Bij de verschijning van een herziene ‘Toelichting op de kerkorde’

Is de kerk op orde voor de toekomst?

Toelichting op de kerkorde We letten bij een nieuw huis in eerste instantie op hoe het er uit ziet. Toch beseffen we dat het op den duur veel belangrijker is, of de fundamenten in orde zijn. Zonder een goed fundament blijft van de fraaie buitenkant binnen de kortste keren niet veel over. In de kerk is het niet wezenlijk anders. Een kerkelijke gemeente moet in allerlei opzichten aantrekkelijk zijn, een goede plek om het geloof te leven. Dat hangt af van de afspraken die er gemaakt zijn. Het raamwerk daarvoor levert de kerkorde. Wie neemt beslissingen? Wat kan er in de eredienst wel en wat niet? Binnen welke kaders verlenen we praktische hulp aan wie dat nodig hebben? De Protestantse Kerk heeft in de afgelopen jaren haar kerkorde geëvalueerd en aangepast. Hoog tijd om ook de toelichting op die kerkorde te herzien. De titel is iets minder pretentieus: van De toelichting naar simpelweg Toelichting. Het lijkt me ook niet toevallig dat de meewerkende auteurs wat prominenter in beeld komen: hun namen staan boven de hoofdstukken die ze geschreven hebben, niet meer alleen weggestopt in een voorwoord. Ten opzichte van de eerste uitgave zijn er tal van andere wijzigingen te constateren. De uitspraken van de hoogste ‘kerkelijke rechtbank’, het Generaal College voor de Behandeling van Bezwaren en Geschillen, zijn verwerkt. Bij de lastige thematiek van ambtsdragersverkiezingen zijn een flink aantal FAQ’s, veel gestelde vragen, opgenomen. Dat verlevendigt niet alleen de vaak droge stof, maar maakt ook duidelijk dat het van belang is de regels goed te kennen en hanteren. Zo valt er meer te noemen. De kerkorde van de Protestantse Kerk en de bijbehorende Generale Regelingen zijn ook voor wie er zich enigszins in verdiept hebben, lastig te doorgronden. Alles hangt met alles samen. Een toelichting als deze is voor toepassing in de praktijk onontbeerlijk.

Kerkorde nodig?
De verschijning van Toelichting op de kerkorde is een goed moment om bij enkele meer fundamentele vragen stil te staan. Het eerste vraagpunt betreft de rol van de kerkorde in het kerkelijk leven. In de samenleving zien we dat ondanks verwoede pogingen van de politiek om de regelgeving te verminderen, die groeit. Ook in de kerk komen we dat verschijnsel tegen, al heb ik de indruk dat de groei minder sterk is. Nieuw is bijvoorbeeld de Generale Regeling Permanente Educatie. Met het oog op misbruik in pastorale relaties zijn maatregelen genomen. Soms is niet te ontkomen aan nieuwe regels. Tegelijk is de vraag, of de kerk in haar hedendaagse verschijning nog wel zulke stevige kerkrechtelijke fundamenten nodig heeft. Ik ben ervan overtuigd dat een aantal basisregels nodig zijn en blijven. Waarom zouden we die basisregels van plaats tot plaats laten verschillen? Bovendien maken de basisregels ons tot een kerkgenootschap van een bepaalde kleur: zo zijn onze manieren. Het is alleen al praktisch om niet steeds te hoeven vragen: hoe bent u het hier eigenlijk gewend te doen? Daar staat tegenover dat we steeds meer ontdekken dat een kerkelijke gemeente in een bepaalde context staat. Een vinexwijk verschilt wezenlijk van een klein dorp. Een pioniersplek stelt heel andere eisen dan een gemeente die al sinds de Reformatie bestaat. Een diaconaal-missionaire aanpak vraagt om een andere structuur dan een gemeenschap waar een sterk accent ligt op de liturgie. Een van de auteurs van Toelichting, prof. Koffeman, heeft in de onlangs verschenen PKN-brochure Op weg naar honderd pioniersplekken, een intrigerende schets geschreven over de kerkrechtelijke grenzen van de pioniersplek. Binnen bepaalde kaders is er veel vrijheid om de eigen koers experimenteel te ontdekken. Waarom zou dat in bestaande gemeenten ook niet kunnen? Het is jammer dat de Toelichting op dit punt wel sterk de bestaande regels volgt en niet meer de mogelijkheden voor alternatieven verkent. Bepaalde plaatselijke gemeenten zouden daar bijzonder mee geholpen zijn.

Vernieuwingen
Voor andere ontwikkelingen geldt hetzelfde. De invloed van de landelijke dienstenorganisatie op het kerkelijk leven neemt toe. Denk bijvoorbeeld aan de subsidies voor de hiervoor genoemde pioniersplekken. Hoe verhoudt zich dat met een kerk zoals de Protestantse Kerk die uitgaat van collegiaal bestuur? Nu weet ik ook wel dat de dienstenorganisatie verantwoording schuldig is aan de synode. Maar het kan nauwelijks anders dan een bestuur op afstand zijn. Ik mis op dit punt nadere reflectie.
In dit verband valt op dat steeds meer predikanten in dienst komen bij de landelijke dienstenorganisatie in Utrecht. Naast medewerkers van de dienstenorganisatie zelf zijn dat onder meer studentenpastores, interimpredikanten en straks ook de deelnemers aan de predikantenpool voor kleine gemeenten. Anders dan gemeentepredikanten hebben zij een gewone arbeidsovereenkomst. De Toelichting vermeldt dat zij als predikant in algemene dienst ‘de vrijheid van het ambt als van dienaar des Woords’ hebben. Tegelijk echter is hij of zij ‘gebonden aan de prioriteitsstelling die in zijn taakomschrijving is opgenomen.’ Maar hoe zit het, als die twee op gespannen voet met elkaar staan? Wat geeft dan de doorslag? Op dit punt biedt het boek geen nadere overwegingen. Ik vermoed dat uiteindelijk de ambtelijke verantwoordelijkheid het onderspit zal delven. De arbeidsovereenkomst is namelijk gebaseerd op de aanwezigheid van een gezagsrelatie. Die hóeft niet per definitie volledig inhoudelijk gedefinieerd te zijn, maar dat kan wel. Dit type predikant neemt in principe een afhankelijker positie in dan de gemeentepredikant. Nog diffuser is de positie van de interimpredikant. Dan zijn er drie partijen betrokken: de landelijke kerk, de dienstenorganisatie en de gemeente waar ze tijdelijk werkzaam zijn. Het voert te ver om voor problemen als deze oplossingen te suggereren.
Interessant is het nog wat verder te denken. Hoe gaat het met predikanten in de synode? De predikanten in algemene dienst zullen niet worden afgevaardigd. Het is ook niet wijs dat zij over hun eigen werkgever, de dienstenorganisatie, moeten oordelen. In het totaal van het predikantswerk zullen zij echter een steeds grotere rol vervullen. Dat moet een keer vastlopen.
Het zal duidelijk zijn. Toelichting op de kerkorde biedt een prima handvat voor de omgang met de kerkorde. Het zou echter fijn zijn als het een volgende keer ook meer een instrument zou zijn. Dat maakt het eigenlijke werk echt lichter.

P. van den Heuvel (red.), Toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland. Herziene uitgave (Zoetermeer 2013; ISBN 978 90 239 2680 1).

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 61 (2013), nr. 23 (7 juni)



http://www.kwdejong.nl

© 2013, KWdJ