Een eeuw liturgische beweging in historisch perspectief

Liturgie blijft in beweging

Geloven gaat verder Dat de Liturgische Beweging in 1911 van start ging, is niet toevallig, al had het ook enkele jaren eerder of later kunnen zijn geweest. Cultureel ligt er omstreeks 1910 een cesuur. Tot dan toe was de heersende stroming die van de Moderniteit. Deze werd bepaald door een sterke nadruk op het verstand en een groot vertrouwen in evolutie, ofwel vooruitgang. Hierop reageerde de artistieke vernieuwingsbeweging van het Modernisme, vertegenwoordigd door schilders als Picasso en Matisse en in Nederland bijvoorbeeld de schrijvers Carry van Bruggen, Vestdijk en Du Perron. Nader onderzoek laat zien dat zowel de Liturgische Beweging als het artistieke Modernisme kritisch omgingen met de Moderniteit, maar wel elk op een eigen wijze.

Liturgische Beweging
In 1911 was de protestantse liturgische situatie behoorlijk eenduidig. In grote lijnen verliep de dienst overal hetzelfde, met een sterke nadruk op de preek. De belangrijkste woordvoerders van de vernieuwing zijn de Hervormde J.H. Gerretsen en de Gereformeerde A. Kuyper. Hoewel hun kerkelijke denominatie verschilt, maken zij vergelijkbare keuzes. Zij kiezen in de eerste plaats voor de gemeenschap en de gemeenschappelijkheid. Kuyper: ‘Alle Liturgie toch gaat uit van de grondgedachte, dat de kerk over den Dienaar (…) heeft te beschikken’. Deze keuze is een wezenlijk andere dan die van het Modernisme, die voor het individuele bewustzijn kiest.
Een tweede kenmerk van de Liturgische Beweging is de inzet bij geloof en belijdenis. Gerretsen stelt: ‘In de liturgie aanbidt en belijdt de Gemeente.’ Ook hier reageert de Moderniteit anders op de algemene zekerheden die de wetenschap te bieden heeft. Het doet als het ware een stapje terug en stelt zich afwachtend op.
Een derde kenmerk vloeit uit de vorige voort. Waar de Moderniteit observeert, kiest de Liturgische Beweging voor de participatie. Hoewel dit themanummer van CW zich beperkt tot de protestantse kerken, zijn in de rooms-katholieke kerk vergelijkbare ontwikkelingen te ontdekken. Paus Pius X bevorderde in 1905 met een decreet de veelvuldige communie: het bijwonen van de mis was niet voldoende, zo enigszins mogelijk dienden de gelovigen ook actief deel te nemen in het ontvangen van de gewijde hostie.
Gemeenschap, belijdenis en participatie komen samen in de aanbidding (lofprijzing). Ook hier kiest het Modernisme anders. Het verzet zich tegen de Moderniteit waar optimistisch wordt gewerkt aan een hecht en betrouwbaar, alomvattend kennisuniversum. Onzekerheid is het trefwoord van het Modernisme. De Liturgische Beweging plaatst hier de zekerheid van de mystieke verbondenheid in Christus tegenover. Gerretsen schrijft in 1911: ‘In de liturgie spreekt zij [de kerk] uit, wat zij aan waarheid bezit.’

Het heeft tijd gekost voor het programma van de Liturgische Beweging in de protestantse kerken daadwerkelijk kon worden uitgewerkt. De Gereformeerde Kerken zetten in 1933 op synodaal een principiële stap voorwaarts met het aannemen van orden van dienst. De vernieuwing was echter beperkt. De orden weerspiegelden de bestaande praktijk. In de Hervormde Kerk waren er gemeenten die een vernieuwende liturgische koers inzetten, maar kerkbreed was dit beslist niet. Pas in de naoorlogse periode zetten de kerken principiële stappen om het ideaal van de Liturgische Beweging te verwezenlijken. In de PKN zijn de beide delen van het Dienstboek (1998 en 1904) daarvan de jongste vruchten.

Evangelicale vernieuwing
Sinds enkele decennia is er een nieuwe speler in het veld, de evangelische beweging. Zij lijkt het voortouw te nemen in verdere vernieuwing. Dat gebeurt anders dan honderd jaar geleden in een veelkleurig veld. De klassieke Liturgische Beweging heeft nog steeds een grote inbreng. Daarnaast hebben anderen vastgehouden aan de aloude gereformeerde liturgie. Verder zijn in de praktijk invloeden te ontwaren van Iona, Taizé, Thomas-vieringen en de zogenaamde ‘Praise and Worship Movement’. Zelden kiest men consistent één lijn. Hoe verhoudt de evangelicale vernieuwing zich tot de noties de we eerder bij de Liturgische Beweging signaleerden? En: hoe staat deze vernieuwing in onze laat-moderne cultuur?

De gemeenschappelijkheid van de evangelische vernieuwing verschilt van die van de Liturgische Beweging. Enerzijds gaat het in de liturgie en met name in de liedcultuur om ‘ieder in zijn of haar eigen taal’. Anderzijds is de hang naar massaliteit, als het even kan, opmerkelijk.
Op het eerste gezicht lijkt de inzet bij geloof en belijdenis niet wezenlijk veranderd: een grote nadruk op de eenheid in Christus. Maar bij nadere beschouwing blijkt het objectieve plaats te maken voor het subjectieve en is de inzet veel sterker gericht op de Geest: persoonlijk geloof, ‘profetische uiting’, discipelschap, enzovoort.
Ook het karakter van de participatie is anders dan bij de Liturgische Beweging. Spontane inbreng van voorganger en kerkgangers wordt op prijs gesteld. De expressie is breder: naast zingen, staan en een ingetogen gebedshouding, behoren eveneens klappen, buigen, dansen en de handen omhoog tot de mogelijkheden.
Bij de Liturgische Beweging was de samenbindende activiteit aanbidding en lofprijzing. De evangelische vernieuwing heeft dat overgenomen, in haar uitingen wellicht zelfs versterkt. ‘Praise’ en ‘Worship’, lofprijzing en aanbidding, zijn allesbepalend.

Bij alle overeenkomst zijn er ook principiële verschillen. De Liturgische Beweging ging ten opzichte van de Modernisme een eigen weg in de kritiek op de Moderniteit. De evangelische vernieuwing schurkt in allerlei opzichten sterk aan tegen de Laat-Moderniteit. Het Geestgerichte geloof is vaak moeilijk te onderscheiden van psychologische ervaringen. De vormen van de aanbidding sluiten naadloos aan bij die van de dominante cultuur. Dat geldt de muziek, de eenduidige taal en de directe visualisatie. Noties als het andere en bijzondere, en de verbeelding raken op de achtergrond.

Beoordeling
Het is de vraag hoe we deze ontwikkelingen moeten beoordelen. Enerzijds is de vanzelfsprekendheid van kerk geloof zoals die in 1911 bestond voorbij. Het lijkt welhaast noodzakelijk dat de kerk door de knieën gaat. Anderzijds dreigt de kerk in deze beweging juist haar eigen ‘product’ te verliezen. Vooralsnog zou ik zeggen: en-en. Dat is niet nieuw. Gerretsen was er in 1911 al van overtuigd dat hij met een liturgische dienst helemaal thuis was in de Grote Kerk van ’s-Gravenhage, maar dat missionaire situaties een andere aanpak vereisten.

Voor dit artikel is intensief gebruik gemaakt van M. Barnard, ‘Liturgie voorbij de Liturgische Beweging. Over “Praise and worship’, Thomasvieringen, kerkdiensten in migrantenkerken en ritualiteit op het internet’ (Zoetermeer 2006), m.n. p. 33-76.

Klaas-Willem de Jong

Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 59 (2011), nr. 45 (11 november)



http://www.kwdejong.info

© 2011, KWdJ