W.G. OVERBOSCH: ORGANISATOR VAN DE LITURGISCHE BEWEGING

Vorige week maandagnacht overleed op 81-jarige leeftijd Willem Gerard Overbosch. Velen die dit lezen zullen zich wellicht afvragen, wie hij was. Overbosch genoot aan de basis van de kerk maar beperkt bekendheid. Liturgisch geďnteresseerden zullen zijn naam echter meer dan eens zijn tegengekomen. De liturgische ontwikkelingen in de SoW-kerken zijn moeilijk denkbaar zonder zijn inzet.

Het begon voor Overbosch met de restauratie van de door oorlogsschade ernstig getroffen dorpskerk van Ressen, waar hij in 1944 als predikant begonnen was. Het gaf hem landelijke bekendheid. In Amsterdam kreeg hij vervolgens de kans zijn vleugels uit te slaan. Van 1949 tot 1984 was hij verbonden aan de Commissie Groot-Zuid, die in de hoofdstad de ontmoeting tussen kerk en intellectuelen en kunstenaars gestalte probeerde te geven. Het werk van de Prof.dr. G. van der Leeuwstichting, waarvan hij vele jaren voorzitter was, was hier nauw mee verwant. Dat de kunst zijn hart had, blijkt ook uit zijn inzet voor Openbaar Kunstbezit. In Amsterdam startte Overbosch in 1957 de zogenaamde ‘nocturnen’, later ‘matinen’ genoemd, samen met zijn collega predikant-dichter Willem Barnard en componist Frits Mehrtens. Overbosch bracht hier naast zijn visie op de ontwikkeling van de liturgie vooral zijn organisatorische talenten in. Vele van de nieuwe liederen uit het Liedboek voor de kerken zijn in deze broedplaats geboren. Nieuwe liturgische vormen zijn hier uitgeprobeerd, zoals de viering van het avondmaal met een tafelgebed, dus zonder didactisch formulier. Hoewel al eerder aanzetten in die richting waren gedaan, was deze benadering in de liturgische praktijk van die tijd nog zo goed als onbekend. In het verlengde van dit experiment ligt de verschijning van De adem van het jaar aan het begin van de jaren zestig. De Rooms-Katholieke kerk volgde in haar lezen van de bijbel een rooster met diepgaande historische wortels die soms tot de eerste eeuwen van het christendom terugreiken. De adem van het jaar introduceerde deze wijze van Schrift lezen voor een breder protestants publiek. Het huidig liturgisch leesrooster is zonder deze uitgave ondenkbaar.

In later jaren heeft Overbosch op deze basis verder kunnen bouwen. Hij stimuleerde het ontstaan van zogenaamde liturgische proefparochies elders in het land: gemeenten waar vernieuwend liturgisch materiaal ontwikkeld en beproefd werd. Dat verscheen bijvoorbeeld in de Liturgische Handreiking: een losbladige uitgave, om de voorlopigheid van het materiaal te benadrukken. Toen na een langdurig proces in 1973 het Liedboek voor de kerken eindelijk verschenen was, had Overbosch zich al gezet aan de samenstelling van Een compendium van achtergrondinformatie bij dit interkerkelijk gezangboek. Aanvankelijk was de liturgische vernieuwing een strikt hervormde aangelegenheid. In de jaren zestig had Overbosch nog geaarzeld, of een eventuele inbreng vanuit de Gereformeerde Kerken de ontwikkeling niet al te zeer zou afremmen. Met zijn medewerking aan de uitgave Onze hulp, verschenen in 1978, heeft hij laten zien dat van samenwerking tussen hervormden en gereformeerden wat te verwachten viel.

Ik begon te schrijven dat de naam van Overbosch velen waarschijnlijk niet direct bekend in de oren zou klinken. Toch heeft hij in de loop der jaren veel geschreven. In de Mededelingen van de Van der Leeuwstichting is menig artikel van zijn hand. Toen in 1985 Eredienstvaardig van start ging, een breed georiënteerd periodiek voor liturgie en kerkmuziek in de protestantse kerken, leverde hij de eerste jaargangen aan bijna elk nummer een bijdrage. Overbosch heeft echter met zijn pennenvruchten altijd maar een kleine groep geďnteresseerden bereikt. Hetgeen hij schreef was naar vorm en inhoud moeilijk toegankelijk. Zijn taalgebruik was niet altijd even vlot. Zijn teksten kennen tal van bijzinnen en tussenzinnen. Bij elk thema wordt op een veelheid van aspecten, op talloze mogelijke verbindingen en consequenties gewezen. Nuances waren Overbosch niet vreemd, maar zijn benadering kon tegelijk stellig zijn, op het hautaine en betweterige af. Ik verklaar dat uit het verzet waar de liturgische beweging – en dus ook Overbosch – mee werd geconfronteerd. Daarbij hoorde veel onkunde, die alleen met goed gedocumenteerde studies bestreden kon worden.

Als we de balans opmaken van hetgeen W.G. Overbosch voor de kerken betekend heeft, dan liggen zijn verdiensten vooral op het organisatorisch vlak. Hij heeft met vooruitziende blik en op kundige wijze de faciliteiten weten te bieden voor het kunstzinnig en wetenschappelijk verantwoorde liturgisch experiment. Van de liturgische teksten van Overbosch uit Onze hulp is in het Dienstboek. Een proeve bijna niets overgenomen. ’t Meeste van wat hij verder geschreven heeft, zal vermoedelijk niet vaak meer worden aangehaald. Het is door anderen van de teams waarin hij werkte dikwijls mooier en krachtiger verwoord. Niet voor niets werd Overbosch – voor intimi Tim – door bewonderaars ook wel Toverbosch genoemd. Hij had de juiste contacten, hij kende de weg in kerkelijk Nederland, hij wist hoe dingen voor elkaar te krijgen: zonder zijn initiatieven had de liturgie van de SoW-kerken er anders uitgezien!

Klaas-Willem de Jong.

Dit artikel verscheen in Centraal Weekblad 49 (2001), nummer 6 (9 februari).



© 2001, KWdJ