De inzet van ds. J.H. Gerretsen

Gezamenlijke aanbidding: het hart van de liturgie

Aanbidding door de herders - Giorgione 'Het is God zelf die "zijn naam doet gedenken" (Exodus 20: 24). De eredienst is daarom een dienst van God aan mensen, die de dienst van mensen aan God oproept, draagt en omvat.' Zo luiden twee zinnen uit het eerste uitgangspunt van het in 1998 verschenen Dienstboek. Een van de kernwoorden achter deze omschrijving is het begrip aanbidding. Dat begrip komen we tegenwoordig vooral tegen in evangelicale kring. In hedendaagse liturgische literatuur wordt het nauwelijks meer gebruikt. Waar komt het begrip vandaan? Hoe heeft het vorm gekregen? We beginnen bij de predikant die het bijna een eeuw geleden op de liturgische agenda heeft geplaatst, Jan Hendrik Gerretsen. Vervolgens gaan we na, hoe het zich in de praktijk van de liturgie verder heeft ontwikkeld.

Experiment
Jan Hendrik Gerretsen (1867 - 1923) werd in 1898 bevestigd als predikant van de Hervormde Gemeente Den Haag. Den Haag was een snel groeiende stad. De Hervormde predikanten preekten rond in de verschillende kerken, gevolgd door een trouwe schare. Het draaide om de preek, de rest was bijzaak. Het kerkbezoek was overigens niet erg groot. Naar schatting 10 ŗ 15 % van de 100.000 Haagse Hervormden ging aan het begin van de vorige eeuw op zondag ter kerke.
Het is niet helemaal duidelijk, waar Gerretsens belangstelling voor de eredienst vandaan komt. Gerretsen was aanvankelijk sceptisch over de liturgie. De kerk heeft predikers nodig, zo stelde hij met kracht. Een ziekteperiode in 1902 waarin hij geruime tijd niet kon (s)preken, lijkt daarin verandering te hebben gebracht. Liturgie is echter nooit een absolute 'must' geworden. Gerretsen wist dat talloze gemeenteleden vrijwel nooit in de kerk kwamen. Hij pleitte ervoor met het oog op hen diensten te houden met een eigen, evangeliserend karakter.
In het eerste halfjaar van 1911 wordt de theorie praktijk. Gerretsen ontwikkelde een liturgisch model. Vervolgens benaderde hij de Haagse kerkenraad. Het liefst zou hij gezien hebben dat de kerkenraad de liturgie zou vaststellen en invoeren. Dat zou een radicale ommekeer zijn geweest in de toenmalige gang van zaken, waar de predikant bepaalde wat er in een kerkdienst zou gebeuren. Gerretsen hoopte op morele steun en verkreeg die ook, met name van de niet-predikanten in de kerkenraad. Op 12 november 1911 was het dan eindelijk zover en werd de eerste 'liturgische dienst' gehouden in de Kloosterkerk.

Aanbidding
Wat heeft dit experiment nu met aanbidding te maken? Bij de eerste liturgische dienst schreef Gerretsen in de kerkbode enkele toelichtende artikelen, later gebundeld in de brochure Liturgie. Gerretsen is voorzichtig. Hij erkent nadrukkelijk de waarde van de preek. Wezenlijk voor het karakter van de eredienst is echter de gemeenschappelijke aanbidding. Aanbidding wordt ingegeven door de liefde voor God. 'Aanbidden is voor God nederknielen en Hem de eere geven, die Hem toekomt, het is dankbaar opzien tot God, het is zich zelven in God verliezen.' De liefde voor God veronderstelt de liefde van God die in het hart van de gelovige wordt uitgestort. Die liefde brengt de gelovige ertoe anderen lief te hebben en sŠmen God te aanbidden. Voor Gerretsen is gemeenschappelijke aanbidding daarom de hoogste vorm van aanbidding. Hierin komt de liefde van en voor God optimaal tot haar recht. Het gemeenschappelijk karakter van de aanbidding overstijgt de tijd. In de liturgie verbindt de gemeente zich met de kerk van alle eeuwen, en daarmee met de kerkelijke belijdenis van alle eeuwen. Wil de gemeente dit gezamenlijk doen, dan zal zij afspraken moeten maken. Zij: de gemeente, niet de predikanten onderling. Gerretsen bereikte dit in zijn liturgische diensten door deze een vaste structuur te geven, met bijvoorbeeld aan het begin schuldbelijdenis, genadeverkondiging en geloofsbelijdenis. De voorganger gebruikt vaste bewoordingen, ontleend aan de Bijbel of aan formuliergebeden uit de tijd van de Nederlandse Reformatie. Elk van deze onderdelen wordt door de gemeente beantwoord met een vast gezang dat zonder nadere aankondiging wordt gezongen. In dit alles valt vooral de principiŽle gezamenlijkheid van de aanbidding op. Het individu treedt op de achtergrond, zowel de individuele voorganger als de individuele kerkganger. Hierin lijkt Gerretsens ideaal te verschillen van de moderne evangelicale praktijk waar in alle gemeenschappelijkheid juist wel het individu met zijn gevoel en zijn geloof centraal staat.

Doorwerking
De kern van Gerretsens betoog is: de liturgie draagt een gebedskarakter en dient overeenkomstig dat karakter te worden ingericht. De Hervormde Kerk pakte dit aanvankelijk niet op. Met de oprichting van de Liturgische Kring aan het begin van de jaren twintig kreeg Gerretsens experiment evenwel een vervolg. Langzamerhand verdween in de modellen van de Liturgische Kring het leerstellige. De eredienst begon de sfeer van het gebed te ademen. Toch dringen deze veranderingen maar in een klein deel van de Hervormde Kerk door. Het Dienstboek Ö in ontwerp uit 1955 bedt weliswaar alle kerkelijke handelingen in in een orde van dienst, toch is het leerstellige nergens afwezig.
De Gereformeerde Kerken pakten een ander aspect uit Gerretsens gedachtegoed op. Zij richtten zich op de afspraken die noodzakelijk zijn om gezamenlijke aanbidding mogelijk te maken. Zij waren daar tot op zekere hoogte al bekend mee. Zo werden overal de klassieke, 16e eeuwse formulieren gebruikt voor Doop, Avondmaal, enzovoort. De kerkorde schreef dat voor. In de jaren twintig groeit het verlangen om afspraken te maken over de gewone, zondagse orde van dienst. In 1933 lukt het daarover een landelijk besluit te nemen, al blijft de nodige variatie mogelijk en zijn de plaatselijke kerkenraden vooral moreel gebonden. De prediking is het centrale element. Het verkondigend karakter van de oude formulieren blijft volledig geaccepteerd.

Doorbraak
In de tweede helft van de jaren vijftig ontstond in beide kerkgenootschappen nieuwe liturgische beweging. In de Amsterdamse Maranathakerk startte het experiment van de 'Nocturnen' waarin de Hervormde Willem Barnard een leidende rol vervulde. Hij oriŽnteerde zich op een brede, oecumenische traditie en bepleitte een verschuiving van didactische liturgie naar liturgische didachŤ: 'Al zingende en biddende eenstemmig, worden de kerkgangers opgeleid en ingewijd, saamhorig als het ego van het credo. Vergadering wordt lichaam, menigte gemeente, enkeling cel, mond en oren poriŽn.'
In de Gereformeerde Kerken ontstond de Gereformeerde Werkgroep voor Liturgie. Eťn van haar leden was G.N. Lammens, landelijk bekend door radio en televisie. Tot dan toe was alle aandacht gericht geweest op de afspraak op basis waarvan de eredienst gestalte kreeg. Lammens verdiepte zich nu verder in de positie van degenen die de afspraak maakten en participeerden in de eredienst: de gemeente (voor wie kerkenraad besluiten neemt). Het is de gemeente die gedenkt. Hij definieert de kerkdienst als 'een gezamenlijke viering waarin mensen op velerlei wijze elkaar de dienst van het Woord bewijzen.'
In de Protestantse Kerk komen beide lijnen samen. In Dienstboek. Een proeve (1998 en 2004) is het gebedskarakter van de liturgie stevig verankerd. Het leerstellige heeft een marginale plaats gekregen. In het uitgangspunt dat aan het begin van dit artikel wordt geciteerd wordt de aanbidding opgenomen in een bredere beweging. Aanbidding kan makkelijk worden verstaan als een dienst van mensen aan God. Het Dienstboek zet de puntjes op de i en benadrukt dat het initiatief voor die dienst uiteindelijk bij God zelf ligt. Gelovigen komen niet uit eigener beweging in de eredienst bij elkaar, omdat zij daar nu toevallig zin in of behoefte aan hebben. Ze worden in beweging gezet door het Woord van God. DŠt zet hen in beweging om God lof en dank te brengen.

Vragen
Bij de hiervoor geschetste ontwikkeling zijn allerlei vragen te stellen. Twee wil ik onder woorden brengen. De eerste betreft de gezamenlijke aanbidding. Gezamenlijke aanbidding was voor Gerretsen het hoogste goed. Ik onderschrijf het hoge ideaal. Maar is de gezamenlijkheid in de praktijk niet vaak beperkt tot uiterlijke vormen? Ieder beleeft er het zijne aan. Ofwel: is de principiŽle afstand tussen de liturgische en evangelicale beweging wel zo groot als het soms lijkt?
De tweede vraag betreft de leerstelligheid. In het verlengde van Gerretsens ideaal is lange tijd het leerstellige in bijvoorbeeld de formulieren als niet-liturgisch terzijde geschoven. Typerend voor de liturgie was het gebedskarakter, de aanbidding. In het Dienstboek wordt dat in zoverre gerelativeerd dat de aanbidding van de mens door God wordt opgeroepen. Er is sprake van een dubbele beweging, een beweging van God die de beweging van mensen oproept. Betekent deze nuancering niet dat er in de liturgie meer ruimte mag zijn voor het leerstellige, het verkondigen van Gods heilsdaden? In deel II van het Dienstboek is meer ruimte voor het leerstellige, maar het lijkt nog steeds niet echt van harte te zijn.

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 54 (2006), nr. 35 (1 september).


http://www.kwdejong.info

© 2006, KWdJ