DIENSTBOEK: VOORSCHRIFT OF INSPIRATIEBRON

Dienstboek De Protestantse Kerk in Nederland heeft twee dikke dienstboeken. Genoeg keus, zo zou men zeggen, om de protestantse eredienst vorm te geven. Maar in hoeverre zijn gemeenten eigenlijk verplicht van deze dienstboeken gebruik te maken?

De jonge predikant zit met een probleem. Hij heeft zojuist een doopgesprek gevoerd met de ouders van een pasgeboren kind. Het is hun tweede. Doopgesprekken zijn meestal levendige gesprekken. De doopouders vertellen, hoe ze aankijken tegen de doop en het gelovige opvoeden van hun kind. De predikant legt uit, wat de betekenis van de doop is, hoe de dienst in grote lijnen zal verlopen en op welke punten de ouders eigen inbreng kunnen hebben. Vervolgens wordt met elkaar invulling gegeven aan de dienst. Zeker als er meer doopouderparen zijn, kan dat een hele puzzel zijn. Zoveel hoofden, zoveel zinnen.
De kerkenraad heeft na de verschijning van het tweede deel van het Dienstboek besloten bij het dopen de daarin aangeboden orden van dienst te volgen. Het probleem is nu, dat de doopouders niet kunnen instemmen met de vragen, zoals die daar zijn geformuleerd. Ze willen op dezelfde vraag antwoorden als in hun vorige gemeente, waar het eerste kind is gedoopt: ‘Belooft u uw kind in woord en daad voor te gaan op de weg ons gewezen door de Heer en het te doen onderwijzen in het Woord van God?’ De predikant merkt daarbij zuinigjes op dat de wensen bij doopdiensten steeds specifieker worden. Maar hij belooft na te gaan, wat de mogelijkheden zijn en het probleem in de kerkenraad aan de orde te stellen. Hij verwacht vaker met dit soort verzoeken te maken te krijgen.

Letterlijk of globaal
Thuis gekomen pakt de predikant er eens een paar boeken bij. Hoe zat het ook al weer? Al gauw ziet hij ergens de bepalingen uit de Dordtse Kerkorde (1618-19) geciteerd. Daar staat in art. 58 dat de predikanten bij het dopen de formulieren ‘zullen gebruiken’. Wat betekent dat? Deels of geheel? Ook als gekeken wordt naar de andere artikelen over de liturgische handelingen blijkt daarover geen uitsluitsel te vinden. In een toelichting staat vermeld dat deze oude kerkorde op verschillende manieren is geïnterpreteerd. Sommigen meenden dat het voldoende was, als in de geest van de liturgische formulieren gehandeld en gesproken werd. Het was volgens hen in ieder geval verboden een andere dan de daarin vervatte leer voor te staan. Anderen stelden dat de kernteksten gehandhaafd dienden te worden. Dat gebeurde bijvoorbeeld in besluiten aan het begin van de 18e eeuw bij de doop: tenminste dienden de vragen conform het formulier te worden gesteld. Weer anderen wilden onverkort vasthouden aan de overgeleverde liturgische teksten. Nogal rigoureus, oordeelde de predikant. Maar hé, in een ander naslagwerk ontdekte hij dat men aan het einde van de 19e eeuw zich in de Gereformeerde Kerken vooral sterk maakte voor die opvatting. In de 20e eeuw bleek deze stelling na de Tweede Wereldoorlog echter ook daar steeds moeilijker houdbaar en kregen plaatselijke gemeenten steeds meer ruimte. Gemeenten staat onderstreept. Even verderop leest de predikant dat de beslissing over dit soort punten in de Gereformeerde Kerken toekwam aan de kerkenraad.

Principiële zaak
De predikant begint te beseffen dat er nogal wat principiële kanten aan de vraag van de doopouders vast zitten: wie maakt de dienst uit? Bij die principiële kant had hij eigenlijk nooit zo stil gestaan. In het laatste deel van de studie had hij leren werken met de proeven die voorafgingen aan deel II van het Dienstboek. Kant en klare teksten. Handig, zeker als je nog niet zoveel ervaring hebt. Hoe zat het eigenlijk met de kerk, waarin hij zelf was opgegroeid, de Hervormde Kerk? Even zoeken maakt veel duidelijk. Hij houdt zijn vinger bij de tekst. De predikant is veel vrijheid gegund. Met ingang van 1880 hoefden zelfs de vragen voor de bevestiging van lidmaten (openbare geloofsbelijdenis) niet meer letterlijk, maar alleen in geest en hoofdzaak te worden gebruikt. ‘Hiermee was de laatste expliciete, inhoudelijke liturgische verplichting verdwenen. De overgebleven regels waren in hun ruime formuleringen een beschrijving geworden van een zeer gevarieerde praktijk. Een normerende werking hadden ze nauwelijks meer.’ Snel bladert hij verder. Hij ziet dat de kerkorde van 1951 in twee opzichten een principiële koerswijziging met zich meebracht. De voorganger kiest uit het dienstboek een orde. Hij doet dit in overleg met de kerkenraad. Daarmee is de vrijheid van de voorganger in principe behoorlijk ingeperkt.
Het is onbedoeld laat geworden. De predikant legt de boeken terzijde en besluit het naslaan van de nieuwe kerkorde van de Protestantse Kerk tot morgen uit te stellen.

Protestantse kerkorde
De volgende dag wordt duidelijk, dat in de Protestantse Kerk de verantwoordelijkheid principieel gelegd wordt bij de kerkenraad: hij stelt de inrichting van de eredienst vast. Daarbij houdt hij rekening met de ‘bijzondere verantwoordelijkheid van de voorgangers en hen die zorgen voor de kerkmuziek.’ Elders staat dat ‘de bediening en viering van de doop (…) geschieden met gebruikmaking van door de generale synode vastgestelde orden’. Dat valt al weer mee, denkt de predikant. Het kan kerkordelijk gewoon niet, wat de doopouders willen. De meeste kerkenraadsleden zullen wel zeggen, dat je het niet zo nauw moet nemen met die regeltjes. Dat vindt de predikant eigenlijk zelf ook wel. Maar dit geeft in ieder geval richting. De discussie zal op zich al lastig genoeg zijn. ‘We moeten om zo’n kleinigheid geen mensen afstoten.’ ‘We kunnen toch niet alles zomaar toelaten.’ ‘Kunnen we niet nog eens met die doopouders gaan praten.’ Hij kent de argumenten op voorhand al. Nog een week.
De predikant wil in de kerkenraadsvergadering goed voor de dag komen. Daarom besluit hij later op de dag nog een collega te bellen die zich voorheen als synodelid in de nieuwe kerkorde heeft verdiept. Het antwoord valt eigenlijk tegen. Het is helemaal niet zo helder als het leek. Het blijkt ervan af te hangen. Een overgangsbepaling bij de nieuwe kerkorde geeft namelijk aan dat liturgisch materiaal dat eerder door een van de kerkgenootschappen is vastgesteld of ter beproeving is vrijgegeven, vooralsnog geldigheid blijft bezitten. De collega informeert naar de vraag zoals de doopouders die hebben voorgesteld. Hij herkent haar meteen: afkomstig uit de katern zoals die in de Gereformeerde Kerken gebruikt werd. Hij heeft de vraag zelf ook jarenlang gehanteerd. De kerkenraad kán dus in principe nog steeds voor de orde uit de katern kiezen. Het ligt alleen niet erg voor de hand om dat incidenteel eens te doen, bijvoorbeeld om zoals in dit geval doopouders tegemoet te komen. Dat komt de herkenbaarheid van de sacramentsbediening niet ten goede.

Dienstboek
Op de dag vóór de kerkenraad besluit de predikant het probleem op de werkgemeenschap (studiegroep) van predikanten bij de rondvraag te noemen. Wie weet. Een van de collega’s wijst op deel I van het Dienstboek. Daar wordt ergens gesproken over een veelheid aan variatie in de aangeboden liturgische teksten, ter bevordering van ‘de afwisseling en de eigen creativiteit’. Hoewel de discussie vanwege het karakter van de rondvraag snel wordt afgekapt, zijn de meesten er wel van overtuigd dat juist het Dienstboek zelf veel ruimte laat.

Kiezen
Als hij zich de volgende avond klaarmaakt voor de kerkenraadsvergadering, beseft de predikant dat ze ten aanzien van de doopliturgie en de daarbij horende vragen met elkaar een keuze moeten maken: wat willen wij? Welke opvattingen huldigen wij ten aanzien van de doop? Kiezen we voor een duidelijk stramien in onze eigen gemeente? Kiezen we bewust voor aansluiting bij de landelijke kerk? Welke ruimte is er voor de invulling van de doopouders. Al deze vragen zal de kerkenraad zélf moeten beantwoorden. De kerkorde en de beide delen van het Dienstboek geven wel richtlijnen, maar de uiteindelijke keuze is aan de kerkenraad, in nauw overleg met voorganger en kerkmusicus. De predikant beseft dat het nog wel even zal duren voor hij de doopouders duidelijkheid kan verschaffen over hun vraag.

Klaas-Willem de Jong.


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Centraal Weekblad 54 (2006), nr. 3 (20 januari)


http://www.kwdejong.info

© 2006, KWdJ