het deputaatschap voor de eredienst en de Raad voor de Eredienst vanaf 1975 geleidelijk naar elkaar toe. Waar mogelijk zocht men, gesteund door de respectievelijke synoden, naar samenwerking in bredere oecumenische verbanden.

 

De aandachtspunten nader belicht


Het eerste aandachtspunt in het onderzoek concentreerde zich op de vraag, wie de inrichting van de eredienst bepaalden: gemeente, predikant, kerkeraad of synode? Hoewel zowel in de Afscheiding als de Doleantie het recht van de gemeente haar eredienst in te richten werd erkend, is eerst na het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in 1892 de feitelijke invloed van de gemeente gegroeid, en dan nog in een langzaam tempo. Daarbij moet wel worden aangetekend, dat aanvankelijk de gemeenten zelf in hun opstelling veel aan predikanten hebben overgelaten. Later hebben de door de gemeenten gekozen kerkeraden een belangrijk deel van hun bevoegdheid overgedragen aan de synode. Door tal van bezwaarschriften en andere brieven gaven ze evenwel tegelijkertijd blijk van hun directe betrokkenheid bij de synodale besluitvorming. Vanaf de jaren vijftig is in toenemende mate de uiteinde≠lijke verantwoordelijkheid weer bij de plaatselijke kerkeraden gelegd. In de theorievorming is in de afgelopen decennia bovendien tot uiting gekomen, dat de gemeente niet alleen de inrichting dient te bepalen, maar ook in de eredienst zŤlf in belangrijke mate de handelende is. Meende Kuyper in zijn Encyclopaedie nog: de predikant "is het, die in de naam des Heeren, het Woord brengt"[2], geÔnspireerd door Dijk komt Lammens in zijn inauguratie Liturgische jaarorde en kerkelijke kalender tot de stellingname: in de eredienst bewijzen "mensen op velerlei wijze elkaar de dienst van het Woord".[3] Deze citaten illustreren, dat het ambt in de afgelopen eeuw een andere, veel minder dominante positie heeft gekregen. Lammens heeft het als kritisch tegenover - a parte Dei - niet meer nodig. Bezag Kuyper in zijn Encyclopaedie de eredienst vanuit een didascalisch oogpunt, voor Lammens is het de grondvorm van alle kerkelijke diaconia. Lammens acht het wezen van de liturgie gevat in de term viering, de viering door de gemeente van Gods aanwezigheid in de wereld. Kuyper vond het begrip viering te beperkt. De viering komt dan alleen tot zijn recht als ze "de natuurlijke vrucht is van de opgeheven stemming, waarin de gemeente door het Woord gebracht wordt".[4] Daarom diende volgens de Encyclopaedie de leer van het Woord voorop te gaan. Bij Lammens is de leer van het Woord in de definitie van de viering opgenomen, al is daarbij door G.C. van de Kamp wel de kanttekening geplaatst of daarmee voldoende recht gedaan kan worden aan God als subject van de viering.[5] De vraag rijst nu, of, en zo ja, in hoeverre de veranderde ambtsvisie invloed heeft gehad op de inrichting van de eredienst. Uit het onderzoek blijkt, dat de behoefte aan liturgievernieuwing in de jaren vijftig parallel liep aan een veranderende beleving van de preek en daarmee ook van de rol van de predikant. Geruime tijd later, vanaf de tweede helft van de jaren zestig kreeg de liturgievernieuwing gestalte op synodaal niveau. In Lammens' opvattingen over het gedachteniskarakter van de liturgie hangt die vernieuwing nauw samen met een bepaalde visie op het ambt, in het bijzonder op het ambt van de gemeente. Toch lijkt de concrete gestalte van de liturgievernieuwing veeleer bepaald te zijn door historische en oecumenische motieven. Twee ontwikkelingen wijzen daarop. De liturgievernieuwing van de Gereformeerde Kerken vertoonde op synodaal niveau sterke verwantschap met die in andere kerkgenootschappen, maar het ambt van predikant of priester functioneer≠de daar in de liturgie veel dominanter. Tegelijkertijd bestonden in de Gereformeer≠de Kerken groepen die evenals Lammens een grote nadruk legden op het ambt van de gemeente, maar een heel ander liturgisch ideaal hadden. Zij kozen in hun experimenten primair voor de verstaanbaarheid en maatschappelijke betrokkenheid. Al het andere was daaraan ondergeschikt. Hun invloed bleef evenwel beperkt, vermoedelijk ook omdat de Gereformeerde Kerken een sterke traditie hadden van een geregelde en geordende eredienst. Aan een dergelijke orde en regel hadden de genoemde groepen evenwel nauwelijks of geen boodschap. Was hun invloed groter geweest, dan had de liturgievernieuwing in de Gereformeerde Kerken er onmisken≠baar anders uitgezien.


Met het voorgaande raakten we reeds het terrein van het tweede en derde aan≠dachtspunt. Deze richtten zich op de met elkaar samenhangende vragen, welke criteria gebruikt werden bij de inrichting van de eredienst en onder welke omstan≠digheden dat gebeurde. Om te beginnen kan worden vastgesteld, dat de criteria wisselden met de omstandigheden ťn dat de keuze ervan sterk door die omstandig≠heden werden gestempeld. De afgescheidenen wezen bijvoorbeeld op de waarde van (recente) traditie en gereformeerde confessie in een periode waarin die grotendeels terzijde geschoven waren. Kuyper kwam op voor de plaatselijke gemeente in een tijd, dat die slechts een beperkt aantal rechten had in de kerkelijke organisatie. Zijn inzet kreeg zodoende een sterk kerkjuridisch karakter. In de eredienst moest de gemeente zich voegen naar buiten haar om, synodaal, vastgestelde regels en was voor het overige overgeleverd aan de persoonlijke inzichten van de voorganger. Kuyper stelde daartegenover dat de gemeente zelf het recht had de inrichting van de eredienst te bepalen. De inzet bij de gemeente stempelde ook Kuypers verdere omgang met de eredienst: zijn waardering voor een geordende eredienst, in het bijzonder in zijn historische, kerkelijk vastgestelde gestalte. Vooral wat betreft dit laatste wist Kuyper zijn volgelingen achter zich te krijgen. Na de Vereniging van 1892 lieten Gereformeerden zich in hun pasgevormde kerkverband lange tijd leiden door het streven hun kerken bijeen te houden en waar mogelijk de onderlinge eenheid te bevorderen. Dat streven had ook zijn weerslag op de inrichting van de eredienst. Zelfs argumenten die ontleend waren aan de zo gewaardeerde gerefor≠meerde traditie van de zeventiende eeuw, werden aan deze kerkpolitiek onderge≠schikt gemaakt. Het waren echter niet alleen kerkelijke leiders, die de voorzichtige, in veel gevallen ronduit behoudende koers uitstippelden. Deze lijn werd uitgezet op uitdrukkelijk verzoek van het overgrote deel van de gemeenten. Dijk had in het vervolg te maken met andere zorgen en die bepaalden dan ook zijn benadering. Vanaf het einde van de jaren dertig stelde hij zich teweer tegen een bedreigend geachte ontwikkeling van buitenaf: de liturgische beweging onder leiding van Van der Leeuw. Dijk wilde het eigene van de Reformatie, de erkenning van het gezag van de Schrift, veilig stellen. Dit diende echter primair de apologetiek, want in feite hield hij vast aan de Ge≠reformeerde praxis, zoals die gaandeweg gegroeid was. De Gereformeerde Kerken deden dat zo mogelijk nog sterker dan hij.


In de jaren vijftig startte in de Gereformeerde Kerken een proces van herbronning dat vrijwel alle facetten van het traditionele kerkelijk leven betrof.[6] In dit proces relativeerde de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie met historische argumen≠ten de waarde van de (recente) traditie voor de liturgie, ja zelfs van het gehele reformatorisch erfgoed. De kerken zouden haar daarin op termijn volgen. Vůůr de omslag in de jaren vijftig hadden Schrift (en gereformeerde belijdenis) nauwelijks of niet als reŽle criteria en beroepsinstanties gefunctioneerd, al werden ze steeds wel als zodanig genoemd. Nu gebeurde dat evenmin, al was er zeker bij iemand als Lammens in de tweede helft van de jaren zestig wel sprake van een fundamentele (her)oriŽntatie op de schriftuurlijke gegevens met betrekking tot de eredienst. Bepalend voor de uiteindelijke vormgeving bleef echter, hoe men aankeek tegen de situatie waarin de Gereformeerde Kerken zich bevonden. Maar terwijl in het nabije verleden ťťn visie overheerste, bestonden door de toegenomen pluriformiteit in de Gereformeerde Kerken nu meerdere visies naast elkaar. Waar bijvoorbeeld de een hoge prioriteit gaf aan interkerkelijke samenwerking en de nadruk legde op een oecumenische structuur, woog voor de ander in een seculariserende samenleving de eis van verstaanbaarheid zwaarder, terwijl een derde met een beroep op de eigen traditie overeenstemming met de confessie voorop stelde. De synode koos in de door haar gesanctioneerde teksten weliswaar primair voor de oecumenische structuur, maar liet tevens steeds meer over aan de plaatselijke gemeente. Die had in het naoorlogse vernieuwingsproces aan directe, concrete invloed op de synodale

besluitvorming ingeboet. De keuze meer aan de gemeente over te laten was echter niet zozeer een principiŽle keuze, maar bij gebrek aan eenstemmigheid in de kerken ook een praktische noodzaak.

In het kader van het derde aandachtspunt, de vraag naar de omstandigheden, komt uit het onderzoek verder nog naar voren, dat de omgang met de eredienst een belangrijke factor is in bepaalde historische ontwikkelingen binnen de Gereformeer≠de Kerken. Zo is bijvoorbeeld de Afscheiding niet verantwoord te beschrijven zonder rekening te houden met de posities die de betrokken gemeenten kozen met het oog op de inrichting van de eredienst. In een historisch overzicht van de kwestie-Geelkerken dient aandacht besteed te worden aan diens houding in het gezangenvraagstuk en (vooral plaatselijk) ten aanzien van de orde van dienst. Een en ander heeft mede de sfeer bepaald, die in de eerste helft van de jaren twintig rond deze predikant ontstond. Het is derhalve de moeite waard in geschiedkundig onderzoek naar conflicten in de Gereformeerde Kerken de omgang van verschillen≠de partijen met de eredienst in het oog te houden, zeker waar het de plaatselijke gemeente betreft.

 

Tegen de achtergrond van de voorafgaande alinea's laat zich nu ook Kuypers vraag uit het begin van deze studie beantwoorden. "Niet hoever we in tien, maar hoever we in honderd jaar kwamen is de vraag die over ons beginsel beslist".[7] Kuyper doelde daarmee op het beginsel, dat de eredienst beschouwd moet worden als een vergadering van gemeenteleden en dat de gemeente uit dien hoofde "het recht en de bevoegdheid" bezit zijn gang te bepalen. Nu mag dit beginsel in zijn oorsprong eveneens sterk door de omstandigheden van een bepaald tijdvak bepaald zijn en op verschillende manieren zijn verwerkt en toegepast, het is als zodanig onbetwist gebleven. Sterker nog, het heeft latere theologen als Dijk en Lammens aangezet tot nadere reflectie op het wezen van de eredienst en de inrichting daarvan. Daarnaast hebben ook verschillende generaties Hervormde theologen, onder wie Van der Leeuw, zich door Kuypers aanpak laten inspireren. Plaatselijke Gereformeerde kerken hebben zich vanaf de jaren twintig actief betrokken getoond bij de synodale besluitvorming. In het kerkverband is een krachtig bewustzijn gegroeid, dat de gemeente inzake haar eredienst een eigen verantwoordelijkheid en taak bezit. Als er ergens gesproken kan worden van een eigen bijdrage van de Gereformeerde Kerken aan de ontwikkeling van de liturgie, dan is het wel in het voortdurend teruggrijpen op en uitwerken van dit door Kuyper geformuleerde beginsel.

 

En verder


Nu de vraag naar de eigen bijdrage van de Gereformeerde Kerken op liturgisch gebied in de kern is beantwoord, wil ik in het vervolg een poging doen, om dit met behulp van de opgediepte historische gegevens nader uit te werken. Ik zet om te beginnen enkele hoofdlijnen uit.

Het zal mijns inziens nodig zijn, dat de Gereformeerde Kerken het uitgangspunt, dat de plaatselijke gemeente de uiteindelijke verantwoordelijkheid heeft voor de inrichting van haar eredienst, hoog blijven houden. Wil de plaatselijke gemeente haar liturgisch recht kunnen uitoefenen, dan moet ze evenwel bereid zijn ordening in de eredienst aan te brengen. Deze ordening dient zowel formeel als inhoudelijk te zijn, zowel liturgisch als confessioneel grenzen aan te geven. Vooral de confessi≠onele grenzen zijn van belang, omdat de orde het kader moet vormen, waarbinnen het (predikants)ambt functioneert. Aan dat kader is het ambt dienstbaar.

De generale synode zal zich terughoudend moeten opstellen, zolang de kerken een zo pluriform beeld vertonen als thans het geval is. De (voor)geschie≠denis van de Gereformeerde Kerken laat zien, dat van bovenaf opgelegde voorschriften die niet door de basis gedragen worden, kunnen leiden tot een eredienst die zich beweegt buiten de landelijk geijkte kaders, tot scheiding der geesten en zelfs tot scheuring. Vrijwel elk voorschrift, hoe formeel het ook lijkt, heeft nu eenmaal inhoudelijke implicaties. Maar zonder regel kan het evenmin. Dat toont dezelfde (voor)ge≠schiedenis. Overmatige vrijheid, gebrek aan vaste vorm kan zoveel vragen oproe≠pen en de herkenbaarheid zodanig verminderen, dat van de (liturgische) identiteit van het kerkverband weinig meer over blijft en gemeenteleden binnen de kortste keren vervreemden wat in de eredienst gebeurt. Maar er is meer te zeggen voor een zekere synodale ordening van liturgische zaken. De complexiteit van theologische en daarmee ook van liturgische vraagstukken is door de wijkende horizon in het kerkelijk leven van de afgelopen decennia zo groot geworden, dat het voor een enkele plaatselijke gemeente een vrijwel onmogelijke opgave is alle mogelijkheden te overzien. Deskundigen zullen moeten helpen bij de oriŽntatie op het grotere geheel van de wereldkerk. Gemeenten zullen in dat grotere geheel verantwoord hun positie moeten bepalen. Het zal dan wel zaak zijn, dat plaatselijke kerken gemoti≠veerd worden zich te bezinnen op liturgische vraagstukken en zich kritisch afvra≠gen, welke positie zij in het grotere geheel in willen nemen. Meerdere vergaderin≠gen zouden kerken moeten stimuleren elkaar vanuit de Schrift en het daardoor geÔnspireerde belijden van hun geloof kritisch te bevragen op de inrichting van hun eredienst en de daaraan ten grondslag liggende motieven.

 

Op basis van het voorafgaande wil ik nu enkele recente publikaties nader belichten om scherper in het vizier te krijgen, wat Kuypers principiŽle inzet bij de gemeente ook in de toekomst voor de eredienst betekenen kan.


Het gemeenteboekje "Onze hulp" uit 1978 kan beschouwd worden als een eerste proeve in het kader van het gezamenlijke dienstboek, tot de ontwikkeling waarvan de Hervormde en Gereformeerde synode in gezamenlijke zitting in 1976 opdracht hadden gegeven.[8] De orden van dienst in dit boekje volgen in grote lijnen de klassieke structuur, zoals die door de Gereformeerde Kerken ook al in de eerste druk van de katern - Orden van dienst (1974) - was opgenomen. De synode kon deze uitgave, die door de deputaten voor de eredienst samen met de Hervormde commissie dienstboek was ontwikkeld, daarom zonder al te veel problemen als handreiking aan de kerken aanbieden. Het is gelukkig geweest, dat in de voorberei≠dingen uiteindelijk niet ingegaan is op wensen om ook eucharistische gebeden uit het nieuwe Romeinse missaal op te nemen.[9] De offergedachte die daarin opgesloten ligt en het sterke accent dat gelegd is op de consecratie hadden het de synode zo goed als onmogelijk gemaakt het gebruik ervan te sanctioneren. Afgezien van de gebruiksmogelijkheden die het bood als aanvulling op het ene synodaal vastgestelde tafelgebed in de Gereformeerde Kerken was het een verdienste van "Onze hulp", dat de verscheidenheid in het gespresenteerde materiaal het gesprek over het wezen van de orde van de avondmaalsviering stimuleerde. Door toetsing in theorie en praktijk hielp "Onze hulp" de ontwikkeling van de eredienst verder.


In 1983 mengde J.H. van der Laan zich in de gedachtenwisseling over de toekomst van de liturgie(k). In de feestbundel voor Lammens 'Houdt dan de lofzang gaande ...' pleit hij ervoor een intrinsiek, direct aan de liturgische praktijk ontleend criterium voor de liturgie(k) te ontwikkelen.[10] Sinds enkele decennia is in ons land het denken over de grondslagen van de liturgie onder invloed van Lammens en Boon sterk bepaald door het gedachtenis-karakter ervan.[11] Ook Van der Laan knoopt daarbij aan en neemt Lammens' definitie uit diens Syllabus over: "In de gedachtenis - door taal en teken - wordt het heilshistorisch verleden op zodanige wijze beleefd, ervaren, beleden en geÔnterpreteerd dat de voortdurende uitwerking en kracht ervan tot verzoening, verlossing en bevrijding voor heden en toekomst aan de dag treden."[12] Van der Laan neemt echter niet Lammens' criteria voor een kritisch-normatieve liturgiek over: gehoorzaamheid aan de Schrift, oecumenische verbondheid, overeenkomst met het belijden der kerk en verantwoordelijkheid voor heden en toekomst.[13] Hij wil de criteria aan het gedachtenis-karakter van de liturgie zelf ontlenen en stelt op basis van de gegeven definitie dat dan de actuele beleving van de eredienst centraal zou moeten staan. De door Lammens geformuleerde criteria spelen in Van der Laans optiek ten opzichte van de beleving een onderge≠schikte rol. Het valt echter te betwijfelen, of de door Van der Laan gekozen benadering de kerken zoveel verder zal helpen. De grote plaats die de vierende gemeente in Van der Laans gedachtengang krijgt, moet vanuit de Gereformeerde traditie gewaardeerd worden. Natuurlijk is het van belang dat mensen door de liturgische viering in hun leven voort geholpen worden. Maar worden Schrift en belijden, elementen die bij het zoeken naar passende vormen van eredienst kritisch kunnen en moeten werken, niet al te zeer naar de achtergrond geschoven en daarmee onschadelijk gemaakt? De studie naar de wijze waarop mensen vůůr ons de gedachtenis van het heilshistorisch verleden vorm hebben gegeven, zou sterker en structureler geÔntegreerd dienen te worden in Van der Laans methode om te komen tot een kritisch-normatieve liturgiek. Een belangrijke schat aan gegevens dreigt nu in zijn aanpak verontachtzaamd te worden. Afgezien nog van het feit dat van plaats tot plaats verschillende situaties en ervaringen het vrijwel onmogelijk maken algemeen geldende conclusies te trekken, moet worden vastgesteld, dat juist de experimenten en de daaruit voortvloeiende publikaties uit de afgelopen decennia waarin men zich weinig of geen rekenschap gaf van de historisch gegroeide structuren op termijn nauwelijks iets concreets hebben opgeleverd. Ze hadden die pretentie overigens vaak ook niet, maar ze laten wel zien, dat de categorieŽn van ervaring en beleving op zich te vluchtig zijn om voor een langere termijn uitspra≠ken te doen over de structuur van de eredienst.

Toen eenmaal het Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst gevormd was en het zich in 1988 voor de eerste keer op een gezamenlijke zitting van de Hervormde en Gereformeerde synode presenteerde, wilde het meer duidelijkheid verkrijgen over de te volgen koers met betrekking tot het gezamenlijke dienstboek, tot de samen≠stelling waarvan inmiddels al weer twaalf jaar eerder besloten was. Het orgaan stelde de synoden voor bij het "streven naar vernieuwing van liturgische vormen voorrang te verlenen aan poŽtische en pastorale overwegingen".[14] Gelet op de "oecumenische context" van "alle eredienstelijk handelen" zou er geen behoefte zijn aan "enigerlei polemische formulering". Daarom zou afgezien moeten worden "van iedere dogmatische vooringenomenheid bij de te kiezen bewoording". De synode nam dit over, maar plaatste wel de kanttekening, dat "de liturgie niet in tegen≠spraak [mag komen] met het belijden der kerk."[15] Vergelijken we de positiekeuze van het samenwerkingsorgaan met die van Van der Laan, dan valt op dat het oecumenisch kader in de hedendaagse eredienst bij het samenwerkingsorgaan voorondersteld is. Van een geÔsoleerde, eigen gereformeerde of a-historische benadering van de eredienst kan geen sprake meer zijn. In de liturgievernieuwing moet binnen het oecumenisch kader naast poŽtische voorrang gegeven worden aan "pastorale overwegingen", maar het wordt niet duidelijk wat met dat pastorale bedoeld is, ook niet uit de toelichting van het samenwerkingsorgaan. Mogelijk moet daarbij gedacht worden aan het commentaar dat het samenwerkingsorgaan na beproeving van het ontwikkelde materiaal vanuit het grondvlak hoopt te mogen ontvangen. In dat geval is het de vraag hoe de poŽtische en pastorale overwegingen zich ten opzichte van elkaar verhouden. Juist omdat het samenwerkingsorgaan in zijn rapport nauwelijks ingaat op de pastorale overwegingen, vermoed ik dat van beide categorieŽn in eerste instantie de poŽtisch-artistieke kwaliteit van het geboden materiaal de doorslag zal geven. Worden in de gekozen werkwijze de ervaring en het oordeel van de gemeente wel voldoende meegewogen?



De overwegingen van poŽtische aard die het samenwerkingsorgaan hanteert, geven samen met zijn intentie te willen leren van twintig eeuwen kerkgeschiedenis een zeker profiel aan het materiaal dat ze wil produceren en ter beproeving voor wil leggen. Dat materiaal moet staan in een brede christelijke traditie en de voortgang van de oecumene niet nodeloos blokkeren. Dit vooropgaan van de oecumene ligt in het verlengde van het Rapport eredienst 1965, maar heeft toch een wat ander accent dan daar het geval was. Het is minder georiŽnteerd op de historie en meer gericht op de toekomst. Het Rapport eredienst 1965 verwoordde de overtuiging in de geschiedenis van de liturgie duidelijke positieve aanwijzingen te vinden voor de structuur van de onderscheidene liturgische handelingen, in 1988 denkt het samen≠werkingsorgaan uit de historie vooral te kunnen opmaken, hoe het niťt moet: "wat de liturgie betreft weten wij dus, waar wij kunnen ontsporen".[16] Deze verschuiving valt goed te begrijpen, omdat de visie op de liturgie-historische gegevens zich in de tussenliggende periode heeft gewijzigd. In het wetenschappelijk onderzoek heeft men meer oog gekregen voor de enorme verscheidenheid, die zich zelfs in de vroeg-christelijke kerk al voordeed.[17] Wie van gegevens uit deze periode gebruik maakt, maakt dus per definitie een bepaalde keuze. De synoden meenden dat de door het samenwerkingsorgaan gekozen benadering om een nadere positiebepaling vroeg en wensten een formulering toe te voegen over de relatie tot het belijden der kerk. Achter deze zinsnede gaat zorg schuil over het behoud van het reformatorisch erfgoed in toekomstige proeven. In het Rapport eredienst 1965 was dat duidelijk gewaarborgd door het uitgangspunt, dat de orde van dienst "in overeenstemming met de gereformeerde belijdenis" diende te zijn.[18] In zijn Syllabus uit 1973 verbreedde Lammens dit tot "het belijden van de kerk", een indicatie van de langzaam verminderende binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften in de Gereformeerde Kerken.[19] De stellingname van het samenwerkingsorgaan - en op zijn voorstel die van de synoden - wekt de indruk, dat bij toetsing van nieuw liturgisch materiaal met een beroep op de gereformeerde belijdenis al gauw van "dogmatische vooringenomenheid" sprake is. Worden bepaalde groepen in de kerken met deze wat onvriendelijk klinkende term niet al te snel in de hoek gezet? Kuyper waarschuwde daar indertijd tegen met polemisch getoonzette bewoordingen: "Wie vraagt naar het schoone, zonder vooraf naar het ware en goede te hebben gevraagd, en alzoo het ware en goede aan het schoone opoffert, slaat een doolweg in en loopt zijn doel voorbij. Dan wordt het schoone uit zijn verband gerukt, losgemaakt van zijn wezen, en als iets op zich zelf staands genomen. En dat mag nooit."[20] Tegen de achtergrond van deze woorden kan bij de gedragslijn van het samenwerkingsorgaan worden gevraagd, of de discussie over het ware en het goede niet bij voorbaat teveel wordt ingeperkt. Natuurlijk zijn liturgische teksten zelf in veel gevallen niet of nauwelijks geschikt om kritisch op hun dogmatisch gehalte bekeken te worden. De vooronderstellingen daarentegen zijn dat wel. De Gerefor≠meerde Kerken - net zo goed trouwens als de Hervormde Kerk - weten zich tot op zekere hoogte gebonden aan de Formulieren van Enigheid en zijn daarom gehouden de in de geschriften verwoorde traditie op of andere manier in het gesprek te betrekken, ook nu daar in het algemeen ruimhartiger met de gereformeerde belijdenis wordt omgegaan. Een gedachtenwisseling over de essentie van een bepaalde liturgische handeling dient vůůr de definitieve ontwikkeling en presentatie van de daarop betrekking hebbende proeve plaats te vinden. Dat zal de betrokken≠heid van de plaatselijke kerken bij de vernieuwing ten goede komen. Een goed voorbeeld uit het verleden biedt de gang van zaken rond de avondmaalsviering. De besluitvorming van de synode van Groningen 1963-64 over de frequentie van de viering waartegen vanuit de kerken geen bezwaren werden ingediend, was het fundament voor de orde die de synode van Middelburg 1965-66 voor gebruik vrijgaf.

Na samenspraak met het samenwerkingsorgaan spraken de synoden in 1988 uit, dat "bondige bewoordingen, 'waar alles op aankomt', met name bij doop, avondmaal en belijdenis en bevestigingsvragen" geformuleerd moesten worden "met een dusdanige evidentie, dat ze de volle instemming kunnen hebben van de betrokken kerkgemeenschappen."[21] Dit is belangrijk, omdat in de Gereformeerde Kerken vanaf de synode van Middelburg 1965-66 al onduidelijkheid bestond over vaste en te variŽren teksten. Als het zou gelukken verantwoorde en breed gedragen formule≠ringen te vinden, dan kan ondanks alle verscheidenheid, die er vooralsnog wel zal blijven bestaan, toch een zekere eenheid bereikt worden. Het samenwerkingsorgaan hoopt volgens zijn rapport met bewoordingen "die niet uit- maar insluiten" te kunnen bereiken, "dat de vierende gemeente zich voluit bij het heil betrokken weet: strekking en veelomvattendheid van de geheimen, waaraan zij deel krijgt, moeten niet bij voorbaat worden ingeperkt."[22] De vraag, of een belangrijk deel van de kerken zich wel zal herkennen in de formules, omdat ze menen dat het wezenlijke anders of preciezer gezegd moet worden, zal eerst na verloop van tijd beantwoord kunnen worden. De synodale uitspraak had overigens nog wel wat verder mogen gaan en kunnen aandringen op duidelijke en goed onderbouwde aanwijzingen, welke elementen nu wezenlijk en dus noodzakelijk zijn voor een bepaalde liturgi≠sche handeling en welke facultatief. Daar zou tegenin kunnen worden gebracht, dat dat tot op zekere hoogte overbodig was. Het in 1982 tot stand gekomen rapport Doop, eucharistie en ambt van de Wereldraad van Kerken geeft in een breed oecumenisch kader aan welke onderdelen in de liturgische praktijk van doop, avondmaal en (bevestiging in het) ambt van belang kunnen zijn.[23] Op het moment van de besluitvorming in 1988 hadden zowel de Hervormde als de Gereformeerde synode aangegeven de inhoud van het rapport welwillend in overweging te willen nemen.


Het is niet goed mogelijk in dit bestek uitputtend in te gaan op de tot op heden verschenen proeven van het Samenwerkingsverband voor de Eredienst. De uitgaven Liturgie in dagen van rouw (1987) en Bevestiging van ambtsdragers (1989) moeten buiten beschouwing blijven, omdat ze qua thematiek buiten de voor deze studie geselecteerde onderwerpen vallen. De in 1993 gepubliceerde proeve Doop en Belijdenis beweegt zich in grote lijnen binnen het kader dat het Gereformeerde deputaatschap eredienst in de orden voor doop en openbare geloofsbelijdenis aan de synode van Haarlem 1973-75 heeft voorgelegd.[24] Maar waar toen de verantwoording om het uitgangspunt in de Paasnacht te nemen een sterk liturgie-historisch accent had, hebben nu de dogmati≠sche-theologische argumenten een groter gewicht gekregen. Er is radicaal afstand genomen van de klassiek-gereformeerde verbondstheologie en dat heeft sterk in de opbouw van de orde doorgewerkt. Toen de synode van Haarlem indertijd consta≠teerde dat in de kerken voor de orden in de door deputaten gepresenteerde vorm onvoldoende draagvlak bestond, bracht ze in de orden zelf varianten aan om dat draagvlak te verbreden. Wie de verbondsgedachte expliciet in de vragen onder woorden wilde brengen, kůn daarvoor kiezen, hoewel sommigen van mening waren dat deze gedachte in alle gevallen duidelijk in de formuleringen terug te vinden moest zijn. Dergelijke eisen worden nu weer gesteld met het oog op Doop en Belijdenis.[25] Maar het is de vraag, of zelfs maar de aanpassingen denkbaar zijn, zoals de synode van Haarlem die heeft aangebracht. Veel sterker dan toen worden nu de theologische keuzen, die in de toelichting verantwoord zijn, onder kritiek gesteld. Die keuzen zijn op hun beurt directer verbonden met hetgeen concreet in de orden aangeboden wordt. Wellicht had de proeve er wat anders uitgezien en waren de reacties wat voorzichtiger van toon geweest, als de kerken in een vroeger stadium bij de ontwikkeling van de orden betrokken waren geweest en zich hadden kunnen uitspreken over de gekozen uitgangspunten. Het draagvlak voor de synodale proeve was ongetwijfeld groter geweest.


Hoe nu verder? Op zich biedt Doop en Belijdenis veel ruimte. De verantwoording lijkt op de intentie die de opstellers van "Onze hulp" indertijd hadden en vermeldt: "zo kŠn het. Niet: zů alleen moet het." Alleen de bewoordingen in de "centrale doophandeling" dienen kerkelijk geijkt te worden.[26] Eventuele bezwaarden kunnen met de als proeve aangeboden orden blijkbaar in principe nog veel kanten op. Maar is dat ook de bedoeling na definitieve synodale vaststelling, waar de concept-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland aangeeft, dat de doop wordt bediend "met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk"?[27] Dit komt bijna woordelijk overeen met de desbetreffende bepalingen in de thans vigerende kerkorde van de Gereformeerde Kerken - evenals trouwens in die van de Hervormde Kerk. Deze bepalingen in de Gereformeerde kerkorde hadden toen ze in de jaren vijftig werden opgesteld de intentie, dat de plaatselijke kerken zich in de eredienst nauwkeurig zouden houden aan hetgeen door de synode dienaangaande was vastgesteld.[28] In de loop der jaren hebben de kerken zich in de inrichting van hun eredienst steeds meer vrijheden veroorloofd, terwijl van synode≠wege steeds minder duidelijk was, wat nu wel en wat nu niet voorgeschreven was. Het bleef bij enkele algemene oproepen aan de kerkeraden om de eredienst binnen de synodaal vastgestelde kaders vorm te geven. Als de bepaling in de nieuwe kerkorde betekent dat alleen de vastgestelde bewoordingen waar het in de doop op aan komt, benut moeten worden, dan zal het dienstboek slechts op een aantal onderdelen ordenend werken. Als het impliceert dat daarnaast in ieder geval ook de aangegeven volgorde van de elementen gehandhaafd dient te worden, dan zullen bezwaarden de orden in veel gevallen niet willen gebruiken. Zij zullen dan hun eigen weg gaan. Dan zal de ordenende werking van het dienstboek nog kleiner zijn en slechts in een deel van de kerken haar beslag krijgen. Bij beide interpretaties van de kerkordelijke bepaling aangaande het gebruik van het dienstboek is het de vraag, of het voldoende zal zijn de kerken keuze te bieden uit twee mogelijkheden: deze formulieren en de nieuwe orden. Zou het niet zinvol zijn nog een of twee voorstellen te doen? In dit verband moet bedacht worden, dat de Gereformeerde orden voor doop en belijdenis aan het begin van de jaren zeventig met tweeŽerlei intentie werden ontworpen. Enerzijds wilde men met de orden tegemoetkomen aan de bestaande pluriformiteit, anderzijds hoopte men experimenten te kunnen indam≠men, die het gevolg waren van het ontbreken van geschikt eigentijds en kerkelijk goedgekeurd materiaal. Zullen kerken en gelovigen door Doop en Belijdenis voldoende aangesproken worden om eventuele eigen probeersels terzijde schuiven? Het mag in een breder historisch perspectief overigens wel tragisch genoemd worden, dat de Gereformeerde Kerken waar vanwege de veelheid aan orden ooit kritiek werd geoefend op het Hervormde Dienstboek, nu de grootste moeite zullen hebben zich tot ťťn orde (naast de klassiek-gereformeerde formulieren) voor doop en belijdenis te beperken.

 

Een punt apart vormen de plannen voor een nieuw liedboek, dat als werktitel 'Liedboek 2000' heeft meegekregen en met het dienstboek het beeld van de eredienst in de toekomst in belangrijke mate zal bepalen. Net als in het voorafgaan≠de zouden enkele kanttekeningen te plaatsen zijn bij de in 1995 verschenen Beleidsnota, waarin de plannen voor het nieuwe liedboek ontvouwd worden. Daar is van afgezien, omdat in de te verwachten discussie nog veel open ligt. Bovendien hebben de synoden de Beleidsnota of een daarop gebaseerd voorstel tot besluitvor≠ming nog niet besproken. Het is verder de vraag, in hoeverre de Gereformeerde Kerken op dit punt een duidelijke eigen inbreng kunnen hebben. Uit het gepleegde onderzoek komt naar voren, dat zij in de synodale besluitvorming betreffende nieuwe ontwikkelingen op het terrein van het kerklied altijd sterk afhankelijk zijn geweest van hetgeen er elders gebeurde. Een constant en naast inhoudelijke criteria voor de toekomst wezenlijk element in de beschouwingen is het besef, dat de samen te stellen bundels in belangrijke mate aansluiting moeten vinden bij de wensen en verwachtingen van de gemeente die er uit moeten zingen.[29]

 

Besluit


Zo eindigt deze studie op de drempel van verleden en toekomst. Lang niet alle vragen met betrekking tot de ontwikkelingen die de Gereformeerde Kerken op liturgisch gebied hebben doorgemaakt, konden worden beantwoord. Dat was gelet op de vraagstelling en de aangebrachte beperkingen in het onderzoek de bedoeling ook niet. Wel roepen de conclusies interessante nieuwe vragen op. Deels zijn die van historische aard. Hoe functioneerde de eredienst in een plaatselijke gemeente? Hoe werd hij beleefd? Welke factoren speelden in de eredienst een rol naast de landelijke richtlijnen? Daarbij zou dan in het bijzonder op het ambt gelet kunnen worden, zowel dat van de voorganger als dat van de gemeente. In het verlengde van dat laatste ligt de door Lammens aangezwengelde discussie over het "subject van de anamnese", die evenwel een meer dogmatische inslag heeft.[30] Ook daarover lijkt het laatste woord nog niet gezegd. Nadere studie zal ons verder moeten helpen. Verder blijft het met het oog op de toekomst van de liturgie uitdagend nader te reflecteren op het probleem, hoe de ervaring van de liturgievierende gemeente op verantwoorde wijze geÔntegreerd kan worden in de synodale besluit≠vorming.

 

De Gereformeerde Kerken zijn in hun liturgiegeschiedenis deels reeds elders bekende en deels eigen wegen gegaan. Het valt te hopen dat dit onderdeel van haar historie niet vergeten wordt, en dat bij het trekken van nieuwe sporen in de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland rekenschap gegeven zal worden van de principiŽle inzet bij de vergaderde gemeente. Of en in hoeverre dat het geval is, zal eerst na verloop van tijd duidelijk worden. Indachtig de woorden van Kuyper uit het begin van deze studie: "Niet hoever we in tien, maar hoever we in honderd jaar kwamen is de vraag" die daarover uitsluitsel kan geven.

 

 



†††† [1]††††††† Kuyper, Onze Eeredienst, 20 (citaat). Vgl. De Heraut nr.1017 (20 juni 1897).

†††† [2]††††††† Kuyper, Encyclopaedie III, 516 (citaat).

†††† [3]††††††† Lammens, Kerkelijke jaarorde, 16 (citaat). Vgl. ook hierboven blz. 313.

†††† [4]††††††† Kuyper, Encyclopaedie III, 485 (citaat).

†††† [5]††††††† Vgl. Van de Kamp, "Liturgische bewustwording", 192v.

†††† [6]††††††† De achterliggende vraag is, wat nu precies het heroriŽnteringsproces van de Gereformeerde Kerken in gang heeft gezet. Dat echter valt buiten het bestek van deze studie. Zie daarvoor onder meer de reeds aangehaalde studies van Dekker (De stille revolutie) en Hendriks (De emancipatie).

†††† [7]††††††† Zie hierboven blz. 1. Citaat volgende regel: zie noot 1 van dit hoofdstuk.

†††† [8]††††††† Vgl. voor de wordingsgeschiedenis van deze uitgave hierboven blz. 345 en 350v.

†††† [9]†† ††††† Zie hierboven blz. 351. Voor de offergedachte in deze gebeden, zie: G.M. Landman, In de ruimte van de Naam. Liturgische grondwoorden in het Onderricht van Mozes en hun invloed op het Nieuwe Testament en de christelijke eredienst, Zoetermeer 1995, met name 222 - 225 (-228).

†††† [10]J.H. van der laan, "Liturgiek als kritisch-normatieve wetenschap; of: de vraag naar criteria", in: Firet, 'Houdt dan de lofzang', 38 - 41. Vgl. ook de kritische kanttekeningen die Van der Laan plaatst in een beschouwend artikel over vijftig jaar orden van dienst in de Gereformeerde Kerken: Van der Laan, "De zondagmorgendienst", met name 238.

†††† [11]Vgl. Lammens, Tot Zijn gedachtenis; Boon, De joodse wortels, met name 29 - 56.

†††† [12]Van der Laan, "Liturgiek", 40 (citaat). Vgl. Lammens, Syllabus, 11; Boon, De joodse wortels, 29.

†††† [13]Vgl. Lammens, Syllabus, 19v.

†††† [14]Gezamenlijke vergadering van de generale synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeer≠de Kerken in Nederland op 27 tot en met 29 oktober 1988 (...) te Lunteren, z.p. z.j., 224 (citaat in deze en volgende twee regels). Vgl. ibidem, 46 en 250.

††† [15]Ibidem, 46 (citaat). Vgl. ook ibidem, 41vv (synodezitting) en 248v (commissie van rapport).

†††† [16]Ibidem, 222 (citaat).

†††† [17]Vgl. P.F. Bradshaw, "The Search for the Origins of Christian Liturgy: some methodological Reflections", in: Studie Liturgica 17 (1987), 26 - 34.

†††† [18]Rapport eredienst 1965, 6 (citaat).

†††† [19]Vgl. Lammens, Syllabus, 19 (citaat).

†††† [20]Kuyper, Onze Eeredienst, 76 (citaat).

†††† [21]Gezamenlijke vergadering Lunteren, 251 en 46v (citaat).

†††† [22]Ibidem, 222v (citaat).

†††† [23]Vgl. Doop, eucharistie en ambt. Verklaringen van de Commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken, Amersfoort-Voorburg z.j., 20vv (doop), 31vv (eucharistie), 51v (ambt).

†††† [24]Vgl. hierboven blz. 330 - 337.

†††† [25]Als voorbeeld diene: D.H. Borgers, "Kerk let op uw zaak!", in: Credo 21 (1994), nummer 10, 24 - 31.

†††† [26]Doop en Belijdenis (= Proeven voor de Eredienst 3), Zoetermeer 1993, vii (citaat in vorige en deze regel). Vgl. voor "Onze hulp" hierboven blz. 351.

†††† [27]Concept kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland in eerste lezing. Met de toelichting van de werkgroep kerkorde (= bijlage bij Kerkinformatie 1994/3), 5.

†††† [28]Zie hierboven blz. 164v.

†††† [29]Vgl. ook Bosch, En nooit meer oude Psalmen, 351v.

†††† [30]Lammens, Tot Zijn gedachtenis, 168 (citaat). Vgl. ibidem, 168 - 235.