EEN SPEELSE INTRODUCTIE IN DE LITURGIE

De verschijning van het boekje Drie maal drie is negen heeft een belangrijke impuls gegeven aan de liturgievernieuwing in de praktijk van de SoW-kerken. Het verscheen in 1976 en beleefde maar liefst vier herdrukken. De auteur, J.P. Boendermaker, nu emeritus hoogleraar liturgiewetenschap aan de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam, laat een grondige bewerking het daglicht zien onder de titel De eerste dag vieren. De eerste ondertitel is dezelfde als bij Drie maal drie: Liturgie voor gemeenteleden. De tweede geeft aan waarom niet met een herdruk kon worden volstaan: Werken met 'Dienstboek, een proeve'. Lutheranen en hervormden kenden in 1976 ook wel een eigen 'Dienstboek' - gereformeerden deden het toen nog met een 'Kerkboek' - maar die zijn niet te vergelijken met de anderhalf jaar geleden verschenen proeve. In de hoofdtitel De eerste dag vieren zit overigens nog een verwijzing naar de veranderde omstandigheden. Hij verwijst naar De eerste dag, de handreiking bij het oecumenisch leesrooster dat sinds de start advent 1977 in een gestaag groeiend aantal gemeenten gevolgd wordt.

Op vaardige wijze leidt Boendermaker de lezer in in de wereld van de liturgie. Hij gaat in op de bijbelse wortels van de liturgie, op de liturgische tijd, de orden van dienst, de opkomst en ontwikkeling van de liturgische beweging, en de (zondagse) praktijk. Hij legt daarbij voortdurend de relatie met het nieuwe Dienstboek, een proeve. Een belangrijk deel van de historische informatie kan ook in de rubriek 'Toelichting' van het Dienstboek gevonden worden, maar Boendermaker schrijft toegankelijker en speelser. Dit gaat soms ten koste van de accuratesse. Boendermaker hanteert bijvoorbeeld nog steeds de term 'drempelgebed' (blz. 43-44), terwijl het Dienstboek systematisch spreekt over 'gebed van toenadering'. Persoonlijk zou ik het ook liever op 'drempelgebed' houden, maar de argeloze lezer kan het verband tussen beide termen niet leggen. Verwarrend is het ook, als Boendermaker terughoudendheid bepleit in de opname van de 'tien woorden' in de zondagse eredienst. In een noot verwijst hij dan naar de synode van Middelburg in 1581, die de liturgische rubriek genadeverkondiging afwees. In het nieuwe Dienstboek komt de genadeverkondiging echter in het geheel niet meer voor. Bovendien doelde deze synode van Middelburg vermoedelijk op een heel andere praktijk, waarin wet en genadeverkondiging niet aan het begin van de dienst, maar na de preek een plek kregen. Het boekje had verder aan kracht gewonnen door onderlinge verwijzingen. Drie hoofdstukjes gaan in op het kerkelijk jaar. Twee (3 en 4) volgen op elkaar. Een (namelijk 9) staat geheel los. Toch zijn bij de laatste de eerste twee voorondersteld. Een zinnetje als 'Zoals al eerder verteld' (blz. 111) laat dat merken. Maar waar is dat 'eerder' dan? In dit verband vind ik het ook jammer dat de lezer niet wat meer wegwijs wordt gemaakt in het hoofdstuk 'Toelichting' van het Dienstboek zelf (bijvoorbeeld in 'Enkele toegiften', blz. 133-137). Omdat een duidelijke inhoudsopgave bij dit hoofdstuk in het Dienstboek ontbreekt, is het een heel gezoek om het gewenste stukje tekst te vinden.

Het zal duidelijk zijn, dat de aanpak van De eerste dag vieren wat mij betreft op sommige punten wel wat grondiger had gemogen. Dit neemt niet weg dat dit boekje een prima gids is voor hen die zich voor het eerst in de wereld van de liturgie willen gaan verdiepen. Meer dan eens zal het herkenning oproepen: o, zit dat zo! Het smaakt naar meer. Boendermaker heeft daarmee gerekend door een uitvoerige bibliografie achterin. Al met al een goede, verantwoorde introductie.

J.P. Boendermaker, De eerste dag vieren. Liturgie voor gemeenteleden. Werken met 'Dienstboek, een proeve' (Zoetermeer (Boekencentrum) 1999), ISBN 90-239-0581-4, 146 blz. fl. 25,--.

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 48 (2000), nr. 15 (14 april).