'Heel veel gaat mis met onuitgesproken verwachtingen'

In gesprek met ds. Jan Oortgiesen

ds. Jan Oortgiesen Bijna veertig jaar is ds. Jan Oortgiesen werkzaam geweest in de kerk. De laatste jaren is hij hoofd van het zogenaamde mobiliteitsbureau van de Protestantse Kerk. Op 27 maart hoopt hij officieel afscheid te nemen. Als ik hem enkele weken tevoren ontmoet, heeft hij een groot deel van zijn werk en ook zijn werkkamer al overgedragen aan zijn opvolger, ds. Gerrit van Meijeren.

Kun je aangeven wat je werk inhoudt?
'Ik voer gesprekken met kerkelijk werkers, proponenten en predikanten over een mogelijke werkkring zowel binnen als buiten de kerk. Aan de andere kant heb ik contact met gemeenten die op zoek zijn naar een predikant of kerkelijk werker. Veel gaat via de mail of telefonisch. Heel soms ga ik ook wel het land in, bij bijzondere vragen rond het invullen van predikantsplaatsen, met name in krimpsituaties. Verder spreek ik zo nu en dan op werkgemeenschappen van predikanten en classes over het thema mobiliteit.'

Waar ligt de bemoediging, waar de ontmoediging?
'Het stimuleert om predikanten weer op weg te kunnen helpen, een nieuw spoor te kunnen wijzen. Zo lukte het een collega die vastliep maar sterk was in het pastoraat aan een baan als instellingspastor te helpen. Verder vind ik het fijn om een luisterend oor te kunnen bieden aan predikanten, een praatpaal te zijn voor gemeentes. Ik kan me boos maken als predikanten in een laat stadium van de procedure om discutabele redenen worden afgewezen. Het komt nog steeds voor, vooral bij homoseksuele predikanten. Eigenlijk elke losmaking is teleurstellend. Of een predikant die na langere tijd weg wil, maar daar de kans niet toe krijgt omdat de indruk bestaat dat er "iets" met hem is.'

Ik wil je werk in een wat breder kader plaatsen. Wat zijn volgens jou de belangrijkste veranderingen in de kerk in de afgelopen veertig jaar, met name wat betreft de positie van predikanten?

'Mijn adagium is: vroeger droeg het ambt de persoon, tegenwoordig draagt de persoon het ambt. Indertijd was het doorgaans voldoende als de predikant trouw zijn werk deed. Nu moet hij [hier en elders natuurlijk ook: zij] het veel meer hebben van de inzet van zijn persoonlijke competenties. Verwant hiermee is, dat de predikant meer vormingswerker, toeruster en manager of leider is geworden. Een tweede verandering is de plaats van de kerk in de samenleving. Die was vanzelfsprekend. Ze is misschien nog niet marginaal geworden, maar wel veel minder centraal. Een derde ontwikkeling is de krimp van de kerk. Die krimp geeft soms ook kramp, met alle gevolgen van dien.'

Hoe zou de kerk hier op in kunnen spelen?
'Verreweg de meeste predikanten zijn prima in staat een reguliere kerkdienst te verzorgen en het gewone pastoraat te doen. Daarnaast zijn er een aantal zaken waar ze goed in zijn, jeugdwerk bijvoorbeeld, of vorming en toerusting. Hier en daar zie ik gebeuren dat predikanten hun sterke kanten ook elders kunnen inzetten. Dat is inspirerend voor henzelf en goed voor de betrokken gemeentes die steeds pluriformer worden. Dit zou gestimuleerd moeten worden.'

'De kerk heeft op dit moment weinig sturingsmogelijkheden. Het lijkt me om meer redenen goed dat predikanten in landelijke dienst komen. De oplossing moet in de regio's vorm krijgen. Daar kent men de plaatselijke cultuur, de mogelijkheden van de individuele predikanten, enzovoort. EÚn predikant krijgt de leiding, desgewenst voor een bepaalde periode, en treedt stimulerend en sturend op, als primus inter pares (eerste onder gelijken). In deze aanpak zijn het overigens de gemeenten die zelf blijven beroepen.'

Wat betekent dit alles voor de opleiding van predikanten?
'Predikanten, zeker oudere predikanten, zijn vooral denkers. Ze hebben geleerd met hun hoofd te werken. Ik vertrouw erop dat het met het hart doorgaans wel goed zal zitten. Het probleem zit 'm in het werken met de handen. Het ontbreekt nog wel eens aan praktische vaardigheden, hoewel daaraan in de opleiding de afgelopen jaren al meer gebeurt. Een aspect daarvan is het samenwerken. Toch denk ik dat de kerk in de toekomst zowel praktisch opgeleide HBO-ers als universitair geschoolden nodig zal hebben. Beide benaderingen vullen elkaar aan.'
Er is in het afgelopen jaar meer aandacht gekomen voor de positie van losgemaakte predikanten. Hoe zou beter kunnen worden voorkomen dat losmaking plaatsvindt?
'Dat begint met de opleiding en de toelating. Communicatieve en sociale vaardigheden zijn een absolute voorwaarde voor het predikantschap. Vervolgens zullen gemeenten en predikanten geregeld eerlijk met elkaar moeten bespreken, hoe zij elkaar zien. Heel veel gaat mis met onuitgesproken verwachtingen. Predikanten zeg ik: vang signalen op, ga erop in, durf je kwetsbaar op te stellen. Gemeenten vraag ik in feite hetzelfde, maar ook: spreek de predikant open, eerlijk en vooral barmhartig aan. Te vaak horen predikanten pas op het moment van losmaking dat bepaalde zaken al jaren spelen. Verder blijven predikanten nu nogal eens te lang op ÚÚn plaats. Een periode van tien jaar lijkt me in principe de limiet. Predikanten en gemeenten zijn nu eenmaal sneller op elkaar uitgekeken dan vroeger. Een dienstverband met de landelijke kerk kan hierbij behulpzaam zijn.'

Wat zijn de mogelijkheden voor hen die eenmaal losgemaakt zijn? Het blijkt in de praktijk heel moeilijk weer in de kerk aan de slag te komen.
'Dat klopt. Op dit moment is er een re´ntegratieconsulent aan het werk die alle losgemaakte predikanten heeft gesproken. Die inventariseert en bekijkt welke mogelijkheden er zijn. Verder zou ook hier een dienstverband met de landelijke kerk soelaas kunnen bieden. Losgemaakte predikanten zouden bijvoorbeeld voor een jaar in een bepaalde gemeente kunnen werken, met actieve begeleiding. Gemeenten zien hen nu vaak als "aangeschoten wild". Maar ook de losmakingsprocedure heeft een grote impact op de betrokkene. Die heeft tijd nodig.'

Als je nog vijf jaar zou hebben gehad, waar zou je dan aan willen werken?
'In de kern toch: het bevorderen van de mobiliteit van predikanten. Ik noem een voorbeeld. Nogal wat predikanten zijn nu gebonden aan een bepaalde regio, door een eigen huis, werk van de partner en/of kinderen. Die zouden in een regio makkelijker moeten kunnen rouleren, of van standplaats ruilen. Maar dat is nu aan mijn opvolger.'

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 62 (2014), nr. 11 (14 maart)



http://www.kwdejong.nl

© 2014, KWdJ