100 jaar liturgievernieuwing: emancipatie van de gemeente

Geloven gaat verder Op zondag 12 november 1911 ging ds. J.H. Gerretsen in de Haagse Kloosterkerk voor in de eerste zogenaamde liturgische dienst. De beweging die Gerretsen in gang zette, heeft in de afgelopen honderd jaar een hoge vlucht genomen. De protestantse kerkdienst is onherkenbaar veranderd. Klaas-Willem de Jong vertelt hoe het allemaal begon.

Het moet in het najaar van 1911 een belangrijk onderwerp van gesprek zijn geweest in Hervormd ’s-Gravenhage. Ds. Gerretsen oppert het plan om een zogenaamde liturgische dienst te houden. Tot dat moment ging elke predikant binnen zekere grenzen zijn eigen gang. Het accent lag op de preek. Gerretsen was in 1898 naar Den Haag gekomen. Hij voegde zich aanvankelijk in de daar gebruikelijke liturgische gang van zaken. Maar na enkele jaren komt hij tot de overtuiging dat het in de eredienst niet primair om het Woord gaat dat de predikant bij de kerkgangers brengt, maar om de kerkgangers die komen om God te aanbidden. Zij moeten weten waar ze liturgisch aan toe zijn. Idealiter stellen zij de orde van dienst vast, waarbinnen de predikant voorgaat. Gerretsen wil vanuit het principe van de aanbiddende gemeente de kerkdienst aan de kerkgangers teruggeven. Ideeën als deze zijn enkele decennia tevoren ook al geopperd. Ook zijn hier en daar geïsoleerd vernieuwingspogingen ondernomen. Nieuw is dat bij Gerretsen bezinning en uitvoering hand in hand gaan.

Een vaste orde
In 1911 is het zover. Gerretsen ontwikkelt een orde van dienst. Onderdelen als votum en groet krijgen vaste bewoordingen, waar ze tot dan toe wisselden met de predikant. De gemeente krijgt een actief aandeel. Op de schuldbelijdenis bijvoorbeeld antwoordt de gemeente zonder nadere aankondiging van de voorganger, spontaan, met het zingen van ‘Ontferm, ontferm U, Heer, Toon ons Uw mededoogen!’. Deze regel is ontleend aan een bekend vers uit de toenmalige gezangenbundel. Deze aanpak met de ‘chant spontané’ is uit gereformeerd Parijs overgenomen. Andere elementen als het Te Deum zijn ontleend aan de Anglicaanse traditie. Aan het slot van de dienst volgt op de zegen een driemaal gezongen ‘amen’. Honderd jaar later kijken we hier niet van op. Indertijd was het revolutionair.

Het liefst had Gerretsen de orde van dienst door de kerkenraad laten vaststellen. Aangezien hij wist dat die dat zou weigeren, beperkte hij zich tot een verzoek om ‘zedelijke steun’. Vooral de predikanten aarzelen. De een stelt ‘dat een vaste liturgie doodend werkt’. Een ander acht liturgie in strijd met het protestantisme, waar de eredienst vooral een lerend karakter gekregen zou hebben. De vrijzinnige ds. J.A. Cramer is bang dat ‘zoekende hoorders’ woorden in de mond zullen worden gelegd, die zij op zich niet kunnen of willen uitspreken. De ouderlingen zijn een stuk positiever. Uiteindelijk steunt op 5 oktober tweederde het initiatief van Gerretsen.

Actieve gemeente
De intentie van de vernieuwing is de gemeente actiever bij de eredienst te betrekken. Het kan dan ook niet anders dat Gerretsen intensief voorlicht. In het Kerkelijk Weekblad gewijd aan de belangen der Ned. Herv. Gemeente te ’s-Gravenhage schrijft hij een drietal achtergrondartikelen onder de titel ‘Liturgie’. Later zullen deze artikelen bewerkt en gebundeld in een gelijknamige brochure verschijnen. Deze brochure wordt drie keer herdrukt, de laatste keer kort na de Tweede Wereldoorlog. Gerretsen wijst op drie voor hem belangrijke aspecten van de liturgie. Zij komt toe aan de esthetische behoeften van de gemeente. Zij heeft een belangrijke pedagogische kracht. Zij ‘emancipeert de Gemeente, maakt haar mondig.’ Gerretsen hoopt met een gezamenlijke liturgie de verdeeldheid van de kerk – toen zeer nadrukkelijk aanwezig in de Hervormde Kerk – te kunnen overbruggen. Het leerstellige dat scheiding brengt, maakt plaats voor het vierende dat eenheid kan bewerkstelligen. In het mededelingenblad Gravenhaagsche Kerkbode geeft Gerretsen voor een breder publiek een korte uitleg.

Gereformeerde steun
Op 12 november is het dan zover. Gerretsen houdt in de Kloosterkerk zijn eerste liturgische dienst, met ondersteuning van het plaatselijke diaconessenkoor. We hebben de orde van dienst, maar hoe de dienst is verlopen, weten we niet. Gerretsen noemt de dienst later ‘een kostelijk geheel’ en meldt dat vooral de ritmische zang – toen nog niet gewoon – en de bijdrage van het koor bijzondere waardering kregen. Gerretsens proef krijgt landelijke bekendheid. De reacties wisselen sterk. Ze zijn vergelijkbaar met die van het Haagse Hervormde predikantencorps. Vreemd genoeg reageert de altijd kritische Gereformeerde pers over het algemeen voorzichtig positief. Dit laat zich verklaren door het feit dat enkele weken tevoren de Gereformeerde Abraham Kuyper zijn Onze Eeredienst had gepubliceerd. De orde die Kuyper in dit boek schetst vertoont sterkte overeenkomst met Gerretsens experiment. Gerretsen heeft zich naar alle waarschijnlijkheid sterk door deze schets laten inspireren. Omgekeerd is het heel goed mogelijk dat Kuyper – een stadgenoot van Gerretsen – met het oog op een optimale verkoop de verschijning van Onze Eeredienst zorgvuldig gepland heeft.
Gerretsen was ingenomen met het resultaat, maar beslist niet eenkennig. In een terugblik geeft hij graag toe dat in het kader van evangeliserende werkzaamheden een ander soort diensten noodzakelijk is. Beide vormen kunnen naast elkaar bestaan.

De liturgische diensten zijn na de introductie in Den Haag een geregeld terugkerend fenomeen. Ongeveer een derde van de predikanten volgt de orde als ze in de Grote Kerk voorgaan. In de kerkbode staat dan ‘(Liturgisch)’. Toch leiden de diensten al snel een geïsoleerd bestaan. Van verdere ontwikkeling of vernieuwing is geen sprake. Dat gebeurt in de loop van de geschiedenis vaker: de wet van de remmende voorsprong. In december 1920 opent de Duinoordkerk in Den Haag/Scheveningen haar deuren. De voorganger, ds. H.W. Creutzberg, had eveneens in 1911 in IJmuiden een kerk helpen bouwen naar Anglicaans model. Creutzberg bouwt in feite de orde van Gerretsen verder uit. Maar ook hier treedt verstarring op, in de loop van de jaren dertig. De vernieuwing zet langs andere wegen door. Creutzberg stond in 1921-22 samen met de hoogleraar Gerardus van der Leeuw, een leerling van Gerretsen, aan de basis van de Liturgische Kring. Deze stimuleert het denken over en experimenteren met de liturgie. De synode van de Gereformeerde Kerken krijgt het onderwerp op haar agenda, al is dit voornamelijk het gevolg van Kuypers invloed. In 1914 leidt dat nog tot niets, maar in 1920 start op landelijk niveau een bezinningsproces. Later volgt de Hervormde Kerk, zij het dat plaatselijke gemeenten daar de landelijke ontwikkelingen niet afwachten en zelf aan de slag gaan. De beweging is niet meer te stoppen

Klaas-Willem de Jong

Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 59 (2011), nr. 45 (11 november)



http://www.kwdejong.info

© 2011, KWdJ