LITURGIE IS MEER DAN EEN SPEL

Geloven gaat verder Is christelijke liturgie te vergelijken met een spel? Of laat christelijke liturgie zich niet met iets anders vergelijken? Een recente discussie over deze vragen blijkt oude wortels te hebben.


Onlangs startte het tijdschrift Theologisch Debat een discussie over het wezen van de christelijke eredienst. Twee liturgiewetenschappers, Marcel Barnard en Eward Postma, deden een voorzet. In navolging van de bekende historicus Joh. Huizinga vergelijken zij de christelijke liturgie met een spel. Ze wijzen bijvoorbeeld op de afgepaalde ruimte: de kerkzaal verschilt niet wezenlijk van de tennisbaan. Zowel in de liturgie als in het spel wordt het alledaagse doorbroken. Ondanks de afgrenzing van tijd en ruimte, en ondanks strikte spelregels sprake is er bij beiden in principe sprake van een volkomen vrij zijn.
Cisca Stark, docente homiletiek, preekkunde, ging het debat met Barnard en Postma aan. Zij vraagt zich af of de vergelijking met het spel wel voldoende ruimte laat voor het eigene van de christelijke liturgie. Dat eigene lokaliseert ze in het zelf-kritische van de christelijke liturgie.

Een oud debat
De discussie tussen Barnard en Postma enerzijds en Stark anderzijds, is niet nieuw. In feite deden zij een oude discussie over. In de jaren twintig en dertig kwam de liturgische beweging in ons land op, met name in de Hervormde Kerk. Aanvankelijk ging dat nog wat aarzelend. In de jeugddiensten in de grote steden werd meer aandacht besteed aan de liturgie. Elders was er van liturgische vernieuwing nog weinig te merken. Later ging het snel. In 1933 startte Het jaar onzes Heeren, een tijdschrift dat het actieve gebruik van het kerkelijk jaar ondersteunde. In 1934 verscheen het Handboek voor den Eeredienst. In 1935 werd de Liturgische Vereniging opgericht. Er bestond al een Liturgische Kring, maar deze was alleen toegankelijk voor wie ervoor uitgenodigd werd. De Vereniging stond open voor eenieder die in liturgische vraagstukken was geïnteresseerd. De liturgie kwam in betrekkelijk korte tijd hoog op de kerkelijke agenda te staan. Achter deze ontwikkelingen rijst de figuur op van prof.dr. G. van der Leeuw, hoogleraar in Groningen. Een reactie kon niet uitblijven. Deze kwam van dr. O. Noordmans. Hij publiceerde in 1939 een monografie met de eenvoudige titel Liturgie. Centraal in zijn kritiek staat de zin ‘Op Golgotha vergaan alle gestalten en alle vormen.’ Voor Noordmans is er uit principe weinig ruimte voor de vorm, voor de liturgie. Van der Leeuw had daarin heel anders gekozen: ‘De eredienst is niet een uiterlijkheid, niet een kleed, niet een vorm, maar een wezenlijk ontmoeten van God en mens’.

Actualiteitswaarde
Het voorgaande lijkt op het eerste gezicht nog weinig te maken te hebben met de discussie in het tijdschrift Theologisch Debat. Toch speelden in de dertiger jaren vergelijkbare vragen. Van der Leeuw pleitte sterk voor een zorgvuldig uitgewerkte orde van dienst. Die ont-dekte hij in de geschiedenis van de kerk der eeuwen. De onderdelen komen in het geheel van de orde tot hun recht, krijgen in die specifieke orde hun plek. Noordmans verzette zich tegen deze opvatting. Een orde van dienst zou zijns inziens een grootheid in zichzelf kunnen worden: de orde als zodanig zou kunnen gaan bepalen wat er wel en wat er niet in een bepaalde eredienst zou moeten gebeuren. Volgens Noordmans zou de liturgie het Woord dan al te gemakkelijk kunnen inkapselen. Hij wil de ruimte voor het Woord principieel open houden en wel zo ‘dat het Woord de schrilste wanklanken zal wakker roepen en dat de tekenen de werkelijkheid niet vertolken, maar er tegen vloeken.’ Het Woord krijgt bij Noordmans niet alleen gestalte in de preek, maar ook in andere onderdelen van de eredienst. Soberheid is daarbij het adagium.
De lijnen van 1939 naar 2007 zijn nu niet moeilijk meer te trekken. Zoals Van der Leeuw redeneerde vanuit de orde die de liturgiegeschiedenis presenteerde, zo redeneren Barnard en Postma vanuit de orde van het spel. Zoals Noordmans opkwam voor het kritische Woord, zo wijst Stark op het kritische karakter van de liturgie. Liturgie kan namelijk versluieren, betoveren, afhouden van de werkelijkheid. Puntig zegt Stark ergens: ‘Ook al zou iedereen vrolijk meedoen en dezelfde kant opkijken, iemand moet tijdens het spel kunnen roepen: “de keizer heeft helemaal geen kleren aan”.’

Praktische relevantie
Op het eerste gezicht lijkt dit een sterk theoretische discussie, vooral aardig voor wie in wetenschap en wetenschappelijke methode is geïnteresseerd. Toch lijkt me er alle reden toe nog eens stil te staan bij de kritische opmerkingen die Noordmans maakt bij de liturgie. De samenleving heeft behoefte aan rituelen. Ze creëert ze. De kerk gaat daarin verregaand mee. We hebben in de PKN twee dikke dienstboeken met tal van mogelijkheden. Maar er is nog veel meer, zowel binnen als buiten de kerk. Dat roept allerlei vragen op. Weten we wel wat we binnenhalen? Een recent onderzoek naar rouwrituelen laat zien dat de gebruikers van het dienstboek bij een uitvaart vaak nauwelijks weten wat ze eigenlijk doen. Toch: welk beeld van God wordt met al die rituelen opgeroepen? Is dat de God van de Schrift? Hoeveel ruimte blijft er eigenlijk over voor het Woord, voor een kritische noot?
Dezelfde vragen mogen overigens gesteld worden bij binnenkerkelijke tendensen, bijvoorbeeld de groeiende invloed van de evangelische beweging op de liturgie. In de evangelische liedcultuur ligt een sterk accent op de bevestiging van bepaalde religieuze gevoelens. Maar waar is de aanzet tot nadenken, waar de tegenspraak? Onwillekeurig denk ik daarbij aan een regel uit het Liedboek: ‘Een mens te zijn op aarde, is eens voorgoed geboren zijn, is levenslang geboortepijn.’ Dat snijdt erin!
Barnard en Postma enerzijds en Stark anderzijds hebben in hun debat over de grondslagen van de liturgie wezenlijke punten aangesneden. De liturgische praktijk zou ermee gediend zijn als dat debat verder gevoerd zou worden.

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Centraal Weekblad 55 (2007), nr. 46 (16 november)

http://www.kwdejong.info

© 2007, KWdJ