Citaten 100 jaar liturgische beweging in protestants Nederland

Tegeltjeswijsheid ‘Wat ik ervan vind dat er zo weinig mensen in de viering aanwezig zijn? De grote vergissing is dat mensen denken dat ze iets komen halen, terwijl het er om gaat dat wij er iets brengen.’
Een priester in Frankrijk

‘Aan de liturgie mag niets worden veranderd’
Omkaderde tekst boven de orde van dienst van de Duinoordkerkgemeente (naoorlogs)

‘Het denkbeeld van vergadering moest daarom weer onder ons opleven; en in zoover hadden we er zelfs niets tegen, dat men (…) onder het lezen dezer artikelen, zich de saamgekomenen in het kerkgebouw een oogenblik dacht als een gewone ledenvergadering met (…) den dienstdoenden Dienaar als voorzitter.’
Abr. Kuyper, ‘Onze Eeredienst’ (Kampen 1911), p. 17.

‘In de protestantse eredienst passen de dingen ook niet bij elkaar in een logisch verband, zodat men door redenering de betekenis en de waarde van het ene uit het andere zou kunnen afleiden. Er blijft ruimte tussen de delen (…). Elk der delen rust op een afzonderlijke wilsuiting van God. En wij mogen die ruimten niet opvullen met andere handelingen en tekenen, waaraan wij gelijke of misschien reeds hogere betekenis zouden toekennen.’
O. Noordmans, ‘Liturgie’ (Amsterdam 1939) p. 33, in de spelling van VW 6, p. 58.

Kerkdienst: ‘een gezamenlijke viering waarin mensen op velerlei wijze elkaar de dienst van het Woord bewijzen.’
G.N. Lammens, ‘Syllabus liturgiek’ (1973), p. 16.

Reactie op de oprichting van de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie in 1956: ‘Het liturgisch Festival te Oosterbeek heeft de eerste stappen gezet op weg naar Rome, via het Hervormd katholicisme van van der Leeuw.’
Ph.J. Huijser in Waarheid en Eenheid 9 (1957), nr. 22.

‘in de liturgie (…) beslist niet de vorm maar de inhoud’
K. Dijk, ‘De dienst der kerk’ (Kampen 1952), p. 203.

‘Meestal ziet men muziek en lied als één van de reacties op de verkondiging, maar heus, zij kunnen aan de kant van de verkondiging staan. Dus niet alleen: eerst horen spreken, dan van horen zeggen zingen, nee: het zingen zelf kan de taal van het Evangelie verder dragen’.
J.P. Boendermaker, ‘Drie maal drie is negen. Liturgie voor gemeenteleden’ (’s-Gravenhage 1976), p. 72.

‘Wij moeten het [de eredienst] niet zo mooi maken, dat wij er praktisch niets mee behoeven te doen.’
G. van der Leeuw, ‘Liturgie in de crisis’ (Nijkerk 1939), in de spelling van O. Noordmans, VW 6, p. 180, over de verhouding tussen liturgie en leven.

Over het Liedboek voor de kerken dat in 1973 zou verschijnen: ‘Het gevolg van (…) historische breedheid is, dat het moderne levensgevoel te weinig respons vind in het concept-gezangboek (…). In alle tijden hebben de dichters (…) in hun liederen een antwoord gegeven op de vragen die oprezen in de harten van hun tijdgenoten.’
C.P. van Andel, ‘Tussen de regels. De samenhang van kerkgeschiedenis en kerklied’ (’s-Gravenhage 1968), p. 181.

Over Dienstboek I en II van de Protestantse Kerk in Nederland: ‘in ieder geval voltrekt de vernieuwing van het geestelijk en liturgisch leven zich momenteel voor een belangrijk deel buiten de gevestigde kerken om.’
M. Barnard, ‘Liturgie voorbij de Liturgische Beweging (…)’ (Zoetermeer 2006), p. 44.

‘Dominee Schoch houdt van een moderne aanpak. Soms betrekt hij ook de bewegingskunst in zijn liturgie (…). Vanmorgen wordt de dienst gekenmerkt door een levendige liturgie, waarbij de kerkgangers direct en intens zijn betrokken. Psalm 98, als onderdeel van de Lofprijzing, wordt onberijmd gezongen’.
D. van der Stoep en H.H. Felderhof, ‘Opnieuw in de houten broek. Over dominees, preken en kerkmensen’ (Baarn 1959), p. 118, over een jeugddienst van ds. M.L.W. Schoch op 14 juni 1959 in de Flevozaal te Rotterdam.

‘Wanneer de voorlezer uitgesproken is, draait hij den lezenaar om, zoodat het Woord als ’t ware aan de gemeente wordt voorgelegd. De opengeslagen bijbel met de gotische letters op de vergeelde bladen vormt tezamen met de beide lampen, die er op gericht zijn, een stilleven van strenge lijn.’
D. van der Stoep en H.H. Felderhof, ‘In de houten broek. Over dominees, preeken en kerkmenschen’ (’s-Gravenhage 1940), p. 217, over een dienst van ds. F. Broeyer op 7 juli 1940 in de Witte Kerk te Katwijk aan Zee.

‘De viering wordt geleid door de aanbiddingsleider die ook de leider is van de muziekband. Alleen de schriftlezing, preek (die wordt aangeduid als toespraak)en het onmiddellijk daarop volgende gebed worden door de predikant (…) gedaan.’
M. Barnard, ‘Liturgie voorbij de Liturgische Beweging (…)’ (Zoetermeer 2006), p. 104, over een dienst in de Haagse Pax Christi Kerk.

‘In de liturgie aanbidt en belijdt de Gemeente.’
J.H. Gerretsen, ‘Liturgie’ (Nijmegen 1911), p. 9.

‘Wat gasten in onze samenkomsten in het begin meestal opvalt, is het ongedwongen en flexibele karakter ervan (…). En toch, bij nadere beschouwing blijken ook wij onze vaste patronen te hebben, bepaalde omgangsvormen en uitingsvormen. Onze liturgie dus.’
E.W. van de Poll, ‘Samen in de naam van Jezus. Over evangelische liturgie en muziek’ (Zoetermeer 2009).

'Want de niet-gereformeerde kijker die - aan zijn [TV-]toestel gezeten - zondag heeft gedacht dat hij nu het prototype zag van een gereformeerde kerkdienst, heeft beslist verkeerd gedacht. In onze doorsnee-kerkdiensten treedt niet een koor op, gaan er geen twee predikanten voor en is de volgorde van de liturgie meestal niet zo als hier het geval was.'
CW 5 (1957), p. 101.


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 59 (2011), nr. 45 (11 november)



http://www.kwdejong.info

© 2012, KWdJ