Een mobiel predikantencorps: goed voor de kerk

Een mobiel predikantencorps Mobiliteit moet. Voor gemeenten. Voor predikanten. Eigenlijk lijkt iedereen in de kerk daarvan wel overtuigd te zijn. Toch lijkt de mobiliteit in de Protestantse Kerk af te nemen. Klaas-Willem de Jong bespreekt de gespreksnotitie die onlangs over dit onderwerp verscheen.

‘Dat was God niet, dat waren de eenden.’ Dat was de gedachte van Annie M.G. Schmidt toen haar vader in 1927 bedankte voor een beroep naar de Hervormde Gemeente Sittard. Hij bleef om allerlei emotionele en praktische redenen in het hem in bijna twintig jaar vertrouwd geworden Kapelle. Dit zijn de prikkelende woorden waarmee de gespreksnotitie ‘Roeping & Beweging’ begint. Het Mobiliteitsbureau van de Protestantse Kerk signaleert dat de mobiliteit van predikanten stagneert. Dat heeft te maken met uiteenlopende ontwikkelingen in kerk en maatschappij, waardoor predikanten de mogelijkheid niet hebben om te verkassen. Maar het is ook een persoonlijke beslissing: predikanten willen niet verkassen. Bij een andere gelegenheid zei de directeur van het Mobiliteitsbureau, ds. Jan Oortgiesen, naar aanleiding van de roeping van Abram (Genesis 12): Abram ontvangt de roep weg te trekken en doet dat vervolgens ook, maar predikanten weigeren dat nogal eens, helaas. De gespreksnotitie lijkt zich in eerste instantie op gemeentepredikanten te richten, maar ook predikanten in landelijke dienst horen mijns inziens tot de doelgroep. Verstaan predikanten de roep die tot hen uitgaat? Het cijfermateriaal uit de gespreksnotitie maakt overigens duidelijk dat de vraag niet te snel ontkennend moet worden beantwoord. Ruim 44% van de gemeentepredikanten staat nog geen vier jaar in de gemeente waar zij of hij het laatst bevestigd werd. Velen lijken het motto ‘mobiliteit moet’ vooralsnog wel tot het hunne te maken. De centrale positie van de predikant maakt het voor hemzelf en voor de gemeente nodig dat er van tijd tot tijd gewisseld wordt. Het daagt beide partijen uit.

Belemmeringen
De innerlijke overwegingen van de predikant staan niet op zich. Het is daarom terecht dat de brochure een aantal kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen signaleert die een niet onbelangrijk rol spelen. De vraag is voor mij zelfs of ze in feite niet bepalend zijn. Anders gezegd: heeft een notitie als deze wel zin als er geen maatregelen worden genomen om iets aan die ontwikkelingen te doen? Ik noem er een aantal. In toenemende mate hebben predikanten een eigen huis betrokken. Gemeenten stootten pastorieën om financiële redenen af. Predikanten verwierven zich zo een plek om ook na hun emeritaat te kunnen wonen. Het leek met de stijgende huizenprijzen bovendien lucratief. Inmiddels wordt door de crisis de keerzijde zichtbaar. Predikanten met een eigen huis dragen het risico dat de kerk droeg. Met als gevolg: ze zitten vast. Het is dan ook niet zo vreemd dat ik steeds meer gemeentepredikanten zie die naar hun nieuwe wijkgemeente op en neer reizen.

Een andere factor vormen de eventuele partner en kinderen. Partners werken vaak ook. Hun inkomen maakt substantieel deel uit van het gezinsinkomen. Hun werk brengt een eigen dynamiek met zich mee. Zijn zij toe aan verandering? Kunnen zij wel een nieuwe baan vinden in of in de buurt van de nieuwe standplaats? Dit aspect wordt belangrijker naarmate de predikant voor een groter percentage parttime werkt. Daarnaast zijn kinderen mondiger geworden. Ook zij spreken een woordje mee of de roep weg te trekken al dan niet gehoord wordt.

Vastigheid
Verder lijken predikanten ook zelf letterlijk te zoeken naar vastigheid. Je weet wat je hebt … . Niemand wil kans lopen gedwongen losgemaakt te worden. Dan ben je als predikant ‘verloren’. Bij het zoeken naar vastigheid spelen ook vervelende ervaringen in het beroepingswerk mee. Zeker sollicitatieprocedures zijn inmiddels berucht. Met de invoering van het nieuwe traktementenstelsel bij de vorming van de Protestantse Kerk is een belangrijke financiële impuls verdwenen: de stap naar een grotere gemeente leverde een hoger traktement op.
Maar ook als een predikant in principe weg wil, kan hij of zij dat lang niet altijd. De vitale dertiger met ervaring is favoriet. Het grootste deel van de dienstdoende gemeentepredikanten is echter boven de vijftig. Bovendien, zo heb ik de indruk, is er op dit moment eerder een overschot dan een tekort.

Meer beperkingen
De brochure is niet volledig. Zo zie ik steeds meer predikantsvacatures voor bepaalde tijd. De gemeente heeft kennelijk niet het vermogen en vertrouwen om voor onbepaalde tijd te beroepen. Het geloof moet van de predikant komen. Iets dergelijks geldt voor predikanten in algemene dienst, zoals interimmers en studentenpredikanten. Zij krijgen in eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zouden ze naar een andere gemeente gaan dan hebben ze arbeidsrechtelijk veel meer zekerheid. Met name voor wat oudere predikanten is dat geen stimulans. Krijgen ze om wat voor reden geen vast contract, dan behoren ze tot de groep die slecht in de ‘markt’ ligt. Daar komt in het algemeen nog iets bij. Een predikant kan binnen de kerk qua modaliteit slechts in een select aantal gemeentes beroepen worden. Buiten de kerk zijn de beroepsperspectieven beperkt. Hij zit daarmee per definitie behoorlijk ‘vast’.
Het positieve van de gespreksnotitie vind ik de poging het begrip roeping onder de aandacht te brengen en te verdiepen. Het is door allerlei ontwikkelingen die ook in het beroepingswerk doorwerken sleets geworden. Ik vind het echter jammer dat niet steviger stelling genomen wordt. Tenminste had een aantal alternatieven en mogelijke oplossingen gegeven kunnen worden. De genoemde factoren staan namelijk niet los van de innerlijke overwegingen. Als God je roept ben je per definitie niet vrij. Je wordt opgeroepen het bestaande te verlaten, op God te vertrouwen, op Zijn leiding. Maar het bestaande is belast met deze factoren en wordt daardoor in een aantal gevallen onmogelijk zwaar. Moet je je relatie op het spel zetten, omdat de kans groot is dat je partner geen werk vindt? Moet je grote financiële risico’s lopen omdat je een eigen huis hebt gekocht, aangezien je huidige gemeente geen pastorie beschikbaar had? Het kan natuurlijk zijn dat de speelruimte om betere voorwaarden voor mobiliteit te scheppen beperkt is. Dan moeten we dat onder ogen zien en kijken hoe we aan roeping een nieuwe invulling kunnen geven.


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 61 (2013), nr. 44 (1 november)



http://www.kwdejong.nl

© 2013, KWdJ