De aantrekkingskracht van de Rooms-Katholieke Kerk

AANGERAAKT DOOR GODS GENADE

Het licht gezien Het is al weer even geleden dat ik met rode oortjes Pelgrims naar de Una Sancta en het vervolg ‘Gij zijt niet langer pelgrims’ heb gelezen. Beide boeken bevatten verhalen van zogenaamde bekeerlingen in de Rooms-Katholieke Kerk in de eerste helft van de vorige eeuw. Stuk voor stuk waren het fascinerende verhalen. Wat brengt iemand ertoe om zo’n stap te zetten? Verreweg de meesten van ons blijven immers trouw aan de geloofsovertuiging – of de afwezigheid daarvan – waarin ze zijn opgevoed, al kan de band langzaam verflauwen en uiteindelijk ook formeel worden doorgesneden. Geloven ontwikkelt zich dan langs de weg der geleidelijkheid – of ontwikkelt zich niet. Het persoonlijke en oorspronkelijke van het geloof laat zich maar moeilijk opsporen. Het is een zich voegen in de gemeenschap, waartoe ook de ouders behoren. Een bewuste overstap is buitengewoon, heeft iets authentieks. Hij is gebaseerd op een bijzondere geloofservaring en lijkt direct te wijzen naar de bron van het geloof: God zelf.

Een bekeringsverhaal, hoe goed ook verteld, heeft tegelijk iets ongrijpbaars. Het kan zelfs irriteren. In de loop der jaren heb ik om mij heen maar weinig positieve geluiden gehoord over EO-programma’s als ‘De verandering’. Veeleer was er irritatie over clichématige bewoordingen en ongeloof over het gebeurde. Zo werkt het toch niet?! Aarzeling bestaat er dikwijls ook bij een overgang tot de Rooms-Katholieke Kerk. Daarin speelt ongetwijfeld mee, dat de Nederlandse staat zich door vele eeuwen lang als hoeder van het calvinistische erfgoed heeft opgesteld. Bovendien heeft de Rooms-Katholieke Kerk in ons land op dit moment een slechte pers. De hiërarchische lijnen verdragen zich slecht met de verworven mondigheid. Het collectieve karakter van de kerk staat op gespannen voet met het gevoelen van de individuele verantwoordelijkheid. De visie van de kerk op de vrouw staat ver af van de maatschappelijke werkelijkheid. Wat dat betreft lijken de protestantse kerken er beter voor te staan. Natuurlijk, ook daar is het nodige gekrakeel, maar de bestuursstructuur heeft sterk democratische trekken en in het brede midden en ter linker zijde daarvan heeft de vrouw in principe alle mogelijkheden tot participatie en wordt de vrijheid van het individu gerespecteerd. Toch blijven al enkele decennia lang ongeveer duizend mensen per jaar de overstap naar de Rooms-Katholieke Kerk maken. Tot ver in de jaren zestig was het huwelijk met een katholieke partner dikwijls de aanleiding. Daarnaast was en is het aandeel intellectuelen onder de bekeerlingen opvallend hoog. We zouden verwachten dat deze onafhankelijke geesten zich veel beter thuis zouden voelen in een protestants milieu. Waarin ligt toch de aantrekkingskracht van Rome?

In 1999 zette de schrijver en dichter Willem Jan Otten de stap. In een interview gaf hij onlangs aan veel gehad te hebben aan gereformeerden naast hem op een camping: ‘je zag hoe het geloof gelééfd werd. Als je al het idee hebt dat gelovigen vreemde, wat gemankeerde mensen zijn, dan was dat op dat kampeerterrein onmogelijk.’ Toch werd hij niet gereformeerd. Hij had daarbij hetzelfde als bij joods: ‘je kunt het bijna niet worden’. Het is, in ieder geval historisch gezien, verbonden met een bepaalde bevolkingsgroep. Het katholicisme daarentegen is naar zijn aard algemeen, wereldwijd. Maar de aantrekkingskracht van de Rooms-Katholieke Kerk ligt voor Otten vooral in de zintuiglijkheid. Als het erop aan komt is het geloof voor de protestant uit het horen. Otten ervaart dat anders: ‘Terwijl het bij mij via alles gaat. Via geur …’. Wie een katholieke kerk binnengaat merkt dat direct. Er is veel te zien. Dikwijls ruikt het ergens in de verte naar wierook. Bij het knielen voelt de kerkganger de harde bank en drukt hij in zijn houding overgave uit. Bovendien wordt hij door deze handeling bepaald bij zijn eigen kleinheid. In de mis hoort hij de gebeden en lezingen, hij ontvangt de hostie, proeft die, ook al is de smaak niet sterk. In heel zijn lichamelijk bestaan wordt hij aangesproken, of beter misschien: aangeraakt.

In dit kader valt ook een uitspraak van voormalig bisschop Bär te verstaan. Hij groeide op in een liberaal-hervormde omgeving. Anders dan Otten had hij vóór zijn overgang al een bewuste christelijke geloofsovertuiging. Hij miste echter iets, een gemis dat in de Rooms-Katholieke Kerk oploste. Bär formuleert dat zo: ‘De Reformatie is het besef kwijtgeraakt dat de genade zich verbindt met tastbare dingen (…), maar soms hecht de genade zich wel aan iets tastbaars.’ Mede door zijn Indische achtergrond kon hij met deze beperking niet leven. Het verwondert dan ook niet, dat Bär evenals de meeste lotgenoten zichzelf niet ziet als een bekeerling. Hij ziet het veeleer als een nieuwe fase in zijn leven. Bij de term bekeerling vallen daarom nog wel wat kanttekeningen te plaatsen.

Achter Bärs uitspraak liggen wezenlijke verschillen in benadering. De katholieke theologie is geneigd inclusief te denken, inclusief de geschapen werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet. Ze sluit daarom veel directer aan op algemene gevoelens van religiositeit. Protestanten hebben veelal de neiging exclusief te redeneren. God is ‘der ganz Andere’. Wat dit betreft laat in het bijzonder de invloed van Karl Barth zich nog steeds sterk gelden, de toenemende protestantse waardering voor symboliek en ritueel ten spijt.

In de motieven van de bekeerlingen speelt ook de overstijging van het subjectieve een rol. Het katholieke, algemene, stijgt in de kerk uit boven het particuliere, individuele. Dat komt sterk naar voren in het geloofsverhaal van de filosoof prof. te Velde. In de Gereformeerde Kerken waarin hij opgroeide, voelde hij zich eigenlijk al heel jong niet thuis. De boodschap raakte hem niet. Veranderingen op het gebied van symboliek en liturgie deden hem weinig. Het was te individueel, te eclectisch, te weinig ingebed in een eeuwen omspannende traditie. Te Velde voelde zich op zichzelf teruggeworpen. In de Rooms-Katholieke Kerk daarentegen ervoer hij mee- en opgenomen te worden in een groter geheel. Dat neemt niet weg, dat ook bij hem het zintuiglijke een belangrijke rol speelt. ‘Het is interessant om te zien dat (…) bijvoorbeeld die esthetische kant van het katholieke geloof, kunnen leiden naar het religieuze. Voor mij werkt het trouwens ook omgekeerd: vanuit het religieuze wordt het esthetische op een nieuwe manier bezield en krijg het een nieuwe betekenis.’

Menig lezer zal zich bij deze verhalen afvragen, hoe deze gelovigen aankijken tegen de autoritaire kerkelijke structuren en de soms wereldvreemd lijkende uitspraken van de paus. Te Velde is zich van de problematiek bewust, maar geeft hieraan een verrassende draai: ‘Het sterke van de katholieke kerk vind ik dat er niet om je persoonlijke instemming met alles wordt gevraagd.’ En: ‘ik ben van mening dat een mening maar een mening is.’ Toch klinkt iets van moeite door als hij zijn houding nader preciseert: ‘Een voortdurende reflectie over dit soort dingen werkt belemmerend’. Toch valt er niet altijd aan die reflectie te ontkomen. Teleurstelling kan het gevolg zijn, zeker voor hen die langer geleden de stap waagden en veel zagen veranderen. ‘Alles wat zich in Rome afspeelde was zo anders dan het geloof dat ik had leren kennen.’ Deze uitspraak is afkomstig van iemand die zich progressief opstelde, maar het tegenovergestelde had net zo goed het geval kunnen zijn. Wie zich nu laat opnemen in de Rooms-Katholieke Kerk doet dat met het volle besef van wat daar gaande is. Dat geldt zeker voor de journaliste Monic Slingerland, die mede het kerknieuws verzorgt voor Trouw. Zij stelt dat ‘al eeuwenlang katholieken een eigen houding tegenover het leergezag hebben bepaald, dat er ruimte was.’ Zij laat haar aarzelingen duidelijk doorklinken, maar het heeft haar geenszins van haar keuze afgehouden. ‘Het begint niet met een organisatie, maar aan de onderkant: je loopt een kerkgebouw binnen en ontmoet daar inspiratie en confrontatie. Je wordt er geraakt.’ Ze gebruikt daarbij ook het beeld van het ouderlijk huis: je hoeft het in veel dingen niet met je ouders eens te zijn, maar het blijven je ouders, zij hebben je een thuis gegeven.

Naar aanleiding van: M. Derks, P. Nissen, J. de Raat, Het licht gezien. Bekeringen tot het katholicisme in de twintigste eeuw (Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2000; ISBN 90-6550617-9; fl. 39,67).

Klaas-Willem de Jong.


Dit artikel is geplaatst in Centraal Weekblad 49 (2001), nr. 12 (30 maart).


© 2001, KWdJ