LITURGIE VOORBIJ DE LITURGISCHE BEWEGING

Liturgie voorbij de Liturgische Beweging Met elk van de scholen in onze wijk houden we ieder jaar een scholendienst. De belangstelling voor deze scholendiensten was altijd al redelijk tot goed te noemen. Dit najaar gebeurde het voor het eerst dat er meer kerkgangers waren dan plaatsen in de kerk. Slechts een minderheid van de aanwezigen behoort tot onze gemeente. Toch komen ook die anderen. Waaruit valt het succes van deze vorm van kerkelijke en liturgische gastvrijheid te verklaren?

Veranderende context
Deze gedachten kwamen bij mij boven nadat ik Liturgie voorbij de Liturgische Beweging van Marcel Barnard had gelezen. Onze scholendiensten bestaan al lange tijd. Aanvankelijk waren het kerkdiensten met bijzondere aandacht voor de kinderen van een bepaalde school. Er werd uit Alles Wordt Nieuw en het Liedboek gezongen. De thematiek sloot aan bij de roosters die in onze kerkelijke gemeente worden gebruikt. De huidige praktijk lijkt het spiegelbeeld van de vroegere opzet. De school heeft een belangrijke inbreng ten aanzien van het thema. De liederen zijn voornamelijk de liederen die de kinderen op school leren. Daartoe behoort ook het klassieke kerkelijke repertoire, maar dat is eerder uitzondering dan regel. De orde van dienst heeft nog altijd veel weg van die van een gewone zondagse eredienst. Aan het begin wordt het ‘Onze hulp’ uitgesproken, er is een gebed bij de opening van de Bijbel, er is een vorm van uitleg, er zijn voorbeden, er wordt gecollecteerd en de dienst wordt besloten met de zegen. De uitleg kan echter ook de vorm van een verhaal hebben, al dan niet gevolgd door een aantal vragen. De kinderen voeren een toneelstukje op. Ze lezen een gedicht of andere passende tekst. Barnard kijkt van een dienst als deze al lang niet meer op. Hij wil er ook zijn liturgische neus niet voor ophalen. Hij situeert een dienst als deze in een brede ontwikkeling waarin de liturgische praktijk zich vernieuwd onder invloed van een in korte tijd sterk veranderende context. Oude vormen krijgen een nieuw jasje. Nieuwe vormen winnen snel terrein, zoals thomasvieringen, taizédiensten, diensten met een evangelicale sfeer. Zelfs het traditionele kader van het kerkgebouw verdwijnt. Ook op internet ontwikkelen zich nieuwe christelijk-religieuze rituelen. Duidelijke lijnen en concrete conclusies zijn nog niet te trekken. Barnard wil in de eerste plaats observeren aan de hand van de vraag welke rol de context speelt in de ontwikkeling van liturgie.

Liturgie in ballingschap
Barnards boek valt in twee delen uiteen. Het eerste deel bestaat uit twee lezingen waarin Barnard tendensen beschrijft en daarop reflecteert. Het tweede deel omvat ‘acht observaties van christelijke ritualiteit’. In elk van de acht hoofdstukjes wordt verband met het eerste deel van het boek gelegd.
In de eerste lezing laat Barnard aan de hand van enkele publicaties van Paul Oskamp zien, hoe in ruim dertig jaar het liturgisch klimaat radicaal veranderd is. In het begin van de jaren zeventig was de Liturgische Beweging op haar hoogtepunt. Gemeenten werden geïnspireerd door de klassieke liturgische bronnen die in de grootste protestantse kerken opnieuw werden ontdekt. Ze experimenteerden volop met nieuwe liederen en teksten. In de volgende decennia begint het besef te groeien dat de liturgie op een of andere manier zal moeten antwoorden op de secularisatie. Oskamp komt bijvoorbeeld met het pleidooi om de doopgetuige opnieuw in te voeren, de peter en de meter. De doopgetuige heeft in een seculariserende context een pedagogische functie: hij helpt de dopeling thuis te raken in de gemeente. Toen in 1998 het liturgisch handboek De weg van de liturgie verscheen, leek alles nog bij het oude te kunnen blijven. Dat léék zo. Oskamp zag ook toen al de opkomst van de evangelicale stroming, al was die in het handboek verder nog marginaal vertegenwoordigd. Tevens signaleerde hij een eigen vorm van liturgie vieren in bijzondere situaties als het verpleeghuis of de gevangenis. Het zijn vieringen in een ballingschapssituatie. De gewone zondagse kerkdienst is echter nog steeds de norm. In een recente publicatie over diensten in de gevangenis maakt Oskamp duidelijk dat ook de gewone zondagse kerkdienst beschreven kan worden vanuit het ballingschapsmodel. Barnard concludeert: ‘De liturgievierende gemeente in de bajes is exemplarisch geworden voor iedere liturgievierende gemeente.’ Belangrijke elementen in de gevangenis – en dus ook voor de liturgievierende gemeente! – zijn: inbreng van de participanten, gebruik van rituelen en symbolen, een gevarieerd liedrepertoire en laagdrempeligheid. Barnard laat in deze lezing in betrekkelijk kort bestek zien wat er in de afgelopen jaren veranderd is en welke consequenties dat heeft (gehad). Ik vind het in zijn eenvoud en helderheid een van de fraaiste delen van dit boekje.
De tweede lezing is een bewerking van de inaugurele rede die Barnard hield bij zijn aanvaarding van het ambt van (bijzonder) hoogleraar aan de Vrije Universiteit, op 17 juni 2005: ‘Het vreemde succes van de Liturgische Beweging’. Barnard verdiept in deze lezing de hiervoor beschreven bevindingen. Ik besteedde vorig jaar in Centraal Weekblad aandacht aan deze lezing en ga er daarom niet opnieuw op in. Het is op zich een goede zaak dat de lezing nu voor een breder publiek beschikbaar is gekomen. Toch past hier een waarschuwing voor de geïnteresseerde lezer. De moeilijkheidsgraad van deze lezing verschilt van de rest van het boekje. De lezing beweegt zich op academisch niveau. Barnard ontkent dat ook niet. Bij mij roept het echter de vraag op of in dit boekje een gepopulariseerde versie niet meer op zijn plaats was geweest. Het had beter in het geheel gepast en het bereik was onmiskenbaar groter geweest.

Praktijkvoorbeelden
Het gevaar bestaat dat een en ander voor de gemiddelde lezer theoretisch is en blijft. Wat wil Barnard nu concreet duidelijk maken? Het is daarom een goede greep geweest acht praktijkvoorbeelden op te nemen. De methode is eenvoudig: eerst een beschrijving van de gekozen situatie, vervolgens een bezinning daarop. We komen de Kloosterkerk tegen, maar ook een dienst met een evangelicale setting, gericht op niet-kerkelijken, en een persoonlijk altaar op een internetsite van de KRO. In het commentaar op de praktijksituaties komen twee aspecten geregeld terug: de christelijke gemeente en haar traditie enerzijds en de moderne culturele context anderzijds. Opmerkelijk kritisch is Barnard over de concrete thomasviering die beschreven wordt: het gebruikte liturgische model is geen ‘reinvention’ – zoals hij dat dan noemt – van een klassiek liturgisch model, het idee van de christelijke gemeente is afwezig, de culturele context is diffuus. Hij lijkt zich daarom niet te verbazen over het geringe aantal bezoekers. De vieringen zijn op geen enkele manier geworteld.
In de reflectie slaat Barnard de brug naar hetgeen hij eerder geschreven heeft. Het is lastig dat er zonder al te veel nadere uitleg begrippen en namen opduiken die eerder besproken zijn. Verwijzingen ontbreken. Dat is voor degene die hier en daar eens een paar bladzijden leest, of voor de lezer die alles nog niet zo goed in zich op heeft kunnen nemen, een gemis.
Uit het voorgaande kunt u opmaken dat Barnard met Liturgie voorbij de Liturgische Beweging veel te denken geeft. Wie goed leest kan de contouren ontdekken van criteria waarmee veranderingen in de liturgie beoordeeld kunnen worden. Inhoudelijk blijft er veel open. Aan het begin definieert Barnard liturgie nogal formeel: ‘Liturgie is het geheel van christelijke riten en symbolen’. Maar wat is christelijk? Dat wat zich christelijk noemt of zich als zodanig presenteert? Of is er een norm waaraan dat beoordeeld kan worden?

O ja, nog even de geslaagde scholendiensten in onze gemeente. Echt verklaren kan ik het succes nog steeds niet. Wel is kan ik met Barnards boekje benoemen wat er gebeurt: we lijken er als kerkelijk gemeente in te slagen enerzijds in lijn te blijven met onze kerkelijke traditie en anderzijds recht te doen aan de context van de deelnemende school en wat daar gebeurt.

Marcel Barnard, Liturgie voorbij de Liturgische Beweging. Over ‘Praise and Worship’, Thomasvieringen, kerkdiensten in migrantenkerken en ritualiteit op het internet (Zoetermeer-Meinema, ISBN 9021140934, € 14,90).

Klaas-Willem de Jong

Dit artikel is in bewerkte vorm geplaatst in Centraal Weekblad 54 (2006), nr. 50 (15 december)


http://www.kwdejong.info

© 2006, KWdJ