HET ROER OM IN DE PASTORALE ORGANISATIE

Niet je adres maar je leeftijd

Pastoraat Betrokkenheid, persoonlijke aandacht, pastoraat: het zijn trefwoorden in menig kerkelijk beleidsplan. Maar hoe organiseer je dat met steeds minder mensen en een afnemende behoefte aan het klassieke kerkelijk bezoek?

De gemiddelde kerkelijke gemeente is geografisch opgezet. Er is een dorp of een wijk, op de kaart keurig afgebakend. Ook het pastoraat – collectieve en individuele vormen van bezoek – is meestal geografisch georganiseerd. Het dorp of de wijk is ingedeeld in een aantal secties. In de sectie is een ouderling werkzaam, al dan niet bijgestaan door bezoekmedewerkers, alsmede een diaken. De taakverdeling verschilt. Soms werkt de ouderling alleen coördinerend en gaan de bezoekmedewerkers bij de mensen langs. Soms combineert hij het coördinerende werk met de wat ‘zwaardere’ bezoeken.
Het systeem ziet er logisch uit. Toch begint het stilaan minder te functioneren. Dat heeft met name twee redenen. De eerste is dat de behoefte aan het traditionele bezoekwerk afneemt. Zeker de jongere garde, dertigers en veertigers met hun eventuele gezinnen, zit niet op de klassieke benadering van de kerk te wachten. De tweede reden voor de afnemende animo voor het wijk- en sectiegebonden systeem is de moeite om voldoende medewerkers te vinden, zowel ouderlingen als bezoekmedewerkers. Het werk moet met steeds minder mensen worden gedaan. Bovendien: de behoefte bij gemeenteleden is dikwijls beperkt. Een tevergeefse tocht langs de deuren leidt makkelijk tot teleurstellingen. Het aantal vragen bij de functie van het bezoekwerk neemt toe: wat doe ik daar eigenlijk? Stef Bos zingt terecht: ‘Je moet van twee kanten komen om elkaar te ontmoeten …’.

Leeftijd
In onze gemeente liepen we in toenemende mate tegen de grenzen van het geografische systeem op: veel adressen en een afnemend aantal medewerkers, relatief weinig respons, een beperkte behoefte aan kerkelijk bezoek. We zijn daarin bepaald niet de enige. Al pratende kwamen we op de gedachte dat wellicht een categoriale aanpak mogelijk zou zijn, in ons geval in vier leeftijdsgebonden categorieën. Niet meer de plaats waar iemand woont, maar iemands leeftijd is bepalend voor de organisatie. De eerste leeftijdscategorie bestaat uit kinderen en jongeren tot een jaar of 25. Zij worden benaderd en ‘gevoed’ door het jeugdwerk. De tweede categorie bestaat uit gemeenteleden in de leeftijd van 25 tot 55 jaar, met hun eventuele gezinnen. Zij zijn vaak kieskeurig in wat ze doen, want ze hebben een druk leven, zowel mannen als vrouwen: carrière, gezin, vrijetijdsbesteding, kerk en geloof. Aan de ene kant zoeken ze zelf uit welke activiteit ze kiezen, bijvoorbeeld via internet. Aan de andere kant zijn ze ontvankelijk voor enige activering. Die activering moet bij voorkeur door leeftijds- of situatiegenoten gebeuren, want daar gaan ze in eerste instantie het liefst mee om. Nieuwingekomenenbezoek heeft in deze groep meer kans van slagen als iemand uit dezelfde leeftijdssfeer dat doet.
De derde categorie wordt gevormd door de leeftijdsgroep 55-75 jaar. De meesten zijn echter op uiteenlopende manieren actief in het kerkelijk leven. Ze gaan naar een groothuisbezoek, volgen leerhuizen, zitten in de kerkenraad, enzovoort. In bijzondere gevallen zijn ze blij met aandacht en bezoek: bij bijvoorbeeld een huwelijksjubileum of ziekte.
De vierde groep bestaat uit de 75-plussers. Net als in de andere categorieën is de grens niet zo strak te trekken. De ene 80-jarige doet nog onvermoeibaar aan vrijwel alles mee, terwijl een ander van nog geen 70 jaar noodgedwongen thuis zit. Toch blijkt de oudere gemiddeld nog het meeste behoefte te hebben aan het traditionele bezoek. Bekenden om hen heen vallen weg. De eenzaamheid neemt toe. De vragen ook, over de eigen aftakeling, de naderende dood, zorgen over (klein)kinderen. Maar we moeten ook de levensvreugde op deze leeftijd niet vergeten, de rust, het plezier over wat mag maar niet meer per se hoeft. Het kan in al deze omstandigheden plezierig zijn om eens even met een ander te kunnen praten.
Elk van de genoemde categorieën wordt geleid door een of meer ambtsdragers en mede gedragen door een groep medewerkers. Ik hoorde via via van een gemeente, waar men een vergelijkbare opzet heeft ontwikkeld en van seizoenenpastoraat is gaan spreken. De lente is dan voor de groep 25-55 jaar, de zomer voor 55-75 jaar en de herfst voor 75+.

Meer mogelijkheden
De categorieën die wij hebben gevormd zijn enigszins willekeurig. In grotere gemeenten of in gemeenten met een hogere participatiegraad zijn ook andere grenzen denkbaar. Onder de twintigers zit een behoorlijke groep alleengaanden. Waarom hen niet apart benaderd? Daarnaast zijn de grenzen ook weer niet hard. Op een groothuisbezoek zullen vooral leden uit de derde categorie komen, maar jongeren en ouderen zijn in principe natuurlijk ook van harte welkom. De leeftijdsgebonden aanpak sluit een geografische aanpak niet uit. Om organisatorische redenen kan het handig zijn een bepaalde leeftijdscategorie in een bepaald aantal straten bij elkaar te houden, bijvoorbeeld met het oog op het ouderenbezoek. Groothuisbezoeken die in de eerste plaats voor (en door?!) de groep 55-75 jaar worden gehouden kunnen per deel van de wijk worden opgezet. Enzovoort.

Nadelen
Uiteraard kent de hier geschetste benadering ook nadelen. Als de klassieke wijken of secties niet meer systematisch worden bewerkt door ouderlingen en bezoekmedewerkers dreigt het gevaar dat mensen niet gezien worden. De praktijk leert dat niet iedereen die wel wat steun gebruiken kan, zichzelf meldt. Ook bestaat het risico dat de verschillende leeftijdsgroepen elkaar minder tegenkomen, bijvoorbeeld op een groothuisbezoek. Daarbij moet dan bedacht worden dat qua leeftijd de belangstelling voor deze activiteit toch vaak al eenzijdig is. Verder blijven er momenten in het gemeenteleven waar de ontmoeting wél blijft plaatsvinden, bijvoorbeeld in de zondagse eredienst of op een startzondag.

We verwachten dat met deze opzet het plezier in het bezoekwerk kan toenemen, en daarmee ook de inspiratie voor het geloof. Niet dat doen wat je moet, maar wat je kunt.

Klaas-Willem de Jong

Klaas-Willem de Jong werkte tot voor kort in Alphen aan den Rijn-Oudshoorn/Riderveld. Daar werd het hiervoor beschreven plan ontwikkeld. Nu is hij predikant in Vleuten-De Meern-Leidsche Rijn-Oost.

Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 57 (2009), nr. 27 (3 juli)



http://www.kwdejong.info

© 2009, KWdJ