Een uitdagend boek met prikkelende conclusies

De zwijgende God

Geloven gaat verder Eerder besprak Klaas-Willem de Jong in CW het populaire ‘God on mute’ (God zwijgt). Nu las hij het onlangs verschenen ‘De zwijgende God’. Een balans.

Er zijn van die thema’s die als het ware in de lucht hangen. Het zwijgen van God is er een van. Dat kan ook bijna niet anders in onze Westerse samenleving waarin het geloof de vanzelfsprekendheid voorbij is. Het is stil geworden. Zo lijkt het tenminste. Het is daarom alleen al een goede zaak dat de auteurs van ‘De zwijgende God’, Marjo Korpel en Johannes de Moor, een grondige, wetenschappelijk verantwoorde studie over het thema hebben geschreven. Alleen zo zijn zij serieuze gesprekspartners voor moderne opinieleiders die zich over het onderwerp uiten. Ook die komen trouwens aan het woord in een eerste oriëntatie op de thematiek.

Brede context
Korpel en De Moor stellen vast dat ten opzichte van elkaar 98,5 % van de werkwoorden en naamwoorden in de Hebreeuwse Bijbel Gods spreken aanduiden, terwijl slechts 1,5 % naar Gods zwijgen verwijst. Dat is verhoudingsgewijs bijzonder weinig.
De auteurs plaatsen de Bijbelse teksten in een brede context en maken ruim gebruik van buitenbijbelse bronnen. Zo kwam ik een oude Babylonische tekst tegen die me op onderdelen sterk deed denken aan Psalm 73, waarin het de ongelovige voor de wind gaat en de gelovige met straf geconfronteerd wordt. ‘Degene die de god verwaarlozen gaan de weg van de voorspoed, terwijl degenen die bidden tot de godin arm en bezitloos gemaakt worden’ (p. 238). Korpel en De Moor zijn overtuigd van het unieke karakter van de Bijbel in Gods openbaring, maar willen op deze wijze de Bijbelse teksten reliëf geven. Ze komen tot heldere conclusies die het eigene van de Bijbel onderstrepen. De God van Israël is stil uit geduld of mededogen. In de oudoosterse wereld lijkt dit minder vaak voor te komen. Anders dan omringende volken kent Israël geen slapende God. Goddelijk zwijgen uit angst of onvermogen is in de Hebreeuwse Bijbel onbekend, terwijl het in het veelgodendom van buurlanden geregeld voorkomt. Het zou God te menselijk maken.
Sommige dingen weet je ergens wel, maar ze nog eens te lezen helpt. God zwijgt soms, ook in de Bijbel. Maar Job, psalmisten en profeten berusten daar niet in. Zij pleiten op Gods vrijwillige belofte te antwoorden op de klachten van rechtvaardigen. Maar zelfs als het volk gezondigd heeft en de ballingschap heeft ondergaan, spoort de Derde Jesaja het aan niet te stoppen met klagen.
Als God dan gaat spreken … . Een priester of profeet kan lang verhoopte goddelijke antwoorden bemiddelen. Maar ook kan het antwoord opkomen door een groeiende innerlijke overtuiging.

Prikkelende conclusies
In een uitgebreide epiloog trekken Korpel en de Moor de lijnen door naar het heden. Hun conclusies zijn prikkelend: ‘Zeggen dat God zwijgt, komt erop neer dat zijn boodschappers (engelen of mensen) niet in staat zijn te spreken in zijn naam.’ Dat is de ene kant, die van het spreken. Maar er is ook een andere kant, die van het horen: ‘Zelfs wanneer men een ooggetuige is van een buitengewone gebeurtenis en men de woorden van een “engel” hoort die spreekt namens God, dan nog is er geloof voor nodig om dat gene wat er plaatsvindt te aanvaarden als goddelijke openbaring.’ Dat is niet alleen nu het geval, maar al duizenden jaren. De discussie of God spreekt of zwijgt zal ook in de toekomst niet snel verstommen.

Verschil in aanpak
Eerder besprak ik ‘God on mute’ (God zwijgt) van Pete Greig. Het verschil met de titel van het boek van Korpel en De Moor is illustratief voor het verschil in inhoud. Greig kiest voor een directe, persoonlijke aanpak. Hij leidt de individuele lezer in zijn geloofsleven langs de klippen van de stilte van de zwijgende God. Het is direct toegankelijk, misschien wel té. Korpel en De Moor behandelen de thematiek in hun studie van de Bijbelse gegevens diepgaander, met meer distantie ook. Het is niet toevallig dat op de verkenning van de Schrift een epiloog, een naschrift, volgt over de toepassing. Dat komt de helderheid in methodiek ten goede. Wel valt me op dat het uitdagende slothoofdstuk goeddeels los staat van het voorgaande. Hadden de lijnen niet meer doorgetrokken kunnen en moeten worden? Of leent de historisch-kritische benadering van de Bijbelse gegevens zich daar niet goed voor?
Ten aanzien van Gods zwijgen worden in beide boeken heel verschillende accenten gelegd. Korpel en De Moor richten zich meer op het openlijke, publieke spreken van God. Ze noemen de groeiende innerlijke overtuiging van een individu (of groep) wel, maar in de slotconclusie krijgt dit nauwelijks aandacht. Greig daarentegen beperkt zich tot het individu. God spreekt wel, maar niet tot jou in je benarde positie. In eerste instantie ben ik geneigd tot de conclusie dat Greig daarmee de problematiek van Gods zwijgen onvoldoende serieus neemt. Maar bij nader inzien denk ik tevens: het gaat over een heel ander aspect van Gods zwijgen. Toch naderen de beide benaderingen elkaar ook weer. Bij Greig is het geloof voorondersteld. Korpel en De Moor geven impliciet aan dat geloof noodzakelijk is om Gods stem te verstaan. Het is immers maar net wat je kunt of wilt horen.

Marjo C.A. Korpel en Johannes C. de Moor, De zwijgende God (Vugt: Skandalon 2011; ISBN 978-94-90708-31-3).

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 59 (2011), nr. 43 (28 oktober)



http://www.kwdejong.info

© 2011, KWdJ