KERK: MEER OOG NODIG VOOR VERZORGENDEN

Afgelopen najaar sprak een vrouw van rond de veertig mij aan. Ze werkte in de thuiszorg. Ze had daar enkele dingen meegemaakt, die verder functioneren bemoeilijkten. Of ik eens wilde komen praten. In dit en een volgend bezoek werd veel opgehelderd. Zo bleken leeftijd en gezinssituatie veel invloed te hebben op het beleven van haar werk. Twintig jaar verleden had ze veel minder moeite om ernstig zieken te verzorgen dan nu. Vrijwel iedereen was ouder dan zij. Nu was dat anders. Met enige regelmaat werd ze geconfronteerd met mensen die jonger waren dan zijzelf. Onbewust deed dat vragen rijzen over haar eigen leven. Stel nu eens dat Ö . Dit soort gedachten raakten ook haar geloof. Zo onbevangen als voorheen kon ze niet meer geloven. Op het werk bestond nauwelijks enige mogelijkheid tot gesprek. Niet alleen werk- en tijdsdruk veroorzaakten dat. Verhuizing van het kantoor naar elders beperkten de mogelijkheden om collegaís te ontmoeten. Verder bleken ook tal van collegaís het gesprek niet te willen aangaan. Tť confronterend. Zo groeide de gedachte om te kijken of er in onze gemeente geen gespreksgroep zou kunnen starten voor werkers in de zorg. In januari gingen we met een groep van tien vrouwen van start, afkomstig uit de eigen en omliggende gemeenten. Ik was de enige man in het gezelschap.

De samenstelling van de groep was bijzonder gevarieerd. Enkelen waren werkzaam in de thuiszorg, anderen zorgden meer specifiek voor ouderen of gehandicapten. Twee werkten in het ziekenhuis. De leeftijd lag tussen 28 jaar en VUT-gerechtigd. Ondanks de gemÍleerde groep, ontstond er al snel een band. De ervaring dat het elders niet zo gauw tot bezinning en gesprek komt, werd breed gedeeld. Het blijkt vaak moeilijk vragen en onzekerheid te delen, zowel met collegaís als op het thuisfront. Slechts een van de deelneemsters had geregeld trainingen, waarin ze iets van haar ervaringen kwijt kon. Het gebrek aan contact werd het sterkst gevoeld in de thuiszorg, waar vrijwel altijd individueel gewerkt wordt. Het is niet toevallig dat de deelneemsters uit deze tak van zorg inmiddels ander werk gezocht en gevonden hebben.

De eerste avond maakten we na een uitgebreide kennismaking een inventarisatie van themaís die aan de orde zouden moeten komen. Twee onderwerpen sprongen eruit: euthanasie en de verhouding tussen werk en geloof. Op de tweede en derde avond stelde een deelneemster een casus uit haar praktijk aan de orde. De vierde en laatste avond probeerden we de verschillende lijntjes bij elkaar te brengen door een gesprek over geloof en werk. Daarvoor had ik een verzameling stellingen gemaakt. Aanvankelijk was ik onzeker over de opzet van de avonden. In hoeverre is het nodig te sturen? Komt het voldoende tot verdieping? Gaandeweg bleek echter dat het in dit stadium voldoende was om het gesprek gaande te houden. Eindelijk was er gelegenheid eens vrijuit te kunnen praten!

Voor mijzelf waren de avonden uitermate informatief. Ik hoorde zaken waar ik deels wel van wist, maar nooit zo bewust bij had stil gestaan. Familie springt soms heel nonchalant om met de vraag om euthanasie. Vakantie of een feestje blijkt soms voldoende te zijn om de vraag te stellen. Gelukkig zijn artsen weinig gevoelig voor dit type druk. Omgekeerd wordt soms onvoldoende gepeild waarom de vraag naar euthanasie gesteld wordt. Het is dikwijls met eenvoudige middelen mogelijk de laatste dagen van iemands leven zoveel comfortabeler te maken. Het komt voor dat artsen daar onvoldoende aandacht voor hebben, met name in het ziekenhuis. De verzorgende kan zich in dit soort situaties machteloos voelen. Ze staat dicht bij de patiŽnt maar is zeer beperkt in haar mogelijkheden. Ook gevoelens van boosheid kunnen naar boven komen. De verzorgende moet dan echter altijd de verhouding tot zowel patiŽnt, eventuele partner, omstanders en artsen goed zien te houden. Overigens wordt ook in de zorg zeer verschillend over euthanasie gedacht.

De verzorgenden worden geregeld geconfronteerd met levensvragen. Zeker in situaties van langduriger zorg of bij een snel naderende dood komt de vraag naar zin en waarom op. Soms botsen eigen opvattingen met die van de patiŽnt. De patiŽnt heeft niets (meer) met het christelijk geloof. Toch wil de verzorgende haar eigen overtuiging niet verloochenen. Wat dan te zeggen? Of toch maar liever zwijgen? In een andere situatie hoort de patiŽnt tot de rechterflank van de reformatorische gezindte. De verzorgende vindt het moeilijk om dat te hanteren. Dit geloof ontbeert voor haar gevoel elke vorm van troost: veelal geen persoonlijke duidelijkheid over de hemel. Heeft het dan zin daar iets tegenover te stellen van de eigen hoop? Complicerend werkt in dit verband ook de verhouding tussen partners. Gevoelens en gedachten lopen soms zeer uiteen. Wat te doen als een man kort na de VUT ernstig ziek wordt, maar man en vrouw hun teleurstelling hierover niet aan elkaar durven toe te geven? Beiden hadden zich zoveel voorgesteld van de jaren die nog zouden volgen.

De verzorgende zorgt niet alleen professioneel. Sommigen hebben ook ervaring met zorg in de directe omgeving, bijvoorbeeld voor een ouder die steeds meer hulp behoeft. Enerzijds wordt in vakkundig opzicht veel van de verzorgende verwacht. Anderzijds is het onmogelijk enigszins op afstand te blijven. Het is immers je vader of moeder. Juist in een gespreksgroep als deze komen herinneringen en gevoelens ineens weer boven. Eerder was daar nooit echt ruimte voor geweest.

Bij de evaluatie waren de deelneemsters ook zelf verbaast over hetgeen de gesprekken hen gebracht hadden. ĎDit is nu een concrete vorm van gemeente-zijn.í Achtergrond en leeftijd bleken nauwelijks een barriŤre te vormen. ĎKunnen we misschien volgend jaar verder gaan, bijvoorbeeld met wat literatuur met handvaten voor bepaalde situaties?í Het smaakte naar meer. Ook werd gesuggereerd in het geheel van de kerk wat meer aandacht te laten uitgaan naar de zorg. Eťn verzorgende had het positief gewaardeerd toen eens in de voorbeden concreet voor werkers in de thuiszorg werd gebeden. Dat was een moment van gezien, erkend worden.

Tot besluit bracht een van de deelneemsters onderstaande tekst in. Een treffende afsluiting van een ook voor mij als predikant zeer leerzame groep.

Gelukkig is de mens die tot het einde
handen mag voelen die goed doen.


De hand die met aandacht wast.
De hand die met zorg aankleedt.
De hand die met liefde kamt.
De hand die met tact aanraakt.
De hand die het hart troost.

Geen mens kan leven
zonder die hand,
die teder is,
die behoedt,
die beschermt
en bemoediging uitstraalt.

Tot het einde toe
verlangt de mens naar die hand
totdat er die andere Hand is,
die alle wonden geneest,
die alle pijn heelt,
die alle tranen wist.

Tot die tijd
kunnen onze handen
een voorproefje zijn van die handen,
en handen en voeten geven
aan de liefde die onmisbaar is.

Uit: Elisabethbode 64 (1996), nr. 30.
Klaas-Willem de Jong

Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 51 (2003), nr. 20 (16 mei)

© 2003, KWdJ