Gereformeerden zagen weinig in kerkdienst en avondmaal

VERLEGEN MET GOEDE VRIJDAG

Kerkdiensten op Goede Vrijdag. Het lijkt heel vanzelfsprekend. Toch is het in grote delen van Nederland een relatief recent verschijnsel. Pas in 1818 werd de viering van de Goede Vrijdag vrij algemeen. Hoe kwam dit? Hoe werd op deze vernieuwing - of eigenlijk: restauratie - gereageerd? In hoeverre vallen in dit opzicht lijnen uit het verleden door te trekken naar het heden?

De Dordtse kerkorde uit 1618-19 beperkt het aantal feestdagen tot vijf: Kerst, Besnijdenis des Heren (1 januari), Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Goede Vrijdag behoort daar dus niet bij. Toch waren er nogal wat plaatsen waar aanvankelijk op die dag nog wel dienst gehouden werd. In de stad Utrecht kwam de gemeente zeker tot 1647 zelfs meermalen samen. In Friesland hielden de meeste gemeenten ook na verloop van tijd aan het oude gebruik van een dienst op Goede Vrijdag vast. Maar deze provincie stelde zich wel in meer zaken eigenzinning op ten opzichte van de Dordtse synode. Ook zijn er aanwijzingen dat elders in het Noorden en Oosten van het land de Goede Vrijdag plaatselijk in ere bleef.
In 1817 stelde de Hervormde synode een aantal maatregelen vast om de eredienst te verbeteren. Het moest allemaal stichtelijker en plechtiger, opdat er een positieve invloed van uit zou gaan op het volk. Een dienst op Goede Vrijdag zou hieraan een bijdrage kunnen leveren. De 'Vrijdag vóór Paschen' was volgens de synode een van de dagen, 'die voor den Christen een uitstekend gewigt hebben': 'de dag des doods van Hem, die ons leven, en het leven der wereld is'. We krijgen de indruk, dat de kerkganger meer op het gevoel moest worden aangesproken, dan doorgaans gebruikelijk was. Hoewel de reacties in het land soms kritisch waren, was dit nog maar het begin van de opgang die de Goede Vrijdag in de vorige eeuw zou maken.
In de volgende decennia gingen in de gemeenten steeds meer stemmen op van de Goede Vrijdag een vrije dag te maken én op die dag het avondmaal te vieren. Nieuw was dat laatste niet. Al in 1798 wilde het van origine Waalse (Frans-sprekend Hervormde) gezelschap 'Christo Sacrum' in Delft met de avondmaalsviering de viering van de Goede Vrijdag een nieuwe impuls te geven. En met de invoering van de Goede Vrijdag in 1818 werd in ieder geval in Vught direct ook het avondmaal gevierd. Later volgden gemeenten in onder meer Drente. Het waren vooral voorgangers en gemeenten met wat wij achteraf vrijzinnige opvattingen noemen, die zich hiervoor inzetten. Met de nadruk op het mens-zijn van Jezus was het veel aansprekender zijn dood mee te beleven, dan zijn opstanding. Het avondmaal kreeg steeds minder een sacramentele betekenis, sprak als eenvoudige herinneringsmaaltijd van Jezus' dood veel meer tot de verbeelding. Na veel aandringen ging de synode in 1853 overstag, al stelde ze zich wat terughoudender op dan in 1817. Toen legde ze de dienst op Goede Vrijdag op, terwijl ze nu de avondmaalsviering slechts aanbeval. Dit neemt niet weg, dat de vernieuwing in veel plaatsen diepe indruk maakte. Behoudend ingestelde gemeenten hielden zich er evenwel verre van. In sommige plaatsen hield men de oude, op de Dordtse kerkorde teruggaande, traditie in ere op Pasen het avondmaal te vieren. Dat was bijvoorbeeld nog het geval in Beesd, toen Kuyper daar predikant werd. Rond de eeuwwisseling echter hoorde het avondmaal er in veel Hervormde gemeenten op Goede Vrijdag helemaal bij.
In de Afscheiding van 1834 heeft verzet tegen de liturgische vernieuwingen van 1817 een zekere rol gespeeld. Onder de afgescheidenen is er zelfs een stroming geweest die achter de Dordtse kerkorde wenste terug te gaan. Ze wisten zich geïnspireerd door de 'Nadere Reformatie', in het bijzonder J. Koelman, en verzetten zich tegen alle feestdagen. We mogen vermoeden: ook tegen de Goede Vrijdag, al ontbreken daarvoor de gegevens. Op grond van de bijbel stelden zij, dat alleen de zondag geheiligd diende te worden. Deze opvatting kreeg vooral steun in het rivierengebied, het oostelijk deel van Gelderland en Overijssel. Op eerste Kerstdag 1835 droeg G.F. Gezelle Meerburg, predikant te Almkerk de meid op de ramen van de pastorie wassen: een openlijk teken van protest.
De Hervormde aanbeveling avondmaal te vieren op Goede Vrijdag dwong de afgescheidene synode tot een duidelijke stellingname. Zij bepaalde in 1854, "dat die dag volstrekt niet feestelijke gevierd worde", een opstelling die voor meerdere uitleg vatbaar is. Mocht de dag nu helemaal niet gevierd worden, of was het voldoende dat het niet feestelijk gebeurde? In Schiedam moet de kerkenraad het laatste gemeend hebben. Na enig aarzelen besloot hij in 1857 voor het eerst op de gedenkdag van Christus' sterven samen te komen, maar dan zónder avondmaal. Dat moest op Pasen worden gevierd. Elders kwamen afgescheidenen op Goede Vrijdag niet in de kerk, bijvoorbeeld in Winterswijk waar deze situatie tot 1893 zou voortduren.
Ook de dolerenden hebben geworsteld met de Goede Vrijdag. Een van hun voormannen, de Voorthuizense predikant W. van den Bergh, had al in zijn vorige gemeente Schaarsbergen de dienst op deze feestdag afgeschaft. In Voorthuizen maakt hij kort na zijn komst, in 1885 dezelfde keuze. De argumentatie lijkt sterkt op die van de afgescheidenen: viering van de Goede Vrijdag is Rooms; de Dordtse Kerkorde kent wel enkele feesten, maar niet deze dag; zijn viering is typerend voor een theologie waarin de godheid van Jezus wordt ge loochend. Nieuw bij Van den Bergh is het sterke accent op de avondmaalsviering. Daarin komt naar zijn opvatting de gedachtenis van Jezus' dood het best tot zijn recht, op welke zondag het ook gevierd wordt. Voorthuizen zal een van de laatste Gereformeerde Kerken zijn geweest die op Goede Vrijdag dienst ging houden, namelijk in 1949. De dolerende synoden wezen de avondmaalsviering op deze dag weliswaar scherp af, voor het overige waren ze in hun oordeel heel wat terughoudender dan Van den Bergh. Na de Vereniging in 1892 van afgescheidenen en dolerenden tot de Gereformeerde Kerken werd de Goede Vrijdag langzaam gemeengoed. De houding bleef echter lange tijd ambivalent. Officiële uitspraken werden niet gedaan. Regionale kerkbladen waren het slordig in het opnemen van de diensten op deze dag. Uit een onderzoekje naar voor-oorlogse herinneringen aan de viering van de Goede Vrijdag bleek wel, dat Gereformeerden bewust en soms ook demonstratief op deze dag bleven werken, om vervolgens 's avonds naar de kerk te gaan. Toch werden ook andere signalen afgegeven. In de twintiger jaren schijnt de Amsterdamse ds. K. Fernhout zich zelfs te hebben ingezet voor een interkerkelijk comité, dat zich bij de overheid beijverde om de Goede Vrijdag als vrije (feest)dag van een wettelijke basis te voorzien. In de vijftiger jaren was de Goede Vrijdag zo breed aanvaard, dat de kerkorde van 1957-58 ervan uitging dat elke kerkenraad op deze dag een dienst zou uitschrijven. Hier en daar is men er in de loop der jaren ook toe overgegaan het avondmaal te vieren. Veel algemener was echter in de loop van de jaren zeventig en tachtig de invoering van de Witte Donderdag. Dikwijls werd en wordt dan op Goede Vrijdag het lijdensevangelie in zijn geheel gelezen en blijft een preek achterwege. Daarin wordt opnieuw een verschuiving zichtbaar in de inrichting van deze dag. Het verhaal van Jezus' lijden moet voor zichzelf spreken. De klassieke duiding van dat lijden voldoet niet meer, zo wordt althans gemeend. Deze ontwikkeling wordt nog eens versterkt door het vrijwel gelijktijdig verdwijnen van de lijdensprediking op de zeven zogenaamde lijdenszondagen voor Pasen.

Wie alle gegevens tot zich door laat dringen, ontdekt dat er steeds een nauw verband heeft gelegen tussen liturgie en dogma. Aanvankelijk wezen sommige afgescheidenen en dolerenden de viering van de Goede Vrijdag af, omdat die het symbool was van een bepaalde, voor hen bedenkelijke ontwikkeling in de theologie. In hun afwijzing profileerden zij zich. Dat bleef toen diensten op Goede Vrijdag in de Gereformeerde Kerken gewoon geworden waren, maar op die dag demonstratief gewoon gewerkt werd. Het is niet toevallig, dat juist een stadspredikant zich inzette voor de Goede Vrijdag als een vrije dag. Anders dan op delen van het platteland was werken op deze dag in de stad niets bijzonders (meer). Niet werken, kerkgang zou daar een getuigenis zijn geweest. Na de inburgering van de dienst op Goede Vrijdag geeft de inrichting van die dienst een indruk van de verschuivingen in identiteit en spiritualiteit. Waar voorheen het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus het hart van de Gereformeerde geloofsovertuiging, overheerst nu op dat punt in meer of mindere mate verlegenheid.
De vraag rijst nu, of we na de discussies van de afgelopen jaren over de verzoening het stilzwijgen op Goede Vrijdag nog kunnen blijven bewaren. Zeker nu in de voorbereiding op Pasen Jezus' lijden veelal slechts zijdelings ter sprake komt. Liturgisch en dan met name nog liturgiehistorisch mag de afwezigheid van een verklarend woord of preek te verdedigen zijn. Vanuit de zorg voor het geloof en het hart van het evangelie zou misschien juist in dit tijdsgewricht op deze dag gesproken moeten worden.

Men leze ook in 'Eredienstvaardig' van februari 1999 het artikel 'Rouwsluier over de Tafel van de Heer? Over de herkomst van de avondmaalsviering op de Goede Vrijdag' van R.A. Bosch.

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 47 (1999), nr. 12 (26 maart).