LITURGISCHE BEWEGING IN DE GEREFORMEERDE BOND

Onlangs verscheen Klassieke liturgische formulieren, met als ondertitel Voorlopige uitgave. De titel geeft al aan dat het primair een interne uitgave is. Met klassieke wordt namelijk klassiek-gereformeerde bedoeld. Uit de ondertitel valt af te leiden dat het niet zonder meer om een heruitgave van dit liturgische erfgoed gaat. Het betreft een hertaling. Volgens de inleiding betekent dit: 'het taalgebruik eigentijds maken, maar het klassiek-gereformeerde onaangetast laten, zowel wat intentie, inhoud, structuur als bijbelse argumentatie betreft.' Vervolgens geeft de uitgever, het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, toe dat hertalen nog niet zo eenvoudig is. In de loop der eeuwen is de betekenis van woorden veranderd. Verdoemen mag dan tegenwoordig een negatieve klank hebben en een sfeer van hel en verdoemenis oproepen, in de 16e eeuw kon het ook simpelweg veroordelen betekenen. Met hertalen was de Bond er dan ook nog niet. In een enkel geval is het hoofdbestuur verder gegaan. Bij het zelfonderzoek met het oog op de deelname aan het avondmaal was in het oude formulier een zogenaamde zondencatalogus opgenomen. Die bleek zo tijdsbepaald te zijn, dat een grondiger bewerking noodzakelijk was. Iets dergelijks gold voor de formulieren voor de bevestiging van ambtsdragers. Verder is in een bijlage een kort formulier voor het afnemen van belijdenis des geloofs opgenomen. De 16e en 17e eeuwse formulieren bevatten voor deze liturgische handeling slechts enkele summiere aanwijzingen, geen concrete vragen. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken, dat het enigszins willekeurig is, wat nu wel en wat nu niet tot grotere wijzigingen heeft geleid. Sterk bepalend lijkt te zijn geweest, of in eigen kring een zekere mate van overeenstemming bestond. Van de genoemde zondencatalogus waren al langer herzieningen in omloop. Het gepresenteerde formulier voor belijdenis des geloofs werd al geregeld in Bondsgemeenten gelezen. Maar in het doopformulier bleef de zin staan over besnijdenis en doop: 'Dewijl dan nu de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is'. De gewijzigde verhoudingen tussen joden en christenen geven aanleiding om dat anders te formuleren. Vanwege de grote theologische implicaties deed het hoofdbestuur van de Bond dat echter niet. Toch: het geheel van het 'Woord vooraf' doet sympathiek aan. Enerzijds wordt zorg uitgesproken voor het behoud van het klassiek-gereformeerde liturgisch erfgoed. Anderzijds wordt niet verheeld welke problemen dit met zich meebrengt. Impliciet wordt de mogelijkheid van verdere liturgische ontwikkeling open gehouden.

Mijn positieve benadering neemt niet weg, dat enkele opmerkingen op zijn plaats zijn. In de eerste plaats vraag ik me af, welke editie van de formulieren als uitgangspunt gekozen zijn. Ik vermoed dat voor het overgrote deel het Hervormde Dienstboek in ontwerp uit 1955 als basis is genomen. In het hertaalde avondmaalsformulier zijn namelijk ook de daar gebruikte tussenkopjes opgenomen, bijvoorbeeld 'inzetting', 'zelfonderzoek' en 'verkondiging van Gods genade en terugwijzing van onboetvaardigen'. Deze niet altijd even gelukkig gekozen kopjes zijn verre van oorspronkelijk! Ze gaan terug op een uitgave van de Liturgische Kring (!) uit 1941. Interessanter wordt het bij het zogenaamde Londens aanhangsel in de uitdelingswoorden voor het avondmaal ('Neemt, eet, gedenkt en gelooft tot een volkomen verzoening van al onze zonden'). Die zijn in tal van historische uitgaven weggelaten. In het Dienstboek uit 1955 zijn ze cursief, dat wil zeggen facultatief, gedrukt. Het nu zonder enig voorbehoud opnemen geeft aan deze woorden in het kader van de actuele discussie over de verzoening een bijzondere betekenis. Op zich is dat niet vreemd. Avondmaal vieren is ook een vorm van getuigenis afleggen. Belangwekkend is ook de hertaling van de tweede vraag in het doopformulier. Ouders wordt in het oude formulier gevraagd ten overstaan van de gemeente te bevestigen dat 'de leer in de christelijke kerk alhier geleerd' de ware is. Door de eeuwen heen heeft deze vraag veel onenigheid opgeleverd. Wat wordt nu precies bedoeld met die leer? En wordt die leer wel onverkort in de gemeente waar gedoopt wordt, verkondigd? Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat het in de oudste, 16e eeuwse versies van deze vraag te doen was om de doopleer. Het '(al)hier' sloeg aanvankelijk op het zojuist voorgelezen formulier, maar het is van plaats verschoven en daarmee van betekenis veranderd. Met 'de leer in de christelijke kerk alhier geleerd' wordt dan bedoeld: de leer die in de gereformeerde (hervormde) kerk hier ter plaatse voorgestaan wordt. De hertalers hebben ervan gemaakt: 'de leer hier in de christelijke kerk onderwezen'. Dat is meer dan hertalen. Hier in de christelijke kerk betekent: in deze gemeente, in dit kerkgebouw. Elders kunnen zich immers gemeenten van hetzelfde kerkgenootschap bevinden waar het anders toegaat. Met deze hertaling krijgt het eigen gelijk wat betreft de leer wel een bijzonder sterk accent. Zo zouden nog meer interessante keuzes te vermelden zijn, zoals het gebruik van 'Heere' in plaats van 'Here'. Dat zou voor dit signalerende artikel echter te ver voeren.

Het ligt in de bedoeling dat te zijner tijd de definitieve versie van de hertaling in overleg met de redactie Dienstboek aan de gemeenten zal worden aangeboden. Het is een goede zaak dat dit synodale orgaan en de Bond elkaar op dit punt gevonden hebben. Hopelijk zal op meer punten samengewerkt gaan worden.

Klassieke liturgische formulieren. Een hertaling. Voorlopige uitgave vanwege de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. De uitgave is te bestellen door het storten van fl. 7,50 op giro 93301 van Drukkerij Groot Hellevoet te Hellevoetsluis (vermelding: 'Hertaling').

Klaas-Willem de Jong.

Dit artikel verscheen in Centraal Weekblad 49 (2001), nummer 5 (2 februari).