VRAGEN BIJ EEN OVERGANGSRITUEEL

Het licht gezien ‘Er zijn al zo’n twaalf jaar verlopen, sinds jij hier het levenslicht zag …’. Dit lied zal in de weken voor de vakantie in menig protestantse kerk gezongen zijn. Het is geschreven voor een dienst waarin kinderen afscheid nemen van de kindernevendienst of de zondagsschool. Het is nog niet eens zo lang geleden, dat dit moment nauwelijks gemarkeerd werd. Er werd in ieder geval in de kerkdienst geen aandacht aan besteed. In het afgelopen decennium is rond dit afscheid een eigen ritueel ontstaan. Het past daarmee in een ontwikkeling waarin de behoefte aan rituelen sterk is gegroeid en ook tal van nieuwe rituelen zijn ontstaan. Harry Klaassens schreef er een boekje over: Groot is de wereld. Overgangsrituelen met twaalfjarigen voor kerk, school en thuis. De titel kan bekend voorkomen. Hij is geďnspireerd door een canon van Huub Oosterhuis: ‘Groot is de wereld en lang duurt de tijd, maar klein zijn de voeten die gaan waar geen wegen gaan, overal heen.’ Het boek kent vervolgens twee delen. Het eerste handelt over de achtergronden van de beschreven overgangsrituelen. Het tweede biedt handvaten voor de praktijk.

Typerend voor deze uitgave is de hoeveelheid bladzijden die is ingeruimd voor de praktijk: ruim tweederde van de 96 bladzijden. De waarde van het boek ligt vooral in het feit dat Harry Klaassens een trend signaleert en die beschrijft. Hij geeft op een bevattelijke wijze weer, wat anderen hebben geschreven. Het aangeboden materiaal om de rituelen vorm te geven, is eveneens voor een belangrijk deel van anderen. Wat zijn eigen mening betreft stelt Klaassens zich terughoudend op. Een voordeel van deze aanpak is, dat een beeld ontstaat van een ontwikkeling die gaande is. Verder zal bij de teksten en liederen iedereen wel iets van zijn gading vinden. Het past in de opzet, dat Klaassens zijn lezers oproept de eigen fantasie en creativiteit te gebruiken. Hij schetst de contouren zonder al te nadrukkelijk aan te geven ‘zo moet het’ of ‘zo moet het beslist niet’. Groot is de wereld ontbeert daarmee wel iets van bevlogenheid en flair. Maar dat kan misschien ook wel niet anders met een beschrijvende en verklarende benadering vanuit het ritueel zoals dat zich voordoet. Opvallend in dit verband is het ontbreken van een echte discussie of een overgangsritueel met twaalfjarigen in de kerk wel gewenst is. Het gebeurt en het blijkt vanuit verschillende invalshoeken zin te kunnen hebben. Daar moet de lezer het mee doen.

Denkend vanuit het ritueel zou het voor de hand hebben gelegen dat in de eerste inleidende en bezinnende hoofdstukjes meer algemene overwegingen aan de orde zouden komen: het karakter van initiatieriten en overgangsrituelen, de psycho-sociale ontwikkeling van het kind en de overgang van de puberteit daarbinnen, enzovoort. Toch doet Klaassens dat niet. Na de algemene inleiding vraagt hij eerst aandacht voor ‘12 jaar worden in het Jodendom’. Hij verbindt dit met de inzet van de inleiding: een gedicht van Willem Barnard over de 12-jarige Jezus in de tempel. Blijkbaar moet zo duidelijk worden gemaakt, dat het beschreven overgangsritueel in een Bijbels en kerkelijk kader staat. Bij de 12- of 13-jarige Joodse jongen gaat het om religieus volwassen worden: hij mag zich bar mitswah gaan noemen. In liberale Joodse kringen geldt dit ook het meisje: bat mitswah. Een vergelijking dringt zich op met de confirmatie, zoals die bijvoorbeeld in Lutherse kerken omstreeks het veertiende levensjaar plaatsvindt. Klaassens stelt dan: ‘Het grote verschil is echter dat de bar/bat mitswah geen persoonlijke belijdenis hoeft uit te spreken: hij of zij wordt al gerekend tot de joodse gemeenschap en door het overgangsritueel als religieus volwassen verklaard.’ (pag. 15) Ik vraag me af, of dit wel juist is. Zeker in een verbondsmatige benadering wordt het dooplid tot de gemeenschap gerekend. Verder is het persoonlijk aspect van de belijdenis in de protestantse traditie op verschillende wijze gewaardeerd. Voor een deel is het sterk bepaald (geweest) door het collectief – denk aan de zachte drang om op een bepaalde leeftijd na te denken over het afleggen van openbare belijdenis of aan de grote groepen die tegelijk belijdenis deden. Aan de andere kant wordt van de Joodse jongen wel degelijk iets verwacht. Dat is inderdaad geen persoonlijk ja-woord, maar hij moet wel zelfstandig bepaalde stukken uit de Hebreeuwse bijbel (voor) kunnen lezen. Deze vaardigheid heeft veel weg van het uit het hoofd reproduceren van de Heidelbergse Catechismus of het zogenaamde Kort Begrip, dat veel belijdeniscatechisanten moesten doen en in orthodoxe kringen nog steeds doen. Met andere woorden: ligt het Joodse overgangsritueel niet veel dichter aan tegen het belijdenis doen, dan Klaassens suggereert? En, zo mogelijk nog belangrijker voor dit boek: in hoeverre is het dan nog verantwoord lijnen te trekken van het Joodse overgangsritueel naar het afscheid van kinderen van de kindernevendienst? Wat betekent dat vervolgens voor de onderbouwing van het overgangsritueel? Of hangt dat hier helemaal niet vanaf, en overwegen in feite ontwikkelingspsychologische en sociaal-maatschappelijke argumenten? Daar lijkt het op, als Klaassens elders constateert dat in het verleden door de koppeling van de doop aan de geboorte en het vormsel op 12-jarige leeftijd een verwarrende samenloop ontstond tussen ‘kerkelijke inwijding met de inwijding in het leven.’ (pag. 34) Dat leidt tot nieuwe vragen. Bijvoorbeeld: kunnen en moeten beide wel zo strikt gescheiden zijn? Een overgangsritueel voor 12-jarigen heeft implicaties voor de omgang met andere rituelen, in het bijzonder met de sacramenten. Het lijkt me daarom zaak de problematiek van levensloop en kerkelijke rituelen nog eens goed te doordenken.

In het praktisch deel biedt Klaassens een schema voor de vormgeving van het ritueel. Dat is even simpel als helder: afscheid – overgang – opname. Klaassens legt dit als het ware uit over de hele dienst. Als de andere kinderen naar de nevendienst gaan, vindt het afscheid plaats van de oudsten, bijvoorbeeld door een toespraakje. De overgang vindt plaats in de lezing van de Schrift en de preek. De jongeren lezen zelf uit de Bijbel voor. In de preek wordt de opdracht meegegeven vanuit de Bijbelse traditie: neem verantwoordelijkheid voor je eigen leven en dat van anderen. De opname vindt plaats door een vorm van zegening. De jongeren krijgen een nieuwe plek in de gemeenschap.
Tal van voorbeeldteksten en enkele liederen besluiten het boek. Het zal zaak zijn goed te letten op de onderlinge afstemming. Het gevaar bestaat bijvoorbeeld, dat teveel beelden worden gebruikt. Als bij het afscheid het beeld wordt opgeroepen van uitvliegen, dan moet dat op een of andere manieren ook terugkeren bij de overgang en de opname. Als het gekozen beeld voldoende draagkracht heeft, dan kan juist met eenvoud veel bereikt worden. Klaassens oproep om creatief te zijn versta ik bij de keuze van teksten ook zo, dat ze door aanpassingen ‘eigen’ gemaakt moeten worden. Het kan anders gauw te simpel, of juist te hoogdravend gaan klinken.
Klaassens biedt verder een voorbeeld om het overgangsritueel thuis te vieren. Ik ben benieuwd, of dat in de praktijk ook echt zo kan. Onze traditie is tamelijk karig, waar het gaat om rituelen. Veel gezinnen zullen rond de maaltijd nu niet meer kennen dan een gebed en een lezing uit Bijbel of dagboek. Iets anders zal snel als gemaakt en gekunsteld overkomen. De ondertitel van het boek suggereert dat er ook aandacht is voor de school. Die blijft in het boek echter buiten zicht. Of wordt met school zondagschool bedoeld?

Wie het overgangsritueel van 12-jarigen als gegeven accepteert, zal goed uit de voeten kunnen met Groot is de wereld. Helaas ontbreekt het aan een stevige fundering. Hopelijk zullen we daar nog eens wat meer over kunnen lezen.

Harry Klaassens, Groot is de wereld. Overgangsrituelen met twaalfjarigen voor kerk, school en thuis (NZV Uitgevers 2002; ISBN 90 6986 246 8; 96 blz.; € 16,25, bestellen bij de NZV: www.nzv.nl).


Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 51 (2003), nr. 34 (22 augustus)
© 2003, KWdJ