Kerkdiensten duren steeds langer

EREDIENST DREIGT SAAI TE WORDEN

Eredienst dreigt saai te worden. Kerkdiensten lijken steeds meer uit te dijen. Er is een project voor de kinderen, de diaconie wil het collectedoel toelichten, een andere groep vraagt aandacht voor een infotafel bij de uitgang, enzovoort. Hoe kan worden voorkomen dat de eredienst verwordt tot een mededelingenuur?
Tot voor enkele decennia kende de zondagse eredienst weinig variatie. De predikant was aan het woord. Hij bepaalde wat er gezongen, gelezen, gepreekt en gebeden werd. Dat is in tal van gemeenten inmiddels niet meer het geval. De predikant is geen hoofdrolspeler meer. Wel speelt hij (of inmiddels ook zij) nog een belangrijke rol, maar hij wordt daarin tevens op zijn regisseurskwaliteiten aangesproken. Het is zijn taak geworden om de verschillende spelers in het spel van de liturgie een plaats te geven, zo dat ze zowel zelf uit de verf komen als een bijdrage leveren aan het geheel.
Voor deze ontwikkelingen zijn verschillende redenen aan te geven. Zo is het gemeenteleven in sterke mate gedemocratiseerd. Gemeenteleden worden bij tal van activiteiten actief ingeschakeld. Persoonlijk initiatief wordt gestimuleerd. Veel groepen hebben er belang bij dat hun werkgebied onder de aandacht komt. Ze werken immers namens de hele gemeente en ze willen zoveel mogelijk gemeenteleden bij hun thematiek betrekken. Nog niet zo lang geleden zou een gemeenteavond een goed medium zijn geweest om zo’n thematiek voor het voetlicht te halen. De belangstelling daarvoor is echter sterk verminderd. Betrokkenheid bij álles wat er in de gemeente gaande is, spreekt niet meer vanzelf. De kerkdienst daarentegen is verhoudingsgewijs een uitstekend bezochte gelegenheid. Een andere factor heeft te maken met de visie op de eredienst. Vanouds is het ideaal van de liturgische beweging, dat de gemeente participeert. Dat heeft onder meer vorm gekregen in meer interactie tussen voorganger en gemeente, bijvoorbeeld door responsies. Het gebruik van een leesrooster maakte het mogelijk dat de gemeente tevoren wist waar het over zou gaan. Een derde factor heeft te maken met de eredienst zelf. In het verleden werd er nog wel eens in een middag- of avonddienst gedoopt, of een ambtsdrager bevestigd. Met het verdwijnen van de tweede dienst is die mogelijkheid voorbij. Alles moet in de ene zondagse morgendienst gebeuren.

Actieve gemeente
Op zich is het natuurlijk een prachtige ontwikkeling, al die gemeentelijke activiteit die in de gezamenlijke eredienst een plek krijgt. De kerkdiensten hebben echter wel de neiging uit te dijen. In een gemeente van enige omvang heeft men voor een gewone dienst al gauw zo’n vijf kwartier nodig. Nu zullen er altijd mensen blijven die kritisch naar hun horloge kijken en graag op tijd thuis aan de koffie zitten. Toch is een dienst van vijf kwartier of meer mijns inziens op zich geen probleem. Het is alleen wel nodig dat er sprake is van afwisseling, van een zekere vaart. Daar wil het echter in een ‘volle’ dienst nog wel eens aan ontbreken. Stel dat in een doopdienst ook een synodale kanselboodschap moet worden voorgelezen en de diaconie aandacht wil voor het drugsverslaafdenproject in de grote stad. Dat zijn afgezien van de sacramentsbediening een heleboel woorden bij elkaar. De teksten zijn nogal eens saai, weinig inspirerend. De voordracht van de goedwillende ambtsdrager maakt het er soms niet beter op. Hoe kan het anders?

Op veel plaatsen wordt inmiddels gebruik gemaakt van een zondagsbrief. Daar kan de gemeente veel informatie in kwijt. In het verleden diende een kanselboodschap van de kansel voorgelezen te worden. Voor drukken ontbrak het aan tijd. Het was bovendien relatief duur. Verder zouden minder geletterden zo’n gedrukte tekst snel als te moeilijk terzijde leggen. Nu kan een kanselboodschap heel goed in een zondagsbrief worden meegenomen. Nadeel van een zondagsbrief is wel, dat de lezer na een vluchtig doorlezen de informatie makkelijk kan laten voor wat het is.

Geen woorden
In sommige gevallen kan informatie geheel achterwege blijven. In de protestantse traditie hebben we sterk de neiging om alles uit te leggen. Zo gebeurt het meer dan eens dat een liturgisch bloemstuk verklaard wordt: de rode bloemen verwijzen naar dit, let op de takken die …, enzovoort. Nu is het liturgisch bloemstuk doorgaans nauw verbonden met de thematiek van de dienst. Kan het bloemstuk niet voor zichzelf spreken? Het staat er. Het neemt zijn plaats in in de ruimte en in de gang van de dienst. Enige extra aandacht hoeft niet verkeerd te zijn, maar het kan ook zonder toelichtende woorden. Bijvoorbeeld door even stil te worden, al dan niet aan de hand van een richtvraag. Ook is het denkbaar om de concentratie op het bloemstuk te laten vergezellen door muziek. Hetzelfde geldt, als er bij de dienst passende kunst wordt gebruikt. Laat het zijn eigen rol spelen in het geheel.

Verder is het van belang de eigen dimensie van de eredienst voor ogen te houden: de ontmoeting met God. Mededelingen zijn er als zodanig slechts in beperkte mate op hun plek. De thematiek van de kanselboodschap kan liturgisch prima een plek krijgen in de voorbeden. Het mag dan natuurlijk geen verkapte mededeling worden, alsof door de nood bij God te brengen tegelijk ook de gemeente wordt ingelicht.

Spel
Een vierde mogelijkheid om gemeentelijke activiteiten aan bod te laten komen, is die van het spel. Dat klinkt op het eerste gehoor misschien vreemd. Liturgie is toch geen spelletje? Ooit omschreef de Leidse hoogleraar G.J. Hoenderdaal in de titel van een boek liturgie als ‘Riskant spel’. Als ik hem goed begrepen heb, dan zit het riskante in de combinatie van enerzijds het lichte en luchtige en anderzijds het serieuze en ernstige. Beide aspecten komen in het spel aan de orde. Een kind leert bijvoorbeeld wat het is om te verliezen. Maar gelukkig, het is maar een spelletje. Dat geeft ruimte, het verlicht. In de zondagse eredienst belijden we onze schuld. Maar zijn we in het gewone leven in staat voluit de consequenties dragen van onze woorden van schuldbelijdenis en Gods woorden van genade? We zouden er aan ten onder gaan. Het zijn liturgische formules die wezenlijke aspecten van ons leven benoemen, maar te zwaar zijn om elk moment van de dag voluit tot gelding te laten komen.
Het diaconale project kan uitstekend in een spelvorm worden gepresenteerd. Zo zag ik enkele jaren geleden, hoe enkele kinderen in de rol van verslaggever en een kind ter plekke met een eenvoudig dialoogje duidelijk maakten waar het in het onderhavige project om te doen was. Bij de monoloog van de diaken een week eerder kon er geen lachje af. Dat was nu, met de kinderen, wel anders. Toch kwam ondanks de luchtigheid van de sketch de ernst van de situatie in het derdewereldland veel scherper naar voren.

Tot slot wil ik nog wijzen op de mogelijkheid van het ervaringsverhaal. Dorre, droge feiten spreken doorgaans niet tot de verbeelding. Dat is doorgaans wel het geval als iemand ervaringen deelt: ik ben daar en daar geweest, ik maakte dat mee, ik heb me heel erg verbaasd, tegelijk maakte het wel veel indruk op me want …, enzovoort. Op deze manier kan ook de spirituele dimensie van de gebeurtenis een plaats krijgen.

Verkondigen en vieren
Er zijn ongetwijfeld meer mogelijkheden om de veelkleurigheid van de kerkelijke activiteiten een passende plek te geven in de zondagse kerkdienst. Het zal duidelijk zijn dat ik er beslist niet voor pleit ze buiten de kerkdeur te houden. Een eredienst heeft alleen een eigen karakter en daarmee ook eigen regels. Gods heil voor deze wereld wordt verkondigd en gevierd. Dat kleurt de zondagse eredienst. Voor het doorgeven van informatie zijn andere media geschikter.

Klaas-Willem de Jong.

In bewerkte vorm gepubliceerd in: Centraal Weekblad 52 (2004), nr. 28/29 (9 juli)

© 2004, KWdJ