Mogelijkheden uit het Dienstboek als testcase

DE TERUGKEER VAN DE TIEN GEBODEN

Afbeelding van IKON kaart Tot voor kort leek het gebruik van de tien geboden in de eredienst weinig toekomst meer te hebben in ons taalgebied. Vooral gemeenten die zich in het spoor van de calvinistische traditie willen bewegen, handhaven dit gebruik. Elders is het vervangen door Kyrie en Gloria. Nadat deze elementen eind jaren zestig en begin jaren zeventig in verschillende Hervormde en Gereformeerde publicaties geïntroduceerd waren, werden ze na een aarzelend begin op veel plaatsen ingevoerd. Het in 1998 verschenen Dienstboek zou het recente hoogtij van Kyrie en Gloria kunnen doorbreken. We nemen het Dienstboek op dit punt eens nader onder de loep.

Historische ontwikkelingen
Het gebruik van de tien geboden in de eredienst stamt uit de ongedeelde kerk van vóór de Reformatie. Naast de traditionele mis bestond er op een aantal plaatsen een preekdienst, waarin ook catechetische elementen als Apostolicum, Onze Vader, Tien Geboden en Ave Maria een plaats hadden. De tien geboden waren dikwijls verbonden met een schuldbelijdenis. Ze fungeerden als een soort van biechtspiegel: hoe staat mijn leven ervoor, voldoe ik aan de normen die God mij stelt? In de Reformatie is het vooral Calvijn geweest die het liturgisch gebruik van de tien geboden gestimuleerd heeft. Bij hem hebben de tien geboden echter vooral een functie als regel der dankbaarheid. In Straatsburg (1545) zong de gemeente na schuldbelijdenis en genadeverkondiging elkaar de tien geboden toe. Toch klonk ook hierin door, dat de wet leidde tot kennis van de eigen zonde. Elk couplet liep namelijk uit op een roep om ontferming: kyrie eleison! In het Engelse Book of Common Prayer is sinds 1552 deze dubbelheid ook terug te vinden. Na elk gebod antwoordt de gemeente eerst met 'Lord, have mercy upon us', om te vervolgen: 'and incline our hearts to keep your law'. Onder invloed van onder andere Datheen is echter in de Nederlandse traditie het accent op de zondekennis komen te liggen: de tien geboden, gevolgd door een belijdenis van zonde en schuld. Rond de vorige eeuwwisseling veranderde dat. Eerst kreeg de genadeverkondiging een herwaardering, later herontdekte men de functie van de tien geboden als levensregel. Het Hervormde Dienstboek … in ontwerp uit 1955 bood bijvoorbeeld een orde met achtereenvolgens schuldbelijdenis, genadeverkondiging(, geloofsbelijdenis) en wetslezing, onderbroken door gemeentezang. Door de opmars van Kyrie en Gloria is dit slechts betrekkelijk kort gebruik geweest.

In het spoor van de traditie
Het Dienstboek uit 1998 knoopt wat betreft de tien geboden in eerste instantie aan bij de vernieuwing van de vorige eeuw. Na een (collectieve) schuldbelijdenis volgen de tien geboden. Ze worden overigens Tien Woorden genoemd. Dat is in het spraakgebruik correcter - het gaat om geboden én verboden, en bovendien zijn het er strikt tellend meer dan tien - en ook nog eens bijbels (vgl. Ex. 34: 28; Dtn. 4: 13; Dtn. 10:4). De genadeverkondiging is verdwenen. Dat is goed te verklaren uit de kritiek die op dit onderdeel ontstond. De een vond dat het allemaal te gemakkelijk ging, 'even' schuld belijden en direct daarop Gods genade aangezegd krijgen. Een ander stelde, dat de verkondiging van vergeving en verzoening primair in de prediking thuishoort. Weer een volgende meende dat een genadeverkondiging wel kon, maar dan met retentie, de terugwijzing van hen die geen berouw hebben of niet oprecht zijn in hun schuldbelijdenis. De Tien Woorden kunnen volgens het Dienstboek op deze plaats tweeërlei kleur krijgen. Ze kunnen klinken als lofverheffing, maar ook als smeking. De eerste mogelijkheid sluit sterk aan bij een wetslezing in het kader van de dankbaarheid. De tweede ligt dicht aan tegen de wet als biechtspiegel. In beide gevallen zijn de bewoordingen van de Tien Woorden zelf gelijk. Het verschil in kleur wordt bepaald door de inleidende en afsluitende woorden, alsmede door de responsie van de gemeente. De Tien Woorden als lofzegging begint en eindigt met 'Uw woord houdt stand voor eeuwig, o Heer, van geslacht tot geslacht duurt uw trouw' (ps. 119: 89 en 90a). Als responsie van de gemeente kan na de aanhef, het 2e, 3e, 4e, 5e, 9e en 10e Woord gekozen worden voor 'Geprezen zijt Gij in eeuwigheid'. Dat klinkt heel anders dan bij de smeking. Aan begin en einde staat daar: 'U roepen wij aan, o God, want Gij baant ons de weg ten leven', en de gemeente respondeert met 'Verlos ons, Heer, en wijs ons de weg'.
Ten opzichte van klassieke liturgieën valt op, dat in deze benadering Gods spreken door de voorganger niet op zichzelf staat, maar is ingebed in het aanroepen van God. De Tien Woorden krijgen daarmee een gebedskarakter. Dat wordt versterkt door de responsie van de gemeente. De acte van de wetslezing krijgt daarmee een minder 'frontaal' karakter, de wet is minder een tegenover. Door de responsie wordt omgekeerd duidelijk dat de gemeente als geheel, met elkaar, haar weg zoekt aan de hand van deze Godswoorden. Dat geldt ook als de Tien Woorden strofisch worden gezongen. In de muziekafdeling van het Dienstboek zijn enkele voorbeelden van een nieuwe 'tiengebodenzang' te vinden, al dan niet met 'kyrieleis'.

Vernieuwing
Veel vernieuwender zijn de mogelijkheden om de Tien Woorden na de preek in een geloofsbelijdenis in te kaderen, of - naar een idee van Abr. Kuyper! - te gebruiken bij de heenzending, dus vlak voor de zegen. In beide gevallen is er een variant die dicht aanligt tegen de oorspronkelijke Tien Woorden, steeds onderbroken door een reactie van de gemeente. Daarnaast is voor beide situaties een variant gemaakt met een ingrijpende bewerking van de Tien Woorden. Bij de geloofsbelijdenis zet de voorganger in met de woorden 'Wij geloven met hart en ziel', waarna de gemeente doorgaat met 'dat de Heer onze God is, de enige. Hij heeft ons bevrijd - geen andere goden zullen wij dienen, geen enkel beeld van de Levende zullen wij maken.' Dan opnieuw de voorganger: 'Wij geloven', en de gemeente: 'dat wij naar zijn beeld en gelijkenis geschapen zijn'. Enzovoort. Bij de heenzending begint de voorganger met 'Met Uw woord in ons hart en onze handen vaardig tot Uw werk spreken wij uit, o Heer, jegens U en onze naaste' en gaan allen verder met 'dat wij U zullen dienen en niemand anders …'. In beide gevallen is het raadzaam de tekst in een leerhuis of iets dergelijks goed met de gemeente door te nemen. Het maakt een groot verschil, of de gemeente iets voorgehouden wordt, of dat ze het zelf in de mond neemt. De kans bestaat, dat menigeen zich overvraagd voelt. Durf ik de belofte voor mijn rekening te nemen, dat ik niemand dan God zal dienen? Is dat niet hoogmoedig?

Verrassend
Het Dienstboek komt met verrassende mogelijkheden voor het gebruik van de Tien Woorden in de eredienst. Het leek erop, dat de liturgische rol van deze bijbelwoorden was uitgespeeld. Het Dienstboek kan een nieuwe impuls geven aan het gebruik ervan.
Het komt wat liturgisch puristisch op mij over dat formeel geen mogelijkheid wordt geboden om de Tien Woorden gewoon te laten lezen door voorlezer of voorganger. In verband daarmee zal ook wel afgezien van het aanbieden van losse bewerkingen of parafrases van de Tien Woorden. Daaraan blijkt onder voorgangers en gemeenten behoefte, zo bleek me onlangs weer. In Bonnefooi kwam ik ooit eens een aardig kinderversje tegen. Kind & Zondag bood een alleraardigste 'tiengeboden-rap'. Wijlen W.R. van der Zee maakte een mooi lied van tien strofen. Enzovoort. Ieder moet het nu maar voor zich uitzoeken.
Verder mis ik in de toelichting wat specifiekere aanwijzingen voor het gebruik. Zo kan ik me goed voorstellen, dat gemeenten door het jaar heen Kyrie en Gloria willen gebruiken en de Tien Woorden voor bepaalde perioden willen reserveren. Ik denk daarbij aan de Advent en de Veertigdagentijd, als bezinning en inkeer de sfeer bepalen.
De aanpak van de Tien Woorden is een mooie testcase voor het gebruik van het Dienstboek in de breedte van de kerk. Is het vernieuwend genoeg voor gemeenten die allang gewend zijn aan Kyrie en Gloria en de Tien Woorden als 'iets van vroeger' ervaren? Sluit het voldoende aan bij de traditie voor gelovigen die zich daarin thuis voelen? De tijd zal het leren.

Klaas-Willem de Jong.


Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 50 (2002), nr. 40 (4 oktober)

© 2002, KWdJ