NIET-KERKELIJK PLEIDOOI VOOR DE KERK

Geloven gaat verder 'Zou je je buren meenemen naar een gewone kerkdienst?' Meestal luidt het antwoord ontkennend. Er valt immer van alles op een gemiddelde protestantse kerkdienst aan te merken. Maar is deze terughoudendheid terecht?

Wie zijn er deskundig in speechen? Als de vraag zo wordt gesteld, zou ik eerlijk gezegd niet direct aan predikanten denken. Eerder aan de politicus of aan een bepaald type ondernemer. Damiaan Messing dacht wel aan predikanten. Hij startte met een bureau voor speechschrijven en ging te rade bij kerkelijke voorgangers. Hij verwachtte dat zij hem de kneepjes van het vak zouden kunnen leren. Gaandeweg ontdekte hij echter iets anders. De voorgangers hadden hem op spiritueel vlak iets te vertellen. De gesprekken die hij voerde riepen bij deze 'niet-praktiserend' katholiek iets wakker. Hij was nooit ongevoelig voor spiritualiteit geweest. Hij had het nodige gelezen uit heel verschillende tradities, vooral van ver weg. Maar wat hij zocht was voor een belangrijk deel vlakbij terug te vinden: in de kerk. Dat is een verrassende conclusie. Voor de auteur. Maar ook voor de kerk. De beeldvorming van de kerk is nu eenmaal bepaald niet positief. Buitenstaanders oordelen kritisch. Ondanks onze eigen enthousiaste inzet zijn we zelf vaak niet minder kritisch. We zijn in de kritiek gaan geloven.

De keuze van Messing voor de negen geportretteerde predikanten draagt een willekeurig karakter. Hij kwam ze via via op het spoor. Dat leidt tot een zekere onevenwichtigheid, waar hij zich overigens zelf ook van bewust is. Zo plaatst hij twee hoogleraren voor het voetlicht: F. de Lange uit Kampen en H. Selderhuis uit Apeldoorn. Dat is op een totaal van negen relatief veel. Ook inhoudelijk is er sprake van eenzijdigheid. Alleen Selderhuis behoort tot wat we de 'rechterflank' noemen. De anderen zou ik allen tot min of meer progressieve stromingen willen rekenen. Zou het oordeel van Messing net zo uitgevallen zijn als hij een doorsnee van de Nederlandse pastores gesproken had?

'Kon ik zomaar een kerk bellen om de predikant te vragen naar zijn beste preek? Ik besloot eerst naar een dienst te gaan.' Dat zijn de eerste regels van het eerste, inleidende hoofdstukje, 'Hallo kerk!' De vernieuwde kennismaking met de kerk pakt goed uit. 'Na afloop, bij de uitgang zie ik overal vriendelijke gebaren en gezichten.' De beschrijving geeft mij niet direct de indruk dat de bezochte parochie op wat voor manier dan ook bijzonder haar best doet. Het is een gewone dienst, net als vele andere.
Messing volgt negen keer hetzelfde stramien. Hij geeft een beschrijving van het gesprek dat hij met de desbetreffende predikant of pastor heeft gevoerd. Daarop volgt een preek. Als ik het goed begrijp, is hij niet bij alle ge´nterviewden ook daadwerkelijk in de kerk geweest. De gepresenteerde preek is door de predikant zelf aangereikt. Ze zijn vrijwel zonder uitzondering plezierig om te lezen. De spiritualiteit is in een aantal gevallen niet de mijne, maar ik zou ze alle willen typeren als producten van hoge kwaliteit. Toch relativeert juist gemaakte selectie opnieuw Messings bevindingen. De bezoeker van een willekeurige kerkdienst zal dit niveau slechts zo nu en dan meemaken. Het is goed te bedenken dat Messing aanvankelijk zocht naar preken die als voorbeeld zouden kunnen dienen voor het speechschrijven. Dat was het criterium, niet de representativiteit. Jammer is dan toch dat hij van deze preken alleen de tekst geeft. Elders geeft hij aan dat de tekst alleen onvoldoende is. Een preek moet niet alleen gehoord, maar beleefd worden: 'luisteren met meer zintuigen dan mijn gehoor alleen.' Verder kan de preek niet los gemaakt worden van de kerkdienst waarin ze gehouden wordt. Dat is het kader waarin ze klinkt. Hoe zou Messing bij de gekozen preken dat geheel ervaren hebben?

De conclusie van Messings boekje is een must voor iedereen die zich bezint op of actief bezig is met de missionaire aanwezigheid van de kerk in de Nederlandse samenleving. Ze kan heel goed los gelezen worden van de rest. Met plezier noteert Messing dat hij onder de ge´nterviewde pastores vrijwel zonder uitzondering optimisme en vitaliteit heeft aangetroffen. Dat verbaast hem wel. Het gaat immers niet goed met de kerk. De titel van het boekje wijst daar ook op: Het verdwijnend Woord. Toch zijn de pastores vol vertrouwen over de toekomst. Dat vertrouwen is in Messings optiek terecht. Zijn positieve ervaringen met de kerk getuigen van haar potentie. Ik maak hierbij wel de kanttekening dat Messing zich uiteindelijk vooral aangesproken weet door een algemeen religieuze benadering. In tal van kerken zal hij evenwel een meer specifiek christelijke spiritualiteit aantreffen.
Messing steekt vervolgens nog een spade dieper. 'Hoe kan het dat ik zo verrast werd? Kennelijk verwachtte ik niet veel en dat is vreemd: ik ging nog tot mijn twaalfde naar de kerk en zou herkÚnning moeten voelen in plaats van verrassing, maar blijkbaar is ergens in mijn volwassenwording de kerk als bron voor spiritualiteit uitgeschakeld.' Messing constateert dat er een weerzin tegen de kerk is ontstaat. Die weerzin houdt niet op bij de muren van de kerk, maar betreft geloven in het algemeen. 'Ik vond het verbijsterend om te zien hoezeer predikanten het geloof opgesloten zitten in een stereotype van star en suf - en ikzelf ˇˇk.' Messing betreurt het de tweedeling die is ontstaan. 'Een wereld van de traditie, met mensen die met de kerk en haar gebruiken zijn vergroeid. En een wereld daar ver vandaan, met mensen die ongelovig zijn van het instituut, maar niet van het oorspronkelijke verlangen dat eronder lag. (ů) De kerk is voor hen de kerk, maar hun spiritualiteit is anders. Ik heb echter wel gezien dat die spiritualiteit in de kerk helemaal niet anders is'. Messing doet vervolgens een goed woord voor de kerk, ˇˇk voor haar soms zo verfoeide controlemechanismen. Ze waarborgen een zekere kwaliteit. Messing stelt kritische vragen bij de alom heersende doe-het-zelf-mentaliteit inzake spiritualiteit. Pastores zijn kenners. Zij kunnen mensen op een verantwoorde manier helpen bij het zoeken naar hun weg in het leven. Messing raadt zijn (niet-kerkelijke?) lezers aan deze kans te grijpen.

Het boekje van Damiaan Messing zet aan tot nadenken. Het roept de kerk op tot een grotere zelfbewustheid, niet te verwarren met het triomfantalisme dat in het verleden wel eens de kop heeft opgestoken. De kerk heeft wat te bieden, elke zondag opnieuw.
In het kader van dit artikel moest ik denken aan een ervaring enige tijd geleden. Iemand waar ik op bezoek was, zei: 'U bent toch heel anders dan ik dacht.' Dat zegt iets over de betrokkene, over zijn vooroordelen. Het zou goed zijn als Het verdwijnend Woord bredere aandacht zou krijgen. De auteur zou het verdienen uitgenodigd te worden bij Andries Knevel. Beter nog zou een interview zijn in een programma als 'De wereld draait door'. Het zou een bescheiden bijdrage kunnen zijn aan het weerspreken van alom levende vooroordelen: de kerk is saai, bestemd voor insiders, enzovoort. Tegelijk zegt mijn bezoekervaring ook iets over mezelf. Ik had mezelf in eerdere situaties wel eens wat beter, wat duidelijker kunnen profileren. Dat brengt me in dit artikel bij de vraag: hoe kan de kerk zich beter laten kennen?

Klaas-Willem de Jong

Adriaan Messing, Het verdwijnend Woord. De ontdekking van spiritualiteit binnen de kerk (Zoetermeer 2006; ISBN 9021140993; 124 pagina's; Ç 14,50).


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Centraal Weekblad 54 (2006), nr. 24 (16 juni)


http://www.kwdejong.info

© 2006, KWdJ