BEPERKINGEN EN PERSPECTIEVEN VAN HET LEESROOSTER

Nieuwe wegen in de liturgie, De weg van de liturgie - een vervolg - Het leesrooster zoals dat in veel erediensten en kindernevendiensten wordt gebruikt, staat onder druk. Onlangs pleitte collega J. Ridderbos uit Haren puntig voor een leefrooster in plaats van een leesrooster in de eredienst. Hij is van mening, dat in de eredienst meer ingegaan moet worden op de vragen die het dagelijks leven stelt. Nu zullen de voorstanders van het gebruik van een rooster de noodzaak om op die vragen in te gaan niet ontkennen. Ook zij zijn ervan overtuigd, dat de Schrift ons en ons leven uitlegt. Toch worden bijna vijfentwintig jaar na de invoering van het oecumenisch leesrooster de aarzelingen steeds sterker. In de bundel Nieuwe wegen in de liturgie. De weg van de liturgie - een vervolg wijdt prof.dr. N.A. Schuman er een beschouwing aan onder de titel 'Jaarorde en leesorde: karakteristiek en kritische vragen'.

Hoe begon het ook al weer? In de jaren zestig en zeventig maakte protestants Nederland kennis met experimenten met verschillende leesrooster. De adem van het jaar volgde de ordening van het klassieke rooms-katholieke missaal. Aan de hand van Mozes lazen enkele gemeenten de Torah. Andere probeerden het met het driejarig rooster dat de Rooms-Katholieke Kerk na het Tweede Vaticaans Concilie presenteerde (eerste proeve in 1967). Het was prof.dr. G.N. Lammens die kans zag eenheid te brengen in deze verscheidenheid en samen met de Raad van Kerken in ons land een interkerkelijk leesrooster presenteerde, te beginnen met Advent 1977. Lammens hoopte dat het lezen, bestuderen en verkondigen van de Schrift zo meer een gezamenlijke verantwoordelijkheid van predikant n gemeente zou kunnen worden. Hij wees daarbij enerzijds op de waarde van een gezamenlijk rooster voor de ontwikkeling van de oecumene en anderzijds op de mogelijkheden die het bood voor catechese, kerkelijk vormingswerk, zondagsschool - toen nog wijd verbreid - en dergelijke. Als geen ander wist de mediaman Lammens, dat alleen bij samenwerking de kerken enige inbreng van betekenis konden hebben op radio en televisie. Het lied-van-de-week, een middel om het brede kerkpubliek bekend te maken met het Liedboek voor de kerken, was daarvan toen al een geslaagd voorbeeld.

Schuman signaleert in zijn artikel een aantal fundamentele vragen bij de roosters, zoals die tot op heden in de (protestantse) kerken in ons land functioneren. Inderdaad: roosters, in meervoud, want er zijn er vele. Maar het oecumenisch rooster van de Raad van Kerken is het meest gebruikte, al dan niet in de varianten die het tijdschrift Kind en Zondag aanreikt. De klassieke roosters zoals die tot in de jaren zestig gevolgd werden, focusten op nieuwtestamentische lezingen. In de nieuwe roosters heeft ook het Oude Testament een plaats gekregen. Dat is winst. Schuman vraagt zich echter wel af, hoe het Oude Testament dan functioneert. Het is meer dan een opmaat voor het Nieuwe Testament, maar tegelijk mag het door ons niet los van dat Nieuwe Testament worden benaderd. Ook wil Schuman nog een keer de vraag onder ogen zien, of het goed is voor voorganger en gemeente om jaar in jaar uit een leesorde te volgen. Voor hem is deze keuze nauw verbonden met een bepaalde benadering van de liturgie. De preek is daarbij een onderdeel van een groter geheel en de leesorde is ingebed in een totaalarrangement van zondagsgebed en slotgebed, passende psalm(en) en andere liederen. In de derde plaats staat Schuman stil bij de plaats van de zondag in het hedendaags leven. Wekelijks kerkgang is lang niet altijd vanzelfsprekend. De doorsnee kerkganger zal geen gebruik maken van de koopzondag, maar het doet wel iets met hem of haar. In de kerk loopt het 'seizoen' voor het gevoel van velen van september tot ergens rond Pasen, onderbroken door vrije weken tussendoor. Ook dat laat zijn sporen na in de beleving.
Schuman pleit voor de nabije toekomst voor diversificatie in typen van eredienst en daarmee ook in typen van leesroosters. Op de zondagmorgen wil hij inzetten bij de Christusviering, 'gedachtenis van het voorgoed begonnen messiaanse begin'. Dit impliceert een leesrooster met een apostolische brief of, bij voorkeur, het evangelie als hoofdlezing. Daarnaast zijn er op andere momenten leerdiensten met een eenvoudiger orde, waarin uit het Oude Testament of de Brieven der apostelen gelezen (en gepreekt) wordt. Getijdendiensten (morgen-, middag- en avondgebed) vormen hierop een aanvulling. Dan wordt op eigen, namelijk meditatieve wijze de Schrift gelezen. Dit alles vormt een eerste aanzet. Schuman weet maar al te goed, dat de veranderende omgang met tijd en zondag vraagt om creativiteit en experiment.

Ik betwijfel, of de handreiking van Schuman veel soelaas zal bieden. Te gemakkelijk pareert hij mijns inziens het door Ridderbos opgeworpen dilemma tussen leesrooster en leefrooster. Om beide op een verantwoorde wijze op elkaar te betrekken vraagt om een flinke dosis kennis en inzicht. Die is niet elke voorganger gegeven. Actuele vragen en gebeurtenissen hebben meer nodig dan een losse opmerking in de marge, juist ook als duidelijk moet worden dat de Schrift per definitie op ons leven betrokken is. We zouden al een heel eind zijn, als we wat meer ontspannen zouden omgaan met het aangereikte rooster. Een keer vanwege de grote of kleine (gemeentelijke) actualiteit, waarom niet? Een tegenwerping zal zijn, dat de actualiteit op andere momenten in de dienst en elders in het gemeenteleven aan bod dient te komen, bijvoorbeeld in een leerhuis. De praktijk leert echter dat die gelegenheden door de liefhebbers worden bezocht, een fractie van het aantal dat zondagmorgen ter kerke gaat.
Daarom ook baart de concentratie op de zondagmorgen op brieven en evangelie mij zorgen. Menig gemeentelid zal dan niet of nauwelijks meer horen preken over het Oude Testament. Ook lijkt het mij een gemiste kans, als bijvoorbeeld in de veertigdagentijd nooit meer een doorlopende lezing uit Exodus gevolgd zou worden. Het door Schuman gesignaleerde gevaar van misverstaan van Oude n Nieuwe Testament is weliswaar bezworen, maar bepaalde verbanden tussen beide raken daarmee wel op de achtergrond.
Nu zouden in de liturgisch minder 'sterke' tijden van zomer en najaar ook op zondagmorgen leerdiensten met een doorgaande lezing uit Oudtestamentische boeken gehouden kunnen worden, maar dat staat weer op gespannen voet met het door Schuman gekozen uitgangspunt van de liturgische inbedding. Nu al zijn kritische kanttekeningen te plaatsen bij de onderlinge samenhang van bepaalde arrangementen in het Dienstboek. Lezingen, gebeden en liederen (waaronder psalmen) staan soms inhoudelijk op gespannen voet met elkaar. Als alleen de lezingen wisselen, dan vrees ik het ergste. Terecht is er meer dan eens op gewezen dat we af moeten van de gewoonte om de gemeente omstandig uit te leggen, hoe het arrangement in elkaar steekt. Soms is het zelfs de inleiding van de preek. Het arrangement dient voor zich te spreken - wat overigens weer niet wil zeggen dat het op het eerste gezicht en het eerste gehoor inzichtelijk moet zijn. Spreekt het niet voor zich, dan is het wat mij betreft ongeschikt. Ik hoop overigens, dat ls er een aanbod gaat komen van een doorlopende lezing uit bijvoorbeeld het Oude Testament, meer rekening gehouden zal worden met het verkondigend karakter van de gekozen perikopen. Enkel jaren geleden bijvoorbeeld stonden Genesis 3 en 4 tezamen op het rooster van de tweede zondag na Pasen. Het is onverantwoord zulke schitterende stukken uit de Schrift in n keer in een preek te moeten verwerken.
Ik zie best de voordelen, die het oecumenisch leesrooster met zich meebrengt. Ik denk bijvoorbeeld aan het materiaal voor de kinderen, door Kind & Zondag en andere bladen aangeleverd. Zo kunnen de kinderen goed bij het geheel van de dienst betrokken worden. Ook de exegetische en homiletische handreikingen, onder meer via mailgroepen, helpen bij het voorbereiden van de dienst. De gemeente weet waar zij aan toe is. Toch zou ik samenvattend willen pleiten voor meer maatwerk. In een aanbod met in omvang bepreekbare perikopen; in een (projectmatig?) rooster dat specifieker kan worden afgestemd op de behoeften van een bepaalde gemeente en de mogelijkheden van haar predikant(en); in een sfeer waarin de ruimte bestaat om af te wijken van de voorgeschreven lezing(en). De preek is er belangrijk genoeg voor.

Naar aanleiding van een hoofdstuk uit M. Barnard en N.A. Schuman (red.), Nieuwe wegen in de liturgie. De weg van de liturgie - een vervolg (Zoetermeer 2002; ISBN 90 211 3856 5; 200 bladzijden; 22,50).

Klaas-Willem de Jong


Dit artikel is gepubliceerd in Centraal Weekblad 50 (2002), nr. 26 (28 juni)

© 2002, KWdJ