WOORD VOORAF

 

Nu ik dit proefschrift heb afgerond, wil ik kort stilstaan bij degenen die op een of andere wijze aan de totstandkoming daarvan hebben bijgedragen. Het is een lange weg geweest, waarbij sommigen mij hebben geholpen de route in kaart te brengen. Anderen hebben me gezelschap gehouden en zijn een stuk met mij opgelopen, terwijl weer anderen me onderweg vooral hebben aangemoedigd om door te zetten. Elk heeft op haar of zijn eigen wijze eraan meegewerkt, dat ik deze studie tot een goed einde kon brengen.

In de eerste plaats dank ik mijn ouders. Zij hebben zich met liefde ingezet voor mijn opvoeding en mij het spoor van het geloof gewezen. Van huis uit, in het bijzonder van mijn vader heb ik het besef meegekregen, dat de gemeente van Christus zonder een goed geordende eredienst niet kan bestaan. Na zijn dood heeft mijn moeder mij steeds weer gestimuleerd te blijven studeren, vooral tijdens het onderzoek dat ik voor dit proefschrift verrichtte. Velen in de kerk, in het middel­baar en universitair onderwijs hebben aan mijn vorming bijgedragen. Met dank­baarheid noem ik de namen van hen, die mij bij de start van mijn onderzoek hebben begeleid en mij in Kampen op weg hebben geholpen: prof.dr. A.J. Jelsma, bijgestaan door de aan de Rijksuniversiteit te Groningen verbonden dr. J.L. Luth, alsmede wijlen prof.dr. A.C. Honders. Bijzondere waardering wil ik vervolgens uitspreken voor de welwillende houding van mijn uiteindelijke promotor, prof.dr. J.P. Boendermaker. Toen om verschillende redenen voortzetting van de studie aan de Vrije Universiteit wenselijk bleek, was hij graag bereid de begeleiding daarvan op zich te nemen. De als co-promotor aangewezen dr. J. Vree heeft mij intensief geholpen bij het vinden van het juiste spoor voor de verslaglegging van mijn bevindingen. Vervolgens heb ik de inzet van de referent, prof.dr. G. Heitink, en de waardevolle opmerkingen die hij heeft gemaakt, bijzonder op prijs gesteld. Het had overigens niet tot enig verslag kunnen komen zonder de hulp van vele anderen, onder meer in bibliotheken en archieven. Van groot belang is het geweest, dat de laatste voorzitter van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie, drs. J.D. de Vries, mij het archief van die werkgroep vele jaren in bruikleen heeft willen geven. Andere oud-leden zijn bereid geweest stukken uit hun persoonlijke collecties aan dit archief over te dragen.

In de laatste fase, bij de voorbereidingen voor de uitgave van het proefschrift, is mij van verschillende kanten waardevolle hulp geboden. Enkele goede vrienden hebben de tekst nog eens kritisch doorgenomen. Anderen waren zo vriendelijk hun ogen te laten gaan over de Duitse samenvatting en die te corrigeren. Verschillende fondsen hebben willen bijdragen in de drukkosten van dit boek, waarvoor ik hen bijzonder erkentelijk ben. Met name wil ik in dit verband 'Het Scholten-Cordes Fonds' noemen.