LITURGISCHE BEWUSTWORDING ZONDER DUIDELIJK DOEL – BELEVING TOT NORM VERHEVEN

Als wij samenkomen Hoe zat het ook weer met de tien geboden in de eredienst? Het is tegenwoordig al lang niet meer vanzelfsprekend dat deze een vast onderdeel van een hervormde of gereformeerde eredienst vormen. De een zal blij zijn met deze ontwikkeling: niet meer te begrijpen zonder nadere uitleg, te massief, niet geschikt voor een echte viering, enzovoort. De ander zal het betreuren: een vertrouwd element is verdwenen, zoals ook de tien geboden zelf hun betekenis van houvast voor kerk en maatschappij verloren lijken te hebben. Maar hoe gaat het er nu in de eredienst precies aan toe met die tien geboden? En waarom gaat het er zó aan toe? Wie even nadenkt, komt vermoedelijk wel op de juiste termen: eerst de verootmoediging, dan de genadeverkondiging, ofwel woorden van vergeving, en tenslotte de tien geboden. Wie de structuur van de Heidelbergse Catechismus ernaast legt, ziet een parallelle lijn lopen: ellende, verlossing, dankbaarheid. De wetslezing houdt de gemeente dan voor, hoe dankbaar te leven. Toch hebben de tien geboden tot op de dag van vandaag in bepaalde kringen ook een andere plaats in de liturgie, namelijk direct na votum en groet en eerste psalm. De voorlezing van de tien geboden werkt dan als zogenaamde biechtspiegel, om het eigen leven te toetsen aan de wet Gods, opdat het tot zondebesef kan komen. In het gebed dat er direct op volgt, komt het zo tot schuldbelijdenis. Ook deze lijn is in de Catechismus terug te vinden. De vraag ‘Waaruit kent u uw ellende’ wordt kort beantwoord met ‘Uit de wet Gods’. Woorden van vergeving ontbreken in een liturgie met deze opzet. Dat wordt niet als bezwaarlijk gezien. Dat aspect kan in de preek ruim aan de orde komen.

Veel wetenswaardigheden
Voor menigeen zal het voorgaande een oefening in geschiedenis zijn. Toch is het gesprek over de plaats van de tien geboden in gemeenten met een gereformeerd type eredienst nog actueel. Daar zal men met de op dit punt summiere gegevens van Boendermakers De eerste dag vieren (1999) nauwelijks uit de voeten kunnen, omdat deze populaire inleiding uitgaat van een geheel andere liturgische situatie. In het onlangs verschenen Als wij samenkomen van drie hervormde auteurs uit gereformeerde hoek zal het geïnteresseerde gemeentelid de verschillende benaderingswijzen duidelijk vinden uitgelegd (blz. 22 – 26). De lezer wordt zelfs geattendeerd op de optie van Calvijn om de geboden niet voor te lezen aan de gemeente, maar door haar te laten zingen. Voor het heden wordt geopperd, dat de wet ook best aan het einde van de dienst een plaats zou kunnen krijgen. Ik vind het dan jammer dat niet verwezen wordt naar het Dienstboek. Een proeve dat ruim twee jaar geleden verscheen en handreikingen doet hoe dat dan concreet zou kunnen. Het Dienstboek is wel opgenomen bij de literatuur van dit hoofdstuk, maar alleen de kenner zal weten dat hij daar terecht kan. Is dit ingegeven door tactiek, om de doelgroep niet af te stoten? Voor wie dit soort omissies niet stoort, biedt Als wij samenkomen veel gegevens over de eredienst zoals die in het behoudende deel van de Hervormde Kerk aangetroffen wordt. Hoewel niet systematisch, geven de auteurs bovendien geregeld overwegingen om het anders aan te pakken dan doorgaans gebruikelijk.

Onduidelijk doel
De uitgave van Als wij samenkomen staat in het teken van de liturgische bewustwording van de gemeente. Dat is een nobel streven. Het is echter de vraag, of de auteurs zichzelf juist op dit punt niet de pas afsnijden. In de twee slothoofdstukken komt het accent erg sterk op het behouden van de klassieke posities te liggen, al wordt een historische argumentatie voor de liturgie principieel afgewezen. De paragraaf over het gesprek in de gemeente telt minder dan één pagina en bevat geen enkele originele aanwijzing. Tegelijk wordt de beleving van de gemeente normerend gemaakt. Dat gebeurt met een beroep op Calvijn die de vrijheid van gemeenten in de liturgische vormgeving zou hebben voorgestaan. Anders dan de auteur suggereert, is dit een interpretatie die door velen niet onderschreven wordt. Een regel verderop lezen we: ‘De gemeente is immers het subject van de liturgie.’ Ik struikel over het woordje immers. Een degelijke onderbouwing van deze stellingname wordt namelijk niet gegeven. Hoe is de gemeente subject van de liturgie? Hoe verhoudt zich dat met de wijze waarop God niet alleen ter sprake komt, maar ook handelend ervaren wordt? De auteurs van de bundel zijn uitgegaan van ‘de hedendaagse gang van zaken’ als de gemeente samenkomt (omslag). Het is daarom op zich wel logisch dat de verantwoording aan het slot gegeven wordt. Een zekere oppervlakkigheid is echter het gevolg. De artikelen bieden een beschrijving van liturgische verschijnselen, voorzien van een aantal kanttekeningen. Maar als een fundamentele bezinning op de vraag naar het wezen van een gereformeerde eredienst voorop was gegaan, dan had het systematisch aan kracht gewonnen en was het inhoudelijk een stuk interessanter geworden. Het zou mij overigens niet verbazen dat als de beleving in de praktijk zozeer tot norm verheven wordt als in Als wij samenkomen wordt voorgestaan, het gereformeerde type eredienst binnen afzienbare tijd sterk evangelicale trekken gaat krijgen. Het is de vraag, of dat overeenkomt met hetgeen de auteurs als gereformeerd ideaalbeeld voor ogen hebben.

Klaas-Willem de Jong


M.J.G. van der Velden, W.P. van der Aa en drs. H.J. de Bie jr., ‘Als wij samenkomen. Liturgie in de gereformeerde traditie’ (Boekencentrum, Zoetermeer 2000; ISBN 90-239-0474-5).


Dit artikel is geplaatst in Centraal Weekblad 49 (2001), nr. 12 (30 maart).

© 2001, KWdJ