Werkboekje voor de eredienst is waardevolle aanzet tot verdere discussie

MET BEKLAG GODS STAAT VEEL OP HET SPEL

De veertig dagen van voorbereiding op Pasen zijn begonnen. Goede Vrijdag komt in zicht. Liturgiecommissies beginnen zich te bezinnen op de vraag, hoe ze dit jaar de dagen van Pasen zullen inrichten. Klakkeloos het Dienstboek, een proeve volgen kan niet meer. Na de verschijning van de proeve is immers een heftige discussie gevoerd over een van de daarin opgenomen onderdelen van de Goede Vrijdag, het 'Beklag Gods'. Er moet een keuze gemaakt worden. Om er vanaf te zien, omdat de inhoud beledigend is voor joden, antisemitisme kan oproepen en de broze verhouding tussen joden en christenen schaadt. Of om het op te nemen, omdat het een legitiem element is uit de liturgische traditie en mede uiting geeft aan het hartsgeheim van het christelijk geloof. Als hulp bij het maken van de juiste keuze verscheen nog net in het oude jaar Kruismeditatie en Beklag Gods in liturgie en leerhuis als nummer 15 in de serie 'Werkboekjes voor de eredienst'.

Hans Uytenbogaardt, beleidsfunctionaris voor de eredienst van het Landelijk Diensten Centrum, benadert het onderwerp vanuit de liturgische invalshoek. Hij plaatst het 'Beklag Gods' in het kader van de zogenaamde kruismeditatie in de liturgie van de Goede Vrijdag. Deze volgt na de lezingen, onder andere van het lijdensevangelie, en de voorbeden voor kerk en wereld. In de kruismeditatie, ook wel kruisverering genoemd, wordt de gemeente geconfronteerd met zowel de schuld die zij draagt aan het oprichten van het kruis als het heil dat dit kruis haar brengt. De kruismeditatie is 'een acte van schuldbelijdenis, toewijding en van hoop' die door de voorafgaande lezingen en gebeden wordt opgeroepen (blz. 12). Vervolgens bespreekt Uytenbogaardt de tekst van het 'Beklag Gods' in de vertaling van priester-dichter Tom Naastepad, zoals die in het Dienstboek wordt gepresenteerd. Jammer dat hij nalaat duidelijk te maken dat deze vertaling niet naadloos aansluit bij het origineel in het oude rooms-katholieke missaal. Uytenbogaardt toont nog eens duidelijk aan, dat het 'Beklag Gods' op zich geen antisemitische tekst is, maar wel elementen in zich draagt die misbruikt kunnen worden. Maar dat geldt in principe voor tal van teksten. Hij gaat uitvoerig in op de vraag, wie in het 'Beklag Gods', in het bijzonder in het refrein, wordt aangesproken: 'Mijn volk, wat heb Ik u gedaan? Of waarin heb ik u bedroefd? Antwoord Mij!' Hij meent dat in de liturgische context van de kruismeditatie het antwoord evident is: de kerk, de gemeente. Bij de beantwoording van de vraag, of in het 'Beklag' nu God of de gekruisigde Christus aan het woord is, blijft Uytenbogaardt vaag. Hij volstaat met een korte schets van het historisch perspectief. Hij had aan duidelijkheid gewonnen als hij de lijnen naar het heden en de huidige discussie over de christologie had doorgetrokken.

Wim Kloppenburg gaat in op de muzikale kant van het 'Beklag'. Lezen acht hij een bijna onmogelijke opgave. Welke toon moet worden aangeslagen? Kloppenburg wijst erop, dat men er in de traditie voor heeft gewaakt de woorden van de Heer aan ťťn zanger toe te wijzen. Heeft men daarmee een al te sterke identificatie van de zanger met God willen voorkomen? Kloppenburg geeft kort een aantal kenmerken van recente zettingen van het 'Beklag'. Wie zoekt naar een gezongen 'Beklag', zal in dit hoofdstukje waardevolle suggesties en karakteriseringen vinden.

De derde auteur, Henk Vreekamp, schrijft vanuit zijn ontmoetingen met joodse partners en plaatst grote vraagtekens bij de legitimiteit van het klassieke 'Beklag Gods' in de hedendaagse liturgie. Hij verheelt de waardering die christenen voor het 'Beklag' hebben geuit niet, maar kiest als het erop aankomt onvoorwaardelijk voor de joden die zich door de tekst gekwetst voelen. Dat laatste lees ik tenminste af uit de handreiking voor een serie van vijf avonden leerhuis. Bij de vijfde avond lees ik: 'In het leerhuis van de kerk na Auschwitz zoeken we een tekst voor het "Beklag Gods", "herontdekt", of "ontdekt", die de hoop (!) op een nieuwe verhouding tussen Joden en christenen tot in het hart van de eredienst weet door te voeren en te vertolken. Een tekst die IsraŽl niet een vloek maar de zegen brengt.' Vreekamp citeert in zijn weergave van de verschillende standpunten ten aanzien van het 'Beklag Gods' veel en uitvoerig. We raken daardoor goed thuis in de uiteenlopende visies. Maar als hij zich wat meer had beperkt - twee bladzijden met vergelijkbare brieven van Kerk & IsraŽl-groepen is wel wat veel van het goede - had zijn betoog aan kracht en vaart kunnen winnen. Op andere punten had hij dan iets meer kunnen zeggen. Hij plaatst bijvoorbeeld een vraagteken bij het gebruik van Revius in het Dienstboek met diens ''t En zijn de Joden niet, Heer Jezus, die u kruisten'. Is Revius niet veel anti-judaÔstischer dan dit sonnet doet vermoeden? Vreekamp verwijst dan naar de neerlandicus A.J. van Dijk die zich met taalkundige en inhoudelijke bezwaren tot de sectie 'Kerk en IsraŽl' heeft gericht. Dat maakt mij nieuwsgierig: wat is dan de aard van die bezwaren? Helaas wordt ik in Vreekamps bijdrage op dit punt niet wijzer. De aanwijzingen voor de leerhuisavonden zijn mijns inziens te summier, eigenlijk alleen bruikbaar onder begeleiding van tenminste twee deskundigen, een op het terrein van de eredienst, en een ander op dat van 'Kerk en IsraŽl'. Origineel en constructief vind ik Vreekamps suggestie om in de kruismeditatie in een vorm van het 'Beklag Gods' de zeven kruiswoorden te verwerken. Dat sluit aan bij de reformatorische traditie om in de 'lijdenstijd' de kruiswoorden te bepreken, kan geplaatst worden in het breder kader van de kruismeditatie op Goede Vrijdag en biedt ruimte voor passende woorden die niet belast zijn door het verleden.

Kruismeditatie en Beklag Gods geeft, denk ik, de standpunten in de discussie van dit moment goed weer. Wat dat betreft biedt dit boekje een rijke bron van informatie. In die zin ook is het de bijdrage aan het gesprek die het bedoelt te zijn. In het boekje zelf is het vooral Uytenbogaardt die het gesprek aangaat. Direct en indirect gaat hij in op de bezwaren die zijn gemaakt tegen het 'Beklag Gods'. Vreekamp formuleert vooral de bezwaren nog eens. Op de gemaakte tegenargumenten gaat hij amper in. Maar misschien mag van Vreekamp niet meer verwacht worden. Hij spreekt vanuit de onopgeefbare verbondenheid met IsraŽl, hij deelt de pijn die daar gevoeld wordt. Wat doen andere overwegingen er dan nog toe? Het zal nog uitermate moeilijk worden het gesprek over het 'Beklag Gods' verantwoord en gelijkwaardig te voeren. Een onlangs gehouden conferentie in Utrecht belooft wat dit betreft weinig goeds. Veel gevoel en emotie, weinig zakelijk argumentatie. Intussen kan ik me na lezing van Kruismeditatie en Beklag Gods niet aan de indruk onttrekken dat met het 'Beklag Gods' veel meer op het spel staat dan deze liturgische tekst alleen. Het gaat in bredere zin om het christelijk gebruik van het Oude Testament (ook al in het Nieuwe Testament). Het raakt zelfs de essentie van het christelijk geloof, dat wij door Christus deel hebben gekregen aan het aan IsraŽl toegezegde heil ('als wilde loot geŽnt'). Het is dus meer dan de moeite waard om over de zaak van het 'Beklag Gods' goed na te denken.

Hans Utyenbogaardt, Wim Kloppenburg, Henk Vreekamp, Kruismeditatie en Beklag Gods in liturgie en leerhuis (= Werkboekjes voor de Eredienst 15) (Zoetermeer 1999), 64 blz., ISBN 90-239-1490-2, fl. 15,--.

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 48 (2000), nr. 11 (17 maart).