KRITISCHE VRAGEN BIJ RECENTE LITURGISCHE VERNIEUWINGEN

Marcel Barnard Het evangelicale element in de protestantse eredienst wint in ons land aan invloed: neem bijvoorbeeld de beamer, een combo, of direct en populair taalgebruik. Hoe moeten deze veranderingen beoordeeld worden? Prof. Marcel Barnard deed een voorzet.

Op vrijdag 17 juni sprak prof. Marcel Barnard zijn inaugurele rede uit als bijzonder hoogleraar liturgiewetenschap aan de Vrije Universiteit. Hij was al kerkelijk hoogleraar Liturgiek te Utrecht en zal in het vervolg beide functies combineren. De titel van zijn rede luidde: ‘Het vreemde succes van de Liturgische Beweging’. Barnard typeert hiermee de evangelicale vernieuwing van de eredienst in de afgelopen jaren. Ongeveer een eeuw geleden begon in de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken de belangstelling voor de liturgie te groeien. Tot dan toe lag het accent sterk op de woorden en de handelingen van de predikant. De toenmalige groep vernieuwers en hun volgelingen, kortweg de Liturgische Beweging, maakte zich sterk voor een actieve, participerende gemeente. Kern van de activiteit was de aanbidding. In tal van opzichten kiest de hedendaagse evangelicale vernieuwing van de eredienst voor nieuwe wegen. De vormen moeten eigentijds zijn: popmuziek, beamer, internet, enzovoort. Het opmerkelijke is echter dat ook bij de evangelicalen participatie en aanbidding kernbegrippen zijn. Uitdagend stelt Barnard dan dat dat het succes is van de Liturgische Beweging al is het wel een vreemd succes. Dat vreemde zit ‘m dan vooral in het feit dat de evangelicale vernieuwing toch heel andere accenten legt. Ik wil proberen in het kort aan te geven, waarin beide vernieuwingsbewegingen van elkaar verschillen. Vervolgens wil ik enkele kanttekeningen plaatsen bij de bevindingen van Barnard.

Liturgische beweging toen
Barnard begint de klassieke liturgische beweging te positioneren ten opzichte van de heersende cultuurstroming van haar tijd, het modernisme. Ze hebben op het eerste gezicht veel van elkaar weg. Het modernisme is een artistieke vernieuwingsbeweging, met bijvoorbeeld schilders als Picasso en Matisse en schrijvers als Thomas Mann en in ons land Simon Vestdijk. De liturgische beweging zocht in haar vernieuwingsstreven aanknopingspunten bij de kunsten. Beide bewegingen reageerden op de moderniteit, een stroming die in de voorafgaande periode veel aanhangers kende. De moderniteit gaf hoog op van de mogelijkheden van het verstand en zag in de geschiedenis een voortdurende evolutie van het menselijk kunnen. Een en ander maakte dat ze een optimistisch wereldbeeld had.
Barnard constateert dat de liturgische beweging anders reageerde op de moderniteit dan het modernisme. Ze volgde een eigen koers. De 19e-eeuwse moderniteit vertrouwde op de objectiveerbare wetten van natuur en techniek. Het modernisme legde een subjectiever accent en zette in op het onafhankelijke, persoonlijk bewustzijn. De liturgische beweging stelde tegenover dit onafhankelijke en persoonlijke de gemeenschap (1), gevormd door de belijdenis zoals die in en door de kerk is overgeleverd. Zij oriënteert zich op klassieke liturgische teksten. De onafhankelijkheid van de moderniteit gaat hand in hand met distantie. Het kan niet anders dan dat de liturgische beweging ook hier anders kiest. Aan de belijdenis paart zij geloof (2) en betrokkenheid. Tegenover de modernistische kunstenaar die zich opstelt als een buitenstaander en observeert plaatst zij de gelovige die participeert (3). Participatie vormt volgens Barnard het centrale principe van de liturgische beweging. De centrale activiteit van de participatie is vervolgens de aanbidding. Ook hierin verschilt de liturgische beweging van het modernisme. Waar in het modernisme de heerschappij van verstand en wetenschap met ironie en scepsis tegemoet wordt getreden, gaat de liturgische beweging over tot aanbidding van het rationeel onbereikbare mysterie. Ze maakt daarbij gebruik van vaste vormen, zoals een bepaalde orde van dienst.

Liturgische vernieuwing nu
Vervolgens maakt Barnard een vergelijking tussen de hedendaagse cultuur en de evangelicale vernieuwing van de eredienst. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig te zijn. Bij de liturgische beweging was indertijd sprake van officiële publicaties, met name brochures en boeken. De evangelische beweging kent als wereldwijde beweging dergelijke officiële publicaties niet. Bovendien is het scala van informatiedragers veel breder. Denk naast boeken en kranten aan televisie, internet en SMS. Verder zijn de grenzen van wat nu wel en wat nu niet tot de liturgie behoort vaag, bijvoorbeeld waar het gaat om het verschil tussen een concert en een kerkdienst. En wat te denken van de SMS-kerkdienst die Barnard beschrijft? ‘Op het internet kan men eerst zijn eigen kapel of kerkruimte naar eigen wensen en inzichten inrichten, er kaarsen branden, een korte kerkdienst volgen en daarna interactief in een chatroom van gedachten wisselen met andere kerkgangers online. Men kan er biechten, een gedenkplaats voor een gestorvene op een virtuele begraafplaats oprichten en bidden.’
De principes van de liturgische beweging zijn bij de evangelische beweging terug te vinden, maar wel in een genuanceerde vorm. Waar het gaat om de gemeenschap (1) is er een wisselwerking tussen enerzijds de hang naar massaliteit en anderzijds het individuele geloof. Analyse van de evangelicale liturgie spreken van ‘zingen en vreugdebetoon tot op de rand van … massabeïnvloeding’ én van ‘ieder in zijn of haar taal’. In verband met de begrippen geloof en belijdenis (2), signaleert Barnard een verschuiving van het objectieve Christocentrische naar het meer subjectieve op de Geest gerichte. ‘Nu schuilt de voorganger dan ook niet meer weg achter de liturgie van de kerk, maar hij of zij is “zangleider” of “aanbiddingsleider” geworden. Daardoor kan hij de status van popster te bereiken, inclusief stadionoptreden.’ Barnard wijst op het gevaar dat niet Christus of de Geest centraal komt te staan, maar de persoonlijke ervaring. Participatie (3) tot slot is participatie op individuele wijze. Spontane inbreng van de deelnemers krijgt een hoge waardering. Het kan niet anders, of dit heeft ook gevolgen voor een andere centrale notie, die van de aanbidding. De klassieke liturgische beweging koos daarvoor het meerduidige, symbolische. Ook evangelicalen kiezen voor het visuele, maar het is veelal eenduidig. Kort gezegd: een plaatje bij een praatje. De vorm heeft in zichzelf geen waarde. Ze is ondergeschikt aan de over te dragen inhoud.

Overwegingen
Barnard kiest in zijn rede niet expliciet tegen de evangelicale liturgievernieuwing. Impliciet doet hij dat wel. Hij wijst op het gevaar van vervlakking. Ook kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hij vraagtekens plaatst bij de grote wereldgelijkvormigheid die aan de dag wordt gelegd. Een en ander lijkt me het overdenken meer dan waard voor een kerk die in de wereld wil zijn, maar niet van de wereld. Tegelijk vraag ik me af, of we wel wat te kiezen hebben. De positie van de kerk in de samenleving is een andere dan een eeuw geleden. De kerk heeft aan kracht, ook aan intellectuele kracht ingeboet en is vatbaarder geworden voor invloeden van buitenaf. Ze is zich tegelijk bewuster geworden van haar missionaire opdracht en probeert in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Hoeveel speelruimte laat dat haar om fundamenteel andere weg in te slaan?
Een andere aarzeling komt voort uit de tegenwoordige liturgische praktijk, zeker in wat modernere gemeenten. Ook daar wordt in toenemende mate een sterk accent gelegd op de persoonlijke ervaring. De inhoud wordt vager, minder ‘christelijk’, de gemeenschap met de belijdenis van de kerk der eeuwen verslapt. Soms is zelfs het gebruik van de Apostolische Geloofsbelijdenis al een stap te ver. Ik zou daarom wel nieuwsgierig zijn, hoe de klassieke principes van de liturgische beweging ook in deze kringen genuanceerd zouden moeten worden. Het zou me niet verbazen, als de conclusies uiteindelijk niet zo heel ver afliggen van hetgeen Barnard ten aanzien van de evangelicale vernieuwing vaststelt. Dat versterkt voor mijn gevoel de fundamentele vraag, hoe we verder willen met de inrichting van onze kerkdiensten.

Klaas-Willem de Jong.


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Centraal Weekblad 53 (2005), nr. 35 (2 september).


http://www.kwdejong.info

© 2005, KWdJ