Dienstboek biedt nieuwe rituelen, teksten en formulieren

DOCUMENT VAN EEN KERK IN BEWEGING

Omslag Dienstboek Eindelijk is het dan zover. Op 11 december wordt het tweede deel van het Dienstboek gepresenteerd. De ondertitel geeft de themavelden aan van het aangeboden liturgisch materiaal: leven, zegen en gemeenschap. Deel 1 verscheen in 1998 en stelde Schrift, Maaltijd en gebed centraal. Wat biedt deze nieuwe uitgave van de Protestantse Kerk in Nederland?

Wie het tweede deel van het Dienstboek ter hand neemt, heeft een stevig boek in handen, al is het met zo’n duizend pagina’s toch wat dunner dan zijn voorganger. Dat bood in de eerste plaats orden, teksten, gebeden en formulieren voor de zondagmorgendienst, inclusief de viering van het Heilig Avondmaal. Daarnaast was er plaats ingeruimd voor de getijdendiensten, zowel op zondag als op doordeweekse dagen. Grofweg gezegd bestrijkt deel 2 de rest van de liturgie. Dat terrein is aanzienlijk groter dan tot voor kort in de Protestantse Kerk in Nederland gebruikelijk was. Uitbreiding ten opzichte van wat tot op heden gebruikelijk was, is vooral te vinden op het terrein van zegeningen – onder meer de zegening en zalving van zieken – en boete en verzoening – populair gezegd: de biecht. Ook was de zegening van een levensverbintenis anders dan de inzegening van een huwelijk van man en vrouw tot op heden onbekend in de officiële dienstboeken. Wel zijn er in tal van particuliere uitgaven voorstellen gedaan om aan de nieuwe liturgische handelingen vorm te geven. Zo zijn er in de serie ‘Werkboekjes voor de eredienst’ de nodige voorstudies gedaan. Paul Oskamp schreef onder de titel ‘Vergeef ons onze schulden …’ over riten om in het reine te komen. Marcel Barnard en Gerrit van de Kamp verkenden in ‘Zegening van kinderen’, de vragen die dit onderwerp oproept. Een officieel karakter hadden de deeluitgaven ‘Liturgie in dagen van rouw’, ‘Bevestiging van ambtsdragers’ en ‘Doop en Belijdenis’. Dit alles heeft zijn weerslag gehad op het Dienstboek dat nu verschenen is.

Onderwijzing
Wie door het boek heen bladert, ontdekt al gauw dat ten opzichte van vorige uitgaven het didactische element sterker is geworden. Dat komt in de eerste plaats door het opnemen van een hertaling van de liturgische formulieren uit de gereformeerde traditie. Deze klassieke formulieren worden in een deel van de Protestantse Kerk nog steeds gebruikt, al wordt daar het taalveld steeds sterker als problematisch ervaren. Daarom heeft de Gereformeerde Bond enkele jaren geleden het initiatief genomen om tot een hertaling te komen. In goede samenwerking tussen de Bond en de redactie van het Dienstboek is nu een grondige herziening van deze hertaling beschikbaar. De hertaalde formulieren zijn ook in een aparte uitgave te koop. Naast deze formulieren vindt de gebruiker ook onderwijzingen bij de bevestiging en verbintenis van ambtsdragers, alsmede bij doop en belijdenis. Deze onderwijzingen staan steeds in het kader van een orde. Bij doop en belijdenis bedoelen ze geenszins een volledige doopleer te bieden, maar richten ze de blik op een bepaald aspect, bijvoorbeeld op het verbond of op de belofte van de drie-ene God. In de praktijk wordt in toenemende mate de behoefte gevoeld aan uitleg bij de liturgische rituelen. Steeds vaker zijn er bij bijzondere gelegenheden gasten in de kerk, die nauwelijks kennis hebben van de christelijke traditie. Dit plaatst de oude discussie of het didactische en leerstellige wel een plek moet krijgen in de eredienst, in een nieuw daglicht.

Ritueel
In de afgelopen decennia is de behoefte aan rituelen in relatief korte tijd sterk gegroeid, zowel binnen als buiten de kerk. Het Dienstboek komt aan deze behoefte tegemoet, met name in de hoofdstukken boete en verzoening, zegeningen, en uitvaart en rouw. Boete en verzoening heeft bij een eerste aankondiging van dit deel van het Dienstboek het nodige stof doen opwaaien. De grootste krant van Nederland repte van de (her)invoering van de biecht. Nu hebben boete en verzoening in de afgelopen eeuwen in het calvinisme een plek gekregen in het persoonlijk pastoraat. Het werd expliciet in de voorbereiding op de viering van het Heilig Avondmaal. Onder druk van de komende Avondmaalsviering werden conflicten bijgelegd. Deze tradities boetten aan kracht in en zijn op veel plaatsen al zo goed als verdwenen. Dikwijls zijn alleen de klassieke woorden nog over. De aloude leerstukken van zonde, schuld, vergeving en verzoening hebben in de praktijk van het gemeenteleven vaak nog slechts een zeer bescheiden plek. Het hoofdstuk boete en verzoening biedt handreikingen om er weer handen en voeten aan te geven. Het wonder van genade en vergeving kan opnieuw beleefd worden.
Het hoofdstuk zegeningen bevat veel nieuw tekstmateriaal. Ik kan slechts een enkel punt aanstippen. Zo begint het met de dankzegging en zegen na de geboorte of adoptie van een kind. Prof. Runia schreef onlangs al in dit blad over de verschuivingen die er op dit gebied gaande zijn. In toenemende mate hebben ouders hun twijfels over de noodzaak van de kinderdoop. Kerkenraden krijgen vragen binnen, of het niet mogelijk zou zijn een kind op te dragen of te zegenen in plaats van het te dopen. Dat zal in voorkomende gevallen nog wel de nodige discussie geven. Als een gemeente ruimte wil bieden voor dankzegging en zegening van pasgeborenen, kan het bijna niet anders dat ze daarmee impliciet de kinderdoop relativeert. Het komt er daarom op aan, wat er bij een dankzegging of zegening precies gezegd wordt. De samenstellers van het Dienstboek hebben daarover goed nagedacht.
Het opnemen van een mogelijkheid tot de zegening en zalving van zieken past in een brede tendens. Het ritueel als zodanig is bekend vanuit de katholieke traditie en gaat terug op woorden uit de Jakobusbrief: 'Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer.' In gereformeerde kring schreef M.J. Paul een studie over het onderwerp: ‘Vergeving en genezing: ziekenzalving in de christelijke gemeente’. Hij heeft daarmee velen aan het denken gezet. Vanuit de evangelicale hoek klinkt steeds sterker het verwijt, dat de kerk hier een taak heeft laten liggen. Het Dienstboek doet nu een voorzet.

Uitvaart en rouw
Het is nog niet zo lang geleden, dat een protestantse begrafenis het toonbeeld was van soberheid. Heel langzaam is daar verandering in gekomen. De huisdienst of samenkomst in het plaatselijk lokaal werd een volwaardige kerkdienst. Het gesproken woord verloor terrein aan liederen en muziek. Naast het evangelie kwam ook de overledene in beeld. Bloemen deden hun intrede. Kinderen kregen een plaats door het aansteken van een kaars of het leggen van een tekening op de kist van oma. Het Dienstboek helpt bij het vormgeven van uitvaart en rouw: een avondgebed, naar het model van de katholieke avondwake, de uitvaart zelf, een (persoonlijke) gedachtenis en mogelijke rituelen na de uitvaart. Daarbij is nadrukkelijk rekening gehouden met het verschijnsel dat ook christenen kiezen voor crematie.

Ik ben zelf direct betrokken geweest bij de samenstelling van het Dienstboek. De laatste vergaderingen vonden al weer een half jaar geleden plaats. Als ik nu met enige afstand het geheel nog eens bekijk, dan valt me op, hoezeer in deze uitgave blijkt dat de Protestantse Kerk een kerk in beweging is. Ze geeft zich in dit Dienstboek rekenschap van ontwikkelingen in diverse kerkelijke stromingen én de samenleving. Niet iedereen zal de uitkomst voluit kunnen onderschrijven. Niets hoeft gebruikt te worden. Het woord is nu aan gemeenten die tien jaar lang de tijd hebben het Dienstboek te beproeven. Om dat te bevorderen krijgt elke kerkenraad een exemplaar toegestuurd. Het gesprek over de thema’s die het Dienstboek aansnijdt, moet nu in de gemeenten worden voortgezet.

Dienstboek, een proeve (deel II). Leven – zegen – gemeenschap (Boekencentrum – Zoetermeer; 1024 p.; ISBN 9023916212; € 21,50).
Liturgische formulieren uit de gereformeerde traditie (Boekencentrum – Zoetermeer; 64 p.; ISBN 9023916360; € 6,00).

Klaas-Willem de Jong.

Dr. K.W. de Jong is predikant en lid van de redactie Dienstboek.

Dit artikel is in licht bewerkte vorm geplaatst in Centraal Weekblad 53 (2005), nr. 16 (22 april)

© 2004, KWdJ