Een door het dienstboek geïnspireerde gebedsdienst

DIENSTBOEK VRAAGT OM MAATWERK

Dienstboek Onlangs informeerde een collega bij mij, of ik iets had voor een avondgebed met studenten. Het materiaal uit het dienstboek leek hem te gedragen voor de gemiddelde student. Maar wat dan?

Het dienstboek mag er zijn. Twee kloeke delen met in totaal zo’n 2300 bladzijden orden, teksten en liturgische aanwijzingen. Het kost even moeite om daarin de weg te vinden. Maar ook als de weg in het dienstboek gevonden is, vraagt het de nodige creativiteit om er in de praktijk mee te werken. De gebruiker kán met het materiaal dat gepresenteerd wordt prima een dienst in elkaar zetten. Vaak wordt er echter meer gevraagd: maatwerk. Elke gemeente, elke gemeenschap heeft haar eigen traditie en daarmee ook haar eigen verwachtingen. Goede liturgie kent een optimale mix van enerzijds het vertrouwde en anderzijds het nieuwe, het andere. Dat betekent lang niet altijd dat de liturgie onbekende, nieuwe elementen moet bevatten. Soms is het al voldoende dat een bekende tekst in een ander kader klinkt. ‘Ik kende die tekst al lang, maar ik wist niet dat dat er zo stond … .’ Een bekend lied of psalmvers kan ineens een nieuwe betekenis krijgen. Enige voorzichtigheid is daarom wel op zijn plaats. Een teveel aan nieuwe en onbekende woorden en vormen kan vervreemding in de hand werken. In dit artikel wil ik u laten zien, hoe het dienstboek ook bij de vraag van mijn collega prima diensten kan bewijzen. Ik put daarbij uit mijn eigen ervaring met groepen van zeer uiteenlopende samenstelling.

Wie zich wil oriënteren op de mogelijkheden voor een avondgebed, heeft de tweede helft van deel I nodig (p. 951-1248). Dat handelt over de getijden, de gebedsdiensten. Deze zijn vervolgens weer onderverdeeld in orden die bestemd zijn voor een viering in een groep of gemeenschap, en orden die beter passen bij persoonlijk gebruik. Bij elke orde worden concrete aanwijzingen gegeven voor tekst en muziek (bij de orden voor persoonlijk gebruik alleen tekst). Zo begint het morgengebed na een moment van stilte met het zingen van ‘Heer, open mijn lippen …’. De persoonlijke variant begint met een eenvoudige lofprijzing: ‘Gezegend zijt Gij, God, koning der wereld die de morgen ontbood en het licht hebt geroepen.’ Het is een veel voorkomend misverstand dat het per se zo, op deze manier en met deze tekst zou moeten. Wel is het goed om te bedenken dat over de opzet en inrichting van de getijdendiensten stevig is nagedacht. Wie verandert, moet goed weten dát hij verandert en waarom hij dat wil. Het dienstboek geeft een richting aan die het overwegen waard is.

Taaie taal
Mijn collega vond de taal van het dienstboek te gedragen. Eerlijk gezegd begrijp ik dat wel. De dienstboektaal is ‘hoog’, soms welhaast taai. De opstellers zijn er vanuit gegaan dat het dienstboek een tijdje mee moet. Met name bij gebedsmomenten is het dan van belang dat de taal niet te gauw gaat vervelen en versleten is. Je moet er als geregelde gebruiker een beetje op kunnen ‘kauwen’. Er is echter geen enkel bezwaar tegen om teksten te vereenvoudigen, om alternatieven uit te spreken of om vrij te formuleren. Het is dan wel zaak om de structuur van de gebedsdiensten in de gaten te houden. Die heeft zijn waarde in de loop der eeuwen (!) bewezen. Vrijwel altijd is er in de orden een lijn in te ontdekken van woord en antwoord. Wij zoeken God, Zijn aangezicht. Hij spreekt. Wij antwoorden, in onze gedachten, in onze dank, in onze voorbeden. Zo gaan we gezegend heen. Als er reden is voor schuldbelijdenis, dan past dat het beste ergens aan het begin, bij het zoeken van Gods aangezicht. Het is geen toeval dat de klassieke liturgie de schuldbelijdenis aan het einde van de dag een plaats geeft, op een moment dat de dag nog eens voor ogen wordt gehaald.

Het dienstboek geeft de volgende structuur voor een gebedsmoment:
- stilte
- openingsvers en/of lofprijzing
- eventueel: schuldbelijdenis
- lied en/of psalm
- lezing
- moment van inkeer
- loflied
- gebeden
- afsluiting

Op het eerste gezicht lijkt dit nogal wat. Toch is de eenvoud groot. Het begint met enkel akten van concentratie en aandacht: stilte, openingsvers en/of lofprijzing, de eventuele schuldbelijdenis en lied en/of psalm. In het midden staat de lezing, nauw verbonden met het moment van inkeer en het daarop volgende lied. Gebeden vormen de afsluiting. Anders gezegd: de sfeer van gebed is bepalend, al het andere is in die sfeer ingebed.

Maatwerk
Hoe kan de orde van het dienstboek nu vorm krijgen in een doorsnee gemeentegroep? Dat vraagt om maatwerk.
Overal kan gebeden worden. Toch kan het in een grote ruimte raadzaam zijn enige intimiteit te creëren, bijvoorbeeld door de stoelen in een kring te zetten. Om te kunnen bidden is het in de eerste plaats nodig om stil te worden, vooral van binnen. Neem daar de tijd voor. Als er veel geluiden van buiten zijn, kan alleen al het benoemen van de eventuele irritatie een heel stuk helpen. Het moment van samen bidden kan gemarkeerd worden door het aansteken van een kaars en een tekst. Het dienstboek geeft allerlei voorbeelden, maar ook een zelfgekozen citaat uit de Bijbel kan heel goed dienst doen. Talloos zijn de verwijzingen naar het licht. ‘Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’ (Joh. 1: 5) Samen zingen verbindt. Maar als samen zingen niet goed mogelijk is, kan er ook naar een lied van CD geluisterd worden. Let daarbij goed op de sfeer. Wie een wat ‘evangelicaal’ spoor wil volgen, kiest op dit moment beter niet voor uitbundige praise, maar voor een ingetogen aanbiddingslied. Bidden is meer dan praten. Het veronderstelt ook een luisterhouding. Echt luisteren, ook het luisteren naar God, is vaak veel moeilijker dan spreken.
Na aan lezing uit de Bijbel is er ruimte voor inkeer. Stilte is daarvoor de best aangewezen vorm. Als de groep dat om wat voor reden dan ook niet aan kan, kan er ook worden gekozen voor meditatieve muziek op CD. De orden van het dienstboek geven na dit onderdeel in de meeste gevallen een loflied. Er is echter veel voor te zeggen de inkeer te laten overlopen in de gebeden. Voor de voorbeden zijn allerlei invullingen denkbaar. Het dienstboek zelf geeft tal van voorbeeldteksten. Als de groep voldoende veilig is, kunnen de aanwezigen ook worden uitgenodigd zélf, hardop, in de groep een voorbede te doen. Als tussenvorm is het denkbaar dat degenen die dat willen een intentie op papier zetten, en dat degene die het gebedsmoment leidt de voorbeden formuleert. Wat er ook gebeurt, de deelnemers zullen tevoren moeten weten waar ze aan toe zijn. Het begin en het einde van de gebedsruimte zal duidelijk moeten worden begrensd. Afsluiten kan bijvoorbeeld door het gezamenlijk bidden van het Onze Vader, al dan niet door elkaar een hand te geven. Het gebed loopt ten slotte uit op de zegenbede.

Wie voorgaande invulling naast de dienstboekorde legt, zal ontdekken dat de grondstructuur nog steeds herkenbaar is. Het kan nóg korter, bijvoorbeeld door het lied aan het begin weg te laten. Het kan ook uitgebreider, bijvoorbeeld door elders een tweede lied een plaats te geven, enkele meditatieve gedachten bij de lezing hardop met elkaar te delen, enzovoort.

De collega uit het begin van dit artikel heb voor zijn groep beknopt gesuggereerd hetgeen ik in dit artikel beschreven heb. Verder is het vooral proberen en kijken welke invulling het beste past. Oefening baart ook hier kunst.

Klaas-Willem de Jong.


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Centraal Weekblad 55 (2007), nr. 2 (12 januari)


http://www.kwdejong.info

© 2007, KWdJ