Werkboekje over dooppraktijk biedt weinig ruimte voor eigen inbreng

WAAR BLIJVEN DE OUDERS BIJ DE DOOP?

Ooit hoorde ik het verhaal van een beginnend predikant die de avond voor zijn eerste doopbediening druk in de weer was met water en een grote pop. Om te oefenen. Leerstellig wist hij precies hoe het in elkaar zat. Praktisch was hij onervaren. Eens moet de eerste keer zijn. Dat geldt voor een predikant, maar ook voor ouders die er hooguit enkele keren direct mee te maken hebben. Het is daarom goed dat in de serie Werkboekjes voor de eredienst een uitgave is verschenen over de doop: Door het water heen gered.

Niet alleen predikanten en ouders, maar ook andere betrokkenen - eigenlijk de hele gemeente - kunnen zich nu inhoudelijk en praktisch voorbereiden. De auteur, ds. Lieske Keuning, begint bij het begin: de vraag naar de doop. Vervolgens passeren doopcatechese en doopgesprek, de dienst zelf, doopgedachtenis, en bezinning in de kerkenraad de revue. Een aantal handige bijlagen completeert het geheel. De ene keer richt de auteur zich vooral op de ouders, een andere keer meer op de voorganger. Maar dit stoort niet. In de gekozen opzet zijn herhalingen niet altijd te vermijden. Zo zal in het doopgesprek over water gesproken moeten worden en wordt het in de dienst gebruikt. Maar wel erg uitvoerig wordt het, als gepleit wordt voor een royaal begieten met water (blz. 17-18 n 20). Jammer is dan bovendien, dat onvermeld blijft de afkomst van ons woord (doop)vont: van het Latijnse fons, bron, plek van opwellend, stromend water. De noodzaak bepaalde zaken in het doopgesprek aan de orde te stellen komt al te vaak terug. Het was beter geweest de aandachtspunten bij het desbetreffende hoofdstukje overzichtelijk op een rijtje te zetten. Zo zouden er nog meer details te noemen zijn, maar onoverkomelijk zijn de tekortkomingen beslist niet. Wie de SoW-proeve Doop en Belijdenis aanvaardt en gebruikt, kan prima uit de voeten met Door het water heen gered. Aan alle mogelijke zaken is gedacht, zodat het een goede vertolking van en aanvulling op de proeve is. Spijtig is evenwel dat ook in het werkboekje onkritisch is omgesprongen met termen als 'vroeger', 'de vroege kerk', 'vanouds' en 'goed gebruik', die ook in de proeve worden gehanteerd. En keer gaat dat goed fout, als het werkboekje suggereert dat doop in de paasnacht in 'de vroege kerk' norm was (blz. 10). Vr de 4e eeuw was dat namelijk niet het geval. Belangrijker vind ik het echter om naar aanleiding van dit werkboekje drie andere zaken aan de orde te stellen: de verhouding tussen voorgeschreven ritueel en persoonlijke inbreng, het gestaag uitdijende doopritueel en de theologie achter de doopliturgie.

Persoonlijke inbreng
In het werkboekje wordt het onverkort gebruik van Doop en Belijdenis voorondersteld. Dat is op zich een duidelijk uitgangspunt, al wordt het helaas nergens expliciet vermeld. Toch wekt het bij mij enige irritatie. Dat is onder meer gevolg van het feit, dat het allemaal zo netjes, zo gladjes is. Maar misschien heeft het er nog wel meer te maken, dat voor ervaringen, vragen en verlangens van ouders eigenlijk nauwelijks plaats is. De ouders worden wel gestimuleerd om te vragen, maar dan vooral te vragen naar het gepresenteerde ritueel (blz. 8 en 10). Dat lijkt me een wat erg beperkte invulling van de bepaling in de (nieuwe) kerkorde, dat het gesprek over de betekenis van de doop moet handelen. Natuurlijk formuleert een kerk die ergens voor staat, inhoudelijke en formele randvoorwaarden. Een kerkenraad moet weten wat te doen, als ouders hun eigen doopvragen willen formuleren, zoals ook in het werkboekje zijdelings wordt aangestipt (blz. 29). Er zijn voorbeelden van vragen waar van christelijke traditie en christelijk geloof weinig meer over is. Maar toch: waar blijven de ouders (of betrokkenen, bij volwassenendoop) zlf? Is hun inbreng beperkt tot de keuze van een dooplied? Ik heb in de loop der jaren juist van hun kant inspirerende bijdragen mogen meemaken: een boeiende verantwoording waarom ze wilden laten dopen, een treffend gedicht, een eigen tekst. Of speelt op de achtergrond mee, dat in Doop en Belijdenis de ouders nauwelijks meer een zelfstandige positie innemen en primair worden gezien als leden van de gemeente? Valt het individuele weg achter het collectieve? Het is echter niet alleen een probleem dat bij de doopliturgie speelt. Te gemakkelijk menen predikanten en liturgiecommissies dat het liturgisch verantwoord is als de in het dienstboek voorgegeven orden worden gevolgd en de aangereikte gebeden worden gebruikt. Maar het gevaar is niet denkbeeldig dat dit een kille en zakelijke liturgie oplevert, ook al wordt nog zo goed uitgelegd waar het om gaat. Het zal lang niet altijd mogelijk zijn de gemeente een concrete eigen inbreng te geven, maar zij zal wel moeten kunnen meekomen in hetgeen er gebeurt, zich moeten kunnen inleven. Anders domineert nog het eenrichtingsverkeer, zoals dat in de klassieke reformatorische eredienst dikwijls het geval was.

Uitdijend ritueel
Tot voor enkele decennia was het doopritueel in de protestantse kerken van ons land bijzonder eenvoudig. Het ritueel als zodanig bestond eigenlijk alleen maar uit het begieten van de dopeling met water onder het uitspreken van de vastgestelde formule. Daaromheen bestonden hier en daar nog wel wat gewoontes, bijvoorbeeld die van de witte doopjurk. In Doop en Belijdenis is het oude ritueel al een stuk uitgebreider. Althans: dat kan, met een kruisteken op het voorhoofd, het omleggen van een doopkleed n de doop, het aanreiken van een doopkaars. Het werkboekje biedt daarnaast nog iets nieuws: 'Goed gebruik () is dat de zuigeling uit handen wordt gegeven: de bedienaar neemt de dopeling in handen, doopt het en geeft het aan zijn ouders' (blz. 19). De gedachte is duidelijk: dopen is uit handen geven, dopen is in Gods handen leggen. Nu bezweert Lieske Keuning ons dat 'de nadruk blijft liggen op de doop zelf' (blz. 21), maar toch moet bij alle mogelijkheden en suggesties de vraag gesteld worden in hoeverre dat reel is. Wordt het niet allemaal teveel? Zien we door alles heen nog wel, waar het om begonnen is? Vorig jaar verscheen het Rituelen in overvloed van de Tilburgse emeritushoogleraar Gerard Lukken. De titel geeft ons in enkele woorden precies de uitdaging en het probleem van deze tijd. Het is de wankele balans tussen veel en teveel. Voor wie is ingevoerd, zal het niet gauw teveel zijn. Maar voor wie het aan kennis en ervaring ontbreekt - en dat zijn er door allerlei oorzaken ook in de kerk nogal wat - is het al gauw meer dan genoeg. In de beperking toont zich de meester, zowel principieel als praktisch. Het lijkt me daarom ook terecht dat de doopkaart n de dienst wordt overhandigd (blz. 25). Dat 'ritueel' is vreemd aan de doop zelf en heeft ten onrechte dikwijls een plek in onze doopdiensten gekregen.

Dooptheologie
Tijdens het doornemen van het werkboekje viel het me op, hoezeer over de doop gesproken wordt vanuit het perspectief van de gemeente: 'Het blijkt dat je om "er bij te horen" en op weg te gaan naar Gods toekomst door het water heen moet. Dat is alleen mogelijk dankzij de onvoorwaardelijke belofte van de God van Isral' (blz. 8). Wel heet de doop 'een daad van God' (blz. 23), maar de weg door het water heen is primair navolging op 'de weg die Jezus gegaan is' (blz. 17). Het accent valt op de Paasnacht, het moment van opstanding en levensvernieuwing, geplaatst in eschatologisch perspectief. Dit lijkt me ten koste te gaan van het historisch-beslissende en het transcendente. Het aspect van de zondenvergeving van Godswege ontbreekt vrijwel geheel. Opvattingen als dat God door het sacrament tot ons spreekt, of dat het sacrament ons op een eigen wijze dicht bij God brengt, zijn niet of nauwelijks aanwezig. Ik merk zelf ook, dat het lastig is, dit soort thema's in de doopcatechese aan de orde te stellen. Ze schieten er wel eens bij in. Maar ze zijn wel degelijk van belang om de diepte van de doop te peilen. Het is immers net als het avondmaal een sacrament, duidelijk van andere rituelen te onderscheiden.

L. Keuning, Door het water heen gered. De gang van zaken rondom de doop (Zoetermeer 1999; ISBN 90-239-0670-5; 40 blz.; fl. 7,80).

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 48 (2000), nr. 31/32 (4 augustus).