Waarom de protestantse synode het rapport-Veerman in de huidige vorm niet moet aannemen

Kerkenwerk verdient maatwerk

Kerkenwerk verdient maatwerk De synode heeft zich in de afgelopen jaren tot twee keer toe verslikt in grote projecten: de organisatie van de provinciale dienstencentra en de ledenadministratie. Het devies zal daarom moeten zijn: kies voor kleinschaligheid en vernieuwing van onderop.

In november 2008 verscheen het rapport ‘De wissel voorbij: het spoor en de bielzen’, kortweg te typeren als het rapport-Veerman, naar de trekker van het project, prof. Veerman. Het rapport trekt vooral een zware wissel op de predikanten. Zij zullen in teams van 10 à 15 leden moeten gaan samenwerken. Gemeentes kunnen daar vervolgens niet in achterblijven.

Uitgangspunt
Het rapport-Veerman richt zich vooral op de organisatie van het predikantenwerk. Dat had ook anders gekund. In de United Reformed Churches in Groot-Brittannië heeft men een systeem ontwikkeld, waarin de behoeften van een plaatselijke gemeente bepalend zijn voor de inzet van professionals zoals de predikanten. Een grotere gemeente heeft meestal meer kader en kan veel meer zelf. Kleinere gemeenten daarentegen hebben eerder de ondersteuning van een predikant nodig. Dat is dus een andere benadering dan nu bij ons – en ook in het rapport-Veerman – waarbij de plaatselijke financiën doorslaggevend zijn voor het al dan niet kunnen aanstellen van een professional. Ongetwijfeld zitten er aan een benadering als deze ook allerlei haken en ogen. Het ambt krijgt wel erg weinig profiel. Het gaat dan ook om een congregationalistisch georiënteerde kerk. Toch lijkt het uitgangspunt me een stuk redelijker dan in het rapport-Veerman. Wat is namelijk het geval?
Het rapport-Veerman zet in op het teamwerk van predikanten. Van gemeenten wordt verwacht dat zij een stuk van hun zelfstandigheid opgeven ten gunste van het predikantenteam, al hoeven zij zelf niet per se nauwer samen te werken. Ervaringen tonen aan dat (wijk)gemeenten erg honkvast zijn, vaak ook erg gehecht aan hun eigen pastor. Het is dus primair de predikant die voor de taak wordt gesteld de samenwerking tot stand te brengen. Een collega karakteriseerde de functie van de predikant hier als ‘breekijzer’. Hij meldde daarbij dat breekijzers slechts een beperkte belasting kunnen hebben, anders breken ze zelf. De volgorde zal dus deze moeten zijn: gemeentes kiezen bewust voor samenwerking; vervolgens (!) vormen zich in deze gemeenteclusters predikantenteams. Om het werkbaar te houden zou het wel eens nodig kunnen zijn dat samenwerkende gemeentes fuseren tot één centrale gemeente met wijkgemeentes. Centrale gemeente en predikantenteam kunnen dan samenvallen. Zo’n ontwikkeling gaat natuurlijk niet vanzelf. Het rapport-Veerman rept bijvoorbeeld van financiële stimulansen. Ook met het propageren van samenwerken is niets mis. Als het product aanlokkelijk is, ‘verkoopt’ het zichzelf. De keuze van de gemeentes moet echter wel een reële keuze blijven, geen feitelijk opgelegde.

Teamgrootte
Ik maak hierbij nog een kanttekening die de noodzaak van maatwerk onderstreept. Het rapport-Veerman gaat uit van een vaste grootte van teams. Wat moet de middelgrote stad die nu al een team van zes predikanten/professionals heeft? Wat predikanten uit de omliggende dorpen erbij? Maar die werken vaak in heel andere omstandigheden. In feite is de situatie nog veel complexer. Modaliteiten verschillen, soms zozeer dat samenwerken maar een zeer beperkte meerwaarde heeft. Natuurlijk valt er altijd van elkaar te leren, maar wordt de kwaliteit van het werk er beter van in zo’n ‘hybride’ team? Ik geloof er niets van.

Teamleider
Een ander voorbeeld. Het predikantenteam wordt in het rapport-Veerman geleid door een teamleider. Dat is een bepaald persoon. Op dit moment krijgen nu al bestaande teams op dit punt soms heel verschillende adviezen, afhankelijk van het plaatselijke personele plaatje. In het ene geval is er sprake van een wisselend voorzitterschap, in een andere plaats wordt een vaste teamleider aanbevolen. Dat is natuurlijk niet voor niets. Het voordeel van dit type maatwerk wordt door het keurslijf van het rapport teniet gedaan.
De teamleiders krijgen op hun beurt ‘leiding’ – zo de formulering van het rapport – van een regionaal teamleider. Op zich is het natuurlijk niet verkeerd dat de teamleiders terug kunnen vallen op steun van buiten. Maar moeten ze geleid worden? De gemeentes leveren met onderlinge samenwerking en het instellen van pastoresteams al het nodige van hun zeggenschap in. Dat wordt versterkt als de teams niet alleen met de gemeentes hebben te maken, maar ook met een boven hen gestelde leiding. Dat zal ongetwijfeld tot spanningen leiden. Het is ook op dit punt maar zeer de vraag of de kwaliteit van het predikantswerk erdoor verhoogd zal worden.

Resultaat
Onlangs zei een collega: ‘Slechts 10 à 20 % van het werk dat wij doen, kan worden ingezet in een team. Voor de rest blijft alles bij het oude: het verzorgen van een pastorale wijk, het dienstdoen, enzovoort. Voor die beperkte hoeveelheid werk wordt in het rapport wel heel veel overhoop gehaald.’ Dat lijkt me de spijker op zijn kop. Ik wijs daarbij ook op het feit dat de inzet van teamleden voor gemeenten waaraan zij niet verbonden zijn, moet worden verrekend. Dat leidt tot een gigantische bureaucratie.
De huidige predikant heeft relatief veel vrijheid in de uitoefening van zijn ambt. Samenwerking in de teams zal dat beperken. Daar staat tegenover dat het rapport-Veerman mogelijkheden biedt voor een zekere mate van specialisatie en carrière. Volgens het rapport zou dit het predikantschap aantrekkelijker maken voor jonge mensen. Los van de vraag of jonge mensen met roeping daar zo heel erg in geïnteresseerd zijn, zou de bestaande vrijheid hen wel eens veel meer te bieden kunnen hebben. De beloofde specialisatie gaat ten koste van het bestaande, vrij in te vullen studieverlof.

Dit alles betekent niet dat het rapport geen goede punten bevat. Indirect gaf ik in het voorgaande al enkele hints. Intensievere samenwerking van (wijk)gemeentes lijkt me prima, maar wel op een locaal passende schaal. Een daarop volgende (!) vorming van pastoresteams is wat mij betreft akkoord. De teams kunnen een goede basis zijn voor een betere onderlinge begeleiding. Zo valt er meer te noemen. De plannen zoals ze nu in het rapport-Veerman zijn neergelegd, zijn echter veel te massief om kans van slagen te hebben. Kerkenwerk verdient maatwerk.

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 57 (2009), nr. 8 (20 februari)



http://www.kwdejong.info

© 2009, KWdJ