SYMPATHIEK PROFIEL VAN EEN PROTESTANTSE BISSCHOP

Omslag: Episcopus Oecumenicus. Bouwstenen voor een theologie van hete bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk. Enkele weken geleden kopte Centraal Weekblad: ‘Gereformeerden volgen pleidooi in Lima-rapport niet op’. Bedoeld werd het pleidooi om het bisschopsambt in te voeren. Theologisch blijkt het laatste woord nog niet gezegd. Op 26 november 2003 promoveerde ds. J. Kronenburg op het Episcopus Oecumenicus. Bouwstenen voor een theologie van het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk. Dat is binnen de SoW-kerken over dit onderwerp het derde proefschrift in drie jaar.

Ik vermoed dat menigeen de wenkbrauwen fronst bij de gedachte aan een bisschop in de SoW-kerken. We zijn op tal van kerkelijke terreinen gewend geraakt aan de nodige vernieuwingen. Het kerkelijk leven is er binnen enkele decennia heel anders uit komen te zien. Door de ontwikkelingen in de Rooms-Katholieke Kerk zal het bisschopsambt echter veeleer geassocieerd worden met ongewenste hiërarchie, restauratie en conservatisme. Kronenburg begint zijn studie met het zoeken naar episcopale (= bisschoppelijke) elementen in de protestantse traditie. Gelet op het voorgaande is dat niet alleen van belang voor een evenwichtige wetenschappelijke opbouw van zijn betoog, maar ook voor de lezer die op voorhand sceptisch tegenover het verschijnsel bisschop staat. Het episcopale is ons niet zo vreemd als op het eerste gezicht lijkt.

Reformatie
Op basis van het door hem onderzochte materiaal concludeert Kronenburg dat de reformatoren geen principiële bezwaren hadden tegen het bisschopsambt. Wel hadden zij grote moeite met het hiërarchische en sacramentele karakter ervan. Toch zijn er wel episcopale elementen bewaard gebleven, bijvoorbeeld in het ambt van predikant. Alleen de predikant wordt geordineerd met handoplegging, alleen hij bedient de sacramenten, alleen hij mag ordineren, hij is de eerstverantwoordelijke voor de visitatie. Dit neemt niet weg, dat ook het congregationalisme zijn sporen in ons kerkelijk leven heeft achter gelaten. In deze benadering ligt een sterk accent op de plaatselijke gemeente en zijn de episcopale aspecten verder afgezwakt. Vooral de Gereformeerde Kerken zijn door deze stroming beďnvloed, maar zij niet alleen. Ook de Hervormde emeritus-hoogleraar G.D.J. Dingemans is een woordvoerder van een congregationalistisch kerkmodel. Het is opmerkelijk dat ondanks Kronenburgs keuze voor een bisschop, hij ook nadrukkelijk recht wil doen aan deze stroming in onze kerken. Hij is uit op een bisschop ‘op maat’.

Bijbelse gegevens
Met vele exegeten stelt Kronenburg dat de Bijbel niet direct een blauwdruk biedt voor welk kerkmodel dan ook. Op basis van enkele plaatsen waar in het Nieuwe Testament het Griekse episkopč gebruikt wordt, komt hij tot de conclusie dat de kern van het bisschopsambt wel eens gelegen zou kunnen zijn in het ontfermend omzien naar mensen. Hij zet zich daarom af tegen het idee van de middeleeuwse kerkvorst, de kerkleider met veel (kerk)politieke macht. Kronenburg richt zijn blik op de pre-constantijnse kerk (3e-4e eeuw). Die lijkt in veel opzichten op de kerk in het huidige post-christelijke tijdsgewricht. Kronenburg wijst op drie kenmerken die juist ook voor vandaag nog kunnen gelden: de bisschop als teken van eenheid, als hoeder van de geloofstraditie en als verbindingsschakel met de wereldkerk.
Kronenburg onderscheidt vier argumenten die gebruikt kunnen worden om de invoering van het bisschopsambt in de SoW-kerken te verantwoorden. Pastoraal gezien is leiderschap met een menselijk gezicht gewenst. Een bisschop zou een gemeenschapsstichtende rol kunnen vervullen in de opbouw van de kerk: tussen pluriformiteit en eenheid, tussen plaatselijk, regionaal en landelijk niveau, tussen ambtelijk gezag en organisatorisch management. Verder wijzen gesprekken tussen de grote kerkelijke tradities steeds meer in de richting van een bisschopsambt. Tot slot kan een bisschop in de huidige cultuur het gezicht van de kerk vormen. Het zal de lezer niet zwaar vallen deze motieven te verstaan tegen de achtergrond van recente ontwikkelingen. Om even stil te staan bij het laatste: de huidige televisiecultuur vraagt om een concreet gezicht. De Rooms-Katholieke Kerk komt met haar bisschoppen veel duidelijker in beeld dan de protestantse kerken. Hun maatschappelijke rol dreigt daarmee gemarginaliseerd te worden.

Discutabele methode
Wie zo ver gekomen is met lezen, is vast nieuwsgierig geworden hoe het profiel van de door Kronenburg gewenste bisschop er dan uit ziet. Kronenburg volgt hiervoor een oude regel, die van ‘lex orandi, lex credendi’: zoals wij bidden, zo geloven wij. Hij analyseert een aantal ordinatieliturgieën, liturgieën waarmee bisschoppen in hun ambt worden bevestigd. Centraal staat hierbij de ordinatieliturgie van de Church of South India. Deze kerk verenigt congregationalistische, presbyteriale en episcopale tradities in zich. Kronenburg kent aan zijn benadering op basis van ‘lex orandi, lex credendi’ een meerwaarde toe. Zij biedt zijns inziens meer dan een analyse van dogmatische en kerkrechtelijke documenten, omdat de liturgie er was vóór de bezinning. In de vroeg-christelijke kerk zal dit zeker het geval zijn geweest. Zo vermoeden we dat bepaalde teksten in Paulus’ brieven een liturgische herkomst hebben. De vraag is echter, of de methode ook voor later tijden nog zo argeloos gebruikt kan worden. Liturgieën als die van de Church of South India zijn het resultaat van veel nadenken, discussies, kerkpolitieke compromissen, enzovoort. Ze vormen dáár de weerslag van, zij het in een geheel eigen taalveld, namelijk dat van de liturgie. Dat brengt naast ongedachte mogelijkheden ongetwijfeld ook beperkingen met zich mee. Het is daarom jammer dat Kronenburg de consequenties van zijn methode niet verantwoordt. Dat raakt een probleem dat zich op meer plaatsen in deze studie voordoet: de auteur biedt veel informatie, maar laat na die informatie kritisch te bevragen.

Profiel
Mijn kritische kanttekeningen in het voorgaande neemt niet weg, dat Kronenburg tot een sympathiek bisschopsprofiel komt. De bisschop wordt gekozen door de gemeenten, werkt met ouderlingen en diakenen en is gebonden aan het gezag van de synode. In navolging van Christus ziet hij om naar mensen. Uitgewerkt betekent dat dat hij zich opstelt als pastor, als missionair voorganger, als leraar en behoeder van de geloofstraditie, als teken van eenheid en voorganger in de liturgie, als schakel tussen de lokale en de universele kerk, als stem van het geweten en als ordinator. Hij is aanspreekbaar op zijn integriteit, spiritualiteit en dienstbaarheid.

Doorwerking
Een routebeschrijving om het bisschopsambt in de toekomstige Protestantse Kerk in Nederland te integreren en een mogelijke ordinatieliturgie sluiten de indrukwekkende studie van Kronenburg af. Ik hoop dat er in de Protestantse Kerk in ieder geval ruimte zal zijn voor een wat uitvoeriger bezinning op het bisschopsambt. De fusiebesprekingen van de afgelopen jaren verhinderden een serieus gesprek over dit onderwerp. Het was ook zonder een heikel punt als dit al moeilijk genoeg zoveel mogelijk partijen binnen boord te houden. Niet alle aspecten die Kronenburg noemt spreken me daarbij evenzeer aan. Persoonlijk zou ik veel nadruk leggen op het pastorale karakter van het ambt, met name ten opzichte van de pastores (predikanten en pastoraal werkers). Ook acht ik het in onze huidige cultuur zinvol dat de kerk naar buiten toe een herkenbaar gezicht heeft. Tegelijk ook zijn er aarzelingen. In de voormalige Oostbloklanden waren tijdens de koude oorlog met name de bisschoppen van nationale kerken zeer gevoelig voor beďnvloeding door de staat. Een strikt presbyteriaal-synodale kerkstructuur is daar minder vatbaar voor. Verder kan men zich afvragen, of de zittingstermijn voor een bisschop niet getermineerd zou moeten worden. Dat zou ongewenste machtsconcentraties kunnen voorkomen.

J. Kronenburg, Episcopus oecumenicus. Bouwstenen voor een theologie van het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk (IIMO Research Publications 62) (Zoetermeer 2003; ISBN 90-211-7030-2; Euro 49,90).

Klaas-Willem de Jong.

Dit artikel is in licht bewerkte vorm geplaatst in Centraal Weekblad 51 (2003), nr. 48 (28 november)

© 2003, KWdJ