Paaskaars Een praktische vraag met principiële kanten

MOET DE PAASKAARS OP GOEDE VRIJDAG WORDEN GEDOOFD?

Moet de Paaskaars op Goede Vrijdag gedoofd? Dat lijkt een klein liturgisch detail. De beantwoording van deze vraag raakt echter uiteenlopende aspecten. In dit artikel probeert Klaas-Willem de Jong een aanzet tot een antwoord te geven.

De Paaskaars is in protestants Nederland een relatief recent verschijnsel. Pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw deed dit liturgisch attribuut zijn intrede in een groter aantal gemeenten. Echt nieuw is de Paaskaars niet. Ze is ontleend aan de rooms-katholieke traditie. Daar wordt de (nieuwe) Paaskaars in de Paaswake op de late zaterdagavond brandend binnen gebracht. Ze brandt in de kerk tot na de evangelielezing op Hemelvaart. Daarna gaat de kaars naar de doopkapel, waar deze met doopvieringen brandt. Plaatselijk wil men overigens ook nog wel eens van deze gebruiken afwijken.
De vraag of de Paaskaars op Goede Vrijdag gedoofd moet worden, zou met een verwijzing naar de katholieke traditie dus eenvoudig beantwoord kunnen worden. Nee. De Paaskaars staat op dat moment immers niet meer in de kerkzaal.

Toch zou dit antwoord te eenvoudig zijn. De Paaskaars heeft in protestantse kerken namelijk een eigen, gewaardeerde functie gekregen. De brandende Paaskaars wordt er vrij algemeen gezien als verwijzing naar de levende Christus. Ze brandt elke zondag, de dag die verwijst naar Zijn opstanding. Ze hoort vóór de kerkdienst te worden aangestoken: Hij leeft, onafhankelijk van ons doen en laten. Er valt een vergelijking te trekken met de zogenaamde godslamp in de rooms-katholieke kerk. De godslamp brandt dag en nacht bij de plaats waar de geconsacreerde hosties bewaard worden. Deze kaars of olielamp is een teken van eerbied voor Gods aanwezigheid. In de protestantse kerken kennen we geen geconsacreerde hosties en geen godslamp. Het element van het nooit dovende licht van de godslamp lijkt bij protestanten te zijn overgegaan op de Paaskaars.

In de korte tijd dat de Paaskaars in delen van protestants Nederland is ingeburgerd, is de vraag gerezen wat te doen op Goede Vrijdag. Een eerste aanleiding ligt in het ritueel zelf. In de Paaswake en anders in de dienst op Paasmorgen wordt een nieuwe paaskaars brandend binnengebracht. Dat roept het gevoel op dat er ‘iets’ moet met de oude Paaskaars. De tweede aanleiding tot de vraag naar omgang met de Paaskaars op Goede Vrijdag, ligt in het verhaal dat verteld wordt. In het liturgisch spel van Witte Donderdag tot en met Paasmorgen volgen we Jezus op de voet. We gebruiken daar liturgische symbolen bij. De brandende Paaskaars verwijst naar de levende Heer. Zou Zijn sterven ook niet op een of andere manier in de rituele omgang met dit symbool moeten worden opgenomen? De vraag stellen lijkt hem ook beantwoorden. Toch past één kanttekening. Het is symboliek. Het zal nooit lukken het grote mysterie van lijden, sterven en opstaan in symbolen te vangen. Het is een verwijzing, niet meer.

Vanuit het voorgaande is de gedachte om de Paaskaars in de dienst op Goede Vrijdag te doven zo gek nog niet. Het ligt voor de hand dat dit na de lezing over het sterven van Jezus plaats vindt: ‘Hij boog zijn hoofd en gaf de geest’ (Joh. 19: 30). Het doven is een herkenbare acte. Bij het sterven van een mens zeggen we soms iets als: het kaarsje is langzaam uitgegaan. Het doven onderstreept dat wat er in het evangelie geschiedt: Jezus sterft. Echt! Voor de discipelen was dit het ‘nooit meer’ dat ook wij bij het sterven van een geliefde kennen. Naarmate het menselijk karakter van Jezus’ weg meer nadruk krijgt, zal de behoefte om de kaars te doven doorgaans groter zijn. Het doven van de Paaskaars zal voor sommigen echter een te sterk dramatisch effect hebben. Daarnaast is er nog een bezwaar op theologisch vlak. We lezen weliswaar over Jezus’ sterven. We weten dat Hij leeft! De Schrift getuigt daar op haar eigen wijze van in de eerste Petrusbrief (3: 18-20 en 4:6). Na Zijn dood heeft Jezus ook aan de doden het evangelie verkondigd. Deze gedachte heeft in de Apostolische Geloofsbelijdenis gestalte gekregen in het ‘nedergedaald ter helle’. Het is echter zeer de vraag of deze theologische overwegingen zo zwaar zijn dat de Paaskaars niet gedoofd mág worden.

Naast het doven van de Paaskaars op Goede Vrijdag zijn nog twee opties te noemen. Soms wordt aan het einde van de dienst op Witte Donderdag al het liturgisch gerei uit de kerk weg gedragen: het (witte) antependium, het Avondmaalsstel, eventuele andere kaarsen, enz. Op Goede Vrijdag is het liturgisch centrum dan helemaal kaal. Bij het wegdragen van het liturgisch gerei zou ook de brandende Paaskaars weggebracht kunnen worden. Een variant op deze mogelijkheid is de brandende Paaskaars te laten staan, maar na de dienst op te ruimen. Tijdens de dienst op Goede Vrijdag ontbreekt de Paaskaars. Naast deze eerste optie en de variant daarop is er nog een tweede. De Paaskaars brandt ook op Goede Vrijdag in de dienst. Nadat gelezen is over het sterven van Jezus, wordt de kaars brandend weggebracht. Deze opzet is minder dramatisch. Het sterven van de Heer krijgt in het ritueel een plaats. Tegelijk is ook duidelijk dat het niet voorbij is. Hij is voor ons verborgen. Dat sluit aan bij de existentiële ervaring dat God afwezig is of lijkt. Persoonlijk vind ik deze optie de meest geschikte. Dit neemt niet weg dat afhankelijk van de gekozen argumenten ook een van de andere methoden van aanpak tot de mogelijkheden behoort.

Klaas-Willem de Jong.


Met dank aan de Werkgroep Eredienst van het Landelijk Dienstencentrum van de Protestantse Kerk in Nederland, waarin het vraagstuk besproken is.


Dit artikel is in licht bewerkte vorm gepubliceerd in Christelijk Weekblad 58 (2010), nr. 6 (5 februari)



http://www.kwdejong.info

© 2010, KWdJ