Suggesties en ideeën om de kerkdienst vorm te geven

LITURGIE LEREN MAKEN DOOR TE DOEN

Fragmenten en bouwstenen De tijd dat exact vastlag hoe het er in de kerkdienst aan toe dient te gaan, is voorbij. Toch willen gemeenteleden en predikanten graag een handreiking, hoe het zou kunnen. ‘Fragmenten en bouwstenen’ van Jan de Jongh kan goede diensten bewijzen.

‘Learning by doing’, of in gewoon Nederlands: ‘Leren door te doen’. Dat is het motto waarmee ik het boek Fragmenten en bouwstenen van Jan de Jongh wil bespreken. Het is niet zozeer een leerboek, maar een doeboek. De ondertitel luidt dan ook Liturgie maken. Een tekst- en werkboek. Het is niet de eerste publicatie van De Jongh op dit gebied. Hij schreef in de jaren negentig vier vergelijkbare boeken, maar dit is met 298 bladzijden veruit het dikste. De eerdere uitgaven hadden in de ondertitel ‘werk- en tekstboek’, al gebruikte de auteur het in de gebruiksaanwijzing van de laatste, Zomerstilte, al in omgekeerde volgorde een ‘tekst-, werk- en meditatieboek’. Deze volgorde is ook in Fragmenten en bouwstenen in de ondertitel verwerkt: ‘tekst- en werkboek’. Een reden voor deze omkering kan ik niet direct vinden. Het is wel logischer. Het boek biedt liturgische teksten. Het boek is er het eerst. Dan pas kan er gewerkt gaan worden.

Oud en nieuw materiaal
Wie Fragmenten en bouwstenen doorbladert vraagt zich onwillekeurig af, of hij niet van doen heeft met een compilatie van de eerdere uitgaven, Liturgie maken, De honderd dagen rond Pasen, Rond de laatste nacht en het al genoemde Zomerstilte. Het eerste woord uit de titel, fragmenten, blijkt daar mee te maken te hebben. De Jongh noteert in de verantwoording: ‘Het boek is fragmentarisch. Allereerst omdat ik in het algemeen niet opnieuw opnam of vermeldde, wat al in mijn vier eerdere liturgieboeken te vinden is.’ Het is jammer dat niet duidelijk wordt, wanneer en waarom soms wél materiaal opnieuw wordt opgenomen. Verder zou ik er als gebruiker mee geholpen zijn als het trefwoordenregister niet alleen betrekking had op Fragmenten en bouwstenen, maar ook op zijn vier voorgangers. De Jongh vervolgt in de verantwoording: ‘Het boek is ook fragmentarisch, omdat het een groot aantal beknopte aanwijzingen en observaties bevat, die in een handboek uitgewerkt en genuanceerd zouden moeten worden.’ De auteur is hier bescheiden en terughoudend. Hij dekt zich begrijpelijkerwijze in tegen mogelijke kritiek. Wie met dit en de vorige boeken in de praktijk aan de slag gaat en verder aanvullende literatuur zoekt, zal echter veel uitwerking en nuancering vanzelf op het spoor komen. Learning by doing. Er is wel één belangrijke beperking. De Jongh schrijft vanuit zijn ervaringen in een oecumenische studentengemeente. Zo’n gemeente kent een eigen sfeer en spiritualiteit. De lezer zal daar wel enige affiniteit mee moeten hebben, wil hij met het boek uit de voeten kunnen.

Zoeken en bladeren
De Jongh brengt het materiaal onder in drie hoofddelen: ‘Het jaar door’, ‘Gelegenheden’ en ‘Rond de hoofddienst’. Het is me niet gelukt te doorgronden, waarom deze volgorde gekozen is. Nu komen bijvoorbeeld de getijden met morgen- en avondgebed aan de orde vóór de hoofddienst, terwijl de auteur ze zelf aanduidt als ‘alternatief voor hoofddienst’. In het hoofdstuk ‘Het jaar door’ wordt invulling gegeven aan hoofddienst en getijden op bepaalde momenten in het kerkelijk jaar, terwijl er nog niet over de orde en invulling van die diensten gesproken is. Met andere woorden: de argeloze gebruiker kan nog niet plaatsen wat hij leest. Hij zal behoorlijk moeten bladeren en zoeken. Maar deze gebruiker leert wel, net als de jongere die zich zonder handleiding aan een computerspelletje zet en door steeds maar weer proberen zichzelf de benodigde kennis eigen maakt. Bladeren, zoeken, proberen, het hoort bij een boek als dit.

Ideeën
Predikanten en liturgiecommissies zitten nogal eens om een idee verlegen. Het ene jaar en het ene thema volgt het andere op. Wat zullen we dit keer doen? Fragmenten en bouwstenen kan dan op gang helpen. Soms zijn de suggesties uit het eerdere werk bekend, maar de beschrijving is net even anders. Dat ‘net even anders’ onderstreept dat liturgie voortdurend in beweging is, ook voor de auteur zelf. Zo krijg ik ook de indruk, dat hij spaarzamer is geworden me het gebruik van de gebedsaanspraak ‘Heer’. Ik schreef hiervoor bewust dat het boek op gang helpt. De Jongh biedt geen volledig uitgewerkte vieringen. De lezer zal zelf aan de slag moeten!

Norm
In het tweede hoofddeel, ‘Gelegenheden’, heeft De Jongh een hoofdstuk opgenomen over de (kinder)doop. Een vergelijking met De honderd dagen rond Pasen leert me dat veel tekstmateriaal daar ook al te vinden is. Het geheel doet echter wat rommelig aan. De doop zelf is typografisch weggemoffeld. De doopformule ontbreekt. Nu is dat geen nieuwe tekst. Het zou echter voor het over- en inzicht van belang zijn geweest om de tekst wél op te nemen. Met deze punten raak ik een van mijn aarzelingen bij dit boek: wat is de norm? De Jongh biedt bij een aantal onderwerpen een verantwoording en doet handreikingen in welke richting het zou kunnen gaan. De gemaakte keuzes komen soms wat willekeurig over. Hij constateert bijvoorbeeld: ‘Steeds meer wordt de doop omringt door allerlei ritualia en versieringen (doopbekers, gedichten, inschrijfrollen, Jordaanwater (…)). Misschien komt dat in onze individualistische cultuur ook, omdat men het eigenlijke symbool niet meer verstaat.’ Hij pleit daarom voor dopen bij onderdompeling, schenkt terecht geen aandacht aan de genoemde versieringen, maar laat na de consequenties te trekken voor de ritualia die de doop vaak zijn gaan omringen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan een uitvoerige zalving. Leidt dat niet af van de doop zelf? De norm ligt in De Jonghs (voormalige) praktijk. De gebruiker zal kiezen wat hij mooi vindt. Zo gaat het vaak als nieuw materiaal gezocht wordt. Fragmenten en bouwstenen bevat véél van dat materiaal. Tegelijk wordt de lezer maar beperkt in staat gesteld te toetsen, op welke keuzen dat materiaal gebaseerd is. Veel historische gegevens, maar wanneer gebruik je die nu wel en wanneer niet? De mogelijkheden tot verdieping zijn daarmee beperkt. De kracht van het boek is daarmee tevens een zwakte. Het boek zou aan waarde hebben gewonnen, als De Jongh systematischer had aangeven, hoe hij zich verhoudt tot het Dienstboek van de Protestantse Kerk. Hij zou daarmee een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van de liturgie in (een deel van) de Protestantse Kerk. Het zou ook voorkomen dat De Jonghs aanpak op een enkel punt gedateerd overkomt. Hij verzet zich tegen de klassiek gereformeerde liturgie met schuldbelijdenis en tien geboden. De tien geboden kunnen echter ook elders in de dienst een plek krijgen, zo lezen we in het eerste deel van het Dienstboek. Dat blijft nu geheel buiten zicht.

Fragmenten en bouwstenen is een boek dat inspireert en aanzet tot het gebruiken van de eigen creativiteit in de liturgie. Het is voor het vasthouden van de liturgische rode lijn alleen wel dienstig de beide delen van het Dienstboek ernaast te houden.

Uitgever van het besproken boek: Meinema, Zoetermeer. ISBN 90 211 4061 6. Prijs: 24,50 Euro.

Klaas-Willem de Jong.


Dit artikel is licht bewerkt gepubliceerd in Centraal Weekblad 53 (2005), nr. 44 (4 november).


http://www.kwdejong.info

© 2005, KWdJ