EEN GEREFORMEERDE STUDIE OP HET HERVORMDE ERF

Omslag: Een sikkel in een vreemde oogst? ‘Moeten we dat nog apart in de gemeente aan de orde stellen?’ Die vraag werd gesteld in de federatieraad van mijn gemeente, toen een brief aan de orde kwam over het aanstaande verenigingsbesluit. Bij velen bestaat een grote vermoeidheid om nog te spreken over het Samen op Weg proces. In gefedereerde gemeenten is het een gepasseerd station. In andere plaatsen is samenwerking domweg niet aan de orde en zal vrijwel alles na de vereniging zo blijven als het was. Slechts een relatief kleine groep verzet zich hevig. Er is daarom alle reden het proefschrift van J.J.H. Post, ‘Een sikkel in een vreemde oogst?’, maar onbesproken te laten. Deze dissertatie vertoont sterke trekken van een achterhoedegevecht, hoewel het belang van dat gevecht voor de Hervormde achterhoede zelf niet ontkend kan worden. Zij wil niet meegaan met de aanstaande vereniging. Als aangetoond kan worden dat deze Hervormde Gemeenten in zichzelf bestaansrecht hebben en zich door een eigen besluit los kunnen maken van de landelijke Kerk, kunnen zij hun bezittingen meenemen. Het is echter de vraag, of Posts studie zelfs voor de te verwachten juridische procedures waarde zal hebben. Zo bestrijdt J. de Graaf, voormalig secretaris van de Gereformeerde Bond, dat de Nederlandse Hervormde Kerk in 1951 heeft gekozen voor een zuiver presbyteriale, van onderop opgebouwde kerkorde in plaats van een synodaal-presbyteriale.

Wie Posts studie doorneemt kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de geschiedenis zich herhaalt. Maar of er iets van de geschiedenis geleerd wordt? De Afgescheidenen pretendeerden in 1834 de rechtmatige voortzetting te zijn van de Gereformeerde Kerk, die in 1816 Nederlandse Hervormde Kerk was gaan heten en door de koning een nieuw reglement kreeg opgedrongen. Post beschrijft dit als: ‘enkele van de NHK onafhankelijke kerkelijke gemeenten [zetten] hun bestaan buiten de NHK voort.’ En hij concludeert: ‘Omdat zij zich zelf afscheidden van de NHK en gingen leven onder een ander kerkorde, verloren zij alle aanspraken op kerkelijk bezit.’ (p. 77) Post lijkt geen sympathie te hebben voor het verzet van de afgescheidenen. Hij conformeert zich aan de uitspraak van de Hoge Raad uit 1846, waarin de rechtmatigheid van het Algemeen Reglement uit 1816 werd bevestigd. Op het eerste gezicht bevreemdt dat. De pretentie van de bezwaarde Hervormde Gemeenten – daarin gesteund door Post – lijkt op die van de afgescheidenen: de voortzetting van de Kerk in een bepaalde historische gestalte. De Afscheiding was bovendien bepaald niet vrijwillig. De afgescheidenen voelden zich door kerkrechtelijke en andere juridische procedures gedwongen een eigen weg te gaan. Het lot van de bezwaarden zou wel eens vergelijkbaar kunnen zijn. Tegelijk laat deze benadering van de Afscheiding echter zien, hoe strikt juridisch Post denkt, in ieder geval in historisch opzicht. Betekent dit dat Post zich te zijner tijd ook zal neerleggen bij de uitspraak van de hoogste juridische instantie? Ik zal het hem niet kwalijk nemen, als hij dat niet zou doen. Het gaat in de kerk uiteindelijk immers niet om de juridische verankering, maar om een fundering op basis van de Schrift, op basis van overtuiging.

Post is in zijn beschrijving van de Doleantie (1886) mijns inziens reëler, mogelijk omdat de dolerenden veel strakker juridisch redeneerden dan de afgescheidenen ruim een halve eeuw eerder. Post beschouwt de Doleantie als een vernieuwing van binnenuit, die onbedoeld (!) leidde tot afscheiding. Toch lijkt ook hier het juridische de overhand te krijgen over het historisch evenwichtige: ‘Omdat de rechter hun claim op de kerkelijke goederen niet wilde honoreren, waren de dolerenden wel gedwongen hun eigen weg te gaan.’ (p. 97) Hier wordt de eigenlijk intentie van Abr. Kuyper en de zijnen miskend. Het ging immers bij Kuypers visie op de reformatie van de kerk om de juiste verhouding tussen de plaatselijke gemeente en het landelijk kerkverband. Die vraag wordt nu opnieuw met nadruk gesteld door de bezwaarde Hervormde Gemeenten. Het verschil is alleen, dat zij van mening zijn dat de huidige kerkorde hen plaatselijk de ruimte laat, terwijl de dolerenden juist een andere kerkorde voorstonden en zich verzetten tegen de bestaande kerkelijke organisatie. Het is jammer dat het gesprek over de verhouding tussen de plaatselijke en de landelijke kerk zo onder druk is gezet door het verenigingsproces. Waarom hebben de bezwaarden die discussie niet veel eerder principieel gevoerd, los van processen over de beheersstructuur? Dat had de Nederlandse Hervormde Kerk als ‘plantinge Gods’ hun toch wel waard mogen zijn.

Post mag sterk bekritiseerd zijn om zijn interpretatie van de Hervormde Kerkorde van 1951, toch heeft hij hier wel een punt. Ik heb de in druk uitgegeven notulen van de voorbereidende commissie er nog eens op nageslagen en moet vaststellen dat in ieder geval daar een sterk accent op de plaatselijke gemeente te vinden is. Als de commissie in december 1945 begint, lees ik bij de voorliggende concept-kerkorde opmerkingen als: ‘Hier wordt principieel gesteld, dat de kerk van onderop is opgebouwd, presbyteriaal.’ En: ‘De kerk begint bij de gemeenten. Er zijn echter dingen, die van bovenaf moéten geschieden.’ Maar ook, genuanceerder: ‘Beide kanten: de plaatselijke en de algemene gebondenheid moeten tot hun recht komen.’ Dit zijn slechts enkele van vele mogelijke citaten. Het is daarom te simpel als De Graaf stelt, dat met het woord presbyteriaal hier bedoeld wordt: in onderscheid met het centralistische Algemeen Reglement van 1816. De Graaf roept verder op om goed te onderscheiden tussen juridische en theologische argumenten. De commissie lijkt dat zelf echter niet gedaan te hebben. Wat te denken van de volgende zin: ‘Men dient de compleetheid van de plaatselijke gemeente te aanvaarden, zonder daarmee in plaatselijke autonomie te vervallen.’ (bij Post: p. 112). Ik ben geneigd Post te volgen, waar het de intentie van de kerkorde van 1951 aangaat: van onderop. Ook vooraanstaande Gereformeerden lijken in het verleden die observatie te hebben gedaan. In 1961 stelt W.F. de Gaay Fortman in een van de publicaties rond de oproep van de 18 predikanten om de barričres tussen Hervormden en Gereformeerden te slechten, dat met de nieuwe Hervormde Kerkorde het aloude bezwaar tegen de hiërarchische en administratie van de Hervormde Kerk niet meer gehandhaafd kan worden. De praktijk van de Hervormde Kerkorde is echter in menig opzicht meer top-bottom dan de intentie en dit soort observaties doet vermoeden. Denk bijvoorbeeld aan de beperkingen die het gevolg kunnen zijn van het toezicht op de financiën. Over het geheel genomen moet ik vaststellen, dat in hun kerkstructuur Gereformeerden en Hervormden veel dichter bij elkaar staan dan wel eens gezegd wordt, en dan ik ook zelf wel eens gedacht heb. De kerkorde van de toekomstige Protestantse Kerk in Nederland sluit goed bij aan bij die gezamenlijke basis.

Gereformeerden spreken wel eens badinerend over hun eigen verleden. Toch is de Nederlandse Hervormde Kerk in haar huidige vorm ondenkbaar zonder de talloze invloeden van het Gereformeerde erf. Zo heeft Abr. Kuyper aan de basis gestaan van de liturgische beweging in de Hervormde Kerk en er een belangrijke impuls aan gegeven. Post laat zien, dat de Gereformeerde beweging van de 19e eeuw ook kerkrechtelijk bij Hervormden voet aan de grond heeft gekregen. Zijn studie is daar een prachtig voorbeeld van. Het zou echter jammer zijn als zijn inzichten de drempel voor scheuring en scheiding zou verlagen. Het is blijkbaar moeilijk van de geschiedenis te leren.

Dr. J.J.H. Post, ‘Een sikkel in een vreemde oogst?De juridische verhouding tussen hervormde gemeenten en de Nederlandse Hervormde Kerk in het bijzonder bij kerkfusie’ (Uitgeverij Groen Heerenveen), ISBN 90-5829-429-3, € 24,50.

Klaas-Willem de Jong is predikant van de Hervormde/Gereformeerde Federatie Oudshoorn-Ridderveld.

Dit artikel is enigszins gewijzigd geplaatst in Centraal Weekblad 51 (2003), nr. 43 (24 oktober)

© 2003, KWdJ