Overzicht van Calvijns opvattingen over de kerkdienst

LITURGISCHE TRADITIE WEINIG CALVIJNS

Aan het einde van mijn tweede jaar in Kampen moesten we ons voorbereiden op een stevig tentamen symboliek. Daartoe behoorde onder meer een intensieve studie van het gereformeerde belijden, zoals dat in het bijzonder in de Nederlandse Geloofsbelijdenis tot uitdrukking wordt gebracht. Al studerend kregen we een beeld van de gereformeerde positie ten opzichte van met name de Lutherse en Rooms-Katholieke confessies. Het was onmiskenbaar pittig stof. Het interessante was echter, dat we tevens ontdekten hoe nauw de klassieke gereformeerde keuzen met ons denken verbonden waren, terwijl we nooit bewust kennis hadden genomen van de gereformeerde belijdenisgeschriften. De tijd van een strenge behandeling van de Heidelbergse Catechismus op de wekelijkse catechisatie behoorde al tot het verleden.
Het boekje Calvijn en de kerkdienst van T. Brienen wil ons bewust maken van de invloed die Calvijn op onze omgang met de eredienst heeft gehad. Het is een verkorte en gepopulariseerde versie van Brienens De liturgie bij Johannes Calvijn dat inmiddels al weer meer dan tien jaar geleden verschenen is. Beide uitgaven zijn de enige die Calvijns veelomvattend gedachtegoed over de eredienst voor het Nederlands taalgebied en daarmee voor een breder lezerspubliek in ons land ontsluiten. Naar mijn idee is de vereenvoudiging in Calvijn en de eredienst wel wat erg sterk doorgevoerd. De lezer moet heel wat aardige schema's en tekstmateriaal missen. Bij de literatuurverwijzingen is uitsluitend voor nederlandstalig materiaal gekozen. Als dat al moet, dan zouden enige begeleidende opmerkingen op zijn plaats zijn geweest. De geïnteresseerde lezer weet nu niet, waar te beginnen en hoe de uiteenlopende publicaties te waarderen.
Wie snel iets meer wil weten over Calvijns opvattingen aangaande de liturgie kan met Calvijn en de eredienst goed uit de voeten. We worden in kort bestek ingeleid in het spanningsveld tussen orde en vrijheid, formuliergebed en vrij gebed, de preek en andere onderdelen van de eredienst, alsmede vele andere thema's. Vele liturgische vragen die tegenwoordig gesteld worden, kwamen in Calvijns tijd ook al naar voren. Er is echter wel een duidelijk verschil in historische context. Ik vraag me af, of Brienen zich daar wel altijd voldoende rekenschap heeft afgelegd. In dit verband noteer ik ook wat hij aan het slot schrijft: 'Aan ons is de opdracht, wat Calvijn is begonnen, nader uit te werken, opdat wij (...) ook in de praktijk van de liturgie calvijns zullen blijven.' (90) Hoezeer ik ook waardering heb voor Calvijn en voor de calvinistische traditie (hetgeen meer is dan calvijns traditie!) waar ik zelf deel van uit maak, toch vraag ik me af of Calvijn hier niet al te zeer op een voetstuk wordt geplaatst. Velen hebben in de loop der tijd kritische kanttekeningen geplaatst bij Calvijns liturgische inzichten.

Het is overigens de vraag, of Calvijns invloed op onze liturgie wel zo groot is als Brienen ons wil doen geloven. Brienen meent dat Datheen in 1566 onder meer de formulieren en gebeden voor de kerkdiensten zo uit het Franse lied- en dienstboek van Straatsburg en Genève vertaald. Datheen gebruikte echter de liturgie van de Paltz, de streek waar hij met zijn vluchtelingen verbleef. Zijn bemoeienis daarmee is anders dan Brienen suggereert vermoedelijk zeer beperkt, zo niet nihil geweest. Een kritische beschouwing van bijvoorbeeld het doopformulier van Datheen (en daarmee ook van de Paltz) laat zien, dat belangrijke delen niét van Calvijn afkomstig zijn, maar van de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen (Micron/A Lasco) en Zwingli. Ook zijn alinea's ingevoegd, die qua strekking overeenkomen met stukken uit de Heidelbergse Catechismus. Het gaat nog eens fout, als Brienen schrijft dat de synode van Dordrecht in 1574 Datheens dienstboek met 'slechts enige wijzigingen (...) en aanvullingen' (86) als normerend heeft aangewezen. Deze synode of een volgende - dat is niet helemaal duidelijk - stelde evenwel een ingrijpende verkorting van het doopformulier vast, die grote gevolgen had voor inhoud en samenhang. Ook wat betreft de orde van dienst hebben wij in Nederland trouwens weinig van Calvijn doorgekregen. In dit opzicht moet eveneens op de Paltz en op Datheen gewezen worden. Datheen gaf slechts aanwijzingen voor enkele onderdelen, zoals votum en zegen, en zelfs die raakten na verloop van tijd deels in onbruik.
Na de bestudering van Calvijns opvattingen is de conclusie dus een wezenlijk andere dan bij het tentamen symboliek dat ik ooit deed. In onze liturgische traditie is weinig herkenbaars van Calvijn overgebleven. Ik voeg daaraan toe: helaas. Het is niet toevallig dat de liturgische beweging in ons land en dan nog met name in de Gereformeerde Kerken begon met een herwaardering van Calvijns standpunten. Maar vervolgens ging het verder ... .
De lezer zal gemerkt hebben, dat ik bij het boekje van Brienen zo mijn bedenkingen heb. Het is niet altijd betrouwbaar. Tegelijk moet ik vaststellen, dat elders in het Nederlandse taalgebied niet zo'n handzaam overzicht te vinden is. Lezen dus, maar kritisch!

T. Brienen, Calvijn en de kerkdienst, Groen-Heerenveen 1999 (ISBN 90-5829-016-6).

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 48 (2000), nr. 41 (15 oktober).